Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 12 Natuurtoets
Tekst van het document
Vermesting door stikstof uit de lucht
Kenmerk: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 23 van 38
Interactie andere factoren: Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Analyse: Uit de AERIUS stikstofberekening blijkt dat ten gevolge van de gebruiksfase van het plan, met een projecteffect van de gebruiksfase van maximaal 1,19 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Maasduinen, een overschrijding van de verlaagde grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar optreedt. Op de overige Natura 2000-gebieden is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde. Vanwege het overschrijden van de grenswaarde is voor de gebruiksfase een Wet natuurbeschermingsvergunning benodigd. 8.3.5
Verontreiniging
Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.
Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Analyse: De situatie op de onderzoekslocatie blijft nagenoeg hetzelfde. De onderzoekslocatie is momenteel in gebruik als openbare weg en blijft openbare weg waardoor bovengenoemde stoffen niet aan orde zijn. Tevens zullen tijdens de werkzaamheden geen schadelijke stoffen vrijkomen. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van verontreiniging in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 24 van 38
8.3.6
Verdroging
Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Analyse: Het grondwater zit op een diepte van 6,5 m -mv. Door de voorgenomen plannen wordt het grondwater niet aangetast.
Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van verdroging in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. 8.3.7
Verstoring door geluid
Kenmerk: Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Analyse: Bij de ontwikkeling van de rotonde op de onderzoekslocatie zullen diverse wegen op elkaar worden aangesloten. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000-gebied en de nog aanwezige bomenlaag zal er geen negatief effect optreden door een tijdelijke toename van geluid tijdens de aanlegfase.
Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van geluid in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 25 van 38
8.3.8
Verstoring door licht
Kenmerk: Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: Geen. Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Analyse: Gezien de voorgenomen plannen (de aanleg van een rotonde) zal er geen toename van licht ontstaan. De straatverlichting die momenteel aanwezig is zal nagenoeg hetzelfde blijven. Mogelijk zal er een licht toename ontstaan tijdens de werkzaamheden. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000-gebied en de nog aanwezige bomenlaag zal er geen negatief effect optreden door een tijdelijke toename van verlichting tijdens de aanlegfase. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van licht in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. 8.3.9
Verstoring door trilling
Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Analyse: Soorten als bever, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en oeverzwaluw die gevoelig zijn voor trillingen komen niet voor nabij de onderzoekslocatie. Trillingen in de bodem merkbaar over grote afstanden zijn door de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie niet aan orde. Mogelijk zal er een toename van trillingen ontstaan tijdens de werkzaamheden. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000-gebied zal er geen negatief effect optreden door een tijdelijke toename van trillingen tijdens de aanlegfase. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van trilling in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
8.3.10 Optische verstoring Kenmerk: Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen).
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 26 van 38
Gevolg: Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Analyse: Door de voorgenomen werkzaamheden zal de het optisch beeld op de onderzoekslocatie niet veranderen. Gezien de ligging van de toekomstige rotonde zorgt de nog aanwezige bomenlaag ervoor dat er geen negatief effect zal optreden bij de aanleg van de rotonde. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van optische verstoring in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. 8.3.11 Verandering in populatiedynamiek Kenmerk: De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte.
Er wordt hier vooral gedoeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. Interactie andere factoren: Veel storende factoren leiden op hun beurt – dus indirect - tot een verandering in populatiedynamiek. Deze storende factor zit namelijk aan het einde van de effectketen. Gevolg: Bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de verhouding sterfte-reproductie) leidt in de toekomst tot effecten. Zowel minder organismen (een kleinere populatie) en zeker een verandering in samenstelling van de populatie (bijv. meer oude dieren) kunnen leiden tot een verandering in de geboorte/sterfte ratio. En daarmee kan er iets veranderen in de populatiedynamiek (het gedrag in de tijd). Dit kan uiteindelijk leiden tot het (tijdelijk) verdwijnen van soorten, waardoor het evenwicht van het ecosysteem verschuift. De gevoeligheid is sterk afhankelijk van diverse populatiekenmerken zoals de generatietijd van een soort en de huidige grootte van populaties. Vooralsnog zijn alle soorten als ‘gevoelig’ gescoord. Analyse: De toekomstige situatie zal nagenoeg hetzelfde blijven vergeleken met de huidige situatie op de onderzoekslocatie.
Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van populatiedynamiek in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 27 van 38
9 9.1
"NEE, TENZIJ-ONDERZOEK" Inleiding
De Nee, tenzij- toets heeft als doel om de effecten van het beoogd gebruik op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Limburg te onderzoeken. In het provinciaal natuurbeleid (POL 2014) zijn drie groene natuurzones te onderscheiden, de goudgroene-, zilvergroene- en bronsgroene zone. De goudgroene natuurzone (GGN) vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk. Als blijkt dat effecten op het Natuurnetwerk niet op voorhand uit te sluiten zijn, moet een effectenonderzoek GGN worden uitgevoerd. Indien een voorgenomen ingreep de “nee, tenzij” –afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Bij een effectenonderzoek GGN worden dan ook de (mogelijke) effecten op het Natuurnetwerk in kaart gebracht en wordt geadviseerd hoe negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Hierbij worden de voorgenomen plannen getoetst op negen verschillende verstoringstypen (Omgevingsverordening Limburg , 2014, artikel 2.6.2). 9.2
Onderzoeksmethodiek
De Nee, tenzij- toets is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Aan de hand van een veldbezoek en een literatuurstudie zal er een effectenonderzoek goudgroene natuurzone worden uitgevoerd (‘Nee, tenzij’-toets). De (mogelijke) effecten op de goudgroene natuurzone worden tijdens dit onderzoek in kaart gebracht en er zal een advies worden gegeven over hoe negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Het effect van de ingreep op de natuurlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone dient conform de Omgevingsverordening Limburg 2014 op een negental aspecten getoetst te worden (Omgevingsverordening Limburg 2014, 2014, artikel 2.6.2): Natuurkwaliteit en areaal Geomorfologische en aardkundige waarden en processen Waterhuishouding Kwaliteit van de bodem Water en lucht Rust Stilte Donkerte Openheid of geslotenheid van de landschapsstructuur In deze toetsingscriteria worden de huidige waarden en kenmerken behandeld met daarnaast verweven de historische en toekomstige natuurwaarden en kenmerken van de goudgroene natuurzone. In figuur 19 is het beschermingsregime van de goudgroene natuurzone weergegeven. In het bureauonderzoek worden met behulp van gegevens van de provincie Limburg en de onderzoeksresultaten van het veldbezoek de bovenstaande negen criteria getoetst.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 28 van 38
Figuur 19. Beschermingsregime goudgroene natuurzone (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014). Deze spelregels zijn van toepassing op de goudgroene natuurzone in Limburg.
9.3
Nee, tenzij-toets goudgroene natuurzone Limburg
In onderstaand hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de beschermde gebieden. Bij de onderhavige “nee, tenzij-toets” worden de (mogelijke) effecten op de goudgroene natuurzone in kaart gebracht. Hierbij worden de voorgenomen plannen getoetst op negen verschillende aspecten. Inleiding De goudgroene natuurzone (GGN) is planologisch beschermd. Dit betekent dat de provincie Limburg nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van de GGN niet toestaat. Initiatiefnemers van ingrepen binnen de GGN dienen de effecten van de ingreep op de GGN te onderzoeken middels een “nee, tenzij”-onderzoek. Het doel van het nee, tenzij-beleid is het voorkomen van significant negatieve effecten van ontwikkelingen op de wezenlijke waarden en kenmerken van de GGN. Om hierop te kunnen toetsen zijn negen toetsingsaspecten in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (Omgevingsverordening Limburg 2014, 2014), artikel 2.6.2 vastgelegd. Op basis van een toetsing aan deze criteria zijn de volgende oordelen mogelijk: 1. 2. 3.
Op één van de aspecten is het oordeel: significante aantasting. Op geen aspect is het oordeel significante aantasting, maar als alle aspecten in combinatie overzien worden is het oordeel: significante aantasting. Op geen aspect is het oordeel significante aantasting, ook niet bij combinatie van de aspecten.
