Raadsvoorstel Wijziging verordening Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
Voorstel aan de gemeenteraad Datum besluitvorming college 5 september 2023
Portefeuillehouder Wethouder Splinter
Datum vergadering 16 oktober 2023
Onderwerp Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022
Aan de raad,
Inleiding
De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet bundelt de wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Deze wet heeft gevolgen voor de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 (hierna: VFL), omdat de VFL regels bevat over de fysieke leefomgeving. Tot 1 januari 2032 is er een overgangsfase waarin inhoudelijke aanpassing tot stand moet komen. Om vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet door te kunnen werken met de VFL, moet de VFL met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet wel al technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. Dat betekent dat de wettelijke grondslagen en formele wijzigingen in de VFL geactualiseerd moeten worden. Dit betreft een juridisch-technische omzetting. Los daarvan worden nog een beperkt aantal andere wijzigingen van de VFL voorgesteld. Deze wijzigingen houden geen verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar zijn een gevolg van overige veranderende wet- en regelgeving, jurisprudentie en wensen uit de praktijk. Uw raad wordt voorgesteld om de VFL te wijzigen conform bijgaand raadsbesluit.
Relatie met begroting / coalitieprogramma / speerpunten Met de voorgestelde wijzigingen is de gemeente Bergen voorbereid op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en sluit de VFL weer aan bij de veranderende wet- en regelgeving, jurisprudentie en wensen uit de praktijk.
Argumenten
1. Juridisch-technische omzetting vanwege inwerkingtreding Omgevingswet De VFL bevat regels over de fysieke leefomgeving en is aangepast met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen zijn geactualiseerd, zodat vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgewerkt kan worden met deze verordening. Het betreft een juridisch-technische omzetting. In bijlage 2 (was-wordt-tabel) is een overzicht opgenomen van de wijzigingen in de artikelen. Hieronder worden de wijzigingen nader toegelicht. a.
Standaard actualisatie naar aanleiding van inwerkingtreding van de Omgevingswet In de volgende artikelen zijn grondslagen en verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Artikel 1:2 Toepassingsbereik, de artikelen 2:2, 2:4, 2:6, 2:8, 2:9, 2:10, 2:11 en 2:12 (Aanwijzen van erfgoed), artikel 3:5 Vangnet archeologie, artikel 4:12 Dumpingsverbod, artikel 4:17 Geen opslag van afval in de open lucht, artikel 4:18 Ontdoen van autowrakken, artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken, artikel 4:22 Overige geluidhinder, artikel 4:23 Crossterreinen, artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden, artikel 5:1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, artikel 5:2 Maken of veranderen van een uitweg, artikel 5:4 Voertuigwrakken, artikel 5:5 Kampeermiddelen en andere voertuigen, artikel 5:12 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden, artikel 5:14 Afbakeningsbepalingen, artikel 5:30 Verbodsbepalingen reclame buitengebied, artikel 5:32 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen, artikel 5:34 Ligplaats vaartuigen, artikel 5:36 Veiligheid op het water, artikel 5:38 Watersportvoorzieningen, artikel 5:49 Voorzieningen voor verkeer en verlichting, artikel 6:5 Voorbescherming bij voornemen tot aanwijzing, artikel 6:6 Voorbescherming bij voorlopig gemeentelijk
monument, artikel 6:8 Verbodsbepaling en
Pagina 1 van 6
aanvraag omgevingsvergunning, artikel 7:8 Plukverbod paddenstoelen en artikel 9:3 Overgangsbepalingen. Deze wijzigingen behoeven geen nadere toelichting. b. Artikel 1:4 Beslistermijn, artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen, artikel 1:6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing en artikel 1:7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Op voorstel van de VNG wordt opgenomen dat het bepaalde in deze artikelen niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Omgevingswet, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Omgevingswet (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Omgevingswet en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Omgevingswet. c.
