CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 12 Natuurtoets

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Rotonde Well;17.508 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

NATUURTOETS MOLENEIND (ONG.) TE WELL

Rapportage natuurtoets Moleneind (ong.) te Well Opdrachtgever

Ducot Engineering & Advies Boven de Wolfskuil 3 - unit 3.D30 6049 LX Roermond

Rapportnummer Versienummer

8250.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

8 maart 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opstellers

ing. B.H.M. Houben

Paraaf

Kwaliteitscontrole

S.H.W.M. Claessens, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

VOORTOETS NATURA 2000-GEBIEDEN............................................................................... 19 8.1 8.2 8.3

9

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Das en steenmarter ........................................................................................................ 15 Eekhoorn ........................................................................................................................ 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Hazelworm en levendbarende hagedis .......................................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

8

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

De Maasduinen............................................................................................................... 19 Habitats en habitatsoorten .............................................................................................. 19 Storingsfactoren.............................................................................................................. 20

"NEE, TENZIJ-ONDERZOEK" .................................................................................................. 28 9.1 9.2 9.3 9.4

Inleiding .......................................................................................................................... 28 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................... 28 Nee, tenzij-toets goudgroene natuurzone Limburg ........................................................ 29 Conclusie en advies ....................................................................................................... 33

10

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 35

11

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 36

8250.001

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 8250.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Ducot Engineering & Advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuurtoets aan de Moleneind (ong.) te Well. De natuurtoets is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In aanvulling op de basis quickscan flora en fauna wordt een voortoets voor Natura 2000-gebieden en een "Nee, tenzij-toets" uitgevoerd. Deze voortoets richt zich op de effecten van de voorgenomen plannen op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde Natura 2000-gebieden. De "Nee, tenzij-toets" heeft als doel om de effecten van het beoogd gebruik op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Limburg te onderzoeken. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 1 van 38

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2 ha) ligt aan de Moleneind (ong.), circa 0,5 kilometer ten noorden van de kern van Well. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 E (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 204.100, Y = 396.640.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft grotendeels een provinciale weg (Moleneind). Een fietspad aan de noordelijke zijde van de provinciale weg behoort tevens tot de onderzoekslocatie. Het te onderzoeken deel van het fietspad loopt achter een tankstation door tot de rotonde. Het overige deel van de onderzoekslocatie betreft een deel van de Kasteellaan, het Sterrenbos en de Wezerweg. Het terrein tussen het Sterrenbos en de Moleneind is momenteel in gebruik als parkeerterrein en is volledig verhard. Op de parkeerplaats zijn enkele jonge bomen (zomereiken) aanwezig. Tegenover het parkeerterrein, aan de andere kant van de Moleneind en aangrenzend aan de Wezerweg is een bomenopstand aanwezig. Het deel betreft een bos met een jonge bomenopstand bestaande uit zomereiken, beuken en sporadisch esdoorn en enkele naaldbomen. Het bos maakt onderdeel uit van de siertuinen behorende tot de woningen aan Moleneind 9 en Moleneind 7. Middels een hekwerk is dit deel geheel afgesloten vanuit de openbare weg. Centraal op de onderzoekslocatie, ten zuiden van de Moleneind zijn vijf grote zomereiken aanwezig. Tevens zijn naast de Moleneind sporadisch enkele zomereiken, in de groene bermen aanwezig. Ten noorden van de Moleneind ligt over de gehele lengte van de onderzoekslocatie het Natura 2000gebied "Maasduinen". Een tankstation ligt aan de zuidoostelijke zijde van de onderzoekslocatie.

Ten zuiden van de onderzoekslocatie liggen sportvelden en een woonwijk. Een restaurant en een woning ligt aan de oostelijke zijde van de onderzoekslocatie.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 2 van 38

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 21 januari 2019).

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Parkeerterrein (westelijk terreindeel onderzoekslocatie).

