CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

motivering TAM-omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) vastgesteld

Gemeenteraad 7 oktober 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen TAM-IMRO-plan Bergse Heide Nieuw Bergen fase II;30.733 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

146 alinea's met “omgevingsplan”: 2 3 6 20 23 68 123 163 167 173 174 178 183 186 187 193 196 197 199 203 211 217 219 221 227 235 239 244 246 250 273 288 293 299 307 315 318 333 341 355 …

Voor de bestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen (onder de Omgevingswet: omgevingsplannen) heeft de Omgevingsvisie geen directe gevolgen. De daarin vastgelegde bestemmingen blijven staan zolang er zich geen nieuwe ontwikkelingen voordoen.

4.4.2 Instructieregels provincie (Omgevingsverordening Limburg 2021) Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. De inwerkingtreding is gelijk aan het in werking treden van de Omgevingswet, namelijk op 1 januari 2024. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Stedelijk gebied’. Op de locatie zijn de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen van toepassing. Conform artikel 12.1 van de Omgevingsverordening 2021 dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen te voldoen aan een aantal instructieregels.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 38

Reikwijdte verordening De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio NoordLimburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

4.4.3 Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 In juni 2020 is de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 vastgesteld. Hierin geeft de provincie Limburg aan hoe zij een bijdrage wil leveren aan een gezonde woningmarkt die met haar aanbod voldoende inspeelt op onderstaande aspecten: De huidige en toekomstige woonbehoeften. Er wordt gebouwd dan wel ver- of herbouwd al naar gelang de behoefte, daar waar tekorten zich - al dan niet tijdelijk - voordoen. In een gezonde woningmarkt vindt doorstroming plaats en kunnen mensen een wooncarrière maken. In een gezonde woningmarkt vallen geen mensen tussen wal en schip, woningen zijn toegankelijk en betaalbaar. Een gezonde woningmarkt heeft “geen” overschotten die leiden tot leegstand (behoudens de benodigde frictieleegstand van 2%). Flexibiliteit is noodzakelijk om zo het verschil te kunnen maken voor mensen die snel huisvesting nodig hebben, maar daar niet jaren op kunnen wachten. Eigen keuze (en initiatief) is belangrijk. Een woning past bij de leefstijl van de bewoner, die zelf tot op zekere hoogte bepaalt hoe, in welke samenstelling en waar hij of zij wil leven. De woonomgeving is minstens zo belangrijk, evenals de mogelijkheden die de bewoner heeft en krijgt om niet alleen invloed uit te oefenen op zijn woning, maar ook op de woonomgeving.

Op basis van de demografische ontwikkelingen wordt geconstateerd dat (voor Limburg als geheel) voor de korte termijn nog behoefte aan extra woningen is, maar rond 2030 kunnen overschotten worden verwacht. Getalsmatig liggen hiervoor meer dan genoeg plannen klaar, maar kwalitatief liggen niet overal de juiste plannen (kijkend naar de behoefte) op de plank. Zo is er een grote behoefte aan woonconcepten voor ouderen en speciale doelgroepen, met name in de middenhuur en sociale huur. De behoefte aan woonruimte is bovendien gedifferentieerder. Er is behoefte aan meer verschillende soorten van huisvesting, op daarbij passende locaties, ook voor tijdelijke bewoning. Lokaal zijn er grote verschillen waar te nemen, dus dat vergt maatwerk per gemeente en daarbinnen per wijk, buurt of locatie. Binnen de bestaande bouw is er een grote opgave om woningen duurzamer en levensloopbestendiger te maken. Betaalbaarheid van woningen staat onder druk. De woon- en leefomgeving is medebepalend voor het woongeluk. In de wijk komen vele effecten van beleid en ambities samen. Het is van belang om dat steeds in samenhang te bezien, samen met de vele partijen en partners die bij het wonen betrokken zijn.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 39

Conform de gepubliceerde huishoudensprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) / Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (Pearl, 2019) groeit het aantal Limburgse huishoudens tot 2031 (met circa. 15.000 huishoudens), daarna volgt een afname van het aantal huishoudens tot het aantal dat we ongeveer nu kennen in 2050. Dit beeld van eerst een (lichte) toename en daarna een (lichte) afname geldt voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De prognose van Etil (Progneff 2019 update2) valt lager uit; het aantal Limburgse huishoudens groeit tot 2027 (met bijna 13.000 huishoudens), waarna een daling van de huishoudens ingezet wordt. Opvallend is dat (al circa 10 jaar) de nieuwe prognoses van de verschillende prognosemakers steeds naar boven worden bijgesteld. Dit komt met name door de stijgende migratiestromen. Deze migratiestromen zijn zeer lastig te voorspellen omdat ze sterk afhankelijk zijn van ontwikkelingen op mondiaal niveau. Onderhavig initiatief zet onder andere in op de bouw van levensloopbestendige woningen en sociale koopwoningen en zorgt verder met de gezinswoningen voor doorstroom op de woningmarkt, waardoor tegemoet kan worden gekomen aan de extra vraag naar woningen welke, blijkens voornoemde prognoses, toch steeds hoger ligt dan verwacht.