Voor de toetsing is als hulpmiddel gebruik gemaakt van de negen criteria en de achterliggende informatie die middels webkaarten beschikbaar is.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 29 van 38
De onderzoekslocatie maakt gedeeltelijk onderdeel uit van de goudgroene natuurzone. Het betreft beheertypen dennen-, eiken en beukenbos (N15.02) en droog bos met productie (N16.03), beiden met ambitie Bosserheide (NLO5.21B). In figuur 17 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de goudgroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone weergegeven. Enkel de goudgroene natuurzone maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. 9.3.1
Natuurkwaliteit en areaal
Flora en fauna Uit het veldbezoek dat heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019 blijkt dat er binnen de GGN algemene broedvogels kunnen voorkomen waarvan het nest beschermd is tijdens het broedseizoen. De omgeving van de bomenopstand is onderzocht op potentieel jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Daarnaast kan de bomenopstand een functie hebben voor vleermuizen (foerageerfunctie en vliegroute). De bomenopstand op de onderzoekslocatie is onderzocht op boomholtes; deze zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Er wordt geen verstoring verwacht ten aanzien van vleermuizen. De onderzoekslocatie vormt minimaal geschikt habitat voor de das en steenmarter. Ten tijde van het veldbezoek was het niet mogelijk om het terrein tussen het Moleneind en de Wezerweg te betreden. Derhalve is een vaste rust- en verblijfplaats van een van deze soorten op dit deel van de onderzoekslocatie niet uit te sluiten. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. Centraal op de onderzoekslocatie is in één van de vijf zomereiken een eekhoornnest waargenomen. Ook voor een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals konijn, egel, mol en diverse muizensoorten, en algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, vormt de onderzoekslocatie geschikt habitat.
De bomenopstand voldoet tevens aan de habitateisen van de hazelworm en de levendbarende hagedis vanwege de afwisselende elementen op de locatie als een bos(rand), aanwezige strooisellaag, struikbegroeiing, boomstammen en stenen. De bomenopstand bestaat uit loofbomen gemengd met sporadisch naaldbomen. Beschermde vaatplanten zijn hier niet te verwachten. De effecten van de voorgenomen plannen op de aanwezige of te verwachten flora en fauna en de te nemen vervolgstappen worden in hoofdstuk 6 uitgebreid beschreven. Voor een aantal soorten zoals de das en de steenmarter en mogelijk voor de eekhoorn, de hazelworm en de levendbarende hagedis is een aanvullend veldonderzoek benodigd om de aan- of afwezigheid van deze soorten op de onderzoekslocatie en de functie van de onderzoekslocatie voor deze soorten te bepalen. Verder dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht. Areaal Het bosperceel op de onderzoekslocatie behoort tot het GGN. Op de desbetreffende planlocatie zal de huidige boomopstand verdwijnen doordat de Wezerweg verlegd wordt. Hierdoor zal er 2.214 m2 aan bos areaal verloren gaan. Conclusie Het verleggen van de Wezerweg zal een negatief effect hebben op het huidige bosareaal binnen de GGN. Dit komt doordat de Wezerweg in de toekomstige situatie binnen de huidige GGN komt te liggen wat zorgt voor afname van GGN.
