CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Econsultancy

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Rotonde Well;16.405 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK ROTONDE N271 TE WELL GEMEENTE BERGEN

archeologisch bureauonderzoek Rotonde N271 te Well Opdrachtgever

Ducot Engineering & Advies Boven de Wolfskuil 3 - unit 3.D30 6049 LX Roermond

Rapportnummer

11400.001

Versienummer1

1

Datum

Vestiging

30 april 2020

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. A.H. Schutte

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

11400.001

Toponiem

Rotonde N271

Opdrachtgever

Ducot Engineering & Advies

Gemeente

Bergen

Plaats

Well

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Bergen Sectie S nummers 2198 (ged.), 2202, 2206 en 3348 (ged.), Sectie F nummers 5978, 5979, 5981 (ged.), 5982, 6017 (ged.) en 9955 en Sectie G nummers 3086 (ged.), 3255 (ged.) en 3285 (ged.).

Omvang plangebied

circa 1,1 ha

Kaartblad

52 E (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 204.028/Y: 396.700

Bevoegde overheid

Gemeente Bergen Bezoekadres: Raadhuisstraat 2, 5854 AX Bergen Postadres: Postbus 140, 5854 ZJ Bergen

T.: (0485) 34 83 83 of 14 0485 F.: (0485) 34 28 44 email: info@bergen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

ArchAeO B.V. Archeologische Advisering en Ondersteuning Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven

T.: (040) 2519270 M.: +31 6 22505236 email: advies@archaeo.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4777798100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Limburgs zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerder

Econsultancy, drs. A.H. Schutte

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Ducot Engineering & Advies in maart-april 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het plangebied betreft de nieuwe Rotonde N271 te Well in de gemeente Bergen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. Advies Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting is vervolgonderzoek noodzakelijk. Aangezien het plangebied, in verband met aanwezige verhardingen, niet door middel van een booronderzoek dan wel een proefsleuvenonderzoek kan worden onderzocht is de meest geschikte onderzoeksmethode een opgraving, variant archeologische begeleiding. Hierbij begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Er wordt geadviseerd het onderzoek binnen de huidige wegen/parkeerplaats te beperken tot die bodemingrepen die dieper gaan dan de huidige stollaag. Voor grootschalige ingrepen in de bermen wordt geadviseerd om de ontgravingen vanaf het maaiveld archeologisch te laten onderzoeken.

De precieze strategie kan worden vastgelegd in het Programma van Eisen waarbij het essentieel is dat de precieze bodemingrepen, diepte en omvang, vastliggen voordat dit Programma van Eisen wordt opgesteld. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Bergen). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 11400.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

3

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20

Rapport 11400.001 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Tranchot und v. Müffling kaart uit 1821 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1830-1850 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1927 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1936 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1953 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp

Rapport 11400.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Ducot Engineering & Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied betreffende de nieuwe Rotonde N271 te Well in de gemeente Bergen (zie figuur 1). De provincie Limburg heeft de intentie om een deel van de N271 aan de zuidzijde van Well opnieuw in te richten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in maart-april 2020 door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 1 van 20

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Bergen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied (circa 1,1 ha) betreft een deel van de N271 aan de zuidkant van de kern van Well in de gemeente Bergen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte tussen circa 17,6 m en 19 meter NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Bergen Sectie S nummers 2198 (ged.), 2202, 2206 en 3348 (ged.), Sectie F nummers 5978, 5979, 5981 (ged.), 5982, 6017 (ged.) en 9955 en Sectie G nummers 3086 (ged.), 3255 (ged.) en 3285 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 52 E (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 204.028/Y: 396.700. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting.

Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als weg, parkeerplaats en grasland begroeid met struiken/bomen (zie figuur 3). De eigenaars/gebruikers zijn onbekend. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 2 van 20

Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het bestemmingsplan Well, 4-11-2013, en gedeeltelijk binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2018, 12-11-2019. Volgens deze bestemmingsplannen heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm – mv.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Bergen en de bijbehorende Nota Archeologiebeleid Bergen. Volgens de beleidskaart (Figuur 4) ligt het plangebied deels in een AMK-terrein dat een hoge archeologische verwachting en deels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting.5 Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Lievense (documentnummer: SLM011338.RAP001.JP.GL).6 De belangrijkste bevindingen uit het onderzoek zijn onderstaand weergegeven: Asfalt Ter plaatse van de N271 is de asfalt relatief homogeen van opbouw en grotendeels teervrij. Nabij kern 2 is de asfaltlaag vanaf 93 mm -oppervlakte teerhoudend (640 m2, 38 m3, circa 84 ton). De asfaltverharding ter plaatse van de parkeerplaats is homogeen van opbouw, circa 10 cm dik en geheel teervrij. De toplaag van Sterrenbos is teerhoudend.

