CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering - regels - verbeelding

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22I (verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij);24.768 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

53

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

4.6

Aanlegactiviteit

4.6.1

Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten buiten het bouwvlak uit te (laten) voeren: a. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen; b. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m2 per agrarisch bedrijfsperceel; c. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwerken; d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de grond. e. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen; f. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging. 4.6.2

Uitzondering vergunningplicht

Het in 4.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden: a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd. 4.6.3

Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: a. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied; b. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn; c. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 8 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden.

54

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 5 5.1

Wonen

Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 5.2

Functieomschrijving

5.2.1

Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk; c. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk; d. erven en tuinen; e. groenvoorzieningen en water; f. paden en wegen; g. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 5 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de in de bijlagen 6 en 7 bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden (geomorfologie). 5.2.2

Nadere detaillering

a Aantal woningen en soort woningen Per locatievlak dat is aangewezen als wonen is maximaal één woning toegestaan. 5.3

Gebruiksactiviteit

5.3.1

Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die: a. niet ten dienste staat van de in artikel 5.2.1 genoemde functies van de gronden; en b. niet in overeenstemming is met de in artikel 5.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 5.4

Bouwactiviteit

5.4.1

Algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 5.2.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

5.4.2

Beoordelingsregels

a Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. indien binnen een locatievlak een bouwvlak aanwezig is, mogen woningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de inhoud van een woning, exclusief bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval die bestaande vergunde inhoud als maximum geldt; c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt de inhoudslimiet van 800 m 3 niet voor langgevelboerderijen en voor cultuurhistorisch en/ of architectonisch waardevolle bebouwing die qua bouwmassa één geheel vormt met het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bedrijfsruimten bij de woning mogen worden getrokken, waarbij het aantal woningen gelijk moet blijven; d. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6,5 m; e. de bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m; f. bij aangrenzende locatievlakken die zijn aangewezen als 'Wonen' moet de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 m bedragen; g. de woning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°; h. in geval van herbouw moet het aantal woningen gelijk blijven en moet de woning op de bestaande locatie binnen het locatievlak worden terug gebouwd; i.

in geval van nieuwbouw moet de voorgevel van een woning worden gebouwd op minimaal 3 m achter de naar de weg gekeerde grens van het locatievlak. b Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels: a. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 125 m² met dien verstande dat: 1. indien sprake is van voormalige agrarische bedrijfsruimten op het bouwperceel van meer dan 125 m2 (al dan niet na gedeeltelijke sloop daarvan) er geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht. 2. indien sprake is van voormalige agrarische bedrijfsruimten op het bouwperceel van minder dan 125 m2 (al dan niet na gedeeltelijke sloop daarvan) dan mag de gezamenlijke oppervlakte van de voormalige agrarische bedrijfsruimten en de vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 125 m2; b. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de woning worden opgericht; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; e. de bijbehorende bouwwerken moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°; f. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels: 1.

de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald in artikel 6.4.2 b onder a, niet meer bedragen dan 30 m2; 2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 4 m; g. indien de bestaande maatvoering (inhoud, oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte) van de bijbehorende bouwwerken afwijkt van het bepaalde onder a t/m f geldt de bestaande maatvoering als maximum maatvoering. c Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 m; c. voor overkappingen gelden de regels zoals opgenomen in artikel 6.4.2 b onder f; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet zijnde zonnepanelen, mag niet meer bedragen dan 5 m.

