CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels vastgesteld BP Papenbeek 31

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Papenbeek 31;20.401 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting en regels

Vastgesteld

Bestemmingsplan

Papenbeek 31

bestemmingsplan Papenbeek 31

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend plan 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

10 10 11

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Conclusie

13 13 15 18 18 20

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Cultureel erfgoed 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling

21 21 21 22 24 24 25 26 28 29 31 33 34

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

35 35 36

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38 38 38

Bijlagen bij toelichting

41

Bijlage 1

42

2

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Regels

43

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

44 44 47

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waterstaat - Waterbergend rivierbed

48 48 52 56 60

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

62 62 62 63 63 64 64

Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

65 65 65

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Papenbeek 31

4

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Toelichting

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Papenbeek 31

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Vanuit het perceel Papenbeek 31 is zicht op het kasteel Well. Tussen kasteel Well en de bedrijfswoning Papenbeek 31 ligt een oude Maasarm. Vroeger stroomde de Oude Maasarm met de Maas mee bij hoogwater. In 1996 is de geul ingedijkt uit angst voor nieuwe overstromingen. Met de dijkversterkingsplannen voor Well komt daar verandering in. De dijken worden verlegd, zodat de Maas bij hoogwater weer door de Oude Maasarm heen kan stromen. Op dit moment liggen de bedrijfspercelen behorende bij de bedrijfswoning Papenbeek 31 nog binnendijks. Daar gaat verandering in komen, wat nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering. Daarnaast is het plan om het zogenaamde systeemherstel van de Maas te optimaliseren en daarmee de waterveiligheid te vergroten. Ook dit heeft verdere nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering. De bedrijfsvoering kan daarom niet gecombineerd worden met bovenstaande plannen. De gronden van het bedrijf zijn bovendien deels van strategische waarde in het kader van het systeemherstel van de Maas. Ten einde de plannen mogelijk te maken is het bedrijf aangekocht. Er is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf ter plaatse. Dit is waarom de bestemming van het perceel van de inmiddels voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een (burger)wonen bestemming.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Papenbeek, aan de rand van de kern van Well en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie S, nummers 2231, 2995. Het plangebied heeft een omvang van circa 3.615 m2 en wordt begrensd door:  Noordzijde: woonbebouwing aan de Papenbeek;  Oostzijde: agrarisch perceel, deel van perceel kadastraal bekend als nr 2996;  Zuidzijde: agrarisch perceel, deel van perceel kadastraal bekend als nr 2996;  Westzijde: woonbebouwing. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (rode stip)

6

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3

Geldend plan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Well', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 7 mei 2013. De gronden in het plangebied hebben de enkelbestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak voor agrarische bedrijfsbebouwing alsmede de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Daarnaast kent het plangebied grotendeels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waterstaat Waterbergend rivierbed' en voor een kleiner deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen de gronden met agrarisch gebruik is wonen alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning'.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Papenbeek 31

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Binnen de ter plaatse geldende bestemming 'Agrarisch' is wonen in de vorm van een burgerwoning niet toegestaan. Er kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid (van Agrarisch naar Wonen) omdat het huidige agrarische bouwvlak niet passend is voor de voorziene nieuwe situatie. Het te verplaatsen bijgebouw valt buiten het huidige agrarische bouwvlak. Om de functiewijziging naar 'wonen' en de verplaatsing van het vrijstaande bouwwerk van de oostzijde van de omliggende agrarische gronden naar het westelijke deel (binnen het plangebied) mogelijk te maken, wordt daarom het bestemmingsplan herzien.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 en 3 geven respectievelijk een beschrijving van de bestaande situatie en de toekomstige situatie in het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 4 en 5 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

8

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 6 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 7) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Papenbeek 31

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de Papenbeek, aan de rand van de kern van Well dat overgaat in het buitengebied. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een agrarisch perceel en verderop loopt de Kasteellaan, die begeleid door een kenmerkende bomenlaan leidt naar Kasteel Well dat ten zuiden van het plangebied is gesitueerd. Langs het gedeelte van de Papenbeek binnen de bebouwde kom bevindt zich aan weerszijden bebouwing in de vorm van twee-onder-één-kap- en vrijstaande woningen. Het plangebied is in de bestaande situatie deels bebouwd. In het noordwesten bevindt zich een grote vrijstaande bedrijfswoning met een oppervlakte van circa 325 m² met bijgebouw van circa 80 m².

