CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend voorstel en besluiten diverse belastingverordeningen

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van diverse belastingverordeningen 2022;7.600 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

g emeent

e

• Jill

Voorstel aan de gemeenteraad

BERGEN Limburg

Datum besluitvorming college 9 november 2021

Portefeuillehouder Wethouder splinter

Datum vergadering 14 december 2021

Onderwerp Belastingverordeningen voor het jaar 2022

Aan de raad,

Inleiding Sinds 1 januari 2012 neemt de gemeente Bergen deel aan de Gemeenschappelijke Regeling Belasting samenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). Bijgaande verordeningen betreffen heffingen waarvan de uitvoering van deze zaken zijn ondergebracht bij het BsGW. De verordeningen zijn tekstueel kortgesloten met het BsGW. De tarieven worden door de gemeente bepaald. In de raadsvergadering van 9 november 2021 is de programmabegroting 2022-2025 vastgesteld. De verordeningen voor verblijfsbelasting en waterverblijfsbelasting 2022 worden via een apart raadsvoorstel in de raadsvergadering van december 2021 aan u voorgelegd i.v.m. wijziging systematiek van heffen. Om de gewijzigde tarieven te kunnen heffen, moeten nieuwe belastingverordeningen worden vastgesteld.

Relatie met begroting / coalitieprogramma / speerpunten

De belastingen opbrengsten vinden we terug in paragraaf A lokale

heffingen.

Argumenten Ieder jaar stelt de gemeenteraad op basis van de Gemeentewet de belastingverordeningen vast. De volgende verordeningen zullen de bestaande verordeningen vervangen: • Verordening onroerend zaakbelastingen 2022; • Verordening rioolheffing 2022; • Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 2022; • Verordening forensenbelasting 2022; • Kwijtscheldingverordening 2022. Onroerend zaakbelasting De gemeenteraad heeft in 2019 het amendement Omtzigt aangenomen. Door aanneming van dit amendement heeft de gemeente de vrijheid gekregen om voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere instellingen van sociaal belang het woningtarief voor de OZB te rekenen in plaats van het hogere tarief voor niet-woningen. Er is een lijst vastgesteld welke WOZobjecten onder deze regeling vallen. De lijst is als bijlage toegevoegd aan dit voorstel. Jaarlijks wordt voor elk object een nieuwe WOZ-waarde vastgesteld. De tarieven worden dan gecorrigeerd voor de gemiddelde waarde ontwikkelingen. De verhoging van de WOZ waarden eigenaren woningen is 7,4%. De niet woningen zijn gedaald met 2,6% volgens cijfers van BsGW. De totale OZB opbrengst is gestegen met het inflatiepercentage van 1,9%. In het verleden was bij de OZB is vrijstelling opgenomen voor zonnepanelen en windturbines. BsGW wijst ons er nadrukkelijk op dat deze vrijstellingsregeling door BsGW niet uitvoerbaar is.

Wij hebben deze vrijstellingsbepaling in 2022 niet meer opgenomen.

Pagina 1 van 3

De tarieven als percentage van de heffingsmaatstaf bedragen: Tarief 2022 2021 OZB woningen eigenaar OZB niet woningen eigenaar OZB niet woningen gebruiker

Tarief

0,10112% 0,10654% 0,24265% 0,23009% 0,20337% 0,19612%

Voor een verdere toelichting verwijzen wij u naar de bijlage. Afvalstoffenheffing en reiniginqsrecht kosten. Het De afvalstoffenheffing is een retributie die dient ter dekking van de gemaakte zijn. moeten algemeen uitgangspunt is dat de tarieven kostendekkend zijn verhoogd. Deze De tarieven in de Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 2022 tarief kostendekkend een tot Om kosten. hogere de met verband in verhoging is noodzakelijk te komen stijgt het vastrecht met C 5,-- (van C 127,-- naar 132,--):

Vastrecht GFT

25 Itr bak

GFT

80 Itr bak

GFT 140 Itr bak Rest 40 ltr bak Rest 60 Itr afvalzak ondergrondse container Rest 80 Itr bak Rest 140 Itr bak Rest 240 Itr bak