Ter plaatse van de Kasteellaan is het asfalt ter plaatse van de aansluiting van de Kasteellaan met de N271 teervrij, vermoedelijk tot aan de zichtbare overgang met de oude asfalt verderop in de kasteellaan. Vanaf deze overgang is het asfalt een stuk dunner en geheel teerhoudend. Funderingsmateriaal Het funderingsmateriaal bestaat uit stol dan wel puin en wordt gezien als niet-vormgeven bouwstof. In deze funderingslaag is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ook analytisch is er geen asbest aangetoond. Omdat de funderingslaag is gezien als een bouwstof en niet als bodem, is deze laag verder niet onderzocht. Grond De bodem is vrij homogeen van opbouw. Zintuiglijk is er in de bodem zelf geen bodemvreemde bijmenging aangetroffen. Analytisch zijn enkel ter plaatse van de bermen en de parkeerplaats licht verhoogde gehaltes aan PFOS, metalen, PAK, minerale olie en/of PCB’s aangetroffen. Bij indicatieve toetsing is de grond geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse ‘AW2000 ’ dan wel ‘industrie’. Grondwater In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen van de onderzochte parameters. Toetsing hypothese en conclusies De hypothese dat de bodem heterogeen verontreinigd is ten aanzien van een bodemverontreiniging wordt op basis van de analyseresultaten bevestigd, vanwege de aangetoonde lichte verontreinigingen.

De hypothese dat het funderingsmateriaal heterogeen verontreinigd is ten aanzien van asbest wordt verworpen. Er is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen/aangetoond. Voor de onderzoekslocatie vormt de kwaliteit van de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen probleem voor de voorgenomen herinrichting/renovatie. De licht verhoogde gehaltes in het funderingsmateriaal en de bodemlagen brengen geen onaanvaardbare risico’s met zich mee. Er worden geen belemmeringen gezien voor het toekomstige gebruik van de locatie.

4

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Archaeo & ArcheoPro, 2012. 6 Peeters, 2020. 5

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 3 van 20

Bodemloket & Ondergrondportaal De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied een verwijzing opgeleverd naar het ondergrondportaal van de provincie Limburg.7 Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het ondergrondportaal niet eerder milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.8 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de realisatie van een nieuwe rotonde en de aanpassing van omliggende wegen gepland. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 1,1 hectare opnieuw worden ingericht. De diepte van verstoringen ten behoeve van de werkzaamheden is onbekend (zie bijlage 7). De toekomstige gebruikers worden de weggebruikers. Deze plannen hebben tot gevolg dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord kunnen raken. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie9

Formatie van Beegden 3, rivierzand en grind, direct ten noordoosten Formatie van Boxtel 4, laagpakket van Delwijnen; rivierduinzand.

Geomorfogenetische kaart Maassvallei 10

Terrasvlakte (T), al dan niet bedekt met dekzand.

Maasterras11

Landduinen op Saalien laagterras.

Geomorfologie12

Grotendeels niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Well, wel gekarteerde deel lage landduinen (4L8)

Bodemkunde13

Noordelijke deel duinvaaggronden; grof zand (Zd30) en zuidelijk deel hoge bruine enkeerdgronden; grof zand (bEZ30)

Grondwatertrap

VII

7

Bodemloket Ondergrondportaal 9 Mulder et al., 2003. 10 Isarin e.a., 2013. 11 Berg, 1996. 12 Alterra, 2003. 13 Stichting voor Bodemkartering, 1975. 8

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 4 van 20

Landschappelijke ontwikkeling 14 De omgeving van Well bevindt zich op de overgang van Vroege-Holocene windafzettingen in het noorden en Holecene Maasafzettingen in het zuiden. Tijdens het Pleistoceen (circa 2,4 miljoen - 10.000 jaar geleden) wisselden glacialen (ijstijden) en interglacialen (warmere perioden) elkaar af. Tijdens het Midden-Pleistoceen (700.000 tot 130.000 jaar geleden) behoorde de omgeving van Well tot de brede stroomvlakte van de vlechtende rivieren Rijn en Maas. De Maas had echter een onderschikte rol ten opzichte van de Rijn. Beide rivieren hebben dikke pakketten grove grindhoudende zanden afgezet die behoren tot de Formatie van Urk (Laagpakket van Lingsfort, kenmerken door een hoge fractie zware mineralen als gevolg van vulkanische activiteit in de Eifel) en de Formatie van Kreftenheye. Als gevolg van tektonische activiteit verplaatste de Rijn zich geleidelijk naar het oosten en was niet meer actief in de omgeving van Well. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 120.000 - 10.000 jaar geleden) heerste in Nederland een periglaciaal klimaat. Door het koude klimaat en de onregelmatige sedimentafvoer hadden de rivieren een vlechtend karakter met geulen en zandbanken. Door het geleidelijk terugtrekken van de Rijn kreeg de Maas meer de overhand in het gebied, met name ten westen van Well, Nieuw-Bergen en Gennep.