Impressie bestaande situatie gezien in zuidoostelijke richting De woning beschikt over een inrit aan de Papenbeek, bereikbaar via De Paad aan de westzijde van het plangebied alsmede een inrit aan de oostelijke zijde van het plangebied vanaf de Kasteellaan. Verder bevindt zich op de oostzijde van het perceel (buiten het plangebied) een vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 225 m². In het zuiden van het plangebied staat een grote bedrijfsloods met een oppervlakte van circa 1.650 m². Over de noordelijke perceelsgrens loopt een haag. De rest van de gronden om het plangebied bestaat uit een akker die in gebruik was voor blauwe bessenteelt. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Een uitzondering hierop zijn het dienstverlenend bedrijf met bedrijfswoning (nr. 14A) en het kinderdagverblijf (nr. 14) aan de westzijde van de Kasteellaan, gelegen even ten oosten van het plangebied. Beiden worden wel van het plangebied gescheiden door burgerwoningen. Even verderop in het noordoosten ligt een Multi Functioneel Centrum. Op navolgende afbeelding is een impressie van de omliggende bebouwing en het plangebied weergegeven:

10

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Impressie bestaande situatie met globale begrenzing plangebied (blauwe omkadering)

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het bestaande agrarische bedrijf beëindigd. De gemeente heeft de agrarische gronden rondom het toekomstige woonperceel inmiddels aangekocht (en daarmee zeggenschap over de activiteiten die daar plaats vinden) en de bestaande bedrijfsloods wordt in een later stadium gesloopt. De agrarische bestemming wordt voor het plangebied herzien naar 'Wonen'. De bestaande bedrijfswoning met bijgebouw blijft ongewijzigd bestaan en wordt bestemd als burgerwoning. Het bestaande vrijstaande bijgebouw aan de oostzijde van de omliggende agrarische gronden (=buiten het plangebied) wordt verplaatst naar een locatie nabij de woning, binnen het plangebied.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Papenbeek 31

Globale weergave toekomstige situatie (wonen geel omkaderd) en de locatie te verplaatsen bijgebouw (blauw omkaderd)

12

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:  Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;  Steden en regio's sterker en leefbaarder maken  Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. De ligging van het plangebied in het waterbergend regime van de Maas wordt in subparagraaf 3.1.2 getoetst.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het waterbergend rivierbed van de Maas en valt daarmee binnen het onderwerp 'Grote rivieren' waar een bijzonder rijksbelang van toepassing is.

Bij ontwikkelingen binnen het rivierbed kan volgens het 'Besluit tegemoetkoming schade bij rampen' geen aanspraak worden gemaakt op enige compensatie bij schade, als het een bouwwerk betreft binnen het winterbed van de Maas en deze ná 19 april 1996 (inwerkingtreding van de Beleidslijn Ruimte voor de rivier, later opgevolgd door de Beleidslijn grote rivieren (Bgr)) is gerealiseerd. In titel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking geregeld. De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden die niet behoren tot de zogenaamde 'artikel 6.16-gebieden' van het Waterbesluit, zoals het plangebied. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Papenbeek 31

d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Uit de kaarten behorende bij de Bgr blijkt dat de bestaande woning is gelegen binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op deze gebieden is paragraaf 6 'Gebruik van rijkswaterstaatswerken' van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing. Het te verplaatsen bijgebouw valt op de huidige locatie (buiten het plangebied) ook binnen een gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op de toekomstige locatie van het bijgebouw is het 'bergend regime' van toepassing.

Uitsnede kaart behorende bij de Waterregeling met globale begrenzing plangebied (paarse omkadering) Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het waterbergend rivierbed moet het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijven en mogen geen feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier ontstaan. De situering moet zodanig zijn dat de waterstandsverhoging en/of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is en de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet mag verslechteren. Het eventueel resterende waterstandseffect en de afname van het bergend vermogen dienen te worden gecompenseerd. Rijkswaterstaat heeft echter aangegeven dat de nieuwe locatie voor het te verplaatsen bijgebouw op grond van de huidige maatgevende waterstanden hoogwatervrij is gelegen. Hierdoor bestaat er geen noodzaak tot compensatie. Daarmee blijft in dit bestemmingsplan het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd en vormt het geen belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier noch is er sprake van afname van het bergend vermogen of verslechtering van de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam.

