Raadsbesluit Participatieverordening gemeente Bergen (L) 2024
Tekst van het document
Besluit van de gemeenteraad
Onderwerp Participatieverordening gemeente Bergen (L) 2024
De raad van de gemeente Bergen (L) - Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 03 oktober 2023; - Gezien het advies van de commissie Samenleving van 21 november 2023; - Gezien het advies van de commissie Ruimte en Economie van 4 december 2023; - Gelet op het bepaalde in artikel 150 Gemeentewet;
Besluit De volgende verordening vast te stellen:
Participatieverordening Bergen (L) 2024
Hoofdstuk 1
Inleidende bepalingen
Artikel 1. Onderwerp verordening 1. Deze verordening regelt de betrokkenheid van inwoners, maatschappelijke organisaties (verenigingen en stichtingen), lokale ondernemingen en andere belanghebbenden bij de ontwikkeling – mede omvattend de voorbereiding, uitvoering en evaluatie – van gemeentelijke initiatieven en beleid en de rol van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in deze processen. 2. Deze verordening is tevens van toepassing op de manier waarop de gemeente reageert of ondersteuning biedt aan initiatieven van inwoners, lokale ondernemers, maatschappelijke organisaties (verenigingen en stichtingen) of andere belanghebbenden. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. Participatie : de begrippen inwonersparticipatie, overheidsparticipatie, inspraak en het uitdaagrecht. b. Inwonersparticipatie : het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers of andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en plannen.
Inwonersparticipatie kan in de vorm van informeren, raadplegen, adviseren, co-creëren en meebeslissen: o Informeren: het als onderdeel van het proces het uitsluitend informeren van inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers en/of andere belanghebbenden; o Raadplegen: het als onderdeel van het proces inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers en/of andere belanghebbenden de
Pagina 1 van 11
c.
d.
e.
f. g.
gelegenheid geven om ideeën, wensen en meningen naar voren te brengen of voorkeuren aan te geven die bij de beleidsvorming kunnen worden betrokken; o Adviseren: het als onderdeel van het proces antwoord of advies geven door een adviseur of een adviesorgaan op een door de gemeente geformuleerde vraag, of het op verzoek of uit eigen beweging inbrengen van een advies. Dit advies is niet bindend; o Co-creëren: het als onderdeel van het proces door de gemeente en daartoe uitgenodigde deelnemers in gezamenlijk overleg en op basis van gelijkwaardigheid, ontwikkelen van een plan of beleid met inachtneming van vooraf meegegeven kaders. o Meebeslissen: het als onderdeel van het proces door de gemeente en daartoe uitgenodigde deelnemers besluiten de keuze van een oplossing over te laten aan de belanghebbenden. Er moeten dan minstens twee alternatieven aangeboden worden. In dit geval gaat het om meebeslissen. Door de gemeente kunnen kaders vastgesteld worden waarbinnen de beslissing genomen moet worden. De keuze wordt altijd gevolgd. Overheidsparticipatie : het op initiatief van inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers of andere belanghebbenden betrekken van de gemeentelijke overheid bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van beleid en plannen.
Deze vorm wordt ook wel zelfsturing genoemd, waarmee wordt bedoeld dat het eigenaarschap bij de initiatiefnemers blijft, zoals weergegeven in het Model Eigenaarschap in het beleidskader “Participatie en Zelfsturing 2021 – gemeente Bergen (L)”. Dit beleidskader dient als bijlage 1 van deze verordening. Inspraak: een door of namens de gemeente georganiseerde gelegenheid voor inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers of andere belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens te geven en daarover toelichting te geven en van gedachten te wisselen voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door de gemeenteraad, of door het college van burgemeester en wethouders, of door de burgemeester. Uitdaagrecht (right to challenge) : het recht van inwoners en lokale maatschappelijke organisaties om een verzoek bij de gemeente in te dienen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen indien zij aantoonbaar deze taak beter en/of goedkoper kunnen uitvoeren. Bestuursorgaan : afhankelijk van de situatie wordt hiermee bedoeld de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester. Belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks is gemoeid of bij een besluit is betrokken.