2022

2021

132,00

127,00

3,86 5,34

3,86

6,94

6,94

4,67

4,67

2,60

2,60

6,13

6,13

8,32

8,32

11,98

11,98

5,34

de 140 liter Voor een gemiddeld huishouden bedraagt bij een aantal ledigingen van 12x C 272,83 van totaaltarief het 2022 in Gft-container liter de 140 7x en restafvalcontainer kosten totale de voor kostendekkend De opbrengst afvalstoffenheffing en reinigingsrecht is afvalverwerking. afval naar het De tarieven in deze verordening voor extra containers en het brengen van milieupark blijven gelijk. Rioolheffing rioolheffing Er is bij de vaststelling van het GRP 2020-2025 besloten om geen gedifferentieerde object te aangesloten per in te voeren en de huidige heffingssystematiek van een vast bedrag 1,9% te zijnde inflatie optredende de met jaarlijks handhaven. Daarnaast dient de rioolheffing GRP conform e.e.a. 245,25 C op vastgesteld 2022 voor wordt worden verhoogd. Het tarief 2020-2025. Verordening forensenbelasting 2022 zijnde 1,9%. De forensenbelasting wordt verhoogd met de jaarlijks optredende inflatie Kwijtscheldingverordeninq 2022 actueel. Het nieuwe De kwijtscheldingsregeling dateert uit 2007 en is redactioneel niet meer opgesteld. de VNG van model het model is conform

Pagina 2 van 3

Communicatie De verordeningen dienen gepubliceerd te worden in het huis-aan-huisblad VIAbergen en op de website

Voorstel Wij stellen u voor in te stemmen met de verordeningen ten behoeve van de gemeentelijke belastingen 2022.

Burgemeester en wethouders van Bergen (L),

H.H.M. Timmermans De secretaris

M.H.E. Pelzer De burgemeester

Bijlage(n) • • • • •

Verordening onroerend zaakbelastingen 2022; Verordening rioolheffing 2022; Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 2022; Verordening forensenbelasting 2022; Kwijtscheldingsverordening 2022

Pagina 3 van 3

gemeent

e

.•11111•

Besluit van de gemeenteraad

BERGEN Limburg

Onderwerp Verordening onroerendezaakbelastingen 2022

De raad van de gemeente Bergen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 november 2021; Gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet,

Besluit Vast te stellen de verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2022.

Artikel 1

Belastingplicht

1.

Onder de naam 'onroerendezaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting;

2.

Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever; de gebruikgever, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld;

3.

Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2

Voorwerp van de belasting

1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

Pagina 1 van 4

3.

die op grond van Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde voor die onroerende vastgesteld is zaken onroerende waardering hoofdstuk IV van de Wet zaak die dienen onroerende die van delen aan toegerekend worden kan hoofdzaak zaak in woondoeleinden. tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan

Artikel 3 1.

2.

Maatstaf van heffing

onroerende De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering in bedoeld kalenderjaar het voor waarde vastgestelde zaak onroerende zaken voor de artikel 1; hoofdstuk IV van de Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van zaak bepaald onroerende die van heffingsmaatstaf de wordt zaken Wet waardering onroerende 17, 18 en 20, artikelen de krachtens of bij bepaalde het van toepassing overeenkomstige met tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4

Vrijstellingen

heffingsmaatstaf buiten 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de artikel aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat bedoelde waarde, de waarde van: mede voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder a. bedrijfsmatig die glasopstanden, van ondergrond de alsmede grond, open begrepen de ondergrond als aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de gebruiken; voedingsbodem te glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van b. bedoelde gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a grond; voor het onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of een en aard, levensbeschouwelijke van bezinningssamenkomsten openbare van houden woning; als dienen die zaken onroerende ander met uitzondering van delen van zodanige de van voet de op een van uitmaken één of meer onroerende zaken die deel d. genoemd Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden van uitzondering met 1928, in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet eigendommen; de daarop voorkomende gebouwde natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, e.

zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; en ander openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een f. met inbegrip van kunstwerken; waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, g. van de instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering delen van zodanige werken die dienen als woning; die worden werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en h. rechtspersonen, publiekrechtelijke van diensten of beheerd door organen, instellingen met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat werktuigen i. op zichzelf beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet merken. te aan zijn eigendommen als gebouwde publieke dienst onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de j. die zaken onroerende zodanige van de gemeente, met uitzondering van delen van onderwijs; van geven het voor bestemd zijn te worden gebruikt zijnde straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet k.

het van dienste ten publiek, gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; waarvan de plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of I. uitzondering met recht, beperkt of bezit gemeente het genot heeft krachtens eigendom, van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; van zodanige m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen onroerende zaken die dienen als woning. zaken voor de De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende genot heeft het niet zaken die van gemeente de zover voor niet geldt eigenarenbelasting krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

c.