Het verlies van bosareaal binnen de onderzoekslocatie dient elders gecompenseerd te worden. Voor een aantal soorten is aanvullend veldonderzoek benodigd en er dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen en de zorgplicht. Voor een uitgebreide beschrijving van de effecten op de aanwezige flora en fauna wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 30 van 38
9.3.2
Geomorfologische en aardkundige waarden en processen en kwaliteit van de bodem
Ongeveer de helft van het plangebied (om en nabij het deel ten noorden van het Moleneind) wordt geomorfologisch aangegeven als “Lage landduinen met bijbehorende vlakten/laagten”. Het overige deel (het Moleneind en het deel ten zuiden daarvan) wordt geomorfologisch aangegeven als “bebouwing”. De afzettingen, waarin deze zandige bodems zijn ontstaan, behoren geologisch gezien tot de formaties van Boxtel, Beegden en Breda en de Kiezeloöliet Formatie. De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland grotendeels uit duinvaaggronden; grof zand. Een deel van het Moleneind bestaat uit hoge bruine enkeerdgronden; grof zand. Conclusie Door de voorgenomen plannen zullen er geen veranderingen plaatsvinden ten aanzien van de geomorfologische en aardkundige waarden en processen en kwaliteit van de bodem. 9.3.3
Waterhuishouding
De grondwatertrap ter plaatse van de onderzoekslocatie is GWT VII (diepte > 80 cm-mv). Op de hoogtekaart is te zien dat de onderzoekslocatie een hoogte van 19 m boven zeeniveau heeft (Actueel hoogtebestand Nederland, 2019). De onderzoekslocatie maakt geen onderdeel uit van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook is het gebied geen onderdeel van de Roerdalslenk of de Venloschol. Het eerste watervoerend pakket van de duinvaaggrond heeft een gemiddelde dikte van ± 221 tot 223 m en wordt gevormd door de zandgronden van de formaties van Boxtel, Beegden en Breda en de Kiezeloöliet Formatie. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart in zuidelijke richting. Conclusie Het verleggen van de Wezerweg zal geen effect hebben op de waterhuishouding of de waterkwaliteit. 9.3.4
Lucht
Uit de AERIUS stikstofberekening blijkt dat ten gevolge van de gebruiksfase van het plan, met een projecteffect van de gebruiksfase van maximaal 1,19 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Maasduinen, een overschrijding van de verlaagde grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar optreedt. Conclusie Door de voorgenomen plannen stijgt de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau waardoor een beperkt aantal plantensoorten sterk toe neemt ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. 9.3.5
Rust en stilte
De GGN binnen en rondom de onderzoekslocatie maakt geen onderdeel uit van een stiltegebied. Direct rondom de bomenopstand op de onderzoekslocatie binnen de GGN liggen de Wezerweg en het Moleneind. Verderop bevinden zich woonhuizen en een bedrijf wat handelt in kozijnen, deuren en zonwering. De bomenopstand maakt onderdeel uit van de siertuinen behorend tot de woningen aan het Moleneind 9 en het Moleneind 7.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 31 van 38
In de toekomstige situatie zal de rust en stilte binnen de GGN op en aan de rand van de onderzoekslocatie afnemen doordat de Wezerweg verlegd zal worden binnen de GGN. Dit betekent een toename van het wegverkeerslawaai binnen de GGN. In de huidige situatie begrenst de Wezerweg het GGN wat voor verstoring van de rust en stilte in het gebied zorgt. Bij de huidige fauna is er sprake van een zekere mate van gewenning ten opzichte van huidige geluidsverstoring. De zone waarbinnen sprake is van wegverkeerslawaai zal verlegd worden als gevolg van de verplaatsing van de Wezerweg. In de toekomstige situatie zal er bij de aanwezige fauna weer gewenning optreden. Het wordt geadviseerd om de aanlegfase plaats te laten vinden buiten de gevoelige broed- en voortplantingsperiode. Buiten deze periode kunnen dieren zich bij geluidsverstoring verplaatsen naar gebieden waar geen sprake is van verstoring. Conclusie Het verleggen van de Wezerweg zal een tijdelijk negatief effect hebben op de huidige rust en stilte binnen de GGN. In de toekomstige situatie zal weer gewenning optreden bij de aanwezig fauna. Het wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van broedvogels, reptielen en zoogdieren te laten plaatsvinden. 9.3.6
Donkerte
De bomenopstand van ± 2.000 vierkante meter ter plaatse van de GGN heeft een vrij gesloten karakter en valt onder beheertype N15.02 dennen- eiken- en beukenbos. Dit beheertype heeft een gesloten tot halfopen karakter wat in de toekomstige situatie op de onderzoekslocatie verloren zal gaan. Het gebied direct grenzend aan de bomenopstand (waaronder een deel van de Wezerweg wat eveneens onderdeel is van de GGN met als beheertype N16.03 droog bos met productie) heeft een open structuur vanwege de aanwezige verharding en bermen. Het beheertype N16.03 droog bos met productie heeft een uiteenlopend karakter. Dit deel zal zijn open karakter als gevolg van de voorgenomen plannen behouden omdat de Wezerweg hier zal blijven liggen. Het deel van de GGN op de onderzoekslocatie ter hoogte van het fietspad achter het tankstation (beheertype N15.02 dennen- eikenen beukenbos) heeft eveneens een open structuur vanwege de aanwezige verharding en bermen. Ook dit deel van de GGN zal zijn open structuur behouden, waarschijnlijk in de vorm van een berm omdat het fietspad hier verwijderd zal worden. In de huidige situatie is geen verlichting aanwezig binnen de bomenopstand. De bomenopstand heeft een relatief donker karakter.