Artikel 3. Doelstelling en reikwijdte 1. Deze verordening heeft als doel de kwaliteit van de lokale democratie te vergroten, de relatie tussen gemeente en haar inwoners, maatschappelijke organisaties en lokale ondernemingen te versterken en helderheid te scheppen over proces en rolverdeling. Het beleidskader “Participatie en Zelfsturing 2021 – gemeente Bergen (L)” is hiervoor ondersteunend. 2. Participatie heeft betrekking op inwoners, maatschappelijke organisatie, ondernemingen en andere belanghebbenden die lokaal actief zijn of een lokaal belang hebben. 3. Inwonersparticipatie en/of inspraak wordt in beginsel toegepast wanneer het te verwachten is dat er inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers of belanghebbenden zijn die in aanzienlijke mate geraakt zullen worden door het betreffende beleid of besluit, ofwel wanneer te verwachten is dat betrokken inwoners of deskundigen over relevante ervaringskennis of inzichten beschikken die bruikbaar zijn bij de ontwikkeling van het beleid of besluit. 4. Inwonersparticipatie en/of inspraak wordt in beginsel niet toegepast: a. Als dit bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten dan wel als participatie al bij wet of gemeentelijke verordeningen, regelgeving of procedures uitputtend is geregeld; b.
Ten aanzien van een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente; Pagina 2 van 11
c.
5.
6.
Als dit betrekking heeft op de begroting, de rekening, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen; d. Bij besluitvorming over of uitvoering van een beleidsvoornemen, dat vanwege een crisissituatie naar het oordeel van het bestuursorgaan dermate spoedeisend is dat participatie of inspraak niet kan worden afgewacht. Het bestuursorgaan geeft inzicht in gemeentelijke beleid zodat inwoners tijdig betrokken worden. Per beleidsplan wordt hierbij een termijn genoemd waarbinnen invloed uitgeoefend kan worden. Het bestuursorgaan kan bij de uitvoering van lid 5 gebruik maken van een adviesraad.
Hoofdstuk 2
Inwonersparticipatie
Artikel 4. Participatieproces 1. Het bestuursorgaan bepaalt voorafgaande aan de start van het proces voor de vaststelling van een visie, beleid, plan, programma of project allereerst of inwonersparticipatie wordt toegepast. Inwonersparticipatie is het uitgangspunt, tenzij het vierde lid van artikel 3 van deze verordening van toepassing is. 2. Als er geen inwonersparticipatie wordt toegepast wordt altijd toegelicht waarom dat niet plaatsvindt. Als inwonersparticipatie wel wordt toegepast, neemt het bestuursorgaan in beginsel over de volgende punten een besluit in een beknopte maar heldere participatieparagraaf: a. In ieder geval de onderstaande proceskenmerken: Het doel en de intentie van participatie; Het niveau van participatie (informeren, raadplegen, adviseren, co-creëren, meebeslissen); b. De kernvragen, de beïnvloedingsruimte en/of de inhoudelijke, financiële en eventueel overige kaders en de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd; c. De te betrekken doelgroepen, de wijze waarop de deelnemers worden benaderd en de wijze waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren; d. De wijze waarop de inbreng van de deelnemers zal doorwerken in de besluitvorming als bepaald in artikel 5. 3. Het bestuursorgaan maakt voor de start van een proces of het voornemen hiertoe, het participatietraject bekend voor dat proces geschikte wijze. 4.
Het bestuursorgaan kan voor specifieke beleidsterreinen nadere regelingen treffen. Artikel 5. Besluitvorming participatieproces 1. Het bestuursorgaan maakt voorafgaande aan de start van het participatieproces bekend op welke wijze het zal omgaan met de uitkomsten van het participatieproces en op welke wijze de besluitvorming zal plaatsvinden en kiest daarbij uit de volgende mogelijkheden: a. Het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en zal nader afwegen of en in welke mate deze kunnen worden meegenomen in de politieke besluitvorming. b. Het bestuursorgaan beschouwt de adviezen en conclusies uit het participatietraject als een zwaarwegend uitgangspunt bij politieke besluitvorming. c. Het bestuursorgaan neemt adviezen en conclusies uit het participatietraject over mits deze passen binnen de vooraf gestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders. 2. Het bestuursorgaan kan van de op grond van lid 1 gemaakte keuze afwijken, bijvoorbeeld omdat het participatietraject sterk uiteenlopende visies of belangen opleverde, omdat belangen onvoldoende zijn meegewogen of omdat de participatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders. De afwijking van de uit hoofde van het eerste lid gemaakte keuze wordt expliciet gemotiveerd en gecommuniceerd aan de deelnemers van het participatietraject.