Tijdens het Laat-Weichselien (circa 15.000 - 10.000 jaar geleden) werd het klimaat droger. De drogere omstandigheden in combinatie met schaarse vegetatie leidde tot een sterke toename van winderosie. Op deze wijze werden grote hoeveelheden zand verplaatst en in glooiende pakketten afgezet. Eveneens kenmerkend voor het Laat-Weichselien is een afwisseling van koude en minder koude perioden. Gedurende de minder koude periode kregen de rivieren meer een meanderend karakter. De Maas had in de omgeving van Well een sterk verhang en behield haar vlechtende karakter. Hier wordt het laat-glaciale Maasdal gekenmerkt door het voorkomen van een uitgebreid stelsel van vlechtende geulen die tussen hogere zandbanken doorslingeren. De rivierafzettingen uit het LaatWeichselien van de Maas behoren tot de Formatie van Beegden. De overgang van het Weichselien naar het Holoceen (laatste 10.000 jaar) kenmerkte zich door een sterke klimaatsverandering. Door een constantere wateraanvoer en verminderde sedimentlast veranderde de Maas van een vlechtend in een meanderend systeem met een hoofdgeul. De Maas trok zich terug tot het huidige Holocene Maasdal, waardoor het laat-glaciale dal droog kwam te liggen. De eerste fase van het Holoceen was droog en koel waardoor het droogvallende laat-glaciale stroompatroon bloot kwam te staan aan winderosie.

Er vond op grote schaal verstuiving van zand plaats dat ten oosten van de Maas weer werd afgezet in de vorm van rivierduinen. Als gevolg van de verstuiving zijn grote delen van het laat-glaciale Maasdal tevens met een pakket dekzand bedekt geraakt. In het rivierduinengebied heeft plaatselijk later opnieuw verstuiving plaatsgevonden. Waarschijnlijk is deze verstuiving het gevolg van menselijke invloed. Het plangebied ligt op Saalienterras (238.000-126.00) jaar geleden met hierop landduinen uit het Jonge Dryas (12.700 - 11.560 jaar BP). DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en 14 15

Stiekema, 2010. Dinoloket.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 5 van 20

geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond ten zuidwesten van het plangebied bestaat uit een 1,1 meter dik pakket matig fijn zand op een 70 centimeter dik matig grof pakket dat onderin grindig is. Vanaf 1,8 meter onder maaiveld zit weer een pakket matig fijn zand van 90 centimeter dik op een 40 centimeter dik pakket grindig grof zand. Vanaf 3,1 meter onder maaiveld tot einde boring ligt grindig zand. 16 Ten zuiden bestaat de bodem uit een drie meter dik fijn zand pakket, op een 9 meter dik pakket grof zand. Vanaf 12 meter onder maaiveld ligt een 3 meter dik pakket grindig zand op een 6 meter dik pakket grof zand. Vanaf 21 meter tot 36 meter onder maaiveld (einde boring) bevindt zich grindig zand. 17 Ten noordoosten van het plangebied bestaat de bodem tot 1,1 meter onder maaiveld uit uiterst tot zeer grof zand. Hieronder ligt een 10 centimeter dik laagje fijn zand. Van 1,2 meter onder maaiveld tot 3,3 meter – mv ligt matig tot uiterst grof zand met daaronder (tot einde boring) een 70 centimeter dik pakket matig fijn zand.18 Deze boringen onderstrepen dat de bodem bestaat uit rivierafzettingen, dan wel in-situ afgezet door de rivier of later verstoven waardoor de landduinen zijn ontstaan.

Uit de boringen is niet te halen waar de grens tussen de landduinen en het Maasterras ligt. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Well bevindt, is de geomorfologie deels niet gekarteerd (zie figuur 5), het deel van het plangebied dat wel gekarteerd is ligt op lage landduinen. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het gehele plangebied ligt op lage landduinen. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)19 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het gehele plangebied inderdaad op lage landduinen die in hoogte aflopen in de richting van de Maas (zie figuur 6). Ten noordoosten van het plangebied liggen hogere landduinen. Rondom het plangebied ligt het maaiveld op een aantal locaties lager; mogelijk dat het plangebied plaatselijk is opgehoogd bij de aanleg van de weg.