Ten behoeve van de voorgenomen plannen zal het donkere karakter van de bomenopstand op de onderzoekslocatie binnen de GGN verdwijnen doordat de bomen en struiken aldaar verwijderd zullen worden. Dit valt samen met areaalverlies van de GGN. Het verlies van areaal dient elders gecompenseerd te worden. Op deze manier kan ook het verlies van donkerte gecompenseerd worden omdat de donkerte die op de onderzoekslocatie verloren gaat elders terug zal keren. In de toekomstige situatie zal de donkerte binnen de GGN op en aan de rand van de onderzoekslocatie afnemen doordat de Wezerweg verlegd zal worden binnen de GGN. Dit betekent een toename van licht door verstrooiing van licht van het verkeer dat gebruikmaakt van de Wezerweg. Het wordt geadviseerd om aangepaste straatverlichting te gebruiken (afgeschermde armaturen, verlichting zo laag mogelijk en alleen daar gericht waar nodig plaatsen) om verstoring door licht te voorkomen. Tevens wordt het aangeraden om langs de weg dicht struikgewas aan te planten of bijvoorbeeld gebruik te maken van schermen om verstrooiing van licht door bijvoorbeeld koplampen van voertuigen naar de omgeving worden voorkomen.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 32 van 38
De donkerte binnen de overige delen van de GGN op de onderzoekslocatie zal niet veranderen als gevolg van de voorgenomen plannen omdat de verlichting en het open karakter aldaar behouden zullen blijven. Conclusie Door gebruik te maken van aangepaste verlichting en door struikgewassen aan te planten of door schermen te plaatsten wordt verstoring door licht voorkomen. Wanneer deze maatregelen worden genomen is verstoring door licht op voorhand uit te sluiten. De donkerte binnen de overige delen van de GGN op de onderzoekslocatie zal niet veranderen. 9.3.7
Openheid of geslotenheid van de landschapsstructuur
De bomenopstand op de onderzoekslocatie binnen de GGN bestaat uit zomereiken, beuken en sporadisch esdoorn en enkele naaldbomen. De bomenopstand, ter plaatse van de toekomstige rotonde, zal in de toekomstige situatie grotendeels verwijderd worden. Het functioneren van de GGN zal door de voorgenomen plannen dan ook worden aangetast. Hierbij zal de landschapsstructuur veranderen van een gesloten bomenopstand in een open gebied met grotendeels verharding, wat tevens areaalverlies van de GGN inhoudt. Dit verlies van areaal dient elders gecompenseerd te worden. Op deze manier kan ook het verlies van een gesloten landschapsstructuur gecompenseerd worden omdat deze gesloten landschapsstructuur elders terug zal keren. De landschapsstructuur van de overige delen van de GGN op de onderzoekslocatie zal niet veranderen als gevolg van de voorgenomen plannen omdat het open gebied aldaar een open gebied zal blijven. Conclusie De landschapsstructuur ter plaatse van de GGN zal door de voorgenomen plannen veranderen van een gesloten bomenopstand in een open gebied met grotendeels verharding. Er worden significante negatieve effecten verwacht die betrekking hebben op de geslotenheid van de landschapsstructuur. De gesloten landschapsstructuur die verloren gaat dient elders gecompenseerd te worden.