56

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

5.4.3

Maatwerkvoorschrift

Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van: a. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit; b. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; c. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; d. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing; e. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen. 5.5

Afwijken van beoordelingsregels

5.5.1 Vergroten woning en bijbehorende bouwwerken a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 6.4.2 a en artikel 6.4.2 b voor het vergroten van de inhoud van een woning en/of het vergroten van de toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, mits: 1. het locatievlak dat is aangewezen als 'Wonen' voor ten hoogste 20 % wordt bebouwd, tot een absoluut maximum van 1.000 m2; 2. de verruiming van de bouwmogelijkheden aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt; 3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering die in verhouding staat tot de verruiming van de bouwmogelijkheden, waarvoor geldt dat:  ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen;  het inrichtingsplan moet voldoen aan het keuzemenu voor ontwerpprincipes cultuurhistorische waarden en landschapselementen zoals opgenomen in de bijlage 9 bij deze regels;  burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. 4. de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd; 5.

de verruiming van de bouwmogelijkheden vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is; 6. de verruiming van de bouwmogelijkheden niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven; 7. de natuurlijke waarden niet worden aangetast; 8. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a. 5.5.2 Verplaatsing woning a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 a onder i voor het verplaatsen van de locatie van de woning bij herbouw, mits: 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is; 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden; 3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven; 4. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

57

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

5.5.3 Splitsing woning a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.2.2 a voor het splitsen van bestaande hoofdgebouwen in meerdere wooneenheden, mits: 1. splitsing uitsluitend is toegestaan indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; of hiervan sprake is kan in overleg met de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit worden bepaald; 2. de bouwmassa niet toeneemt; 3. de woningen afzonderlijk een inhoud van ten minste 450 m3 hebben; 4. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor de gesplitste woningen tezamen niet meer bedraagt dan de oppervlakte die voor de oorspronkelijke woning is toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 5.4.2 a; 5. woningsplitsing in combinatie met herbouw niet is toegestaan; 6. de woningsplitsing niet leidt tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven; 7. de woningsplitsing vanuit milieuhygiënisch en natuurlijk oogpunt aanvaardbaar is. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a. 5.5.4 Verkleining afstand tot zijdelingse perceelsgrens a.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 a onder g om het bouwen van hoofdgebouwen op een kleinere afstand van de zijdelingse perceelsgrens toe te staan, mits: 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is; 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden; 3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven; 4. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a. 5.5.5 Bouwen voor de voorgevelrooilijn a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 b onder b om het bouwen van bijbehorende bouwwerken voor de voorgevelrooilijn toe te staan, mits: 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is; 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden; 3.

ten behoeve van de beoordeling van de stedenbouwkundige en planologische aanvaardbaarheid en landschappelijke waarde, advies kan worden ingewonnen bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit; 4. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven; 5. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

58

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

5.5.6 Zonnepanelen a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 c om het bouwen van zonnepanelen bij de woning toe te staan, mits: 1. het gaat om grondgebonden zonnepanelen binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 10 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' dan wel diens rechtsgeldige opvolger; 2. wordt aangetoond dat de zonnepanelen niet op het dak kunnen worden geplaatst vanwege de constructie of beschikbare ruimte; 3. de oppervlakte aan zonnepanelen niet meer bedraagt dan noodzakelijk om in de eigen energiebehoefte te voorzien; 4. wordt voorzien in een passende landschappelijke inpassing; 5. er geen hinder ontstaat voor nabijgelegen woningen en het verkeer. b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a. 5.6

Omgevingsplanactiviteit

5.6.1 Horeca als nevenactiviteit a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen te gebruiken voor horeca als nevenactiviteit. b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. uitsluitend horeca in de categorie 1 is toegestaan; 2. het gebruik moet aanvaardbaar zijn vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk, milieuhygiënisch en cultuurhistorisch perspectief; 3. er mag geen beperking ontstaan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen; 4. degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de horeca uitoefent; 5. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking; 6. parkeren vindt plaats op eigen terrein; 7. de bedrijfsoppervlakte die voor horeca wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak aan gebouwen, tot een maximum van 50 m2; 8. het gebruik van de grond (anders dan voor bebouwing) ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak van het perceel, tot een maximum van 50 m 2.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