Pagina 3 van 11
Artikel 6. Evaluatie van het participatieproces 1. Ter afronding van het participatieproces zoals bedoeld in artikel 4 en 5 evalueert het bestuursorgaan met de betrokken deelnemers, waarbij in ieder geval de volgende punten aan de orde komen: a. Het verloop van het participatieproces op hoofdlijnen. b. De belangrijkste uitkomsten van het participatieproces. c. De reactie van het bestuursorgaan op deze uitkomsten en de wijze waarop het bestuursorgaan is omgegaan met die uitkomsten bij de uitwerking van de visie, het beleid, plan, programma of project. 2. Het college van burgemeester en wethouders brengt de evaluatie ter kennis aan de gemeenteraad indien het participatietraject voortvloeit uit of verband houdt met een raadsvoorstel en raadsbesluit.
Hoofdstuk 3
Overheidsparticipatie
Artikel 7. Toepassen overheidsparticipatie (participatie bij een inwonersinitiatief) 1. Overheidsparticipatie kan worden toegepast indien naar het oordeel van het bestuursorgaan het initiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid en/of anderszins een positieve maatschappelijke bijdrage levert aan de lokale samenleving. 2. Uitgangspunt is een oplossingsgerichte en constructieve benadering van deze initiatieven en het bieden van duidelijkheid over mogelijkheden en randvoorwaarden. 3. De gemeenteraad stelt jaarlijks een budget ter beschikking, bedoeld ter incidentele ondersteuning van ideeën en initiatieven uit de lokale samenleving. 4. Een idee of initiatief kan alleen vanuit het bestuursorgaan worden ondersteund indien: a. De volledige naam, adres en contactgegevens van de initiatiefnemer(s) bekend zijn; b. Een nauwkeurige omschrijving van het idee of initiatief bij het bestuursorgaan is ingediend; c. Een toelichting op het idee of initiatief bij het bestuursorgaan is ingediend, inclusief de wijze waarop men denkt dat het bestuursorgaan kan ondersteunen als bedoeld in lid 4. d. Een kostenoverzicht dan wel begroting van het idee of initiatief bij het bestuursorgaan is ingediend, en e. Een omschrijving van het draagvlak voor het idee of initiatief bij het bestuursorgaan is ingediend. 5. Een idee of initiatief kan ondersteund worden door middel van: a.
Het (eventueel tijdelijk) ter beschikking stellen van overlegruimte(s); b. Het beschikbaar stellen van financiële middelen; c. De inzet van ambtelijke expertise, netwerken of ondersteuning, of d. Andere vormen van ondersteuning. 6. Het bestuursorgaan kan afzien van deelname aan overheidsparticipatie als er sprake is van of redenen zijn om aan te nemen dat: a. Het initiatief doelstellingen beoogt die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang. b. Het een onderwerp betreft dat niet behoort tot de bevoegdheid van de gemeente of de uitvoering van besluiten van andere of hogere bestuursorganen waaromtrent de gemeente geen beleidsvrijheid heeft. c. Er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden, lokaal betrokken ondernemingen, betrokken inwoners of andere direct betrokken belanghebbenden. d. Het initiatief naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is. e. Het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht loopt of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken. f. Het onderwerp overwegend het privébelang van de indiener(s) dient.
Pagina 4 van 11
7.
Het bevoegd bestuursorgaan informeert de indieners van het initiatief over het besluit om wel of niet overheidsparticipatie toe te passen. Het besluit dient altijd te worden gemotiveerd.
Hoofdstuk 4
Inspraak
Artikel 8. Inspraakprocedure 1. Inspraak bij het college van burgemeester en wethouders of bij de burgemeester vindt plaats overeenkomstig afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester een andere inspraakprocedure vaststellen. 3. Inspraak bij de gemeenteraad vindt plaats overeenkomstig de regels zoals opgenomen in het reglement van orde van de gemeenteraad.