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het noordelijke deel van het plangebied gekarteerd als duinvaaggronden; grof zand (Zd30) en het zuidelijke deel als hoge bruine enkeerdgronden; grof zand (bEZ30) (zie figuur 7). Duinvaaggronden zijn zandgronden met ijzerhuidjes rondom de zandkorrels onder de eventueel aanwezige, vage, humushoudeade bovengrond. Men vindt ze alleen in recent opgewaaid rivierzand of dekzand. Kenmerkend is het onregelmatige reliëf met koppen en ruggen, die soms zeer steil zijn (duinen), en uitgestoven laagten. Sommige delen hebben geen vegetatie, andere hebben een min of meer natuurlijke vegetatie of zijn met bos beplant; kleine oppervlakten zijn ah bouwland in gebruik. De stuifzandgronden die in het plangebied voorkomen worden aangetroffen in de omgeving van Well en

16

DINO boornummer B52E2910. DINO boornummer B52E0085. 18 DINO boornummer B52E2909. 19 AHN. 17

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 6 van 20

Wellerlooi, tussen Arcen en Lomm en ten noorden van Venlo. Hier ligt langs de Maas een brede strook verstoven rivierzand, waarin hoofdzakelijk humuspodzolen zijn gevormd. Grote delen zijn echter vrij recent opnieuw verstoven en behoren nu tot de duinvaaggronden. Het gebied is overwegend beplant met dennen; de rest is zeer schaars begroeid en daardoor aan verstuiving onderhevig. De eventueel aanwezige 5 à 10 cm dikke, matig humeuze bovengrond bestaat uit leemarm, matig grof zand. Daaronder ligt uiterst humusarm, leemarm, matig grof zand soms met matig humeuze bandjes van circa 1 cm dik. Plaatselijk is in de humushoudende bovenlaag een micropodzol gevormd. Hier en daar komen verspreid stuifzanden voor met fijner zand of fijnzandige lagen. Zeer plaatselijk treft men binnen 120 cm diepte een humuspodzol aan; soms liggen deze profielen aan het oppervlak. Een profiel met Grondwatertrap VII ten noorden van Well ziet er als volgt uit : AO + 5 - 0 cm bosstrooisel A1 0 – 5 cm grijs, uiterst humusarm, leemarm, matig grof tand; vrij scherp overgaand in C1 5 – 120 cm fletsgeel, uiterst humusarm, leemarm, matig grof zand met enkele dunne humushoudende laagjes.

Het zand heeft een losse pakking.20 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.21 Boringen In het plangebied zijn in het kader van een milieukundig en civieltechnisch (bodem)onderzoek boringen gezet.22 Uit deze boringen blijkt dat onder de asfaltverharding een funderingslaag ligt. Het funderingsmateriaal ter plaatse van de N271 bestaat hoofdzakelijk uit stol. De onderzijde van de stollaag bevindt zich gemiddeld op circa 0,7 m -mv. In de bermen direct naast de asfaltverharding is geen funderingsmateriaal aangetroffen. Ter plaatse van de straten Sterrenbos en Kasteellaan is een stoldan wel puinlaag aangetroffen als funderingsmateriaal tot een maximale diepte van 0,5 m -mv. De dikte van de fundering is maximaal 0,4 m -mv. De funderingslaag ter plaatse van de parkeerplaats wordt tot maximaal 1,0 meter -mv aangetroffen. Gemiddeld is de funderingslaag ter plaatse tot circa 0,5 à 0,6 m -mv aanwezig. Onder de funderingslagen is de originele bodem opgebouwd uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. Ter plaatse van de bermen bestaat de bodem eveneens uit matig fijn zand wat plaatselijk zwak tot matig humeus is. Over de gehele locatie gezien is de bodem vrij homogeen van opbouw.

20

Stichting voor Bodemkartering, 1975. Doesburg et al., 2007. 22 Peeters, 2020. 21

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 7 van 20

Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling23

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).24 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie 23 24

Locher & De Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 8 van 20

wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 25 Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden 26 Op de Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden heeft het grootste deel van het plangebied een aanvullende verwachting 6 voor alle perioden.

