Kasteellaan Well BP9okt2025 Bijlagen Bijlage 6 Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
In opdracht van: Beusmans en Jansen 31 juli 2023 R. Rijnders BSc en ir. J.P.M. Hovens
Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
Beusmans en Jansen R. Rijnders BSc / ir. J.P.M. Hovens R. Rijnders BSc en P.J.C.A. op het Veld
Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en we zijn PSO gecertificeerd.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
1
Inhoud 1 2 3
Inleiding........................................................................................................................................... 3 De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4 Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 6 4.2 Bevindingen............................................................................................................................. 7 5 Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 14 6 Conclusies .....................................................................................................................................
15 Literatuur ............................................................................................................................................... 17 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 18
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
2
1
Inleiding
Beusmans en Jansen begeleidt de herontwikkeling aan Kasteellaan 13 en 15 te Well. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
3
2
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
4
3
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De gebouwen in het plangebied worden gesloopt en de vegetatie en verharding worden verwijderd. Vervolgens worden er 51 appartementen met parkeerplaatsen, nieuw groen en verharding gerealiseerd (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1. De voorgestane situatie. Bron: Peter Loemans architecten.
3.2
Werkwijze flora- en fauna-inspectie
Op 30 mei 2023 heeft Faunaconsult B.V. het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren. De te slopen gebouwen zijn daarbij van binnen en buiten geïnspecteerd met behulp van een ladder, zaklamp en RIDGID SeeSnake boomcamera. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
5
4
Aanwezige beschermde planten en dieren
4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op het voorblad) ligt in het oosten van Well, binnen de bebouwde kom. Het bestaat uit een woning met bijbehorende tuin, een voormalige supermarkt, enkele bijgebouwen, verharding en wat opgaand groen.
1
2 5 3 4
Figuur 4.1. Het plangebied (rood omlijnd) met de te slopen gebouwen (geel omlijnd en genummerd) met 1 = woning, 2 = voormalige supermarkt, 3 = magazijnen, 4 = loods en 5 = kantoor. Bron: KadastraleKaart.com.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
6
4.2
Bevindingen
Zoogdieren en vogels De zolder en kelder van de woning (1 in figuur 4.1) zijn geïnspecteerd; vleermuizen, steenmarters en hun uitwerpselen zijn afwezig. Onder de onderste rijen dakpannen van de woning is geen vogelschroot aanwezig, maar de ruimte tussen de pannenlat en dakpannen is voor huismussen en gierzwaluwen te nauw om als toegang te kunnen dienen (zie figuur 4.2.1). Open stootvoegen zijn afwezig. De voorgevel en de lange gevels bevatten een dakoverstek. Tussen het dakoverstek en de lange gevels zijn geen spleten aanwezig waar vleermuizen in kunnen verblijven, maar tussen het dakoverstek en de voorgevel wel (zie figuur 4.2.2). Bij de voorgevel is er een opening aanwezig tussen de gevelpannen en het boeiboord waardoor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen hier toegang hebben tot de ruimte onder de pannen (zie figuur 4.2.3). Bij de achtergevel liggen de gevelpannen in de specie. Aan de linkerzijde bevinden zich hier echter enkele scheuren in de specie en de gevel waardoor er toegang is voor vleermuizen en voor huismussen en gierzwaluwen; hier is ook een (mogelijk voormalig) nest aanwezig van huismus of gierzwaluw (zie figuur 4.2.4).
Figuur 4.2.1. De ruimte tussen de pannenlat en dakpannen is voor huismussen en gierzwaluwen te nauw.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
7
Figuur 4.2.2. Tussen het dakoverstek en de voorgevel bevinden zich spleten waardoor vleermuizen achter het hout of in de spouw kunnen verblijven.
Figuur 4.2.3. Door een opening tussen de gevelpannen en boeiboord kunnen vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen de ruimte onder de pannen bereiken.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
8
Figuur 4.2.4. Openingen in de achtergevel waardoor er toegang is voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen; hier is ook een (mogelijk voormalig) nest aanwezig van huismus of gierzwaluw (zie rood omlijnde foto).
Binnen in de voormalige supermarkt (2 in figuur 4.1) is niets aangetroffen. Onder de golfplaten is vogelschroot aanwezig of wordt de doorgang versperd door folie (zie figuur 4.2.5); vleermuizen en vogels hebben daardoor geen toegang tot de ruimte onder de golfplaten. Door de vele open stootvoegen in de noordelijke zijgevel en de spleten tussen de gevel en boeiboorden kunnen vleermuizen wel de spouw bereiken of achter de boeiboorden verblijven (zie figuur 4.2.6).