Figuur 4. Bos (vanuit Wezerweg).

Figuur 5. Bos (vanuit Moleneind).

Figuur 6. Zuidelijk terreindeel onderzoekslocatie.

Figuur 7. Centraal terreindeel onderzoekslocatie.

Figuur 8. Fietspad (zuidelijk terreindeel onderzoekslocatie).

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 3 van 38

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de openbare wegen Sterrenbos, Moleneind, Wezerweg en Kasteellaan middels een te realiseren rotonde te verbinden. De Wezerweg dient hiervoor verlegt te worden waardoor diverse bomen gekapt moeten worden. Daarbij worden enkele bomen ter plaatse van de parkeerplaats verwijderd en mogelijk één tot twee zomereiken op het centrale deel van de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de bushaltes langs de Moleneind te verplaatsen. Tevens zal het fietspad op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie verwijderd worden. Hoogstwaarschijnlijk zal het voormalig traject van het fietspad omgevormd worden naar berm. In figuur 9 is de toekomstige situatie weergeven.

Figuur 9. Toekomstige situatie van de onderzoekslocatie (bron: Ducot Engineering & Advies).

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 4 van 38

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 21 januari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de onderzoekslocatie, met uitzondering van het terrein wat behoort tot de siertuinen aan Moleneind 9 en Moleneind 7, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. In overleg met de opdrachtgever was het ten tijde van het onderzoek niet mogelijk om het terrein behorende bij de woningen aan Moleneind 9 en Moleneind 7 te betreden. Doordat er geen bladeren aan de bomen zaten konden de bomen en grotendeels het terrein (indien nodig met behulp van een verrekijker) goed worden geinspecteerd vanuit de openbare weg. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.

De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 5 van 38

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 6 van 38

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 7 van 38

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen). 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 8 van 38

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het buitengebied kunnen dit o.a. zijn: kerkuil, boerenzwaluw, huismus, steenuil, torenvalk, roek, bosuil, havik, boomvalk, ransuil en rode wouw. Vanwege het ontbreken van bebouwing kunnen de huismus, boerenzwaluw en de kerkuil op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden enkel in en aan gebouwen. Steenuil Steenuilen broeden voornamelijk in boomholtes van knotwilgen, oude (hoogstam)fruitbomen en oude schuurtjes. Deze elementen zijn op de locatie niet aanwezig. De steenuil foerageert in kleinschalig cultuurlandschap met weides en/of boomgaarden. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat wordt verstoring ten aanzien van de steenuil uitgesloten. Torenvalk, bosuil, havik, boomvalk, ransuil en rode wouw Volgens verspreidingsgegevens worden in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van torenvalk, bosuil, havik, boomvalk, ransuil en rode wouw. De bomenopstand tussen de Moleneind en de Wezerweg vormt in potentie geschikte nestgelegenheid voor de torenvalk, bosuil, havik, boomvalk en rode wouw. Tijdens de veldinspectie zijn geen grote nesten of boomholtes in de bomenopstand waargenomen. Tevens zijn geen sporen van roofvogels en uilen op het terrein en in directe omgeving waargenomen. Roofvogels jagen bij voorkeur in open gebieden.

Door de ligging van de onderzoekslocatie direct aan een provinciale weg in combinatie met de waarnemingen in het veld, is het uitgesloten dat de bomenopstand een belangrijke functie heeft voor een streng beschermde vogelsoort. Verstoring ten aanzien van torenvalk, bosuil, havik, boomvalk, ransuil en rode wouw is niet aan orde. Roek De roek komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Roeken zijn koloniebroeders en komen in grote aantallen voor. Een kolonie bevindt zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen zoals populieren. Door afwezigheid van dergelijke hoge bomen, afwezigheid van grote nesten in de bomenopstand en het ontbreken van sporen op het terrein en de directe omgeving is het uitgesloten dat de bomenopstand een belangrijke functie heeft voor de roek. Verstoring ten aanzien van roek is niet aan orde.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 9 van 38