4.4.4 Conclusie Afweging Omgevingsvisie Limburg Het plangebied ligt binnen de zone ‘Buitengebied’. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de ZuidLimburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.

uitsnede zoneringskaart (bron:Omgevingsverordening Limburg)

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 40

In dit geval is er sprake van een functiewijziging van het gebied van een agrarische functie naar een woonfunctie. Hoewel deze zone niet primair bedoeld is voor woondoeleinden, zijn functiewijzigingen ten behoeve van woondoeleinden volgens de Omgevingsvisie Limburg wel toegestaan, mits deze passend zijn in de omgeving en niet in strijd zijn met de provinciale belangen. Het planvoornemen ziet toe op de herontwikkeling van een ruimtelijke laagwaardig, formeel agrarisch maar feitelijk functieloos terrein - direct grenzend aan bestaand stedelijk woongebied - naar een modern, hoogwaardig woongebied. In het kader van de toetsing aan de Ladder Duurzame Verstedelijking is vastgesteld dat binnen het bestaand stedelijk gebied van Nieuw Bergen redelijkerwijs onvoldoende fysieke ruimte beschikbaar is om een nieuwe woonwijk van deze omvang te realiseren, waardoor de realisatie van een dergelijk uitbreidingsgebied voor wonen beleidsmatig wenselijk is.

Afweging provinciale instructieregel (artikel 12.1 Omgevingsverordening 2021) Ad a. De Omgevingsvisie bepaalt dat bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad ook de ladder voor duurzame verstedelijking en de voorkeur voor gebruik van leegstaand vastgoed consequent wordt gehanteerd. Toevoegingen aan de Limburgse woningmarkt moeten niet alleen van de juiste soort zijn (voldoen aan de specifieke lokale woningbehoefte) en op de juiste locatie zijn, maar moeten in veel gevallen ook gepaard gaan met sloop, zodat de kwantitatieve verhouding in balans blijft. In de kern van Nieuw Bergen is geen fysieke ruimte om het gewenste programma te kunnen ontwikkelen, waardoor aansluitend aan de kern onderhavige locatie is gevonden, waarvoor in de plaats een agrarische bestemming wordt wegbestemd. Dit plan voldoet aan de POVI met de daarin opgenomen principes en zonering. Verwezen wordt hier naar paragraaf 4.4.1 van deze ruimtelijke motivering. Ad b. en c.

Zoals in paragraaf 4.5.1 (Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024) van onderhavige motivering is vermeld, is er in casu sprake van bouwen naar reële behoefte (zie ook de resultaten van de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 4.3.4) en worden woningen toegevoegd waaraan blijkens de meest recente prognoses zoals vermeld in de Limburgse Agenda Wonen 2020 – 2023 (zie paragraaf 4.4.3) binnen de regio Noord-Limburg ook daadwerkelijk behoefte is. De paragrafen 4.5.1, 4.6.1 en 4.6.2 van deze motivering bevat de resultaten van de toetsing van het plan aan de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 en het gemeentelijke woonbeleid. Hieruit blijkt dat het plan in overeenstemming is met het regionale en het gemeentelijke woonbeleid. Verwezen wordt hier naar deze paragrafen. Deze lokale en regionale toetsing komt tevens overeen met de aanvullende instructieregels uit de Wijzigingsverordening voor wat betreft het onderdeel Wonen. Ad d. De monitoring van de uitvoering van de woningbouw in dit ruimtelijke plan vindt plaats via de plancapaciteitsmonitor Limburg (www.pcmlimburg.nl). Ad e. Realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt beoogd zo spoedig mogelijk plaats te vinden, doch in ieder geval binnen 5 jaar.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 41

4.5

Regionaal beleid

4.5.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Bergen en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