14

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk

gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet slechts in het verplaatsen van een bestaand bijgebouw naar een locatie nabij een al bestaande woning. Voor het overige betreft het functieverandering van al bestaande bebouwing. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 - 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In veel gevallen zal het mogelijk zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. In gebieden als de Maasduinen is de landbouw minder grootschalig en vervult verblijfsrecreatie een belangrijke rol. De provincie wil die samenwerking stimuleren en waar nodig initiëren.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Papenbeek 31

Planspecifiek Het plangebied is grotendeels gelegen in de groenblauwe mantel (nu nog 'groenblauwe landschapszone'). Dit gebied omvat onder andere de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle beekdalen. De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond en verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. In de groenblauwe mantel staat het klimaatadaptief maken van het watersysteem centraal. De provincie faciliteert en ondersteunt omvorming naar meer extensieve vormen van land- en tuinbouw. Sturing op dieraantallen gebeurt via de doorwerking van wet- en regelgeving vanuit het Rijk. Ook kijkt de provincie naar de mogelijkheid om in te spelen op kansen die ontstaan bij het stoppen van bedrijven als gevolg van rijksregelgeving en autonome ontwikkelingen. Omdat in het plangebied sprake is van een vermindering van de agrarische bedrijfsactiviteiten door de functieverandering van een voormalig agrarisch bedrijf naar wonen, treedt er per saldo een verbetering op voor de natuurwaarden in en om het plangebied. De hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied en de directe omgeving ervan neemt (na sloop van de grote bedrijfsloods) met circa 1.650 m² af. Het plan maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek De belangrijkste kaartlaag in het plangebied betreft kaart 4 'beschermingszone natuur en landschap' waarin het plangebied binnen de 'bronsgroene landschapszone' is gelegen:

Uitsnede kaart 4 met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

16

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Bronsgroene landschapszone In de omgevingsverordening is een motiveringsplicht opgenomen die gemeenten vraagt om in de toelichting op nieuwe bestemmingsplannen (voor onderdelen van de bronsgroene landschapszone) aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan (POL 7.5.4). Deze motiveringsplicht is juridisch vastgesteld in artikel 2.7.2. ‘Bronsgroene landschapszone’: "De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Als er sprake is van negatieve effecten op natuurwaarden zal er een compensatie plaats moeten vinden." Omdat in het plangebied sprake is van een vermindering van de agrarische bedrijfsactiviteiten door het verwijderen van (een groot deel van) een agrarisch bouwvlak en functieverandering van een voormalig agrarisch bedrijf naar wonen, treedt er per saldo een verbetering op voor de natuurwaarden in en om het plangebied. De hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied neemt bovendien met circa 1.650 - 225 = 1.425 m² af.

Het plan maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

3.2.3

Omgevingsverordening Limburg

Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is nog niet in werking getreden, maar er is wel al aan getoetst. In deze verordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de nieuwe Omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek In de Omgevingsverordening maakt het plangebied onderdeel uit van het gebied dat op de kaart 7 'Landschap' en 8 'Natuur' is aangeduid als 'groenblauwe mantel'. Feitelijk betreft het de voormalige 'bronsgroene landschapszone'. De toelichting bij de Omgevingsverordening zegt hier over: "De beschermingsregimes van de huidige Zilvergroene natuurzone en de huidige Bronsgroene landschapszone komen in de omgevingsverordening sterk overeen. Ook in gebruik van deze gebieden (veelal agrarisch, grondgebonden landbouw) is weinig verschil (dit in tegenstelling tot de Goudgroene natuurzone waar het natuurbelang prevaleert). Het enige wat er verandert is dat ook voor de (voormalige) bronsgroene natuurzone inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een ‘plangebied’ is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Dit wordt in de vigerende verordening ook gevraagd voor de Zilvergroene natuurzone. Belangrijk is ons te realiseren dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling.