59

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

5.6.2 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteiten a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te oefenen: 1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan deze bedrijfsactiviteiten; 2. een ondergeschikte nevenactiviteit in de zin van een bed & breakfast; b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. een en ander uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; 3. er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn; 4. het een nevenactiviteit betreft en de woonfunctie de overheersende functie blijft; 5. geen beperking ontstaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen; 6. de oppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut, mag maximaal 30% van het totale oppervlak van de gebouwen bedragen; 7. er geen sprake is van een grote verkeersaantrekkende werking; 8. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing; 9. parkeren op eigen terrein plaatsvindt; 10.

geen buitenopslag en/of buitenstalling plaatsvindt; 11. voor een bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:  er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;  er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;  degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;  het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;  de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m2;  de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of een bestaand bijbehorend bouwwerk. 5.6.3 Paardenbakken a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak. b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan; 2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; 3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied; 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing; 5.

voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:  de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;  afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie. 5.6.4 Bijzondere huisvesting a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het hoofdgebouw te gebruiken voor bijzondere huisvesting. b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 10 bedraagt; 2. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

60

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels over functies

Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GMLbestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01.

Artikel 7

Aanvraagvereisten

a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat: 1. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en 2. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan. b. In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

61

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 9

Bouwactiviteit - algemeen

9.1

Ondergronds bouwen - algemeen

9.1.1

Ondergrondse werken en werkzaamheden

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 9.1.2

Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden. 9.1.3

Afwijken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 9.1.2 onder c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. 9.2

Hydrologisch neutraal bouwen

Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening moet op eigen terrein plaats vinden en in stand te worden gehouden. 9.3

Parkeren

9.3.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein a. Indien uit het gebruik van een bouwwerk een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit kan alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) worden verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L).

62

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

9.3.2

Afwijken beoordelingsregel parkeren op eigen terrein

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) te verlenen in afwijking van 9.3.1indien: a. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of; b. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte; 2. de woon- en leefsituatie.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

63

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 10 10.1

Gebruiksactiviteit - algemeen

Verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van: a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie; b. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop; c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan; d. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond; e. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond; f. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de functie gerichte gebruik van de grond; g. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan. h.

het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horecaactiviteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie. 10.2

Landschappelijke inpassing (voorwaardelijke bepaling)

Voor de hierna genoemde locaties is het gebruik van de toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende omgevingsplan, zoals dat gold op de datum van het besluit over het inpassingsplan zoals opgenomen in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing en/of van sloop van bebouwing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: a. De inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel en wordt vervolgens in stand gehouden; b. De sloop vindt plaats overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel. Tabel landschappelijke inpassing locatie/adres

datum wijzigingsbesluit omgevingsplan

inpassingsplan en/of sloopverplichting

Beltweg 10

12 mei 2026

sloop en/of inpassing 1 jaar na onherroepelijk moet geschieden worden TAMovereenkomstig het omgevingsplan inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 3

Koekoek 4 en 6

12 mei 2026

sloop en/of inpassing 1 jaar na onherroepelijk moet geschieden worden TAMovereenkomstig het omgevingsplan inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 4

64

moet zijn gerealiseerd op

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 11 11.1

Afwijken - algemeen

Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot: a. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de regels, en toestaan dat het locatievlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m; c. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw; d. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van overige bouwwerken wordt vergroot: 1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 65 m boven NAP, onder de voorwaarden dat:  deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse; 2. ten behoeve van speelvoorzieningen, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 10 m; 3. ten behoeve van de bouw van andere overige bouwwerken tot 8 m; e.

de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel locatievlakken of functievlakken indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd. f. het gebruiken van bouwwerken en gronden, waarop krachtens de regels van dit TAMomgevingsplan niet mag worden gebouwd, ten behoeve van de realisering van voorzieningen voor duurzame-energieopwekking, zoals passieve, actieve en fotovoltaïsche zonne-energie en kleinschalige windmolens, waarbij geldt dat: 1. de energieopwekking voor eigen gebruik is; 2. de voorzieningen voor duurzame-energieopwekking worden opgericht binnen een zone van maximaal 100 m aansluitend aan een agrarisch locatievlak dan wel het functievlak 'Bedrijf', 'Recreatie', 'Sport' of 'Wonen'; 3. de bouwhoogte van windmolens maximaal 15 m mag bedragen; 4. de bouwhoogte van overige voorzieningen voor duurzame-energieopwekking maximaal 5 m mag bedragen; 5. grondgebonden zonnepanelen uitsluitend zijn toestaan binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 10 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' danwel diens rechtsgeldige opvolger; 6.