4.5.2 Regionale Mobiliteitsvisie ‘Trendsportal’ Acht Noord-Limburgse gemeenteraden hebben de Mobiliteitsvisie Noord-Limburg vastgesteld onder de naam Trendsportal (Bergen op 30 januari 2018). Als gevolg van technologische ontwikkelingen, andere vormen van organisatie en veranderingen in financiële stromen wordt hiermee een verschuiving in gang gezet van meer traditionele infraprojecten naar andersoortige projecten op het gebied van mobiliteit, verkeer en vervoer. De hoofddoelstellingen van Trendsportal zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

verhogen kwaliteit van leven: Mobiliteit zodat iedereen mee kan doen; verbeteren verkeersveiligheid: Streven naar NUL verkeersslachtoffers; aantrekkelijk mobiliteitssysteem: Robuust, attractief en betrouwbaar; ondersteunen milieu-en energietransitie: Overschakelen op schone en stille mobiliteit; verbeteren ruimtelijk-economische bereikbaarheid: Voor toerisme, agro, maak en logistieke sector.

Deze Trendsportal is lokaal uitgewerkt in de gemeentelijke nota ‘Uitgangspunten netwerken infrastructuur en verkeer, fietsen en lopen in de spotlights’.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 42

4.5.3 Conclusie De woningen worden toegevoegd in een gebied direct grenzend aan de woonkern Nieuw Bergen. Met de realisatie van de nieuwbouwwoningen zal een agrarische bedrijfslocatie worden opgeheven, waardoor ter plaatse een beter woon- en leefklimaat wordt bewerkstelligd (koppelkans). De geplande woningen worden gerealiseerd voor bewoning door woningzoekenden op de Bergense woningmarkt; de ligging op relatief korte afstand van centrumvoorzieningen in Nieuw Bergen is daarbij een pré. Ook binnen de gemeente Bergen overstijgt de vraag naar woningen nog altijd het aanbod en zal dit naar verwachting nog zeker 10 jaar duren. De vraag naar starters- en levensloopgeschikte woningen is het grootst. Hierdoor ontstaat ook doorstroom op de woningmarkt; ouderen die kleiner willen gaan wonen, laten een grotere gezinswoning achter. Dit is de reden waarom ruim de helft van het aantal te realiseren woningen bestaat uit kleinere aaneengesloten woningen geschikt voor kleine huishoudens. Zoals in paragraaf 3.5 al is verwoord, zullen de woningen voldoen aan de actuele duurzaamheidseisen; de nieuw-bebouwde omgeving zal worden ingericht met het oog op klimaatadaptatie en het tegengaan van hittestress. Het project is derhalve passend in de gedachtegang zoals verwoord in de Regionale Woonvisie Noord-Limburg.

4.6

Gemeentelijk beleid

4.6.1 Omgevingsvisie Bergen 2030 Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Bergen de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Door nadrukkelijk de koppeling te leggen tussen de aanwezige groene kwaliteiten en de kansen op het gebied van duurzaamheid wil Bergen zich nog meer dan voorheen profileren als ‘toekomstbestendige gemeente’. De ‘meest toekomstbestendige gemeente van Nederland’ vormt het hart van Nationaal Park De Maasduinen, biedt een aantrekkelijke omgevingskwaliteit voor wonen, werken en recreëren en voorziet in de eigen energiebehoefte. Daar horen dorpen bij die alle ruimte krijgen om hun eigen identiteit te behouden en te versterken. (Nieuwe) ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het realiseren van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit via ruimtelijke kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing.

uitsnede kaart Omgevingsvisie Bergen 2030

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 43

Binnen deze visie is het plangebied getypeerd als 'mozaïekzone met kleinschalig landschap op overgang van laag- naar middenterras'. De gemeente Bergen had op 1 januari 2018 13.110 inwoners, bij zo’n 5.600 huishoudens. Hoewel Bergen in een krimpregio ligt, is de voorspelde krimp tot nu toe uitgebleven. Wel is duidelijk sprake van vergrijzing. Tegelijkertijd treedt ontgroening op doordat jongeren wegtrekken, bijvoorbeeld om elders te gaan studeren. Hierdoor neemt het aandeel ouderen nog sterker toe dan op basis van normale bevolkingsontwikkeling verwacht zou mogen worden. Wat betreft het aantal huishoudens is in de periode tot 2028 nog sprake van groei. Daarna zal naar verwachting een daling inzetten (hoewel op basis van de prognoses anno 2023 de vraag naar woningen onverkort groot blijft en gezien het aantal mensen van buiten de regio/buiten Nederland die zich hier vaker permanent gaan vestigen kan de vraag gesteld worden of er ooit nog sprake zal zijn van een substantiële daling in de vraag). Op basis van deze cijfers heeft de gemeente Bergen tot 2028 nog ruimte voor de bouw van 200 woningen.