5.1.2

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd in uitzonderlijke gevallen)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster, buizerd, sperwer en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen gecontroleerd op aanwezigheid van holtes en/of grote nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Soorten als buizerd die mogelijk in de omgeving broeden, hebben een dusdanig groot territorium dat de onderzoeklocatie voor deze soort niet van essentieel belang is als foerageergebied. 5.1.3

Algemene broedvogels

Op de onderzoekslocatie en in de direct omgeving van de onderzoekslocatie zijn bomen en struiken aanwezig die geschikt kunnen zijn als nestlocatie voor overige broedvogels als merel, houtduif en roodborst. Tijdens de veldinspectie zijn twee nesten aangetroffen van hoogstwaarschijnlijk een houtduif (zie figuren 10 t/m 12). Mocht een dergelijk broedgeval aanwezig tijdens de ingreep dan kan deze mogelijk verstoord worden. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

2

1

Figuur 10. Nest algemene broedvogel.

5.2

Figuur 11. Nest algemene broedvogel.

Figuur 12. Nestlocaties op kaart.

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF, het Natuurhistorisch Genootschap Limburg en het cususdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens H. 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen alsmede gebouwbewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 10 van 38

Foerageerhabitat De bomenopstand op de onderzoekslocatie kunnen, gelet op het aanwezige habitat gebruikt worden door verschillende in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van essentieel foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen essentiële vliegroutes verstoord. Uitgaande van de huidige plannen zal een klein deel van de bomenopstand tussen de Moleneind en de Wezerweg worden gekapt waardoor geen essentiële vliegroute voor vleermuizen zal verdwijnen. Een potentiele vliegroute langs de bosrand blijft behouden echter dient de verlichting op een potentiele vliegroute niet toe te nemen (figuur 13). Figuur 13. Potentiele vliegroutes (wit) potentieel nieuwe vliegroute (geel).

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: das, bever, steenmarter en eekhoorn. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. Het terrein tussen de Moleneind en de Wezerweg is volledig omheind en maakt deel uit van een siertuin. Het was ten tijden van het veldbezoek niet mogelijk om het terrein te betreden. Derhalve is een vaste rust- en verblijfplaats op dit deel van de onderzoekslocatie niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Het overige deel van de onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn eveneens op het overige deel van de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das.

Wegens afwezigheid van sporen, het antropogeen gebruik van de onderzoekslocatie in combinatie met de beoogde plannen is verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep niet aan de orde op het overige deel van de onderzoekslocatie.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 11 van 38

Bever Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen is daarbij tevens van belang voor de bever. Door het ontbreken van waterrijke delen op de onderzoekslocatie is het terrein ongeschikt als leefgebied van de bever. Volgens verspreidingsgegevens geeft de bever voorkeur aan waterrijke gebieden zoals het Leukermeer en het Reindersmeer, circa 1,3 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie. De directe omgeving van de onderzoekslocatie is gecontroleerd op sporen van de bever als knaag- en vraatsporen, looppaden, pootafdrukken en/of een burchtlocatie. Wegens afwezigheid van dergelijke sporen in combinatie met de grote afstand tot potentieel geschikt leefgebied is aanwezigheid van de bever op en in de omgeving van de onderzoekslocatie uit te sluiten. Verstoring ten aanzien van de bever als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt minimaal geschikt foerageerhabitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Het terrein tussen de Moleneind en de Wezerweg is volledig omheind en maakt deel uit van een siertuin.

Het was ten tijden van het veldbezoek niet mogelijk om het terrein te betreden. Derhalve is een vaste rust- en verblijfplaats op dit deel van de onderzoekslocatie niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het overige deel van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld, dat het overige deel van de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Centraal op de onderzoekslocatie is in één van de vijf zomereiken een eekhoornnest waargenomen (zie figuur 14 en 15). Er zijn verder geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 14. Eekhoornnest.