windmolens moeten worden uitgeschakeld bij een snelheid van < 6 m/s; 7. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van de belangen van omwonenden; 8. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van landschappelijke, natuurlijke en/ of cultuurhistorische waarden.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

65

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1

Regels ter bescherming van waarden en objecten

Cultuurhistorische waarden

Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 12.2

Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in bijlage 5 zijn aangewezen als Cultuurhistorische waarden en in bijlagen 6 en/of 7 zijn omschreven. 12.3

Functieomschrijving

Een locatie die in bijlage 5 is aangewezen als Cultuurhistorische waarden en in bijlagen 6 en/of 7 zijn omschreven heeft mede als functie het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden. 12.4

Aanlegactiviteit

12.4.1 Vergunningplicht Het is verboden om op of in de gronden, zoals die zijn aangewezen op de in bijlage 5 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verwijderen van cultuurhistorische elementen; e. het verwijderen van (historische) zandwegen; f. het aanleggen en/of verharden van paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding; g. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering; h. het doorbreken, wijzigen en/of verleggen van bestaande wegen, paden en/of andere (infra)structuren; i. het toevoegen van natuur-/landschapselementen en/of kunstwerken die de in artikel 12.4.1 in de aanhef genoemde aanwezige waarden aan het zicht onttrekken of verstoren, of anderszins schade toebrengen. 12.4.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van artikel 12.4.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; b.

die reeds legaal in uitvoering of vergund waren op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c. die plaatsvinden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische en aardkundige waarden.

66

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

12.4.3 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12.4.1 wordt alleen verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 12.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12.4.1 voorschriften verbinden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

67

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 13 13.1

Landschappelijke waarden

Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 13.2

Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in bijlage 8 zijn aangewezen als Landschappelijke waarden. 13.3

Functieomschrijving

Een locatie die in bijlage 8 is aangewezen als Landschappelijke waarden heeft mede als functie het behoud en de bescherming van landschappelijke waarden. 13.4

Aanlegactiviteit

13.4.1 Vergunningplicht Het is verboden om op of in de gronden, zoals die zijn aangewezen op de in bijlage 8 bij deze regels opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van (historische) zandwegen; d. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging. 13.4.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van artikel 13.4.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; b. die reeds in uitvoering of vergund waren op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c. die plaatsvinden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van landschappelijke waarden.

13.4.3 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.4.1 wordt alleen verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de landschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 13.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.4.1 voorschriften verbinden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.

68

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Artikel 14 14.1

Waarde - Archeologie 5

Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 14.2

Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 is aangewezen als Waarde Archeologie 5. 14.3

Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft mede als functie het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. 14.4

Bouwactiviteit

14.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit Omgevingsplan moet de aanvrager een rapport overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. b. In afwijking van het gestelde onder a hoeft de aanvrager van een omgevingsvergunning geen rapport als bedoeld onder a te overleggen, indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; 2. naar oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte; 3. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2; 4. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld; 5. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld; 6.

de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 m; 7. er sprake is van een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan; 8. er sprake is van een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

69

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

14.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften a. Indien uit het onder artikel 14.4.1 onder a genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in artikel 14.4.1 onder b sub 1, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. In afwijking van het gestelde onder a verbindt het bevoegd gezag de bedoelde voorwaarden niet aan de omgevingsvergunning, indien de aanvraag betrekking heeft op: 1. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m 2; 2. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld; 3. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld; 4.

een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 m; 5. een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan; 6. een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 14.5

Aanlegactiviteit

14.5.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren: a. grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden; b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten; c. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; g. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; h. het omzetten van gras of akkerland in grond voor de teelt van laanbomen; i. oppervlakteverhardingen; j. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedragen; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.