Afdeling 3 van hoofdstuk 1 en de artikelen 1:10, 1:11, 1:12, 1:13, 1:14, 1:15, 1:16 en 1:17 (Welstandsadvisering) Afdeling 3 van hoofdstuk 1 en de daarin opgenomen artikelen vervallen. Deze afdeling bevat de regels over de advisering door de welstandscommissie. De taken en bevoegdheden van de huidige welstandscommissie vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ter continuering van de advisering moet de gemeente een nieuwe gemeentelijke adviescommissie instellen. De regels over de advisering door deze adviescommissie zijn vastgelegd in de nog vast te stellen Verordening Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Bergen (L), die in werking zal treden op de dag dat de Omgevingswet en deze wijziging van de VFL in werking treedt.
d. Artikel 2:1 Gemeentelijk erfgoedregister In artikel 2:1 is geregeld dat het college een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bijhoudt van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt toegevoegd dat ook de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld , in het erfgoedregister worden opgenomen. In het tweede lid, onder b, is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Hier wordt aan toegevoegd dat het ook kan gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. In het tweede lid, onder c, wordt opgenomen dat door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen. e.
De artikelen 3:1, 3:2, 3:3 en 3:4 (Bouwen op verontreinigde bodem) Deze artikelen hebben artikel 8 van de Woningwet als basis. De Invoeringswet Omgevingswet schrapt dit artikel, met als gevolg dat de artikelen 3:1, 3:2, 3:3 en 3:4 vervallen. Dit wordt op de volgende manier opgelost. Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen.
f.
Artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, worden de regels in de VFL over afvoer van hemelwater en grondwater van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. In dit artikel staat een aantal bepalingen die naar aard of inhoud geen onderdeel van het omgevingsplan moeten zijn. Deze bepalingen vervallen onmiddellijk voor het moment van
Pagina 2 van 6
inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het deel van de regels dat nog resteert is onmiddellijk daarna dus onderdeel van het omgevingsplan. Artikel 3:7, eerste lid, bepaalt dat het college een gebied kan aanwijzen waar het lozingsverbod van toepassing is. Deze bevoegdheid komt, na inwerkingtreding van de Omgevingswet toe aan de raad, die deze in een delegatiebesluit kan delegeren aan het college. Artikel 3:7, vijfde lid, bevat een bepaling over de toepasselijkheid van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit voor een gebied. Omdat de aanwijzingsbesluiten een onderdeel zullen zijn van het omgevingsplan vergt het aanwijzen van een nieuw gebied een wijziging van het omgevingsplan, waarvoor de regels gelden van de Omgevingswet, onder meer de artikelen 2.8 en 16.30 van de Omgevingswet. Het is een overbodige bepaling om op te nemen in het omgevingsplan nu de Omgevingswet hierin voorziet. g.
Artikel 4:15 Zwerfafval rondom inrichtingen Voor de materie geregeld in artikel 4:15, tweede lid, geldt dat deze is opgenomen als onderdeel van de zogenoemde bruidsschat (artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet) die een onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente (artikel 22.53 in paragraaf 22.3.3 Zwerfafval van de bruidsschat behorende bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Het tweede en derde lid kunnen om die reden vervallen. De verplichting om voor een afvalbak zorg te dragen, bedoeld in het eerste lid, blijft wel bestaan.
h. Artikel 5:31 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin momenteel de uitzondering op het verbod is geregeld vervalt, wordt opgenomen dat het verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame niet van toepassing is in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. i.
Artikel 6:2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument In artikel 6:2, tweede lid, is een onderdeel toegevoegd conform artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten.
j.
Artikel 6:3 Intrekken van de omgevingsvergunning en artikel 6:7 Advies omgevingsvergunning rijksmonument De artikelen 6:3 en 6:7 vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 6:3 wordt onder de Omgevingswet vervangen door een beperkender regime. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de intrekkingsgronden van een omgevingsvergunning uitputtend geregeld in onder andere de artikelen 5.39 en 5.40 van de Omgevingswet, artikel 8.97 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en – in verband met het overgangsrecht – ook artikel 10a.12 van het Bkl.
k.
Bijlage 1 Begripsbepalingen (Algemeen, Erfgoed, Geluid en verlichting, Kamperen) De grondslagen en formele verwijzingen worden geactualiseerd als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarnaast wordt onder ‘Algemeen’ een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Dit begrip komt voor in diverse artikelen in de VFL. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. In diverse artikelen van de VFL staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
De technische wijzigingen onder ‘Geluid en verlichting’ strekken ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit
Pagina 3 van 6
Omgevingswet kunnen de deze bepalingen uiterlijk tot het einde van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een definitie opgenomen. Voor de andere genoemde wet- en regelgeving is de toevoeging in het betreffende artikel opgenomen. Eveneens wordt de definitie van kampeermiddel aangepast. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt, worden bouwwerken in gevolgklasse 1 vergunningsvrij (bouwtechnisch deel). Grondgebonden recreatiewoningen vallen onder gevolgklasse 1 en zouden met alleen een aanpassing van de verwijzing onder het begrip kampeermiddel komen te vallen. Dat is ongewenst. Het moet gaan om een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. l.