Figuur 4.2.5. Vogelschroot of folie voorkomt toegang voor vleermuizen en vogels.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well
9
Figuur 4.2.6. Vleermuizen kunnen door de open stootvoegen (onder) en spleten onder de boeiboorden (boven) in de spouw of achter het boeiboord verblijven.
Op de zolders van de magazijnruimtes (3 in figuur 4.1) zijn enkele steenmarteruitwerpselen aangetroffen (zie figuur 4.2.7). Het gaat hier om een dagrustplaats. Vleermuizen of hun uitwerpselen zijn hier niet aangetroffen. Het dak bevat zowel dakpannen als golfplaten. Vogelschroot is onder beide afwezig. Bij de dakpannen is de opening te nauw voor huismussen of gierzwaluwen. Vleermuizen kunnen hier in principe wel onder de dakpannen kruipen, maar de achterliggende ruimte is voor vleermuizen te open met een te glad dakbeschot (zie figuur 4.2.8). De opening onder de golfplaten is wel ruim genoeg, waardoor huismussen hier toegang hebben tot de achterliggende ruimte (zie figuur 4.2.9). Een nauw op de gevel aansluitende dakgoot voorkomt toegang voor vleermuizen en gierzwaluwen. In de noordgevel zijn wel enkele open stootvoegen aanwezig waardoor vleermuizen hier toegang hebben tot de spouw (zie figuur 4.2.10). In de schoorsteen bevindt zich een oud kauwennest.
Figuur 4.2.7. Enkele steenmarteruitwerpselen op de zolders van de magazijnruimtes.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 10
Figuur 4.2.8. De opening onder de dakpannen is voor vogels te nauw; voor vleermuizen is de ruimte onder de dakpannen te open en is het dakbeschot te glad.
Figuur 4.2.9. Huismussen kunnen onder de golfplaten nestelen.
Figuur 4.2.10. Open stootvoegen in de noordgevel van de magazijnruimte.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 11
De loods (4 in figuur 4.2) bevat een enkelwandig golfplaten dak. Huismus- en gierzwaluwnesten zijn hier zeker afwezig. In de loods is één kerkuilenbraakbal aangetroffen (zie figuur 4.2.11). Omdat het maar één braakbal betreft, is hier geen sprake van een roestplaats; de kerkuil is hier incidenteel aanwezig geweest. Een kerkuilennest is eveneens afwezig. Daarnaast is er een enkele steenmarteruitwerpsel aangetroffen. Vanuit de buitenzijde hebben vleermuizen geen toegang tot de spouw. Door openingen in het dak kunnen vleermuizen mogelijk wel via de binnenzijde van de loods de spouw bereiken.
Figuur 4.2.11. Eén braakbal van de kerkuil in de loods.
Het kantoorgebouw (5 in figuur 4.2) bevat onder de onderste rij dakpannen onvoldoende ruimte om als toegang te dienen voor huismussen of gierzwaluwen; vleermuizen kunnen wel onder de dakpannen verblijven (zie figuur 4.2.12). Open stootvoegen zijn afwezig, evenals steenmarteruitwerpselen.
Figuur 4.2.12. Vogels hebben geen toegang tot de ruimte onder de dakpannen; vleermuizen wel.
Tijdens het veldbezoek zijn de wespendief, zwartkop, tjiftjaf, merel, huismus, kauw, vink en ooievaar waargenomen. De bomen/opgaande vegetatie in het plangebied bevatten geen (roof)vogelnesten, eekhoornnesten of holtes. Door het ontbreken van holtes is het voorkomen van verblijven van boombewonende vleermuissoorten en uilennesten uitgesloten. Hoger opgaande lijnvormige vegetatiestructuren die kunnen dienen als vaste vliegroute/foerageergebied voor vleermuizen zijn afwezig.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 12
Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (z.d.) waren er in 2013 in het oostelijk gelegen kilometerhok (het plangebied bevindt zich in twee kilometerhokken) twee territoria van roofvogels/uilen aanwezig. In het westelijk gelegen kilometerhok waren geen territoria aanwezig. De kilometerhokken zijn niet volledig onderzocht. Nesten van dergelijke soorten komen echter met zekerheid niet voor in het plangebied. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de opgaande vegetaties broeden. Dassenburchten zijn afwezig. Voor kleine marterachtigen als de wezel biedt de vegetatie in het plangebied voldoende dekking. Wegens de afwezigheid van water in en rond het plangebied zijn de hermelijn en bunzing niet in het plangebied te verwachten. Algemene zoogdiersoorten als de huisspitsmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Amfibieën, reptielen en overige diersoorten Wateren die kunnen dienen als leefgebied en voortplantingsgebied voor amfibieën en vissen zijn afwezig. Daarnaast is het aanwezige biotoop in het plangebied ongeschikt voor strenger beschermde amfibieënsoorten. Het is wel mogelijk dat algemene amfibieënsoorten als de gewone pad delen van het plangebied als landhabitat gebruiken. Voor reptielen is het aanwezige biotoop ongeschikt als leefgebied.