Hoe hoger de scores van de aanvullende verwachting hoe groter de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen die gerelateerd zijn aan de hoofdthema's wonen en begraven. De maximale score voor deze periode is 18. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied27 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt voor een groot deel binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt verder nog een tweede AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 8). De AMK-terreinen betreffen terreinen met bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd:de historische plaatsen Papenbeek en Well. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 28 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal twaalf archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Het gaat daarbij om het opstellen van een archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bergen, bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en één proefsleufonderzoek (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat voor een aantal locaties na aanleiding van de resulaten van het booronderzoek vrijgave wordt geadviseerd op grond van een verstoorde bodemopbouw en het ontbreken van archeoogische indicatoren. Voor een aantal locaties is na het booronderzoek vervolgonderzoek geadviseerd door middel van een proefsleuvebnonderzoek. Binnen het onderzoeksgebied is één proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij geen archeologische waarden zijn vastgesteld.

25

Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Isarin, e.a., 2015. 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 26

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 9 van 20

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied29 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan zeven vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd met een nadruk op Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Opvallend is dat de vondstmeldingen redelijk ver van het plangebied afliggen, vanaf 500 meter, en allemaal ten zuiden van het plangebied (rondom het oude dorp Well aan de Maas). Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn de in ARCHIS en DANS beschikbare publicaties geraadpleegd van de archeologische onderzoeken die in het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd en (waarschijnlijk) gelegen zijn op dezelfde geomorfologische eenheid als het plangebied. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en er is geen contact gezocht met de provinciaal depot van Limburg, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Voor een gebied ongeveer 140 meter ten zuidoosten van het plangebied is er een bureau- en booronderzoek uitgevoerd.

Het gebied ligt ten noordoosten van het dorp Well ten noorden van de Rijksweg. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op de grens van een zwak golvend dalvlakteterras en een gebied met lage landduinen. Binnen het plangebied zelf worden geen enkeerdgronden verwacht. Op circa 150 m ten oosten van het plangebied stroomt de Molenbeek. Op basis van de hoge en droge ligging nabij het beekdal van de Molenbeek geldt voor het gebied een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen. Voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting gezien de ligging langs de weg tussen Nijmegen en Venlo. Onder het maaiveld zijn verschillende sterk verstoorde lagen aangetroffen. Onder de geroerde lagen zijn hier direct Maasafzettingen aangeboord. De diepere ondergrond bestaat hier uit slecht gesorteerd matig fijn tot matig grof zand dat deels scherp aanvoelde. Ondanks de slechte sortering leek het sterk op dekzand. In dit geval betreft het verstoven rivierafzettingen, ook wel bekend als Maasduinen, die ondermeer binnen het plangebied werden verwacht. Dit zijn verstuivingen van rivierzanden in het dal van de Maas die op korte afstand zijn afgezet. Door de korte verplaatsingsafstand heeft nog geen goede sortering van de zandkorrels plaatsgevonden.

Deze afzettingen maken deel uit van het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel. Op een diepte van 150 à 170 cm beneden het maaiveld zijn onder dit verstoven zand grofzandige, licht tot matig grindige rivierafzettingen aangetroffen die behoren tot de Formatie van Beegden. Op basis van de verstoorde lagen die onder het maaiveld zijn aangetroffen is er geen vervolgonderzoek geasdviseerd.30 Voor een gebied ongeveer 145 meter ten westen van het plangebied is in eerste instantie een bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een booronderzoek. Op basis van de verwachte landschappelijke ligging, op een rivierduin direct langs een voormalige geul van de Maas, zal het plangebied een gunstige ligging heeft gehad geweest als tijdelijke nederzettingslocatie voor jagers-verzamelaars. Vanaf het Neolithicum zal het plangebied geschikt zijn geweest voor (semi)permanente bewoning (zwervende erven) en vormde een uitvalsbasis voor de ontginning van landbouwgronden op de rivierduin en het houden van vee op de vermoedelijk aanwezige graslanden ter plaatse van de voormalige Maasgeul. Vanaf het einde van de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd werd het landbouwareaal in stand gehouden door het opbrengen van een plaggendek/esdek. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum, de 29 30