De woningopgave voor Bergen - en daarmee het beleid op het gebied van woningbouw - verschuift als gevolg van deze ontwikkelingen meer en meer naar een kwalitatieve en zal dus steeds meer gericht zijn op het zo goed mogelijk laten aansluiten van de bestaande woningvoorraad op een veranderende vraag. De voor Bergen voorspelde krimp vormde tijdens het participatietraject bij het opstellen van de Omgevingsvisie een belangrijk onderwerp. Vrijwel alle betrokkenen zijn het er over eens dat Bergen krimp niet als een vaststaand gegeven moet zien. Het gaat dan nog niet eens om de exacte cijfers, maar vooral om het beantwoorden van de vraag wat je moet doen om aantrekkelijk te blijven als woongemeente. Concreet worden de volgende stappen gezet: Bergen wil ook andere woonmilieus aanbieden dan alleen ruime woningen binnen de kernen. Mensen geven aan op zoek te zijn naar moderne, luxe woningen, bij voorkeur aan de randen of net buiten de dorpen. Hiervoor wil Bergen kleinschalige mogelijkheden bieden in het mozaïeklandschap tussen Nationaal Park De Maasduinen en de N271, echter altijd op voorwaarde dat rode ontwikkelingen leiden tot aanvullende landschappelijke kwaliteiten. Kwaliteit gaat in alle gevallen boven kwantiteit. Hiermee wordt aangesloten op het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Er zijn tijdens de participatie verschillende suggesties gedaan om meer jongeren aan de gemeente te binden.

Uiteraard moeten geschikte woningen aanwezig zijn. Daarnaast wordt de oplossing ook gezocht in ruimere mogelijkheden (voor jongeren) om een eigen bedrijf te beginnen, bijvoorbeeld door waar mogelijk soepel met regels om te gaan. De aanwezigheid van snel internet is in alle gevallen cruciaal. Op onderstaande afbeelding uit de Omgevingsvisie is te zien dat voor nieuwe woonfuncties ook gekeken wordt naar locaties nabij de kernen en de N271 in het mozaïeklandschap:

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 44

kaart 'Wonen' uit Omgevingsvisie

Onderhavige locatie ligt in het mozaïeklandschap ten zuiden van de kern en ten oosten van de N271. Hiermee is voor nieuw te realiseren woningen dus een locatie gevonden die passend is binnen de Omgevingsvisie. Het project ziet op meerdere woningtypes. Naast 2 ruime vrijstaande koopwoningen, zijn in het bouwprogramma 10 kleine grondgebonden levensloopbestendige koopwoningen opgenomen die met name geschikt zijn voor ouderen en daarmee inspelen op de behoefte aan grondgebonden seniorenwoningen. Daarnaast zijn er 5 starterswoningen voor jongeren voorzien. Ook voor deze doelgroep is het vrijkomend aanbod zeer beperkt en zijn er weinig betaalbare alternatieven voorhanden. Hiermee wordt voldaan aan de vraag uit de markt.

4.6.2 Woonvisie Bergen Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad het 'Perspectief op goed wonen in Bergen, Woonvisie gemeente Bergen 2017-2021' vastgesteld. Centraal staat de doelstelling: aantrekkelijk woon- en leefklimaat passend bij (veranderende) vraag van de consument, nu en straks. Om die doelstelling en de hierboven geformuleerde visie te bereiken, formuleert de gemeente Bergen 3 pijlers waarin het woonbeleid verder is uitgewerkt. De pijlers maken helder waar een aantrekkelijk woon- en leefklimaat uit bestaat: 1. De juiste woning op de juiste plek. 2. Kwaliteit woon- en leefomgeving in de dorpen: wonen-welzijn-zorg en duurzaamheid. 3. Samen werken aan een aantrekkelijke gemeente.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 45

Uit de vorige paragraaf waarin is gekeken naar de juiste plek voor toevoeging van woningen, is geconstateerd dat, deels gelegen in de kern Nieuw Bergen en deels grenzend aan deze kern, de juiste plek is om het woongebied uit te breiden. Door het op deze locatie saneren van een agrarische locatie en het hiervoor in de plaats realiseren van woningen in een ruime opzet, wordt er een positieve impuls gegeven aan de woon- en leefomgeving: de hinder als gevolg van agrarisch activiteiten nabij burgerwoningen gaat tot het verleden behoren en hier komt een met veel groen ingepast woonwijkje voor in de plaats, dat een passende aansluiting vormt bij de woonwijk waaraan het nieuwe woongebied grenst en die door dit nieuwe woongebied ook vergroot wordt. Hiermee wordt voldaan aan de Woonvisie Bergen.