De open gebieden binnen de overige delen van de GGN op de onderzoekslocatie zullen open blijven en dus zal de landschapsstructuur aldaar niet veranderen. 9.4
Conclusie en advies
De Nee, tenzij- toets is uitgevoerd in het kader van een voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel om de effecten van het beoogd gebruik op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Limburg te onderzoeken. Uit onderhavig Nee, tenzij-onderzoek blijkt dat er door de geplande inrichting, zoals deze in de huidige situatie voorzien is, significant negatieve effecten te verwachten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van de GGN. Door de voorgenomen plannen zal een deel van het GGN areaal verdwijnen. Tevens is er sprake van een verhoogde stikstofdepositie, zal er tijdelijke geluidsverstoring optreden tot dat bij de voorkomende soorten gewenning optreed en zal er openheid optreden op een plek waar nu geslotenheid heerst. Door rekening te houden met toekomstige verlichting kan verstoring door licht voorkomen worden. Met name in de richting van het GGN mag er geen toename aan licht plaatsvinden. Om dit te voorkomen kan er gewerkt worden met oriëntatieverlichting, aangepaste armaturen, verlichting lager plaatsen en kan het plaatsen van struikgewassen of schermen verstrooiing van verlichting door verkeer voorkomen. Daarnaast gaat de voorkeur na het gebruik van verlichting te beperken tot enkel gevaarlijke punten.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 33 van 38
Door de toepassing van een aantal spelregels voor ingrepen met een combinatie van onderling samenhangende activiteiten (saldobenadering) kan de ingreep binnen de GGN niet gerealiseerd worden tenzij: 1. Er sprake is van een combinatie van onderling samenhangende activiteiten, waarvan één of meer afzonderlijk een negatief effect hebben op de Goudgroene natuurzone, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de Goudgroene natuurzone op gebiedsniveau. 2. Er per saldo sprake is van een verbeterde natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de samenhang van GGN verbeterd. a. de combinatie van plannen, projecten of handelingen binnen één samenhangende gebiedsvisie wordt gepresenteerd; b. per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de samenhang van de goudgroene natuurzone verbetert; c. ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaarden in de gebiedsvisie wordt aangegeven: – de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen, en – op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd. d. de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd; e. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone.
Deze instrumenten moeten zorgen dat de GGN niet alleen even groot en even waardevol blijft, maar er zelfs beter op wordt.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 34 van 38
10
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. De te vellen houtopstanden zijn gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom van beschermde houtopstanden en vallen daarnaast niet onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming. Op de te vellen houtopstanden is een meldingsplicht en herplantplicht van toepassing. Voor de velling van de houtopstanden dient een melding gedaan te worden ten minste 6 weken voor kapwerkzaamheden bij de provincie Limburg. Daarnaast dient herplant binnen 3 jaar plaats te vinden. Indien de herplant op dezelfde locatie kan plaatsvinden, is een ontheffing niet benodigd en kan volstaan worden met een melding en herplant binnen 3 jaar ter plaatse.
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 35 van 38
11
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Ducot Engineering & Advies een natuurtoets uitgevoerd aan de Moleneind (ong.) te Well. De natuurtoets is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens de openbare wegen Sterrenbos, Moleneind, Wezerweg en Kasteellaan middels een te realiseren rotonde te verbinden. De Wezerweg dient hiervoor verlegt te worden waardoor diverse bomen gekapt moeten worden. Daarbij worden enkele bomen ter plaatse van de parkeerplaats verwijderd en mogelijk 1 tot 2 zomereiken op het centrale deel van de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de bushaltes langs de Moleneind te verplaatsen. Tevens zal het fietspad op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie verwijderd worden. Hoogstwaarschijnlijk zal het voormalig traject van het fietspad omgevormd worden naar berm.
De initiatiefnemer is voornemens de openbare wegen Sterrenbos, Moleneind, Wezerweg en Kasteellaan middels een te realiseren rotonde te verbinden. De Wezerweg dient hiervoor verlegt te worden waardoor diverse bomen gekapt moeten worden. Daarbij worden enkele bomen ter plaatse van de parkeerplaats verwijderd en mogelijk één tot twee zomereiken op het centrale deel van de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de bushaltes langs de Moleneind te verplaatsen. Tevens zal het fietspad op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie verwijderd worden. Hoogstwaarschijnlijk zal het voormalig traject van het fietspad omgevormd worden naar berm. In figuur 9 is de toekomstige situatie weergeven. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaand een broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
nee
nee
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
mogelijk
mogelijk
ja
mogelijk
middels een aanvullend veldbezoek op het destijds ontoegankelijk terrein moet de aanof afwezigheid van de das en/of steenmarter worden vastgesteld
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
werkzaamheden binnen de vrijstellingsperiodes uitvoeren of voorafgaand een aanvul-
Das en steenmarter
Eekhoorn
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 36 van 38
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
lend onderzoek uitvoeren of betreffende bomen laten staan Algemene grondgebonden zoogdieren
Amfibieën
Tabel I (vervolg).