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Deville & Orbons, 2010.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 10 van 20

verwachting is hoog voor (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum en Middelhoog voor de perioode Neolithicum tot en met Nieuwe tijd.31 Om de archeologische verwachting te toetsen is vervolgens een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. De top van het bodemprofiel bestond bij alle boringen uit een humusrijke eerdlaag bestaande uit matig grof, zwak siltig zand. Bij vier boringen is er onder de eerdlaag een (deel van een) intacte B(C)-horizont met een maximale dikte van 20 cm aangetroffen. Het bodemprofiel van was bij één boring tot een diepte van 150 cm –mv verstoord, bij een andere boring is gelijk onder de eerdlaag de C-horizont aangetroffen. De verstoorde bodemlagen kenmerken zich door kleurafwijkingen en -vlekken in de zandafzettingen. Onder de eerdlaag en/of B-horizont, en onder de verstoorde laag, is een onverstoorde C(g)-horizont, bestaande uit beige-grijs tot donkergeel matig grof, zwak siltig zand aangetroffen. De matig grove zanden die in het plangebied zijn aangetroffen zijn door de wind afgezette rivierduinafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. In de top van de rivierduinafzettingen heeft zich oorspronkelijk een podzolprofiel gevormd. In vier boringen is een deel van dit podzolprofiel nog intact.

In de overige boringen is het podzolprofiel verdwenen, mogelijk bij de aanleg en ploegen van het bovenliggende eerddek, mogelijk bij meer recente graafwerkzaamheden bij de bouw van het huis en de aanleg van de tuin. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het advies was vrijgegeve.32 Een groot gebied, Wellerlooi, 320 meter ten zuidwesten van het plangebied is in het kader van het Project Maasvallei onderzocht door middel van een bureau- en booronderzoek. De hoogste delen van het Jonge Dryas-terras hebben een hoge verwachting voor archeologische sporen. Er zijn vindplaatsen te verwachten uit het Neolithicum t/m de Romeinse tijd. Waar het Jonge Dryas-terras is afgedekt door laat-holocene oeverafzettingen zijn de archeologische resten goed bewaard zijn gebleven. De conservering van archeologische artefacten is naar verwachting matig doordat de eventuele archeologische lagen zich in de oxidatie en oxidatie/reductie zone liggen. Tevens heeft verbruining opgetreden in de top van het Jonge Dryas-terras waardoor de sporen slecht leesbaar zijn. De archeologische verwachting van de holocene riviervlakte is afhankelijk van de ouderdom van de kronkelwaardruggen. Op de kronkelwaardruggen die in het Vroeg-Holoceen zijn gevormd kunnen archeologische resten verwacht worden uit het Mesolithicum en Neolithicum.

Tevens kunnen archeologische resten worden verwacht uit de IJzertijd en Romeinse tijd. De kronkelwaardruggen die vanaf de Romeinse tijd zijn gevormd hebben een lage archeologische verwachting voor nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd en later. In deze zones kunnen wel andere archeologisch fenomenen uit deze perioden voorkomen zoals sluizen, watermolens en kazematten. Tevens kunnen op beide terrasniveaus sporen uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen, zoals loopgraven. De conservering van archeologische artefacten is naar verwachting matig doordat de eventuele archeologische lagen zich in de oxidatie en oxidatie/reductie zone liggen. Tevens heeft verbruining opgetreden in de top van de holocene afzettingen die bestaan uit matig tot sterk siltig zand of matig tot sterkzandige klei. Hierdoor kunnen archeologische sporen slecht leesbaar zijn. Bij het booronderzoek is geen holocene kronkelwaard aangetroffen. Het deel van het gebied direct grenzend aan de Maas bestaat uit een brede kom-achtige laagte. De basis van de laagte ligt gemiddeld op 8,0 m + NAP. Ten oosten van deze laagte bestaat het gebied voornamelijk uit grindrijke afzettingen behorende bij het vlechtende rivierterras uit de Jonge Dryas. De top van deze grindrijke afzettingen is op de hoge delen van dit terras gelegen op een diepte van circa 14,0 m + NAP en op de lage delen op 12,0 m + NAP.

Vrijwel overal zijn de afzettingen afgedekt door de laag van Wijchen. De hoge delen zijn maar deels afgedekt door laatholocene oeverafzettingen. In het noorden 33 is in dit terras een brede geul aangetroffen met de basis op een diepte van 10 tot 12 m + NAP. De geul vormt de grens met een hoger gelegen terras waarschijnlijk uit het Allerød ten noordoosten ervan. De geul is opgevuld met kleiige afzettingen in het 31

Stiekema, 2010. Thijs & Stiekema, 2010. 33 In de buurt van het huidige plangebied 32