Figuur 15. Tweede boom vanaf het noorden.

Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, vos, egel, mol en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat vaste rust- en verblijfplaatsen worden verstoord en/of worden vergraven en individuen mogelijk gewond of gedood kunnen worden (zie hoofdstuk 6).

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 12 van 38

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en RAVON komen de hazelworm, gladde slang en de levendbarende hagedis voor in de provincie Limburg. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Gladde slang De gladde slang is een soort die gebonden is aan droge, zonnige habitats als heideterreinen. Volgens de NDFF is één individu waargenomen aan de rand van het Reindersmeer (circa 1,3 km van de onderzoekslocatie) waar het terrein uit open zanderige terreinen bestaat. Op de onderzoekslocatie ontbreekt dergelijk potentieel geschikt terrein. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat wordt derhalve verstoring ten aanzien van de gladde slang uitgesloten. Hazelworm en levendbarende hagedis De hazelworm en levendbarende hagedis worden voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen, maar maakt daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes. Volgens gegevens van de NDFF komen de hazelworm en de levendbarende hagedis voor in de omgeving. Op een afstand van minimaal 1,7 km is de hazelworm waargenomen in een bosterrein. Het terrein met de bomenopstand tussen de Moleneind en de Wezerweg voldoet aan de habitatseisen van de hazelworm en levendbarende hagedis vanwege de afwisselende elementen op de locatie als een bos(rand), aanwezige strooisellaag, struikbegroeiing, boomstammen en stenen.

Door de voorgenomen ingreep kunnen vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soorten worden verstoord of vernietigd (zie hoofdstuk 6). Amfibieën en vissen Volgens gegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, heikikker, rugstreeppad, kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën en het voorkomen van vissen op de onderzoekslocatie uitgesloten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de heikikker en de rugstreeppad in de omgeving van het Reindersmeer voor (circa 1,0 km ten noorden van de onderzoekslocatie). De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden aan de rand van de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten als gewone pad en bruine kikker geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). 5.5

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen er géén streng beschermde vlinders voor op de onderzoekslocatie en in de omgeving van de onderzoekslocatie. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitge-

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 13 van 38

sloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

De onderzoekslocatie bestaat uit loofbomen gemengd met sporadisch naaldbomen. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Volgens de NDFF zijn in de laatste 10 jaar geen streng beschermde soorten waargenomen binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn ook geen beschermde planten waargenomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 14 van 38

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien gewenst om de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uit te voeren, wordt geadviseerd een broedvogelcheck te laten uitvoeren voorafgaand de werkzaamheden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Das en steenmarter

Het terrein dat deel uitmaakt van de siertuinen behorende bij Moleneind 9 en Moleneind 7 kon tijdens het veldbezoek niet worden betreden. Een vaste rust- en verblijfplaats van een das en/of steenmarter kon derhalve niet worden uitgesloten. Het realiseren van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie kan mogelijk leiden tot het verstoren en/of vernietigen van mogelijke aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van de das en/of steenmarter. Een aanvullend veldbezoek voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden zal meer duidelijkheid moeten verschaffen of het terrein in gebruik is door de das en/of steenmarter. Indien dit deel van de onderzoekslocatie potentieel geschikt blijkt voor een van deze soorten, zal een soortspecifiek onderzoek moeten uitwijzen in hoeverre de das en/of steenmarter daadwerkelijk gebruik maken van de onderzoekslocatie. 6.3

Eekhoorn

In de zomereik is mogelijk een vaste rust- en verblijfplaats van de eekhoorn aanwezig. Het realiseren van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie kan mogelijk leiden tot het verstoren en/of vernietigen van een vaste rust- en verblijfplaats van de eekhoorn. Een aanvullende controle voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden zal meer duidelijkheid kunnen verschaffen of het om een nieuw nest gaat of een oud nest.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 15 van 38