4.6.3 Landschapsvisie Maasdal Bergen Op 10 december 2020 is de 'Landschapsvisie Maasdal Bergen - Unieke twee-eenheid van Maas en Duinen' vastgesteld. Doel van de landschapsvisie is het behouden en versterken van de landschappelijke kwaliteiten in het Maasdal door richting te geven aan ontwikkelingen en deze op elkaar af te stemmen. De gemeente Bergen wil het Maasdal ontwikkelen tot een aantrekkelijk en vitaal landschap. De Landschapsvisie begint met de constatering dat het Maasdal niet los gezien kan worden van de Maasduinen. Ruimtelijk en functioneel vullen beide gebieden elkaar aan en samen vormen ze een tweeeenheid. Voor de toeristische profilering van de gemeente is dit een sterke troef. Door landschappelijke contrasten te versterken en recreatieve verbindingen te leggen, kan de twee-eenheid beter beleefbaar worden. De Landschapsvisie formuleert vijf centrale ambities die verbonden zijn aan vijf landschappelijke lagen: 1. Behoud en versterk de landschappelijk basisstructuur van terrassen en geulen, die kenmerkend is voor dit deel van het Maasdal en de ruimtelijke ontwikkeling heeft bepaald. Diepe ontgrondingen zijn in principe ongewenst, maar ondiepe, reliëfvolgende afgravingen ten behoeve van rivierverruiming kunnen deze structuur juist versterken. Dit kan gecombineerd worden met natuurontwikkeling en kleiwinning voor de dijken.

De laaggelegen geulen lenen zich bij uitstek voor groene rivieren en bijzondere kwelnatuur en zouden een open karakter moeten houden. 2. Bouw voort op de rijke cultuurhistorie van het gebied en geef vorm aan een gevarieerd, kleinschalig cultuurlandschap, met bijzondere aandacht voor herstel van het Maasheggenlandschap, dat beschermd is als Unesco Biosfeergebied. Mede op basis van onderzoek door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap wordt voorgesteld om aaneengesloten heggenlandschappen te realiseren bij Afferden en rond Bergen en Aijen, met passende beheervergoedingen. 3. Maak een aantrekkelijk en samenhangend netwerk van recreatieve routes en poorten, tussen Maasdal en Maasduinen: Maasdalroute, Maasduinroute en dwarsverbindingen voor fietsers, steilrandroute en kleine dorpsommetjes voor wandelaars. 4. Stimuleer de ontwikkeling van natuurinclusieve landbouw. Voorwaarden hiervoor zijn dat de boer gemotiveerd is en dat er een goed verdienmodel is. 5. Zorg voor vitale dorpen en maak hier parels in het landschap van, met passende toeristisch-recreatieve voorzieningen, fraaie dorpsranden, een goede toegankelijkheid en voldoende privacy voor de bewoners. De dorpen Bergen en Nieuw Bergen staan voor de twee-eenheid van Maas en Duinen en zijn iconisch voor het hele gebied. Het versterken van contrasten én het leggen van verbindingen staat centraal in de gebiedsuitwerking.

De verbindende weg (Kerkstraat) heeft nu 1 bomenrij, maar zou op termijn een statige laan kunnen worden. Verder van de dorpen af worden de kavels groter en is ruimte voor natuurinclusieve landbouw. Gestreefd wordt naar een samenhangend beheer van de lage en de hoge gronden. Op onderstaande uitsnedes uit de landschapsvisie is aangegeven hoe het gebied ten westen van de N271 ingericht zal gaan worden:

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 46

uitsnede uit landschapsvisie

In de lijn van deze visie zal de landschappelijke inpassing van het plangebied ingevuld gaan worden; daar waar mogelijk en wenselijk zal worden aangesloten op bovenstaand inrichtingsplan.