De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. De samenvoeging van de twee zones sluit aan bij de wens tot harmonisatie van de naamgeving van natuurzoneringen vanuit de Omgevingswet." Dit betekent dat er ook bij de toekomstige Omgevingsverordening op dezelfde wijze wordt omgegaan met de voormalige bronsgroene landschapszone.

3.2.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Papenbeek 31

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024

De gemeente Bergen heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen heeft de gemeenteraad op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Bergen gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 109 woningbouwplannen in de periode 2016 - 2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 blijkt dat de gemeente Bergen de gestelde opgave heeft overtroffen. Eén van de centrale opgaven in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet wordt op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen wordt de langste keten op het gebied van doorstroming bewerkstelligd. Ouderen stromen van grote gezinswoningen naar nultredenwoningen en gezinnen kunnen hierdoor de volgende stap in hun wooncarrière maken waardoor er weer starterswoningen vrijkomen voor de nieuwe starters. Hierbij is het ook van belang de balans tussen de koop- en huursector te herstellen. In Noord-Limburg ligt de nadruk sterk op de koopsector.

Planspecifiek In onderhavig initiatief is er sprake van het verplaatsen van een bestaand bijgebouw alsmede de functieverandering van de bestaande vrijstaande bedrijfswoning naar een vrijstaande burgerwoning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er hoeft verder niet getoetst te worden aan de regionale woonvisie. 3.3.2

Conclusie

In het plangebied zijn geen regionale belangen in het geding.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Bergen 2030

Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie Bergen 2030' vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie: 1. De meest toekomstbestendige gemeente; 2. Energie onafhankelijk in 2030; 3. Landschap en landbouw in balans;

18

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

4. Waterbeheer op maat; 5. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 6. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen; 7. Afstemmen woningvoorraad op vraag; 8. Voorzieningen bereikbaar houden; 9. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 10. Leefklimaat in de dorpen verbeteren. Planspecifiek Op navolgende uitsnede van de visiekaart zijn de belangrijkste ontwikkelingen in het plangebied aangegeven:

Uitsnede visiekaart met globale aanduiding plangebied (gele stip) Het plangebied is gelegen in het Maasdal. Ter plaatse streeft de gemeente naar het behouden en versterken van het contrast open/dicht & steilranden waarbij op termijn alleen natuurinclusief boeren & landschapsherstel wordt voorzien. Er zijn steilranden die geaccentueerd moeten worden in het landschap. De herbestemming van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en de verplaatsing van een vrijstaand bijgebouw, is een kleinschalige ontwikkeling passend binnen deze zone. De hoeveelheid bebouwing ter plaatse neemt fors af door het slopen van de grote bestaande agrarische bedrijfsloods (totale vermindering bebouwde oppervlakte: circa 1.425 m²).

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Papenbeek 31

3.4.2

Woonvisie gemeente Bergen 2017 - 2021

De gemeenteraad heeft op 12 december 2017 een gemeentelijke woonvisie vastgesteld waarbij rekening is gehouden met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Er ligt een grote opgave om de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig (inspelen op de grote groei van het aantal ouderen) en duurzaam te maken. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven richt de gemeente zich sterk op het toevoegen van de juiste woningen (kwalitatieve aanvulling op het bestaande woningaanbod) op de juiste locatie. Daarnaast heeft de gemeente een opgave om te schrappen in de bestaande planvoorraad. Om een goede afweging te kunnen maken, zowel als het gaat om het schrappen van een deel van de harde planvoorraad als het beoordelen van nieuwe initiatieven, is in de woonvisie een kwalitatief afwegingskader opgenomen. In dit afwegingskader worden kwaliteiten genoemd voor de locatie en voor de woning. Dat betekent dat inbreiding voor uitbreiding gaat en wordt ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (o.a. herbestemmingsmogelijkheden, invulling ‘rotte plekken’ bijdrage aan gevarieerde wijkopbouw). Wat betreft de kwaliteiten van de woning wordt ingezet op levensloopbestendige woningen, duurzaamheid, excellente woonmilieus, consumentgericht ontwikkelen en bijzondere doelgroepen.