Hoofdstuk 5
Uitdaagrecht
Artikel 9. Toepassen uitdaagrecht 1. Het bestuursorgaan biedt inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers of andere belanghebbenden de mogelijkheid een voorstel te doen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen. 2. Een voorstel met betrekking tot het uitdaagrecht wordt bij het college van burgemeester en wethouders ingediend en omvat in ieder geval de volgende onderdelen: a. Omschrijving van de taak die de indiener wil overnemen; b. Een uitleg waarom of hoe de indiener het beter en/of goedkoper kan; c. Duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis en/of ervaring van de indiener; d. Indicatie van het draagvlak onder belanghebbende inwoners; e. Omschrijving van de manier waarop de indiener met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft, en f. Inzicht in hoe de indiener garant staat voor de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn. 3. Elk voorstel wordt getoetst aan de in lid 2 genoemde onderdelen. 4. Overname van de uitvoering van taken is in elk geval niet mogelijk: a. Als blijkt dat niet of onvoldoende voldaan wordt aan de in lid 2 genoemde onderdelen; b. Als de uitvoering van een taak of beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat het benutten van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht; c.
Als het belang van het uitdaagrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen; d. Als het bestuursorgaan overname van de gemeentelijke taak om andere redenen onwenselijk vindt of als overname van de gemeentelijke taak conform wettelijk voorschrift niet toegestaan of niet mogelijk is. 5. Indien het voorstel wordt overgenomen, voorziet het bestuursorgaan de indiener van gepaste ondersteuning. De gemaakte afspraken (over o.a. de taken, het resultaat, het budget, de looptijd en de periodieke evaluatie) worden vastgelegd in een overeenkomst. Daarin kunnen ook zaken als rechtspersoonlijkheid en aansprakelijkheid worden vastgelegd. Het bestuursorgaan kan op verschillende manieren faciliteren: Materieel: menskracht, locaties, geld, praktische ondersteuning (materialen); Formeel: overeenkomst, regelgeving, vergunningen, richtlijnen en monitoren; Informeel: verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren. 6. Het college van burgemeester en wethouders streeft er naar aan de indiener(s) binnen acht weken een reactie op het voorstel te geven. Het uiteindelijke besluit van het college van burgemeester en wethouders wordt gemotiveerd aan de indiener(s) gestuurd.
Pagina 5 van 11
Hoofdstuk 6
Omgevingswet
Artikel 10. Omgevingsplan en omgevingsvergunning 1. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt participatie over omgevingsplannen en omgevingsvergunningen plaats overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Omgevingswet. 2. Het college van burgemeester en wethouders stelt een handreiking vast, waarin wordt aangegeven in welke gevallen participatie dient te worden toegepast en in welke vorm.
Hoofdstuk 7
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11. Overgangsbepaling Op inspraakprocedures die voortvloeien uit of betrekking hebben op besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van toepassing van de Inspraakverordening Bergen (L) 2003 (officieel: Verordening inzake wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken) zoals die luiden ten tijde van die besluiten. Artikel 12. Intrekking en inwerkingtreding De Inspraakverordening Bergen (L) 2003, welke voor het laatst is gewijzigd op 9 juli 2011, wordt ingetrokken. Per gelijke datum treedt de Participatieverordening Bergen (L) 2024 in werking. Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Bergen (L) 2024.
Bergen (L), 12 december 2023
I.C. van ’t Hof De griffier
M.H.E. Pelzer De voorzitter
Pagina 6 van 11
Toelichting Op enkele onderdelen behoeft de verordening een toelichting.
Algemeen Aanleiding Participatieverordening Met de voorgenomen wijziging van artikel 150 Gemeentewet ontstaat voor gemeenten de plicht om de oude inspraakverordening te vervangen door een Participatieverordening. In deze verordening zijn de spelregels vastgelegd omtrent inwonersparticipatie, overheidsparticipatie, inspraak en het uitdaagrecht. Deze Participatieverordening Bergen 2024 vervangt de huidige Inspraakverordening Bergen 2003. Totstandkoming Participatieverordening Los van de huidige wettelijke plicht op grond van de voorgenomen wijziging van artikel 150 Gemeentewet, heeft de gemeente Bergen (L) in 2019 een traject ingezet om participatie meer inhoud te geven. Daartoe heeft de gemeenteraad op 26 april 2021 het “Beleidskader Participatie en Zelfsturing 2021” vastgesteld. Dit kader is weliswaar vanuit gemeentelijk perspectief geschreven, maar is tot stand gekomen in samenspraak met de dorpsraden en enkele ambtenaren en met ondersteuning van de Vereniging voor Kleine Kernen Limburg (VKKL). Bestuursorgaan In de verordening wordt regelmatig gesproken over “het bestuursorgaan”. De gemeente heeft drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Indien expliciet één van deze bestuursorganen wordt bedoeld, dan wordt dit ook als zodanig benoemd.