4.6.4 Beeldkwaliteitsvisie N271 Op 16 september 2021 is het 'Beeldkwaliteitsvisie N271' vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen. Aanleiding hiervoor was de vraag van de gemeenteraad om een integrale visie te maken voor de ‘Poort van Nieuw Bergen’. Het college heeft daarop besloten een visie voor de gehele N271, het gedeelte dat in de gemeente Bergen ligt, te ontwikkelen. In deze visie zijn de dijkversterking, de nieuwe rotonde bij Well en woningbouwontwikkelingen meegenomen. De visie helpt om de N271 en omgeving door te ontwikkelen naar een aantrekkelijk en vitaal landschap en zorgt voor samenhang en structuur. De N271 heeft grote cultuurhistorische betekenis als oude Rijksweg en historische ontwikkelas van het gebied en loopt als een autonome lijn door het reliëfrijke landschap van Noord-Limburg, op de overgang van hoog naar laag. De N271 is de belangrijkste verkeersader van de regio, en verbindt verschillende woonkernen met elkaar. De N271 loopt langs en door talrijke natuurgebieden en ontsluit het Nationaal Park De Maasduinen voor recreanten. De weg is een belevingsroute met panoramische zichten op het Maasdal, door bossen en open gebieden en langs bezienswaardigheden zoals kastelen, historische dorpjes en boerderijen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 47

Op onderstaande afbeelding uit het Beeldkwaliteitsvisie is de omgeving van Bergse Heide opgenomen:

uitsnede kaart Beeldkwaliteitsvisie

Onderhavig bestemmingsplan heeft geen impact op de inrichting zoals geschetst in de Beeldkwaliteitsvisie N271; de groene inrichting van het plangebied zal aansluiten op deze visie.

4.6.5

Conclusie

Met dit TAM-omgevingsplan wordt aangesloten bij diverse beleidsdoelen/thema’s uit provinciale-, regionaleen gemeentelijke ruimtelijke en planologische beleid. Dit plan betreft de transformatie van een ruimtelijk laagwaardig en in wezen functieloos terrein in een hoogwaardig, modern woongebied direct aansluitend aan bestaand stedelijk gebied. Hiermee levert deze transformatie een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid ter plaatse. Er wordt voorzien in woningtypes waar er binnen de Bergense woningmarkt nog te weinig van zijn, zoals duurzame, energiezuinige, klimaatgeadapteerde en levensloopbestendige woningen in het goedkopere en middeldure koopsegment. Met name voor de doelgroepen starters en senioren.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 48

5.

FYSIEKE LEEFOMGEVING

5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze motivering toegevoegd.

5.2

Gezonde fysieke leefomgeving

5.2.1

Beoordelingskader

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten bodem, geluid, geur, luchtkwaliteit en een veilige omgeving. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent de wijziging van het Omgevingsplan Bergen is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.

Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de nieuwe activiteiten optreden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.

5.2.2 Toetsing gezonde fysieke leefomgeving Voor het plan is een inrichtingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven waar er rond de woningen ruimte komt voor groen, water en recreatie. Ten opzichte van de huidige situatie zal er veel meer kwalitatief groen binnen het plangebied worden toegepast. De nieuwe inrichting van de openbare ruimte maakt verder dus ook een meervoudig gebruik mogelijk. Naast het wonen en parkeren, kan het plangebied ook gebruikt worden voor spelen en recreëren. Dit inrichtingsplan is als bijlage 1 bij deze motivering opgenomen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 49

Er wordt verder nadrukkelijk rekening gehouden met klimaatadaptie en natuurinclusief bouwen. In de stedenbouwkundige ontwerp is rekening gehouden met infiltratie van hemelwater en er wordt nadrukkelijk voorzien in een ruime hoeveelheid bomen binnen de openbare ruimte. Deze ruime oppervlakte aan hoogwaardige groenvoorzieningen reguleert de waterhuishouding op een natuurlijke wijze én reduceert het hitte-eiland-effect in dit nieuwe stedelijke gebied. Ook wordt hierdoor de biodiversiteit gestimuleerd en hebben de beoogde groenvoorzieningen een positief effect op de bewoners. Uitzicht op groen zorgt immers voor een lager stressniveau. Bovendien heelt groen een positief effect op de luchtkwaliteit door afvang van fijnstof/ CO2 en productie van zuurstof.

5.2.3 Endotoxinen Als gevolg van de ligging ten opzichte van veehouderijen kan sprake zijn van een verhoogd gezondheidsrisico als gevolg van endotoxinen. Dit is vooral aan de orde bij pluimvee- en varkenshouderijen. In een straal van circa 5 km rondom het plangebied bevinden zich geen pluimvee- en varkenshouderijen, waardoor het aspect endotoxine geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling.

5.2.4 Geitenhouderijen Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerde melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Bergen e.o. herbergt enkele gespecialiseerde geitenhouderijen. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden.

In een straal van circa 5 km rondom het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen, waardoor het aspect gezondheidsrisico’s vanwege geiten geen belemmering vormt voor de woningbouwontwikkeling.