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, vos, egel, mol en diverse muizensoorten
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van gewone pad en bruine kikker
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
Reptielen
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
Nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
werkzaamheden binnen de vrijstellingsperiodes uitvoeren of voorafgaand een aanvullend onderzoek uitvoeren
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Tabel II. Overzicht gebiedsbescherming ten opzichte van onderzoekslocatie en te nemen vervolgstappen Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
0 km
mogelijk
ja
ja
Wet natuurbeschermingsvergunning is benodigd
Natuurnetwerk Nederland
0 km
mogelijk
ja
ja
Wet natuurbeschermingsvergunning is benodigd
ja
mogelijk
nee
ja
op te vellen houtopstanden is een meldingsplicht en herplantplicht van toepassing
Houtopstanden
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan dient voor uitvoering van de plannen duidelijkheid te zijn verkregen omtrent het gebruik van de onderzoekslocatie door das en steenmarter. Dit kan middels een aanvullend veldbezoek waarbij het terreindeel behorende bij de woningen aan Moleneind 9 en Moleneind 7 wordt onderzocht op de aanwezigheid van de betreffende soorten. Indien tijdens dit veldbezoek de aanwezigheid van de das en/of steenmarter op de onderzoekslocatie niet kan worden uitgesloten, zal een aanvullend soortenspecifiek onderzoek met cameravallen moeten worden uitgevoerd om de functie van de onderzoekslocatie voor deze soorten vast te stellen. Ten aanzien van algemene broedvogels geldt dat overtreding op voorhand kan worden voorkomen door de te kappen bomen, takkenhopen en begroeiing buiten het broedseizoen te verwijderen. Indien gewenst om de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uit te voeren, wordt geadviseerd een broedvogelcheck te laten uitvoeren voorafgaand de werkzaamheden. Ten aanzien van eekhoorns dient het verwijderen van eventuele nestgelegenheden in de vrijstellingsperiode plaats te vinden of dient er een inspectie van nestlocaties voorafgaand aan de werkzaamheden te worden uitgevoerd of de voorgenomen plannen worden aangepast waardoor de betreffende bomen blijven staan.
Ten aanzien van hazelworm en levendbarende hagedis dient het verwijderen van eventuele vaste rust- en
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 37 van 38
verblijfplaatsen binnen de vrijstellingsperiode te gebeuren of dient aanvullend soortenspecifiek onderzoek te worden uitgevoerd. Verder dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. De onderzoekslocatie is gelegen grenzend aan en gedeeltelijk in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. In het vooronderzoek Natura 2000 zijn de effecten van de voorgenomen ingreep op het Natura 2000-gebied ‘De Maasduinen’ nader onderzocht. Vanwege het overschrijden van de grenswaarde voor stikstofdepositie is voor de gebruiksfase een Wet natuurbeschermingsvergunning benodigd. Uit het Nee, tenzij-onderzoek blijkt dat er door de geplande inrichting, zoals deze in de huidige situatie voorzien is, significant negatieve effecten te verwachten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone (GGN). Vanwege negatieve effecten door areaalverlies, licht, stikstofdepositie, geluidsverstoring en openheid van het terrein is een Wet natuurbeschermingsvergunning benodigd. Ten aanzien van beschermde houtopstanden geldt een meldings- en herplantingsplicht.
Econsultancy Swalmen, 8 maart 2019
Rapport 8250.001 versie D1
Pagina 38 van 38
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied gemeente Bergen, periode 2009-2019 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
Rapport 8250.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 8250.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 8250.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
Dagvlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 8250.001 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Rapport 8250.001 versie D1
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt (jachtgebied). Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren. Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.