CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Econsultancy

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Rotonde Well;16.405 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Romeinse tijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Vroege-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Late-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten,

Onder het antropogeen dek en in de top van de dekzandafzettingen/terasafzettingen.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 15 van 20

organische resten en gebruiksvoorwerpen

Uit de landschappelijke ligging op lage landduinen op een Saalien laagterras, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en gunstig vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de in de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd met een nadruk op Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Opvallend is dat de vondstmeldingen redelijk ver van het plangebied afliggen, vanaf 500 meter, en allemaal ten zuiden van het plangebied (rondom het oude dorp Well aan de Maas). Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.

39 Er zijn geen aanwijzingen voor een gradiëntsituatie hoge en droge gronden naar lage en natte gronden in het plangebied, ten oosten en zuiden wel (respectievelijk langs de Molenbeek en de Maas) waardoor dit gunstiger vestigingslocaties waren voor jagers en verzamelaars. Daarnaast zijn in het onderzoeksgebied (nog) geen resten aangetroffen van jagers en verzamelaars. De verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum is daarom laag. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.40 Het plangebied heeft een vruchtbare bodem en een goede afwatering waardoor het plangebied een gunstige vestigingslocatie was voor agrarische samenlevingen. In het onderzoeksgebied zijn archeologische resten aangetroffen, vanaf het Neolithicum echter redelijk ver van het plangebied afliggen. Het plangebied krijgt vanwege de gunstige vestigingslocatie maar het ontbreken van archeologische waarnemingen in de directe omgeving een middelhoge verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen.

Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 41 Voor de Middeleeuwen heeft het plangebied een middelhoge verwachting om dezelfde redenen als hierboven geformuleerd voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen. Op basis van historisch kaartmateriaal heeft het een hoge verwachting voor de Nieuwe tijd gezien de aanwezigheid van bebouwing in het plangebied vanaf de eerste helft van de 19e eeuw. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. De archeologische resten in het noordelijke deel van het plangebied worden direct aan of onder het maaiveld/stollaag verwacht. De 39

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 41 Renes, 1999. 40

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 16 van 20

vondstenlaag wordt buiten het wegcunet verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld, onder het wegcunet zal het direct onder de stollaag liggen. De archeologische resten in het zuidelijke deel, uit het Paleolithicum tot en met Middeleeuwen, worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond. De archeologische mobilia bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als heide, weg, achtertuin/erf, is bebouwd geweest en parkeerterrein.

Door graaf- en sloopwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

3

CONCLUSIE EN ADVIES

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. Op basis van deze verwachting is vervolgonderzoek noodzakelijk. Aangezien het plangebied, in verband met aanwezige verhardingen, niet door middel van een booronderzoek dan wel een proefsleuvenonderzoek kan worden onderzocht is de meest geschikte onderzoeksmethode een opgraving, variant archeologische begeleiding. Hierbij begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Er wordt geadviseerd het onderzoek binnen de huidige wegen/parkeerplaats te beperken tot die bodemingrepen die dieper gaan dan de huidige stollaag. Voor grootschalige ingrepen in de bermen wordt geadviseerd om de ontgravingen vanaf het maaiveld archeologisch te laten onderzoeken.

De precieze strategie kan worden vastgelegd in het Programma van Eisen waarbij het essentieel is dat de precieze bodemingrepen, diepte en omvang, vastliggen voordat dit Programma van Eisen wordt opgesteld. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bergen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 17 van 20

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Archaeo & ArcheoPro, 2012: Archeologische beleidskaart Gemeente Bergen. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Deville, T. & J. Orbon, 2010: BP, Well. Gemeente Bergen. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en karterend booronderzoek. ArcheoPro. Archeologisch rapport Nr 1057. Maastricht. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Isarin, R.F.B, R. Ellenkamp, E. Heunks, J. De Kramer, R. Paulissen, L. Tebbens en F. Zuidhoff, 2013. De Gemorfogenetische Kaart van de Maasvallei. Toelichting in Crevasse Advies Notitie 272. Kockengen. Isarin, R.F.B., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Op 15-022016 gedownload van www.archeologieinnederland.nl. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed.

Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Peeters, J., 2020: Milieukundig en civieltechnisch (bodem)onderzoek N271 - Rotonde Well hmp 95.54. Lievense Milieu B.V. documentnummer SLM011338.RAP001.JP.GL. Maastricht.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 18 van 20

Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. blad 52 Oost/ Venlo. Stiekema, 2010: Archeologisch bureauonderzoek De Paad 24 te Well in de gemeente Bergen. Econsultancyrapport BER.ZEE.ARC 10023119. Swalmen. Thijs, W.J.F., & M. Stiekema, 2010: Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan De Paad te Well, gemeente Bergen (L). ARC-Rapporten 2010-135. Groningen. Zuidhof F.S. & J. Huizer, 2015: De noordelijke Maasvallei door de eeuwen heen. Vijftienduizend jaar landschapsdynamiek tussen Roermond en Mook. Inventariserend archeologisch onderzoek ‘Verkenning Plus’ Project Maasvallei voor vijftien plangebieden. ADC Monografie 19. Amersfoort. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 19 van 20

BRONNEN AHN; internetsite, april 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, april 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, april 2020. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemloket, internetsite, april 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, april 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Ondergrondportaal; internetsite, april 2020. https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, april 2020. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Ruimingskaart; internetsite, april 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, april 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, april 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 20 van 20

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Rotonde N271 te Well. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied

Rotonde N271 te Well. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 42

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Bergen Legenda Plangebied

42

Archaeo & ArcheoPro, 2012.

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart43

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

43

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 44

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

44

AHN

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart45

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

45

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 46

Rotonde N271 te Well. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

46

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Tranchot und v. Müffling kaart uit 182147

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de Tranchot und v. Müffling kaart uit 1821 Legenda Plangebied

47

Beeldbank Vrije Universiteit

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 10. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1830-185048

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1830-1850 Legenda Plangebied

48

Kadaster Topotijdreis

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 11. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 192749

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1927 Legenda Plangebied

49

Kadaster Topotijdreis

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 12. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 193650

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1936 Legenda Plangebied

50

Kadaster Topotijdreis

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 13. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 195351

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart uit 1953 Legenda Plangebied

51

Kadaster Topotijdreis

Rapport 11400.001 versie 1

Figuur 14. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 196752

Rotonde N271 te Well. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart uit 1967 Legenda Plangebied

52

Kadaster Topotijdreis

Rapport 11400.001 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 11400.001 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 11400.001 versie 1

Bijlage 2 AMK nr. 16626

16627

AMK-terreinen

Locatie

Datering

Waarde en omschrijving

Plangebied ligt er gedeeltelijk in Papenbeek te Well Gemeente Bergen Coördinaat: 203869/396638

Middeleeuwen laat Nieuwe tijd

530 meter ten zuiden van het plangebied Well te Well Gemeente Bergen Coördinaat: 203766/395923

Middeleeuwen laat Nieuwe tijd

Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Papenbeek. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20eeeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Het gaat om de oude bebouwing van Well. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen.

De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.

Rapport 11400.001 versie 1

Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2179113100 (25887)

2289785100 (41458)

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

Plangebied ligt er in Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 200699 / 405746

Type onderzoek: Archeologische verwachtingskaart Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-09-2007 Resultaat: Archeologische verwachtingskaart Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 15-6-2010 Resultaat: Naar aanleiding van de uitbreiding van het BP-station zal hier een bureau- en booronderzoek plaatsvinden

140 meter ten zuidoosten van het plangebied te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 204327/396545

2285872100 (40890)

145 meter ten westen van het plangebied De Paad 24 te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203362/396719

2287857100 (41177)

145 meter ten westen van het plangebied De Paad 24 te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203362/396720

Rapport 11400.001 versie 1

Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Voor resten uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd is een middelhoge verwachting opgesteld. Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied 4 boringen gezet met behulp van een megaboor. Tevens is net buiten het plangebied, een referentieboring gezet. De hierin aangetroffen, intacte bodemopbouw, blijkt binnen het plangebied volledig verloren gegaan te zijn. De bodemverstoring reikt binnen het plangebied tot een diepte van 100 à 160 cm beneden het maaiveld. Dit betekent dat zowel de hoge verwachting voor jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum als voor nederzettingsresten vanaf het Neolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen alsook de middelhoge verwachting voor nederzettingsresten en off-site fenomenen naar een lage verwachting kan worden bijgesteld. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.

Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 15-7-2010 Resultaat: Econsultancy adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied aan te vullen en te toetsen en een betrouwbaar beeld van de gaafheid van de bodem te verkrijgen. De boringen dienen verspreid over het plangebied gezet te worden, rekening houdend met de aanwezige bebouwing. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 31-5-2010 Resultaat: Volgens het bureauonderzoek door Econsultancy ligt de locatie op een rivierduin van de Maas en blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagersverzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het LaatPaleolithicum.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bergen wordt de kans op het voorkomen van de resten uit het Laat-Paleolithicum t/m het Midden-Mesolithicum (periode Jagers-Verzamelaars) hoog geacht en van resten uit het Laat-Neolithicum t/m de Nieuwe tijd (periode Landbouwers), vanwege het verwachte eerddek, middelhoog geacht. Intacte archeologische resten worden direct onder het eerddek verwacht. Organische resten en bot zullen door de diepe grondwaterstand, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, slecht zijn geconserveerd. Het karterend inventariserend booronderzoek heeft aangetoond dat de locatie inderdaad op een rivierduin ligt. Het bodemprofiel is uitsluitend bij boring 1 tot in de C-horizont vergraven, tot een diepte van 150 cm -mv. Deze verstoring houdt vermoedelijk samen met de huidige woning in het plangebied. De overige boringen vertoonden een niet tot nauwelijks verstoord bodemprofiel onder een afdekkend esdek. Bij het zeven van het opgeboorde sediment zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Hoewel in het karterend booronderzoek geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen kan niet worden uitgesloten dat er op de onderzoekslocatie sprake is van een archeologische vindplaats. Omdat de vondstenlaag is opgenomen in het eerddek zullen onder het eerddek voornamelijk grondsporen bewaard zijn gebleven.

Een booronderzoek is niet geschikt om deze grondsporen aan te tonen. Op basis van onderhavig onderzoek kan niet worden uitgesloten dat er geen sprake is van archeologische vindplaats. Een vervolgonderzoek is noodzakelijk

2364993100 (51458)

320 ten zuidwesten van het plangebied Zandmaas 2: HWG Waarden te Wellerlooi Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 206353/ 394314

2205413100 (29682)

655 meter ten zuiden van het plangebied Grotestraat te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 204223/395923

2352842100 (49887)

660 meter ten zuiden van het plangebied Kasteellaan Te Well te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203763/395979

2386936100 (54307)

670 meter ten zuiden van het plangebied te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203790/395997

2266601100 (38209)

775 meter ten zuiden van het plangebied Romeinse weg op de westoever van de Maas te Ittervoort Gemeente Venlo

Rapport 11400.001 versie 1

om dit vast te stellen. Onder het eerddek worden voornamelijk grondsporen verwacht. Een proefsleuvenonderzoek is daarom de meest geschikte methode om dit aan te tonen dan wel te ontkrachten. Voor het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat voor aanvang van de werkzaamheden moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Bergen. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van dit onderzoek een selectiebesluit te nemen. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 13-04-2012 Resultaat: Er zijn geen grote afwijkingen tussen de bevindingen van het bureauonderzoek en de resultaten van het boor- en puttenonderzoek. Volgens de meest recente terrassenkaart ligt het plangebied grotendeels op het Jonge Dryas-terras in het oosten en een smalle strook holocene riviervlakte in het westen. Het Jonge Dryas-terras bestaat uit een hoog deel in het oosten en een smal laag deel in het noordwesten en zuidwesten. Het hoge deel van het Jonge Dryas-terras is zowel afgedekt door pleistocene oeverafzettingen als door rivierduinen. Deze eolische afzettingen zijn gevormd in de laatste fase van de Jonge Dryas en zijn vooral aan de oostkant van de Maas opgewaaid in verband met de overheersende westelijke winden in die periode. Het lage deel is niet afgedekt door eolische afzettingen.

In het noorden ligt een restgeul die het Jonge Dryas-terras afscheidt van het hoger gelegen vermoedelijke Allerødterras. De venige restgeulvulling is in het centrale deel afgedekt door eolische afzettingen. Zowel het veen als het zand is gedateerd in de Middeleeuwen: rond 100 na Chr. In het zuiden ligt een geul op de grens van het hoge naar het lage deel van het Jonge Dryas-terras. Zowel in de top van de rivierafzettingen uit het Jonge Dryas als in de rivierduinen is op meerdere plekken een bodem aangetroffen. In een boring en proefput in het zuiden (boring 283 en put 32) is in die bodem een scherf uit de Bronstijd-IJzertijd gevonden. Aan het oppervlak zijn aardewerkfragmenten uit zowel de prehistorie als de Late-Middeleeuwen gevonden en tevens is een vuurstenen afslag die niet nader te dateren was als Paleolithicum – Bronstijd. De rivierduinen zijn op meerdere plekken in het onderzoeksgebied sterk vergraven. Op het hoge deel van het Jonge Dryasterras zijn tijdens de oppervlaktekartering zowel aardewerkfragmenten als vuursteen aangetroffen. Het aardewerk dateert uit de Late-Middeleeuwen, het vuursteen uit de prehistorie. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 11-7-2008 Resultaat: Inventariserend veldonderzoek in plangebied Well, Grotestraat. Dit in verband met herontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging nodig is.

