Raadsvoorstel Wijziging APV
Tekst van het document
Voorstel aan de gemeenteraad Datum besluitvorming college 17 september 2024
Portefeuillehouder Burgemeester Rauner
Datum vergadering 17 december 2024
Onderwerp Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021
Aan de raad,
Inleiding
Gelet op veranderende wet- en regelgeving, adviezen vanuit de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en wensen uit de praktijk, is de noodzaak gebleken om bepalingen in de huidige Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021 (hierna: APV) periodiek te actualiseren en deze wijzigingen aan u voor te leggen. Voor u ligt daarom het verzoek om in te stemmen met de wijziging van de APV conform bijgaand raadsbesluit.
Relatie met begroting / coalitieprogramma / speerpunten Met de voorgestelde wijzigingen sluit de APV weer aan bij de veranderende wet- en regelgeving, adviezen van de VNG en wensen uit de praktijk.
Argumenten In de bijlage (was-wordt-tabel) is een overzicht opgenomen van de wijzigingen in de artikelen. Hieronder worden de wijzigingen nader toegelicht. 1. Artikel 1:1 Definities Dit artikel wordt gewijzigd. Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel I, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 20.., Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. 2. De artikelen 2:24, eerste lid, onder d, 2:48, tweede lid, onder a, 2:48, tweede lid, onder b, en 3:5, tweede lid, onder c, eerste onderdeel, en het opschrift van Hoofdstuk 2, Afdeling 5 Deze artikelen worden gewijzigd. De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. In de genoemde artikelen en het genoemde opschrift is ‘Drank- en Horecawet’ vervangen door ‘Alcoholwet’. 3. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Dit artikel wordt gewijzigd. Het betreft slechts een tekstuele aanpassing en geen inhoudelijke wijziging. 4. Artikel 2:28a Intrekking vergunning Dit artikel wordt gewijzigd.
Aan dit artikel is ‘slecht levensgedrag’ toegevoegd als intrekkingsgrond. Op dit moment is ‘slecht levensgedrag’ van de exploitant of leidinggevende een grond om een exploitatievergunning te weigeren. Het is nog niet goed geregeld dat ‘slecht levensgedrag’ ook een grond is om een al verleende exploitatievergunning in te trekken. Het is wenselijk dat dit alsnog wordt geregeld. 5. Artikel 2:47a Verboden gebruik lachgas Dit artikel vervalt. Omdat lachgas vanaf 1 januari 2023 een softdrug is, wordt het verboden gebruik ervan duurzaam gereguleerd door artikel 2:74b ‘Openlijk drugsgebruik’. Daarmee is de juridische legitimatie van het specifieke lachgasartikel vervallen. 6. Artikel 2:50b Messen en andere voorwerpen als steekwapen
Pagina 1 van 6
Dit artikel wordt nieuw toegevoegd. Algemeen Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en a ndere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wa pen is of niet.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt. 7. Artikel 2:71 Definitie Dit artikel wordt gewijzigd.
Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig. 8. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Dit artikel wordt gewijzigd. Het betreffen met name juridisch-technische en redactionele wijzigingen. De belangrijkste wijzigingen zijn: Vervanging van het ‘bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden’ door ‘het opleggen van een tijdelijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn’. Juridisch gezien is een gebiedsontzegging namelijk niet een bevel waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht), maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan het niet nakomen een overtreding is. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. Samenvoeging van het huidige tweede en derde lid. Toevoeging van een verbod ten behoeve van het toekennen van een feitcode. Toevoeging van een voorrangsbepaling als de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering.
2
Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. De burgemeester kan een gebiedsontzegging opleggen aan personen die strafbare feiten of openbare ordeverstorende handelingen verrichten en veelal al eenmaal een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen. Kan zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (‘lichte bevelsbevoegdheid’) toepassing vinden voor een gebiedsontzegging, dan gaat de APV voor (Hoge Raad 11-03-2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4096). Voorwaarden Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan. Het situatievereiste: er moet sprake zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. Het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan. Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring. De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn.
Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. Subsidiariteit en proportionaliteit: er is geen minder zwaar middel voorhanden en het opleggen van een tijdelijk verbod moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel. Eerste lid Het eerste lid geeft aan in welke gevallen en voor welke duur de burgemeester een gebiedsontzegging kan opleggen. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. Tweede lid In het licht van proportionaliteit en subsidiariteit is het geboden om slechts tot oplegging van een lang(er)durende gebiedsontzegging als bedoeld in het tweede lid over te gaan, wanneer de gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaal de periode na oplegging van de eerdere gebiedsontzegging plaatsvindt. In het tweede lid is die periode gesteld op zes maanden. Ook bepaalt het tweede lid hoelang de lang(er)durende gebiedsontzegging maximaal kan duren. Gekozen is voor een looptijd van acht weken. Derde lid Dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, een tijdelijk verbod te beperken.