5.2.5 Spuitzone Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn.

Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. | motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 50

De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:

Afbeelding: bron Klimaatviewer KNMI

Binnen een afstand van 50 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een akker waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten. Gelet op de heersende windrichting zal het merendeel van de vanuit de akker komende wind langs het plangebied waaien. Met de wettelijke verplichting om op de totale spuittechniek 75% driftreductie toe te passen in combinatie met een afstand van 10 m van de akker tot de woningen en de filterende werking van een robuuste haag op de rand van de akker en het nieuwe woongebied kunnen negatieve gezondheidseffecten tot een minimum worden beperkt. Deze robuuste haag heeft een driftwerende functie, is dichtbegroeid en heeft een minimale hoogte van 3,00 meter. Daarmee vormt het een stevige groene rand op de grens met de open akker. De robuuste haag (op 50 cm van de grens ingeplant) wordt met 4 stuks per meter en aanplantmaat van 100-150 cm aangelegd en kan snel opgroeien tot een hoogte van 2,00 meter. Het beheer van de haag ligt, net als bij het andere openbare groen, bij de gemeente Bergen; deze zal jaarlijks na 1 juli snoeien. Deze windsingel in de vorm van een gemengde haag wordt gezien als een optimale manier om drift te beperken. De hoogte van de windhaag dient minimaal 1 meter hoger te zijn dan de hoogte van de gewassen op het aangrenzende perceel, hetgeen met 2 m ook het geval is.

Om te waarborgen dat deze driftreducerende maatregel ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd, is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Hierin is vermeld dat het gebruik van de gronden met de functie 'Wonen' en daarbij behorende gebouw(en) uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat de gronden met de functie 'Groen' binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van het TAM omgevingsplan, landschappelijk ingepast zijn, conform een door het bevoegd gezag geaccordeerde landschappelijke inrichtingsschets, en deze inpassing duurzaam in stand wordt gehouden, met dien verstande dat de van de landschappelijke inpassing deel uitmakende windsingel binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM omgevingsplan is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 51

5.2.5 Conclusie Vanuit het aspect gezonde fysieke leefomgeving is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.3

Bodem en asbest

5.3.1

Beoordelingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. Het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

5.3.2 Bodemonderzoeken Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft HMB te Maasbree een voor- en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 3 bij deze motivering opgenomen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 52

In onderstaande zijn de resultaten van het vooronderzoek weergegeven.

Tabel: vooronderzoek

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de hypothese 'onverdachte locatie' stand houdt. In zowel de boven-als de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters aangetoond in een gehalte boven de waarde landbouw/natuur. In het grondwater is wel een overschrijding van de streefwaarde voor koper geconstateerd. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is echter een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. Het verhoogde gehalte koper wordt derhalve toegeschreven als van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Hierbij wordt opgemerkt dat de halfverharde weg (Bergse Heide) niet van functie zal wijzigen. Deze zal na overleg met de gemeente geasfalteerd moeten worden. Omdat de functie van deze weg niet wijzigt is deze verder niet meegenomen in het bodemonderzoek.

5.3.3 Conclusie De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek binnen het plangebied te adviseren. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.4

Geluid

5.4.1 Beoordelingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met hun omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Dat kan vormgegeven worden door het stellen van zogenoemde geluidsproductieplafonds in hun omgevingsplannen. Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 53

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door lokale wegen op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 3.20, 5.78, 5.78l, 5.78r, 5.78s en 5.78t van het Bkl jo. artikel 3.5 Omgevingsregeling (Or) jo. onderdeel 1.4 bijlage IVc Or.

5.4.2

Toetsing wegverkeerslawaai

Het plangebied is georiënteerd op de Bergse Heide (een weg bestaande uit één rijstrook waar een maximumsnelheid van 30 km/uur is toegestaan), maar is ook in de directe omgeving van de rijksweg N271 (een weg bestaande uit twee rijstroken met een maximum snelheid van 80 km/uur) gelegen. Voor geen van deze wegen is in het Omgevingsplan Bergen op dit moment een geluidproductieplafond vastgesteld. De geluidaandachtsgebieden langs deze wegen worden dan bepaald door de generieke contouren uit onderdeel 1.4 bijlage IVc Or: voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat binnen een geluidaandachtsgebied, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t Bkl (artikel 5.78t lid 1 Bkl):

Tabel 5.78t: Standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen

De Bergse Heide is nu en na de planrealisatie een hele rustige weg in het buitengebied met een smal wegprofiel (één rijstrook, geen fiets- en voetpaden) en zonder een andere verkeerskundige functie dan de ontsluiting van een beperkt aantal woningen. Hierdoor ligt de toekomstige verwachte verkeersintensiteit onder de 1000 motorvoertuigen per etmaal. Hierdoor behoeft er naar verwachting in de toekomst ook geen geluidaandachtsgebied langs de Bergse Heide vastgesteld te worden en zijn de standaard- en grenswaarden uit het Bkl niet van toepassing (artikel 5.78r lid 1 Bkl jo. artikel 3.5 Or jo. bijlage IVc Or paragraaf 1.4).