ADC ArcheoProjecten adviseert om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Wat betreft de archeologie is er geen belemmering om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en de bodem is waarschijnlijk verstoord tot een diepte van minimaal 90 cm Mv. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Monumentenwet. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 14-12-2011 Resultaat: Het noordelijke deel van het perceel ligt in een oude Maasgeul. Hieraan is een lage verwachting toegekend. In de zuidelijke helft van het perceel liggen oeverafzettingen aan het oppervlak. Aan dit deel is een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Mesolithicum tot Middeleeuwen toegekend. Aan het zuidelijke deel van het gebied dient een dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" te worden toegekend. Vanwege de ligging in het winterbed van de Maas mag slechts beperkt gebouwd worden in het zuidelijk deel van het plangebied.

Daar waar woningen komen, dient voorafgaand aan de bouw een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden om eventuele vindplaatsen te waarderen. Het noordelijk deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor verdere planvorming. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 24-10-2012 Resultaat: In het plangebied is geen archeologische vindplaats aangetroffen, waardoor vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht wordt. Het bevoegd gezag is akkoord met het advies van raap, geen vervolgonderzoek. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 23-11-2009 Resultaat: Van Ittervoort tot Molenhoek (alleen op het grondgebied van de provincie Limburg). Band-

4596908100

2220796100 (31797)

2112888100 (16376)

Coördinaat: 205683/373625 845 meter ten zuiden van het plangebied Natuurvriendelijke Maasoevers 4 te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 1715157/425750 845 meter ten zuidwesten van het plangebied te Ooijen Gemeente Venray Coördinaat: 205129/392391 970 meter ten zuidwesten van het plangebied Nicolaasstraat te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203537/395799

Rapport 11400.001 versie 1

breedte studiegebied: circa 3 km aan weerszijden van de Maas. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 05-04-2018 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Vestigia BV Datum: 27-10-2008 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 23-3-2006 Resultaat: Geen vervolgonderzoek omwille van de sterke verstoring. Er werden geen vondsten of bewoningslagen aangetroffen. De provincie Limburg onderschreef dit advies.

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3114396100

Locatie

Omschrijving

500 meter ten zuidwesten van het plangebied Kasteel Well te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203640/396180 600 meter ten zuiden van het plangebied Kasteellaan te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203759/395987

Late-Middeleeuwen : - stenen funderingen - grondspoor,

2386936100 (438511)

3113164100 (27271)

2830604100 (24031)

650 meter ten zuiden van het plangebied te Onbekend Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203900/395900

700 meter ten zuiden van het plangebied R.K. Kerk Van De Heilige Vitus te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203800/395890

Late-Middeleeuwen : - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 2 fragmenten van keramische kogelpotten - fragment van Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van steengoed geglazuurd - fragment van leisteen dakbedekking IJzertijd : - fragmenten van handgevormd aardewerk objecten Romeinse tijd : - fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - fragmenten van keramische bekers - fragmenten van dakpannen Neolithicum - Nieuwe tijd : - aardewerk - kuilen, IJzertijd : - fragment van een maalsteen Romeinse tijd : - aardewerk

2112888100 (421034)

3286521100 (440767)

Rapport 11400.001 versie 1

850 meter ten zuidwesten van het plangebied Nicolaasstraat te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203534/395803 850 meter ten zuiden van het plangebied Begraafplaats te Well Gemeente Bergen (L) Coördinaat: 203750/395750

Vroege-Middeleeuwen : - aardewerk - 2 metalen onderdelen van schilden - crematieresten - 3 fragmenten van ijzeren speerpunten Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk Nieuwe tijd : - fragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk Vroege-Middeleeuwen : - ijzeren onderdeel van een zwaard

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 11400.001 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 11400.001 versie 1

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 11400.001 versie 1

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 11400.001 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 11400.001 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 11400.001 versie 1

Bijlage 7

Rapport 11400.001 versie 1

Planontwerp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12385475/1