70

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

14.5.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van artikel 14.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. met een verstoringsoppervlakte van ten hoogste 100 m², tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder artikel 14.5.1 sub h, l en m; b. met een verstoringsoppervlakte van ten hoogste 100 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder artikel 14.5.1 sub h, l en m; c. werkzaamheden met een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld; d. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; e. het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; f. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 m onder maaiveld wordt geroerd; g. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; h. een reeds legaal in uitvoering zijnde werk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan; i. een werk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. j.

Het verbod als bedoeld in artikel 14.5.1 is ook niet van toepassing indien: 1. de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een overeenkomstig de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder artikel 14.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist; 2.

de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder artikel 14.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist. 14.5.3 Aanvraagvereisten a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet de aanvrager voor de toetsing aan dit Omgevingsplan in ieder geval een rapport overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. b. Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. c.

Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

71

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

14.5.4 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien uit het rapport als bedoeld in artikel 14.5.3 onder a genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 14.5.5 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. d. Indien het bepaalde onder c van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.

72

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Hoofdstuk 5 Artikel 15 15.1

Overgangsregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

15.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 15.1.2 Maatwerkvoorschrift Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 15.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.1.1 met maximaal 10%. 15.1.3 Uitzondering Het bepaalde in artikel 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan. 15.2

Overgangsrecht gebruik

15.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 15.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 15.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 15.2.4 Uitzondering Het bepaalde in artikel 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

73

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlagen bij de regels

74

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

75

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 2

76

Veehouderijlocaties gemeente Bergen L

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 3

Landschappelijke inpassing Beltweg 10

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

77

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 4

78

Landschappelijke inpassing Koekoek 4 & 6

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 5

Kaart Cultuurhistorische waarden

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

79

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 6

80

Tabel Cultuurhistorische waarden

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 7

Tabel Cultuurhistorische waarden geomorfologie

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

81

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 8

82

Kaart Landschappelijke waarden

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 9

Ontwerpprincipes en ruimtelijke kwaliteit

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

83

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]

Bijlage 10

84

Geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]" (vastgesteld)

Legenda TAM-omgevingsplan verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij

Functie Agrarisch

A

Gebiedsaanwijzing Waarde - Archeologie 5

WR-A5

Functieaanduidingen specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - veehouderij

(-sa-vee)

Bouwvlakken bouwvlak

Ondergrond Ondergrond (april 2025)

A

WR-A5

(-sa-vee)

GEMEENTE BERGEN (L) TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij] FORMAAT

Locatie: Beltweg 10, Siebengewald

A3 PLANSTATUS

TEKENAAR RvdB PROJECTNUMMER

W-24126

Schoenaker 10 - 6641 SZ Beuningen

verbeelding

ontwerp PLANNUMMER

SCHAAL

DATUM

NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-ON01

1:1000

24-09-2025

telefoon: 024 - 675 23 56

info@burowaalbrug.nl

www.burowaalbrug.nl

Legenda TAM-omgevingsplan verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij

Functies A

Agrarisch

W

Wonen

Ondergrond Ondergrond (april 2025)

A

W

W

GEMEENTE BERGEN (L) TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij] FORMAAT

Locatie: Koekoek 4-6, Siebengewald

A3 PLANSTATUS

TEKENAAR RvdB PROJECTNUMMER

W-24126

Schoenaker 10 - 6641 SZ Beuningen

verbeelding

ontwerp PLANNUMMER

SCHAAL

DATUM

NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-ON01

1:2000

24-09-2025

telefoon: 024 - 675 23 56

info@burowaalbrug.nl

www.burowaalbrug.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16810066/1