Indien een vaste rust- en verblijfplaats wordt aangetroffen op de onderzoekslocatie dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd voor het verstoren, vernietigen en/of wegnemen van een vaste rust- en verblijfplaats van de eekhoorn, tenzij de werkzaamheden plaatsvinden in de door de provincie Limburg gestelde vrijstellingsperiode. Voor de eekhoorn geldt in de provincie Limburg een vrijstelling in de periode maart en april en juli tot en met november. Indien de werkzaamheden in deze periode plaatsvinden is een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet benodigd en geldt slechts de algemene zorgplicht. Een ander mogelijkheid is de voorgenomen plannen aan te passen, zodanig dat de betreffende boom en de omliggende bomen blijven behouden. 6.4

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten als konijn, vos, egel, mol en diverse muizensoorten, gewone pad en bruine kikker geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Hazelworm en levendbarende hagedis

Voor de hazelworm en levendbarende hagedis geldt dat deze soorten het terrein met de bomenopstand tussen de Moleneind en de Wezerweg kunnen gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Bij werkzaamheden binnen dit deel van de onderzoekslocatie kan dan ook verstoring en vernietiging optreden van leefgebied van deze soorten en is mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor aanvang van de werkzaamheden dient bepaald te worden of het plangebied gebruikt wordt als vaste rust- en verblijfplaats door de hazelworm en/of levendbarende hagedis. Aanvullend onderzoek dient plaats te vinden, in respectievelijk de periode half april-eind mei of augustusseptember (levendbarende hagedis) en juni-september (hazelworm). Indien een vaste rust- en verblijfplaats wordt aangetroffen op de onderzoekslocatie dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd voor het verstoren, vernietigen en/of wegnemen van een vaste rust- en verblijfplaats van de hazelworm en/of levendbarende hagedis tenzij de werkzaamheden plaatsvinden in de door de provincie Limburg gestelde vrijstellingsperiode. Voor de hazelworm geldt in de provincie Limburg een vrijstelling in de periode juli, augustus en september. Voor de levendbarende hagedis geldt een vrijstelling in de periode 15 augustus t/m 15 oktober.

Indien de werkzaamheden in deze periode plaatsvinden, geldt slechts de algemene zorgplicht. 6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 16 van 38

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

Een deel van de onderzoekslocatie is gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Bovendien grenst het overige deel van de onderzoekslocatie aan een Natura 2000-gebied. Het betreft Natura 2000-gebied "Maasduinen" (zie figuur 16).

Figuur 16. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 (groen= Natura 2000-gebied) (bron: provincie Limburg).

De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura 2000-gebied "Maasduinen". Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Een klein deel van het meest zuidoostelijke deel van het fietspad ligt binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied. Gezien de aard van de ingreep (het verwijderen van het fietspad en omvormen naar berm) blijft de verwachting een extern effect. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 17 van 38

Een globale toetsing in de vorm van een voortoets is uitgewerkt in hoofdstuk 8 om te beoordelen of er potentieel (negatieve) effecten op kunnen treden. Uit dit oriënterende onderzoek zal blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn: 1. 2.

3.

7.2

Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde gebieden nodig is. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechterings- en verstoringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist. Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt voor een klein deel uit van het Natuurnetwerk en grenst grotendeels aan het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft een Goudgroene natuurzone en een Bronsgroene landschapszone. In figuur 17 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 17. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen= Goudgroene natuurzone, grijs= Bronsgroene landschapszone) (bron: provincie Limburg).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht. In hoofdstuk 9 van onderhavige rapportage wordt het "nee, tenzij-onderzoek" uitgewerkt.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 18 van 38

8

VOORTOETS NATURA 2000-GEBIEDEN

Onderstaand zal voor Natura 2000-gebied "De Maasduinen" een beschrijving worden gegeven van de eigenschappen van het gebied en een overzicht van de beschermde habitat-typen, de aangewezen Habitatrichtlijnsoorten en de Vogelrichtlijnsoorten. 8.1

De Maasduinen

Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoognaar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater.

Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos. 8.2

Habitats en habitatsoorten

In het Natura 2000-gebied komen de volgende habitats en habitatsoorten voor: Habitattypen  H2310 - Stuifzandheiden met struikhei  H2330 - Zandverstuivingen  H3130 - Zwakgebufferde vennen  H3160 - Zure vennen  H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden)  H4030 - Droge heiden  H6120 - *Stroomdalgraslanden  H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea)  H6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden)  H7110B - Actieve hoogvenen (heideveentjes)  H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen  H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst  H9190 - Oude eikenbossen  H91D0 - Hoogveenbossen  H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)  H91F0 - Droge hardhoutooibossen

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 19 van 38

Habitatsoorten  H1042 - Gevlekte witsnuitlibel  H1149 - Kleine modderkruiper  H1163 - Rivierdonderpad  H1166 - Kamsalamander  H1337 - Bever  H1831 - Drijvende waterweegbree Broedvogelsoorten  A004 - Dodaars  A008 - Geoorde fuut  A224 - Nachtzwaluw  A236 - Zwarte Specht  A246 - Boomleeuwerik  A249 - Oeverzwaluw  A276 - Roodborsttapuit  A338 - Grauwe Klauwier 8.3

Storingsfactoren

De toetsing van de mogelijke effecten is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken. In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot het Natura 2000-gebied "De Maasduinen" in het kader van diverse werkzaamheden beschreven. In onderstaande lijst staan de storende factoren vetgedrukt weergegeven die bij de toetsing worden beoordeeld. De niet vetgedrukte factoren kunnen op voorhand worden uitgesloten. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid

11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling

In figuur 18 staan respectievelijk de uitkomsten van de effecten indicator voor "De Maasduinen" waarbij getoetst wordt aan de voorgenomen plannen, te weten: "weg".

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 20 van 38

Figuur 18. Effectenindicator "De Maasduinen" weg (bron: ministerie van Economische Zaken).

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 21 van 38

Per factor is beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort of habitat is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. Uiteindelijk blijk uit een analyse welke van onderstaande situaties aan de orde is: 1.

Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.

2.

Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechterings- en verstoringstoets.

3.

Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.

8.3.1

Oppervlakteverlies

Kenmerk: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking: Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte. Analyse: De onderzoekslocatie ligt grotendeels buiten de Natura 2000.

Een klein deel van het momenteel aanwezige fietspad (zuidoostelijke deel) bevindt zich binnen het Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer is voornemens het fietspad te verwijderen en het om te vormen naar berm. Hierdoor zal geen oppervlak verloren gaan. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van oppervlakteverlies in het geding komen. 8.3.2

Versnippering

Kenmerk: Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem.

Rapport 8250.001 versie D1

Pagina 22 van 38

Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Analyse: De onderzoekslocatie ligt grotendeels buiten de Natura 2000. Slechts een klein deel van het fietspad (zuidoostelijke deel) ligt binnen het Natura 2000-gebied. Er wordt geen verbindingszone tussen twee Natura 2000-gebieden verbroken door de voorgenomen plannen. Hierdoor is versnippering niet aan de orde. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000gebieden op het gebied van versnippering in het geding komen. 8.3.3

Verzuring door stikstof uit de lucht

Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. LET OP: verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad.

Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. Analyse: Uit de AERIUS stikstofberekening blijkt dat ten gevolge van de gebruiksfase van het plan, met een projecteffect van de gebruiksfase van maximaal 1,19 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Maasduinen, een overschrijding van de verlaagde grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar optreedt. Op de overige Natura 2000-gebieden is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde. Vanwege het overschrijden van de grenswaarde is voor de gebruiksfase een Wet natuurbeschermingsvergunning benodigd. 8.3.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12385482/1