Overige soorten die beschermd zijn onder de Wnb zijn evenmin te verwachten in het plangebied. Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen als acacia, ruwe berk, taxus, zomereik, Noorse esdoorn, laurierkers, vlinderstruik, Canadese guldenroede, akkerdistel, grote brandnetel, klaproos, paardenbloem en klimop. De Provincie Limburg (z.d.) heeft de kilometerhokken waarin het plangebied ligt in 2009, 2014 en 2015 onderzocht op het voorkomen van beschermde of bijzondere planten. Deze waren afwezig in en rond het plangebied. Het plangebied is echter onvolledig onderzocht. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen in het plangebied hebben. Tabel 4.2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven. * = Het nest is jaarrond beschermd.
Vogels Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Huismus (Passer domesticus) Gierzwaluw (Apus apus) Algemene in opgaande vegetatie broedende vogels Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Steenmarter (Martes foina) Wezel (Mustela nivalis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)
Internationaal beschermde soorten
Overige beschermde soorten
X* X* X X X X X X X X X X X
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 13
5
Mogelijke effecten
- In de woning en de magazijnruimtes (1 en 3 in figuur 4.1) bevinden zich mogelijk huismusnesten en/of gierzwaluwnesten. Indien de bebouwing in het broedseizoen wordt gesloopt, leidt dit tot sterfte van jonge huismussen/gierzwaluwen, hun jongen en/of hun eieren. Jaarrond leidt de sloop tot het vernietigen van jaarrond beschermde huismusnesten en/of gierzwaluwnesten. - Alle te slopen gebouwen bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door deze gebouwen te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. - Als de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord of gedood. Verstoring kan leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels doordat de jongen te lang worden achtergelaten en eieren te lang niet worden bebroed. - Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. In de tabel 5.1 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In de volgende paragraaf wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.1.
Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 Huismus Vogels (met een jaarrond X X beschermd nest) Vogels (met een jaarrond X Gierzwaluw X beschermd nest) Algemene in opgaande vegetaties Vogels X X broedende vogels Internationaal Vleermuizen X X X beschermde soorten Algemeen voorkomende Overige soorten X grondgebonden zoogdieren en amfibieën Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t.
A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 14
6
Conclusies
Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de woning en de magazijnruimte (1 en 3 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017a). Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de sloopwerkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 4-tal houtbetonnen huismusnestkasten (type Vivara NK SA 01 Nestkast ovaal) rondom de wijk op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Gierzwaluw: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de woning (1 in figuur 4.1) broeden mogelijk jaarlijks gierzwaluwen.
Omdat gierzwaluwnesten jaarrond beschermd zijn, dient hun voorkomen conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017b) nader te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 3 avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli. Indien blijkt dat er gierzwaluwnesten aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er buiten de broedtijd van de gierzwaluw (15 april – 31 augustus) wordt gesloopt, zodat er geen gierzwaluwen en hun jongen of eieren worden gedood. Daarnaast dient er voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, te worden gezorgd dat er in de eindsituatie meerdere nieuwe alternatieve nestlocaties aanwezig zijn. Vervangende nestlocaties moeten voor de eigenlijke werkzaamheden en voor terugkomst van de gierzwaluwen uit het zuiden al beschikbaar zijn. Om vertraging te voorkomen is het verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al voor 15 april 2024 (start broedseizoen gierzwaluw) een 2-tal houtbetonnen gierzwaluwnestkasten (type NK GZ 08 Nestkast Gierzwaluw, te bestellen bij vivarapro.nl) binnen 200 meter van het plangebied op te hangen (bij meer dan 10 gierzwaluwnesten geldt namelijk een gewenningsperiode van 1 broedseizoen). Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen.
Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Alle te slopen gebouwen bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: - 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend);
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 15
- 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017c). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02 en VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017c), onder begeleiding van een deskundige.
Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 16
Literatuur • • • • • • • •
BIJ12. 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Provincie Limburg. z.d. Natuurgegevens Provincie Limburg. www.natuurgegevenslimburg.nl. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 17
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 18
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 19
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 20
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Flora- en fauna-inspectie Kasteellaan 13 en 15 te Well 21