Bijlage 1 Begripsbepalingen (Bodem) De begrippenlijst onder Bodem hoort bij de artikelen 3:1, 3:2, 3:3 en 3:4, die komen te vervallen, met als gevolg dat dit onderdeel van de begripsbepalingen kan komen te vervallen.
m. Bijlage 2 Reglement Integrale Kwaliteits Commissie Deze bijlage hoort bij afdeling 3 van hoofdstuk 1, die komt te vervallen, met als gevolg dat deze bijlage kan komen te vervallen. Artikel II, eerste lid, van het wijzigingsbesluit voorziet erin dat de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen eerst van toepassing zijn op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt. Hierop worden drie uitzonderingen gemaakt in het tweede lid: artikel I, onderdeel Q (artikel 3:5 Vangnet archeologie). Voor artikel 3:5 geldt immers dat er na inwerkingtreding van de Omgevingswet geen grondslag meer is om deze vast te stellen. Het gewijzigde artikel 3:5 treedt in werking op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dan vormt het gewijzigde artikel 3:5 een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet; artikel I, onderdeel R (artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater). Dit artikel wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan en bestaat dan niet langer als onderdeel van de verordening. Dat betekent dat wijziging ervan na inwerkingtreding van de Omgevingswet een wijziging van het omgevingsplan vergt.
Daarom treedt deze wijziging in werking op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; artikel I, onderdeel BD (Bijlage 1 Begripsbepalingen, de begrippenlijst onder Geluid en verlichting). Zie de toelichting op dit onderdeel. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht zijnde verordeningsbepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting. Omdat dit onderdeel wel technisch wijzigt, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijziging in werking treedt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2. Actualisatie onafhankelijk van invoering Omgevingswet Naast de juridisch-technische omzetting als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er een beperkt aantal wijzigingen doorgevoerd die geen verband houden met de invoering van de Omgevingswet. Hiermee sluit de VFL weer aan bij de overige veranderende wet- en regelgeving, jurisprudentie en wensen uit de praktijk. In bijlage 2 (waswordt-tabel) is een overzicht opgenomen van de wijzigingen in de artikelen. Hieronder worden de wijzigingen nader toegelicht. a.
Artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken De mogelijkheid om zonder ontheffing snoeihout te kunnen verbranden wordt geschrapt uit dit artikel. Door het kunnen verbranden van snoeihout zonder ontheffing is de gemeente hier niet vooraf van in kennis gesteld en kan hier geen goed toezicht op worden gehouden. Het is dan bijvoorbeeld niet duidelijk of het mogelijk om (snoei)hout
Pagina 4 van 6
van bedrijven gaat (bedrijfsafvalstoffen), die verboden zijn om te verbranden. Ook vanwege langere periodes van extreme droogte wordt het onwenselijk gevonden om zonder ontheffing snoeihout te verbranden. Snoeihout kan gratis worden afgeleverd bij de milieustraat. Voor de uitzonderlijke situaties waarbij het verbranden van snoeihout aan de orde is, kan een ontheffing worden aangevraagd bij de gemeente. Er kunnen dan specifieke richtlijnen worden meegegeven en er kan vanuit de gemeente beter toezicht worden gehouden op het verbranden van snoeihout. b. Artikel 5:2 Maken of veranderen van een uitweg Het huidige meldingenstelsel voor uitwegen, waar oorspronkelijk in het kader van deregulering voor is gekozen, wordt omgezet naar een vergunningenstelsel. In de praktijk levert het werken met meldingen een aantal moeilijkheden op. Er is geen sprake van deregulering voor de indieners van een melding en voor het ambtelijk apparaat. Bij een melding dient nog steeds een beoordeling plaats te vinden en de gemeente dient nog steeds met een reactie (instemming of afwijzing) te komen. Dit levert bij de aanvrager onduidelijkheid op, want een melding suggereert onterecht dat er verder niets hoeft te gebeuren en dat de aanvrager kan beginnen met de werkzaamheden.