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 54

5.4.3 Conclusie Het plangebied ligt op ruim 250 meter afstand van de rijksweg N271. Hierdoor ligt het plangebied buiten het geluidsaandachtsgebied van deze weg. Bovendien blijkt uit gemeentelijke ervaring (geluidsonderzoeken van de afgelopen jaren) dat als de afstand van een project tot de N271 groter dan 50 meter is, dat het verkeersgeluid van die weg dan geen invloed heeft op het bouwplan. Spoorweglawaai In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Nijmegen bevindt zich op een afstand van ruim 4 km ten westen van het plangebied. Het aspect 'geluid' vormt, na afronding van het onderzoek naar de te treffen gevelmaatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de woningbouwontwikkeling. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.5

Activiteiten en milieuzonering

5.5.1 Beoordelingskader Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet zorgt de gemeente in het Omgevingsplan voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: De ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf. Het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

5.5.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 17 woningen. De beoogde woningen betreffen gevoelige functies in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving. Met de beoogde toevoeging van woningen binnen het plangebied worden gevoelige objecten toegevoegd aan de omgeving. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen.

5.5.3 Toetsing afstanden tot bedrijfsactiviteiten; Milieuzonering nieuwe stijl Voordat bepaald kan worden of de beoogde woningen binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving zijn gelegen, dient bepaald te worden tot welk gebiedstype het plangebied behoort.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 55

In de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ zijn nog steeds twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: Rustige woonwijk en rustig buitengebied: Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Gemengd gebied: Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Het plangebied en omgeving kan, gezien de afwezigheid van meerdere stedelijke functies, gekarakteriseerd worden als ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Hiertoe zijn de in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden van toepassing. Onderstaande tabel geeft de meest relevante inrichting in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten. bedrijf en omschrijving

Bergse Heide begraafplaats

afstanden in meters geur

geluid

grootste afstand rustig woongebied

afstand tot nieuwe woningen

0-10 (FM)

0-10 (FM)

0-10 (FM)

0-10

*FM: functiemenging toegestaan

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze woningbouwontwikkeling.

5.5.4 Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. | motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 56

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1.

2.

Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

5.6.2 Toetsing luchtkwaliteit De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 17 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De woningen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM ligt de actuele concentratie PM10 in Bergen tussen 10 en 15 µg/m3, evenals de concentratie NO2. In het Bal is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 bepaald op 40 µg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m 3. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m 3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (bron: www.rivm.nl). Met een actuele waarde onder de 15 µg/m³ wordt bij nieuwe gevoelige ontwikkelingen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan.

Dit wordt bevestigd door de resultaten uit de NSL-monitoringstool (bron: www.nsl-monitoring.nl) waarbij ter hoogte van de toetspunten langs de N271 ter hoogte van het plangebied voor 2021 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM 10 ook sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen; het aantal overschrijdingsdagen bedraagt 6. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit in Bergen goed te noemen.

5.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 57

5.7

Geur

5.7.1 Beoordelingskader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar geurhinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt in haar omgevingsplan zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Industriële geurhinder Op bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken.

Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Agrarisch geurhinder Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan Bergen zelf geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan Bergen waarden waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’.

5.7.2 Toetsing geurhinder De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. In een straal van ca. 5 km rondom het plangebied liggen geen intensieve veehouderijen. De afstand van het plangebied tot aan het bouwvlak van de meest nabijgelegen niet intensieve veehouderij bedraagt ruim 450 meter (Rijksweg 40); dit betreft een paardenhouderij waarvoor vaste afstanden gelden; deze vaste afstanden (100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom) worden ruimschoots gehaald. Gesteld kan worden dat intensieve veehouderijen op deze grote afstand geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur. Daarnaast leveren de nieuwe woningen geen extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen op omdat bestaande woningen al dichterbij de betreffende veehouderijen zijn gelegen en daarmee maatgevend zijn voor de huidige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

| motivering TAM- omgevingsplan Bergse Heide, Nieuw Bergen (fase II) | status: vastgesteld |

Pagina | 58

5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden (brand en explosie) voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).

Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dergelijke aandachtsgebieden aan. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15927343/1