Indien de tekst rept over “het bestuursorgaan”, dan is het afhankelijk van de bevoegdheidsverdeling rond het thema welk bestuursorgaan wordt bedoeld.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2 – Begripsomschrijvingen In artikel 2, onder c. wordt het begrip “overheidsparticipatie” omschreven. In die omschrijving wordt verwezen naar het Model Eigenaarschap in het beleidskader “Participatie en Zelfsturing 2021 – gemeente Bergen (L)”. Dit beleidskader treft u aan als bijlage bij deze verordening.
Artikel 3 – Doelstelling en reikwijdte Artikel 3.2 bepaalt: participatie, inspraak en uitdaagrecht wordt verleend aan inwoners, maatschappelijke organisaties, ondernemingen en andere belanghebbenden die lokaal actief zijn of een lokaal belang hebben. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat de schaal van het project of traject bepalend is voor het aantal inwoners dat betrokken wordt. Bij projecten die gericht zijn op een straat of een buurt worden alleen die inwoners uitgenodigd. Bij projecten die op een grotere schaal plaatsvinden, is er ook sprake van een grotere kring belanghebbenden. Per project of traject zal dus moeten worden afgewogen wie de belanghebbenden zijn. Artikel 3.5 bepaalt: het bestuursorgaan geeft inzicht in gemeentelijke plannen zodat inwoners tijdig betrokken worden. Per plan wordt hierbij een termijn genoemd waarbinnen invloed uitgeoefend kan worden. Dit artikel bevat een inspanningsverplichting op het gebied van actieve openbaarheid, zodat inwoners goed in staat zijn om een rol te vervullen in processen van inwonersparticipatie. De precieze uitwerking van deze bepaling is maatwerk. Het artikel kan ook gelezen worden in het licht van de inspanningsverplichting zoals opgenomen in artikel 3.1 van de Wet open overheid (Woo). In dit artikel wordt bepaald dat overheden gehouden zijn
Pagina 7 van 11
om informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, handhaving en evaluatie actief openbaar te maken indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is. Artikel 3.6 bepaalt: Het bestuursorgaan kan bij de uitvoering van lid 5 gebruik maken van een burgeradviesraad. Hiermee wordt bedoeld dat het bestuursorgaan gebruik kan maken van een structureel of incidenteel samengestelde groep van inwoners die op een bepaalde beleidsterrein een advies aan het bestuursorgaan kan geven, waarmee die inwoners betrokken worden bij het te vormen beleid. Het advies is niet bindend, maar het bestuursorgaan moet wel kennis hebben genomen van dit advies.
Artikel 4 – Participatieproces Artikel 4.1 bepaalt dat het bestuursorgaan bij de start van elk proces vaststelt of, en zo ja op welke manier inwonersparticipatie wordt toegepast. Indien dit wordt toegepast, neemt het bestuursorgaan in beginsel over de in dit artikel genoemde punten een besluit. De praktijk zal moeten uitwijzen of daadwerkelijk bij elk proces het bevoegde bestuursorgaan het besluit moet nemen of dat het kan worden gemandateerd. Deze bepaling dwingt het bestuursorgaan om bij de start van elk proces goed na te denken over en de hoofdlijnen van het participatieproces kort en bondig weer te geven. Uit evaluaties is gebleken dat het vaak aan de voorkant mis kan gaan. De beslissing of er wel of niet inwonersparticipatie wordt toegepast, zal vaak bij de wethouder liggen (formeel het college van burgemeester en wethouders). In zaken waarbij de raad beslissingsbevoegd is, ligt deze keuze bij de raad. In de praktijk zullen ambtenaren vanuit hun expertise advies uitbrengen wanneer het participatieproces wenselijk wordt geacht. In artikel 3, lid 2 en lid 3 wordt beschreven wanneer in beginsel wel en geen inwonersparticipatie / inspraak wordt toegepast. Artikel 4.2 onder b. bepaalt dat het bevoegde bestuursorgaan de inhoudelijke, financiële en overige kaders voor het participatieproces vaststelt.