Planspecifiek In subparagraaf 3.3.1 onder de kop 'planspecifiek' is voor de recentere regionale woonvisie al ingegaan op de kwantitatieve onderbouwing.

3.4.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.5

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

20

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Om de verkeersgeneratie te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. Het plangebied is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand); In de bestaande situatie met een vrijstaande woning betreft de verkeersgeneratie dus 8,2 voertuigbewegingen en daarbij ook nog de voertuigbewegingen als gevolg van het gevestigde agrarische bedrijf. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de verplaatsing van een bijgebouw en het herbestemmen van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Als gevolg hiervan blijft in de toekomstige situatie het aantal woningen gelijk maar komen de bedrijfsmatige voertuigbewegingen te vervallen. Dit betekent dat het aantal vervoersbewegingen in het plangebied afneemt. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Parkeren

Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen wordt uitgegaan van de parkeernormen uit de 'nota parkeernormen' van de gemeente Bergen zoals vastgesteld op 25 april 2023. Voor een vrijstaande woning, in 'rest bebouwde kom', geldt een maximale parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. De planologische wijziging leidt niet tot een extra parkeerbehoefte. In de bestaande situatie met een vrijstaande bedrijfswoning betreft de parkeernorm dus 2,3 parkeerplaatsen per woning. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de verplaatsing van een bijgebouw en de functieverandering van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Bovendien ligt de vrijstaande woning op een ruim perceel en kan het zelf voorzien in de benodigde 3 parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Papenbeek 31

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het bestaande of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. In de bovengrond ter plaatse van de opslag en aanmaakplaats van bestrijdingsmiddelen en meststoffen (boring 02) is een matige verontreiniging voor DDT aangetoond. Aangezien deze matige verontreiniging in een individueel monster is aangetoond en omdat in de omringende boringen en grond(meng)monsters geen matige en sterke verontreinigingen zijn aangetoond, wordt de uitvoering van een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Hoewel voor zink de tussenwaarde in het grondwater wordt overschreden, wordt gezien het ontbreken van een bekende antropogene bron of oorzaak verwacht dat sprake is van een natuurlijke oorzaak. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het onderzochte gebied levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemmingsplanherziening van bedrijfsbestemming naar woonbestemming. Verder bestaan er geen bezwaren tegen de nieuwbouw van de berging op het noordoostelijke terreindeel. Het aspect 'bodem' vormt, gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

22

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning.

De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg, aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voorliggend initiatief heeft betrekking op het verplaatsen van één vrijstaand bijgebouw en de functieverandering van een al bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd en er is sprake van een bestaande woonsituatie. Het agrarische bedrijf aan de Papenbeek 31 wordt beëindigd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve op grond van artikel 76 lid 3 Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Papenbeek 31

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNGhandreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. 4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voorliggend initiatief heeft betrekking op het verplaatsen van één vrijstaand bijgebouw en de functieverandering van een al bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. De functieverandering maakt geen nieuwe hindergevoelige activiteiten mogelijk. De bestaande woonfunctie blijft intact. Ook zijn er geen bedrijven met richtafstanden die overlappen met het plangebied. Bovendien is de bestaande bedrijfswoning al maatgevend voor eventuele omliggende (bedrijfsmatige) activiteiten. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

24

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

  

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op het verplaatsen van één vrijstaand bijgebouw en de functieverandering van een al bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het agrarische bedrijf aan de Papenbeek 31 zal na de vaststelling van het bestemmingsplan worden beëindigd. Het aantal voertuigbewegingen, zoals bepaald in subparagraaf 4.1.1 zal daarom afnemen en de beoogde ontwikkeling zal geen effect op de luchtkwaliteit hebben. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool, GCN en GDN) In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2025 bepaald. Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden.

Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Papenbeek 31

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximaal 3 ouE/m³

maximaal 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 ouE/m³

maximaal 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied is gelegen. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

26

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Uitsnede provinciale risicokaart met globale weergave plangebied (blauwe markering) Inrichtingen c.q. bedrijven In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicovolle inrichtingen of bedrijven aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting. De meest nabijgelegen inrichting aan de oostzijde op een afstand van circa 600 m bestaat uit een LPG opslagtank en LPG tankzuil bij het BP tankstation aan de Moleneind 19 met ieder een 10 -6 plaatsgebonden risicocontour van respectievelijk 25 en 35 m. Deze contouren liggen ruimschoots buiten het plangebied. Transport over waterwegen De Maas is gelegen op een afstand van circa 1.000 m. Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Papenbeek 31

Transport over wegen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Gelet op de relatief grote afstand van het plangebied tot de omliggende gasleidingen (minimaal circa 1.500 m) bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het beoogde plan voorziet ook zelf niet in het mogelijk maken van nieuwe bronnen met externe veiligheidsrisico's. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Het plangebied ligt in het stroomgebied van waterschap Limburg (voormalig waterschap Peel en Maasvallei). Waterschap Roer en Overmaas en waterschap Peel en Maasvallei hebben samen het Waterbeheerplan 2016 – 2021 opgesteld. Zo konden zij, vooruitlopend op de fusie in 2017, alvast invulling geven aan het gezamenlijke waterbeheer. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft:  hoe het waterschap het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen;  voor welke thema’s het waterschap aan de lat staat en haar strategie daarvoor;  welke maatregelen het waterschap gaat uitvoeren, wie haar partners daarin zijn en hoe zij dit monitort en bijstuurt. Het beleid voor hemelwater afkomstig van nieuwbouw in Bergen is als volgt: hemelwater afkomstig van daken en verhardingen moet conform de watertoets op particulier terrein in de bodem worden geïnfiltreerd of - indien niet mogelijk - worden gebufferd en vertraagd worden afgevoerd naar een hemelwaterriool of oppervlaktewater.

Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn:  er moeten maatregelen worden getroffen om vervuiling van hemelwater te voorkomen (geen toepassing van uitlogende bouwmaterialen);  afvoer en infiltratie gebeurt bij voorkeur bovengronds;  indien mogelijk worden de voorzieningen op particulier terrein gedimensioneerd op de verwerking van een bui van T=2 en met een berging van 20 mm;  de voorzieningen binnen het hele plangebied worden gedimensioneerd op een bui van T=10 met een berging van 35 mm;  de risico’s van een bui T=100 moeten in beeld worden gebracht en indien nodig moeten er aanvullende maatregelen worden getroffen;  als het echt niet mogelijk is om de volledige voorzieningen binnen het plangebied te realiseren, kan het college van Burgemeester en Wethouders hier ontheffing voor verlenen, wel moet de initiatiefnemer meebetalen aan compenserende voorzieningen buiten het plangebied. Voor situaties waarbij (via de infiltratievoorziening) direct of indirect wordt afgevoerd naar oppervlaktewater gelden naast de gemeentelijke uitgangspunten ook de op dat moment geldende eisen en uitgangspunten van het waterschap.

28

bestemmingsplan "Papenbeek 31" (vastgesteld)

bestemmingsplan Papenbeek 31

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Veiligheid In (of in de directe nabijheid van) het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Grondwater Zoals het geldende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. De grondwaterstand bevindt zich volgens het Dinoloket, aan de oostwestzijde van het plangebied, op circa 0.5 - 0.8 m onder het maaiveld. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen primair oppervlaktewater is gelegen. Er moet voor gezorgd worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening moet op eigen terrein plaatsvinden en in stand worden gehouden. Dit is gewaarborgd in sublid 8.2.4 van de regels. Uitlogende materialen Bij de bouw van het gebouw wordt het gebruik van uitlogende materialen als zink, koper en lood voorkomen. Afvalwater Bij de verplaatsing bouw van het vrijstaande bijgebouw en de functieverandering van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning is geen sprake van toenemend afvalwater. Zowel het afvalwater van de bestaande woning als het bestaande bijgebouw worden geloosd op de aanwezige riolering. Het rioleringsstelsel is voldoende van omvang om dit reeds bestaande gebruik te kunnen verwerken.

Hemelwater Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025. In het plangebied wordt een bestaand vrijstaand bijgebouw verplaatst. De te realiseren bebouwing valt weg tegen de te slopen bebouwing: per saldo circa 1.425 m² minder bebouwd oppervlak door de nog te slopen grote bedrijfsloods. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13949605/1