Bijvoorbeeld omdat het voor betrokkene noodzakelijk of onoverkomelijk is zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, hij aldaar werkzaam of woonachtig is, hij een (ander) aantoonbaar redelijk belang heeft om aldaar aanwezig te zijn, in verband met de staatkundige en religieuze vrijheid en het familieleven. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. Vierde lid De Commissie Feiten en Tarieven van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) is bereid om een feitcode aan overtreding van de gebiedsontzegging te koppelen als dat in dit artikel expliciet is geregeld. Door het nieuwe vierde lid in combinatie met strafbaarstelling in artikel 6:1 is het mogelijk om een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt. Voor het afdoen met een feitcode moet er in het proces-verbaal ook een kaart van het desbetreffende gebied worden meegestuurd. Er zal namelijk getoetst moeten worden of de ontzegging in persoon is uitgereikt en of het gebied waarop de ontzegging ziet, duidelijk kenbaar is gemaakt.
3
Vijfde lid Als iemand de openbare verstoort, kan er overlap ontstaan tussen de bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van deze bepaling met een gebiedsontzegging op te treden. Het vijfde lid geeft voorrang aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester. 9. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd. Deze bevoegdheid van de burgemeester is reeds opgenomen in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet. Voor de duidelijkheid is het wenselijk om hierover een extra lid toe te voegen in de APV. Dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Een dergelijke maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijke beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er geen andere optie mogelijk is of niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. 10. Artikel 2:79a Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf Dit artikel wordt nieuw toegevoegd. Het artikel berust op de algemene verordenende bevoegdheid van de raad (artikel 149 van de Gemeentewet).
Eerste lid Het artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:85 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid als sprake is van een vergunningplicht. De burgemeester kan met behulp van artikel 2:79a optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegaal gokpand is zonder meer sprake van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten, maar op grond van artikel 174a Gemeentewet.
Het artikel strekt niet tot uitvoering van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet. Een bevel op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet is pas op zijn plaats als er geen reguliere bevoegdheden toepasselijk zijn, bijvoorbeeld op grond van de APV, en onverwijlde spoed onmiddellijk optreden vergt (ABRvS 9 juni 2004 , ECLI:NL:RVS:2004:AP1137 (Castricum); ABRvS 14-11-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699 (Rotterdam)). De situatie moet tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken: de bevelen op grond van artikel 174, tweede lid, moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 92-93). Tweede lid Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV (artikel 2:30) of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. Derde tot en met vijfde lid Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgeme ester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen. 4
Zesde lid Dit lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. 11. Artikel 6:2 Toezichthouders Dit artikel wordt gewijzigd. In dit artikel wordt ‘Politie Limburg’ vervangen door ‘Politie Eenheid Limburg’. Het betreft slechts een tekstuele aanpassing en geen inhoudelijke wijziging.
Communicatie
De communicatie vindt plaats door publicatie in de Maasduinen Courant, op de website van de gemeente en via DROP in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl.
Juridische aspecten Op grond van artikel 147 van de Gemeentewet worden gemeentelijke verordeningen (en wijzigingen daarvan) vastgesteld door de gemeenteraad. De APV is een algemeen verbindend voorschrift. Een algemeen verbindend voorschrift (en de wijziging daarvan) treedt ingevolge artikel 8 van de Bekendmakingswet niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking dient te gesch ieden door plaatsing in het gemeenteblad. De uitgifte van het gemeenteblad geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze en moet elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijven. Door middel van aanlevering via DROP voor publicatie in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl, wordt aan de voorwaarden voldaan. In artikel 10, lid 2, van de Bekendmakingswet is opgenomen dat algemeen verbindende voorschriften zoals deze APV in werking treden met ingang van de achtste dag na de datum van bekendmaking, tenzij bij of krachtens de wet of in het besluit daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. Er is voor gekozen om de wijzigingen in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2025. Voorts bepaalt artikel 8:3, lid 1, sub a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.
Uit artikel 7:1 van de Awb volgt dat degene aan wie het recht niet is toegekend om beroep in te stellen, ook geen bezwaar kan maken.
Financiën / fiscale gevolgen Niet van toepassing.
Voorstel Wij stellen u voor: De wijzigingen in de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021 vast te stellen conform bijgaand raadsbesluit.
Burgemeester en wethouders van Bergen (L),
H.H.M. Timmermans De secretaris
M.H.D. Rauner De burgemeester
5
Bijlage(n) -
Raadsbesluit wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021 Was-wordt-tabel Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021
6