Nieuwe inzichten kunnen ertoe leiden dat er aanvullende kaders worden gesteld of bestaande kaders worden bijgesteld. Het tussentijds bijsturen gebeurt op beargumenteerde wijze en de deelnemers worden hierover zo snel mogelijk geïnformeerd. Artikel 4, lid 4 bepaalt dat voor specifieke beleidsterreinen nadere regelingen getroffen kunnen worden. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om in specifieke gevallen maatwerk te kunnen verlenen. Bijvoorbeeld voor participatie bij de inrichting van de openbare ruimte (herinrichting wegen, vervanging riolering, planten bomen e.d.).
Artikel 5 – Besluitvorming participatieproces In artikel 5 wordt beschreven dat het bestuursorgaan aan de voorkant aangeeft op welke wijze de inbreng van inwoners zal doorwerken in de besluitvorming. Dit biedt een antwoord op een regelmatig gehoorde kritiek dat het vaak onduidelijk is wat er met de inbreng van inwoners gebeurt. Het is wenselijk inwoners helderheid te geven over wat er met hun input gaat gebeuren (verwachtingenmanagement). Het is ook mogelijk dat binnen één project of traject op verschillende manieren inbreng van inwoners verwerkt wordt. Denk daarbij aan de aanleg van een nieuw park of de reconstructie van een weg, waarbij de gemeente voor de locatie – voor zover mogelijk – de voorkeuren van belanghebbenden meeneemt in de besluitvorming (artikel 5, lid 1, sub c.).
Artikel 6 – Evaluatie van het participatieproces
Pagina 8 van 11
In artikel 6, lid 1 wordt beschreven dat het evaluatieproces met de deelnemers wordt geëvalueerd aan de hand van de in ieder geval onder a. t/m c. genoemde aandachtspunten. Lid 2 van dit artikel geeft aan dat het college van burgemeester en wethouders de evaluatie ter kennisname aan de raad brengt indien het participatietraject voortvloeide uit een raadsvoorstel en raadsbesluit. Deze terugkoppeling dient te voldoen aan de bepalingen uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dus geen gegevens die herleiden kunnen worden tot een persoon. Terugkoppeling is vanuit het perspectief van responsief en zorgvuldig bestuur bedoeld en in die zin belangrijk.
Artikel 7 – Overheidsparticipatie Artikel 7 bevat bepalingen over “overheidsparticipatie”. Van overheidsparticipatie is sprake indien er een initiatief komt vanuit de samenleving en die samenleving aan de overheid (i.c. de gemeente) vraagt om mee te doen. Die vraag kan uit perspectief van inwoners soms uit noodzaak voortkomen (bijvoorbeeld indien het initiatief betrekking heeft op gemeentelijk eigendom, een gemeentelijke taak of waarvoor een vergunning benodigd is) of uit wenselijkheid (bijvoorbeeld indien het initiatief op zoek is naar (aanvullende) financiële middelen of expertise. Het college van burgemeester en wethouders of de raad neemt een besluit over het ingediende initiatief. Welk bestuursorgaan bevoegd is, hangt af van het onderwerp en de strekking van het ingediende initiatief.
Artikel 8 – Inspraakprocedure In artikel 8 wordt een onderscheid gemaakt tussen inspraak bij het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester en inspraak bij de raad. Zoals aangegeven, vervangt deze Participatieverordening de oude Inspraakverordening. Inspraak bij het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester vindt plaats overeenkomstig afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester heeft daarnaast de mogelijkheid een andere inspraakprocedure vast te stellen (artikel 8, lid 2). Inspraak bij de gemeenteraad vindt plaats overeenkomstig de regels opgenomen in het reglement van orde van de gemeenteraad. Dit reglement van orde is te raadplegen via de website van de gemeente.
Artikel 9 – Uitdaagrecht Het uitdaagrecht wordt ook wel “Right to Challenge” genoemd. Het Right to Challenge staat voor ‘het Recht om Uit te dagen’. De kern van de aanpak is dat een groep (georganiseerde) inwoners, maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers en/of andere belanghebbenden taken van gemeenten op het sociaal, maatschappelijk vlak kunnen overnemen als zij denken dat het anders, beter, slimmer en/of goedkoper kan. De relatie tussen overheid en inwoners verandert met het uitdaagrecht in de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer. Onderstaande afbeelding (bron: VNG) maakt dit duidelijk. Voorbeelden hiervan uit onze gemeente zijn bijvoorbeeld de groenploeg in Wellerlooi en Well en het afvalteam in Bergen en Afferden. Maar ook het Meldpunt en de daaruit voorvloeiende Noarberschap, de wensbus en de dagbestedingsvormen vanuit de Stichting Welzijnsbevordering Bergen zijn hiervan voorbeelden.