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 11 van 20

noorden en met veen in het centrale deel van het plangebied. In het centrale deel is de geul afgedekt door eolisch zand. De 14C-datering van het veen geeft aan dat het veen gevormd is in de Middeleeuwen: 899-1027 n. Chr. De eolische afzettingen blijken gevormd te zijn in de Middeleeuwen: 1162 ± 40 n. Chr.34 Bovenstaande onderzoeken geven aan dat er resten te verwachten zijn uit alle archeologische perioden en dat de landschappelijke situatie, die erg varieert binnen het onderzoeksgebied, bepalend is voor waar welke perioden aangetroffen wordt. Uit de twee onderzoeken ten oosten en westen van het plangebied blijkt verder dat hoewel de geologische kaart aangeeft dat ze op de Formatie van Beegden liggen ze feitelijk op de Formatie van Boxtel, laagpakket van Delwijnen liggen, met hieronder de Formatie van Beegden. Dit is waarschijnlijk ook het geval binnen het plangebied. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart35

1821

20 Meerlo

1:20.000

Heide, zuidoostelijk deel onderdeel van een weg.

Ten noorden en zuiden heide. Verder ten zuiden (gescheiden door een weg) bouwland en bewoning langs de weg ten zuidwesten plangebied.

Kadastrale minuut36

1811-1832

Gemeente Bergen, Sectie F, Blad 01 en Sectie G bladen 4 en 5

1:2.500

Heide aan de noordoostzijde doorneden door een weg. Aan de zuidwestzijde bebouwing.

Ten noorden heide (met molen) en dennenbos, ten zuiden bouwland.

Militaire topografische kaart37 (nettekening)

1830-1850

52 Venlo

1:50.000

Wegen met aan de zuidwestzijde tussen twee wegen achtertuinen en bebouwing.

Ten noorden heide doorsneden door een weg en molen. Ten zuidwesten bebouwing, ten zuidoosten agrarische percelen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1899

633

1:50.000

Geen veranderingen

Ten noorden heide en bos doorsneden door een weg en molen. Ten zuidwesten bebouwing, ten zuidoosten agrarische percelen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1908

633

1:50.000

Geen veranderingen

Geen grote veranderingen

34

Zuidhof & Huizer, 2015 Beeldbank Vrije Universiteit 36 Beeldbank Cultureel Erfgoed 37 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 35

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 12 van 20

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1927

633

1:50.000

Bebouwing in het zuidwesten toegenomen

Bebouwing ten noordoosten en -westen plangebied.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1936

633

1:50.000

Bebouwing in het zuidwesten toegenomen, bijgebouwen (schuren?)

Toename bebouwing rondom plangebied.

Topografische kaart

1953

52E

1:25.000

Woonhuis verdwenen uit het plangebied, daar nu alleen nog de bijgebouwen.

Geen grote veranderingen

Topografische kaart

1958

52E

1:25.000

Geen veranderingen

Toename bebouwing rondom plangebied. Heidegebied nu volledig verdwenen en in gebruik als bos.

Topografische kaart

1967

52E

1:25.000

Bijgebouwen verdwenen uit het plangebied, daar nu alleen nog gras.

Geen grote veranderingen

Topografische kaart

1979

52E

1:25.000

Onduidelijk of zuidwest deel plangebied in gebruik is al grasland of is verhard.

Toename bebouwing rondom plangebied.

Topografische kaart

1988

52E

1:25.000

Geen veranderingen

Geen grote veranderingen

Topografische kaart

1999

52E

1:25.000

Geen veranderingen

Geen grote veranderingen

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in de eerste kwart van de 19e eeuw grotendeels onderdeel was van een heidegebied en deels als weg (zie figuren 9-14). In het zuidwesten van het plangebied staat bebouwing op een erf, het betreft een huis dat eigendom is van Baron Petrus Wilhelmus de Liedel de Well (waarschijnlijk van één van zijn pachters). Ten noorden van het plangebied ligt bos en heide, met op de heide een molen (ook eigendom van Baron Petrus Wilhelmus de Liedel de Well), en ten zuidwesten een weg met daaraan bebouwing. Op de kaart van 1850 is te zien dat de huidige N271 is gerealiseerd met, binnen het plangebied, een afslag naar het noorden (de huidige Wezerweg) met aan de zuidoostzijde bos of heide. Ten zuidwesten staat tussen de huidige N271 en de huidige straat Sterrenbos bebouwing, waarschijnlijk een woonhuis, met waarschijnlijk tuinen aan de achterzijde. Op de kaart van 1927 is de bebouwing aan de zuidwestzijde uitgebreid met een bijgebouw bij het woon huis en nogmaals op de kaart uit 1936 meer nog meer bijgebouwen. Op de kaart uit 1953 is het woonhuis verdwenen maar staan de bijgebouwen er nog wel, deze zijn op de kaart uit 1967 verdwenen en bestaat het zuidwestelijke deel, tussen de N271 en de straat Sterrenbos, uit grasland.