Bovendien volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat een ‘reactie’ op een melding een formeel besluit is, zodat hiertegen bezwaar en beroep kan worden ingediend. Hiermee is een melding ‘gelijk’ geworden aan een vergunning. c.
Artikel 5:9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Op voorstel van de VNG vervalt artikel 5:9 over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’). Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen.
d. Artikel 5:11 Overlast van fietsen en bromfietsen Op voorstel van de VNG wordt in artikel 5:11 Overlast van fietsen of bromfietsen ‘opheffing’ vervangen door ‘beëindiging’. Dit betreft slechts een tekstuele wijziging. Verder wordt dit artikel met 2 leden uitgebreid. Op dit moment ontbreekt een duidelijke grondslag om te handhaven tegen weesfietsen en fietswrakken. Die mogelijkheid wordt nu gecreëerd door het toevoegen van het tweede lid (weesfietsen) en het derde lid (fietswrakken). Over de wijze waarop uitvoering kan worden gegeven aan deze bepalingen (verwijderen van fietsen) kan het college aanvullend beleid vaststellen. e.
Artikel 7:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden In dit artikel wordt het derde lid gewijzigd. Het derde lid regelt o.a. in welke gevallen een houtopstand zonder omgevingsvergunning geveld kan worden. De voorgestelde wijziging van het derde lid beoogt een foutje uit het verleden te herstellen. Oorspronkelijk was naast de Kobs-locatie ook het overige deel van het Bargapark uitgezonderd van de mogelijkheid om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen. Dit is in het verleden echter onterecht aangepast in de voormalige APV, waardoor in de huidige regels alleen de Kobs-locatie is uitgezonderd. Dit is ongewenst. Het streven is dat het gehele Bargapark groen en bomenrijk moet blijven. Daarom is de tekst van het derde lid en de kaart met het werkingsgebied aangepast, waardoor het gehele Bargapark wordt uitgezonderd van de mogelijkheid om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen.
f.
Bijlage 5 Kobs-locatie Nieuw-Bergen De kaart met het werkingsgebied wordt vervangen door een nieuwe kaart. Zie hiervoor de toelichting onder sub e (Artikel 7:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden)
Omdat deze wijzigingen geen verband houden met de invoering van de Omgevingswet, hoeft de inwerkingtreding van deze wijzigingen niet te worden gekoppeld aan het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt. Wel moeten ze in werking treden vóórdat de Omgevingswet in werking treedt. Om die reden is in artikel II, derde lid, van het wijzigingsbesluit opgenomen dat deze wijzigingen in werking treden op 31 december 2023.
Pagina 5 van 6
Communicatie De communicatie vindt plaats door publicatie in de Maasduinen Courant, op de website van de gemeente en via DROP in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl.
Juridische aspecten
Op grond van artikel 147 van de Gemeentewet worden gemeentelijke verordeningen (en wijzigingen daarvan) vastgesteld door de gemeenteraad. De VFL is een algemeen verbindend voorschrift. Een algemeen verbindend voorschrift (en de wijziging daarvan) treedt ingevolge artikel 8 van de Bekendmakingswet niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking dient te geschieden door plaatsing in het gemeenteblad. De uitgifte van het gemeenteblad geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze en moet elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijven. Door middel van aanlevering via DROP voor publicatie in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl, wordt aan de voorwaarden voldaan. In artikel 10, lid 2, van de Bekendmakingswet is opgenomen dat algemeen verbindende voorschriften zoals deze VFL in werking treden met ingang van de achtste dag na de datum van bekendmaking, tenzij bij of krachtens de wet of in het besluit daarvoor een and er tijdstip is aangewezen. Voorts bepaalt artikel 8:3, lid 1, sub a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Uit artikel 7:1 van de Awb volgt dat degene aan wie het recht niet is toegekend om beroep in te stellen, ook geen bezwaar kan maken.
Financiën / fiscale gevolgen Niet van toepassing.
Voorstel Wij stellen u voor: De wijzigingen in de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 vast te stellen conform bijgaand raadsbesluit.
Burgemeester en wethouders van Bergen (L),
H.H.M. Timmermans De secretaris
M.H.E. Pelzer De burgemeester
Bijlage(n) 1. Raadsbesluit wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 2. Was-wordt-tabel 3. Bijlage 5 Bargapark Nieuw Bergen
Pagina 6 van 6