Pagina 9 van 11
Het Right to Challenge verandert de relatie tussen overheid en burger: beeld VNG Voor “bewoners” moet ook gelezen worden maatschappelijke organisaties, lokale ondernemers en/of andere belanghebbenden. Geconstateerd mag worden dat indien inwoners dergelijke taken zelf uitvoeren de betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij hen als hoog wordt ervaren, mits dit in samenwerking gebeurt met een betrokken overheid. Lid 4 van artikel 9 geeft duidelijk aan wanneer het uitdaagrecht in ieder geval niet aan de orde is.
Artikel 10 – Omgevingsplan en omgevingsvergunning In artikel 10 is bepaald dat participatie over omgevingsplannen en omgevingsvergunningen plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Omgevingswet. In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit staan verspreid enkele bepalingen over participatie. In algemene zin laat de Omgevingswet veel ruimte voor lokaal maatwerk op het gebied van participatie. Hieronder een korte samenvatting van enkele relevante wettelijke bepalingen: • Bij het vaststellen van een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan geeft het bevoegde bestuursorgaan aan hoe burgers, lokale ondernemingen, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn (artikel 10.7 en 10.8 Omgevingsbesluit); • Als na participatie een ontwerp omgevingsvisie, ontwerp programma of ontwerp wijziging omgevingsplan ter inzage is gelegd, kan een ieder over dit ontwerp een zienswijze indienen. De zienswijze wordt betrokken bij de vaststelling. De procedure vindt plaats overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; • Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met mogelijk ingrijpende gevolgen en naar verwachting meerdere belanghebbenden (16.65, lid 4 Ow), kunnen burgemeester en wethouders besluiten om afdeling 3.4 van de Awb van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing.
Daarover nemen ze per geval een besluit na het aan de aanvrager te hebben voorgelegd;
Pagina 10 van 11
• Bij de aanvraag van een binnenplanse of buitenplanse omgevingsactiviteit wordt door de aanvrager aangegeven of inwoners, ondernemingen, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken; Participatie en de omgevingsvergunning Partijen die de omgeving betrekken bij hun plannen, krijgen hier waardevolle inzichten en betere initiatieven voor terug. De omgeving zo vroeg mogelijk bij een traject betrekken, voorkomt vaak bezwaren in een later stadium. Om die reden moet een initiatiefnemer bij de aanvraag van een omgevingsvergunning aangeven of de omgeving betrokken is bij zijn plan. Dat staat in de Omgevingsregeling artikel 7.4 lid 1 en 2. En enkel als de omgeving betrokken is, moet de aanvrager o.b.v. artikel 7.4 lid 2 Omgevingsregeling bij de aanvraag aangeven hoe de omgeving betrokken is en wat het resultaat is. Beoordelen aanvraag omgevingsvergunning Het bevoegd gezag neemt een aanvraag voor een omgevingsvergunning in behandeling. Het beoordeelt op basis van beoordelingsregels of het de vergunning kan verlenen of moet weigeren. Hierbij houdt het rekening met de verschillende belangen van de omgeving. Dit betekent dat het bevoegd gezag relevante informatie verzamelt. Participatie is in dat traject een middel om inzicht te krijgen in de belangen van derden.
Een initiatiefnemer geeft bij de aanvraag aan of hij aan participatie heeft gedaan. Ook meldt hij, dus enkel als er aan participatie is gedaan, hoe er overleg is geweest met de belanghebbenden, wat de resultaten van dat overleg waren en in hoeverre dat tot mogelijke aanpassingen van het plan geleid heeft. Soms is het niet nodig om een (groot) participatietraject te starten. Bijvoorbeeld als het initiatief geen consequenties heeft voor de omgeving. Daarom is participatie niet per definitie verplicht en altijd vormvrij. Het ontbreken van een participatieproces is dus op zich geen reden om een vergunning te weigeren. Maar indien een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangewezen is voor verplichte participatie en de aanvrager heeft hierover geen gegevens verstrekt, dan kan het college van burgemeester en wethouders de aanvraag buiten behandeling laten.
Bijlagen behorende bij deze verordening: 1. het beleidskader “Participatie en Zelfsturing 2021 – gemeente Bergen (L)”, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 april 2021.
Pagina 11 van 11