Vanaf de kaart uit 1979 is het zuidwestelijk deel, als onderdeel van de bebouwde kom, wit op de kaart aangegeven waardoor niet duidelijk is wanneer het zijn huidige functie als parkeerplaats heeft gekregen. Opvallend op het historisch kaartmateriaal is dat de ligging van de wegen in de loop van de tijd steeds net iets anders is, dit zou kunnen wijzen op aanpassingen van het wegennet maar waarschijnlijker is het dat dit grotendeels het gevolg is van cartografische afwijkingen.De directe omgeving van het plangebied laat de uitbreiding van de wijk Papenbeek zien die langzaam, en vooral in de 20e eeuw, rondom het plangebied plaats vond. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Tot 2012 moest een monument 50 jaar of langer geleden zijn vervaardigd om in het kader van de Monumentenwet voor bescherming in aanmerking te komen. Per 1 januari 2012 is dit criterium vervallen. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening.

Rapport 11400.001 versie 1

Pagina 13 van 20

Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940. Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Binnen de 50 m attentiezone liggen vier MIP monument van gebouwen uit de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw. Het betreffen woonhuizen, één in combinatie met een politiebureau, in de traditionalisme bouwstijl. Deze monumenten ondersteunen het kaartmateriaal dat ook aangeeft dat rondom het plangebied voornamelijk in de 20e eeuw bebouwing is gerealiseerd en dat de oude kern van Papenbeek verder van het plangebied verwijdert ligt. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Bergen is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon de heer Verhappen), wat geen aanvullende relevante informatie heeft opgeleverd.

Van de historische bebouwing in het plangebied zal waarschijnlijk geen bouwdossier bestaan. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 38 Het raadplegen van deze bronnen geeft redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Het plangebied ligt aan de oostrand van de Maas-stellung, de Duitse verdedigingslinie langs de oostoever van de Maas, aangelegd om een geallieerde invasiemacht uit het westen en zuiden te kunnen stoppen/vertragen. Rondom het plangebied zijn een aantal mijnenvelden, vooral rondom de huidige Wezerweg, en verspreid explosieven geruimd. Well is op 2 maart 1945 vanuit het oosten bevrijd waardoor er ter plaatse om deze stelling niet gevochten is. Mogelijk is de geruimde explosieven afkomstig van geallieerden artillerie aan de westzijde van de Maas. Resten van militaire structuren kunnen verwacht worden, vooral rond de Wezerweg, en nog niet geexplodeerde explosieven kunnen ook niet uitgesloten worden. Voor een strook vanaf de N271 tot aan de Maas is door AVG een vooronderzoek uitgevoerd conform WSCS-OCE. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Archief Well. De heer M.

Stevens heeft hierop gereageerd. De Wezerweg met beneden de aansluiting met de Hooghen Weg was de voornaamste verbindingsweg tussen de dorpen voordat de (huidige) N271 er kwam in 1846. De Sterrenbos is een gedeelte van die oude weg. De Wezerweg sloot vroeger aan op de huidige Sterrenbos, die vroeger dus deel uitmaakte van het traject van de Hooghen Weg. Vanaf de huidige aansluiting met de Rijksweg had de Wezerweg een rechtstreekse verbinding met de Kasteellaan. Gedeeltelijk onder de huidige Rijksweg door en een stukje over de huidige parkeerplaats. Op de kaart uit 1882 is de (huidige) N271 een kiezelweg. De verbinding met de Kasteellaan is hier al verdwenen. Wel is er nog de verbinding Wezerweg-Sterrenbos.

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 38

Rapport 11400.001 versie 1

Indicatieve

kaart

Militair

Erfgoed/VEO

Bommen-

Pagina 14 van 20

De naam Sterrenbos is niet zo heel oud. Toen in 1816 de bijna 15-jarige dochter Sophie van de kasteelheer Pieter Willem baron de Liedel overleed, liet deze als aandenken aan haar een wandelbos aanleggen tussen de toenmalige Hooghen Weg en de Papenbeek, grenzend aan de Kasteellaan. Hij noemde het Sterrenbos omdat het in de vorm van een ster (de dochter was de “Augenstern” van haar ouders) aangelegd werd. Later is de Hooghen Weg hier omgedoopt tot Sterrenbos. Het is niet bekend hoe de zuidelijker gelegen Papenbeek aan zijn naam gekomen is. "Paap" is een Middeleeuws woord voor pastoor en duidt op een oude weg. Een beek in de buurt ervan is er niet (meer). 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12385475/1