Pagina 2 van 4

3.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 4a Belastingtarieven sportaccommodaties, dorpshuizen en andere instellingen van een sociaal belang. In het kader van het amendement Omtzigt zal het woontarief OZB worden toegepast voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere instellingen van een sociaal belang. De lijst welke panden hiervoor zijn aangewezen in de gemeente Bergen zijn als bijlage toegevoegd. Artikel 5 Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting (niet woningen) 0,20337%; b. de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,10112%; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,24265 %. • •

Belastingbedragen van minder dan €5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6

Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7

Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8

Inwerkingtreding en citeertitel

1. De 'Verordening onroerendezaakbelastingen 2021 van 15 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich "voor die datum hebben voorgedaan; 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking; 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022; 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerendezaakbelastingen 2022'. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Bergen van 14

december 2021 .

Pagina 3 van 4

De voorzitter

M.H.E. Pelzer

Pagina 4 van 4

g emeent

Besluit van de gemeenteraad

. •

e

.

BERGEN Limburg

Onderwerp Verordening rioolheffing 2022

De raad van de gemeente Bergen, gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 november 2021; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

Besluit Vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022 (Verordening Rioolheffing 2022) Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a.

b.

Gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; Toelichting begrip rioolstelsel: Het begrip gemeentelijke riolering is veel ruimer dan alleen de riolering op zich. Het gaat om alle voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de wettelijke zorgplichten. Daaronder vallen onder andere rioleringspijpen en kolken, maar ook bijvoorbeeld voorzieningen tegen grondwateroverlast en individuele behandelingssystemen (iba's). Water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater-, grondwater of oppervlaktewater. Toelichting begrip water: Onder het begrip water vallen alle verschillende soorten water. In de zorgplichten van artikel 228a Gemeentewet worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het water. De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer of Waterwet en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere toelichting.

Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. b.

De inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en De inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Pagina 1 van 3

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht De belasting wordt geheven: 1. Van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 2. Met betrekking tot de belasting wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e.

het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Artikel 6 Belastingtarief Het tarief bedraagt € 245,25. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Minimum aanslag 1. Belastingbedragen van minder dan C 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan C 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het

Pagina 2 van 3

aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de rioolheffing wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De verordening rioolheffing 2021 van15 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2022'.

Bergen (L), 14 december 2021

M.H.E. Pelzer

Pagina 3 van 3

gemeente

.•NO.

BERGEN

Besluit van de gemeenteraad

Limburg

Onderwerp Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 2022

De raad van de gemeente Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 november 2021 Gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer,

Besluit Vast te stellen de verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2022.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. 'gebruikmaken'in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet Milieubeheer 2. Minicontainer: de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbak met een bepaald volume; 3. Gft-afval: groente-, fruit- en tuinafval; 4. Restafval: huishoudelijk afval niet zijnde gft-afval; 5. Grof huishoudelijk afval: huishoudelijke afvalstoffen die met enige regelmaat in een particulier huishouden vrijkomen, doch die te groot of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de periodieke inzameldienst te worden aangeboden; 6. Grof tuinafval: tuinafval dat met enige regelmaat in een particulier huishouden vrijkomt, doch dat te groot of te zwaar is om dezelfde wijze als gft-afval aan de periodieke inzameldienst te worden aangeboden; 7. Gft-bedrijfsafval: gft-afval afkomstig van bedrijven en instellingen, dat aan de periodieke inzameldienst in minicontainers wordt aangeboden en tegelijkertijd met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kan worden meegenomen; 8.

Bedrijfsafval: afvalstoffen afkomstig van bedrijven en instellingen, niet zijnde gftbedrijfsafval, die naar aard, omvang en samenstelling gelijk zijn te stellen aan

..... Pagina 1 van 7

huishoudelijke afvalstoffen, die aan de periodieke inzanneldienst in minicontainers worden aangeboden en tegelijkertijd met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden meegenomen.

Hoofdstuk 2 Afvalstoffenheffing

Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. 2.

Onder de naam safvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.

Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet a. waardering onroerende zaken; de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; b. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn c. indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in d. onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende e. zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6 a Reductie heffing medisch afval 1. De belastingplichtige als bedoeld in artikel 5 komt in aanmerking voor vermindering voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.2.1.4. tot en met 1.2.1.8 en de onderdelen 1.2.2.2, 1.2.2.4, 1.2.2.5, 1.2.2.6. van de in artikel 6 bedoelde tarieventabel, indien belastingplichtige als gevolg van chronische ziekte of handicap of chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moet aanbieden aan de gemeentelijke inzameldienst. 2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 60% van de totaal verschuldigde belasting als gevolg van het aantal aangeboden ledigingen of aanbiedingen restafval met een maximum van C 60,- per belastingtijdvak. 3.

De belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor vermindering op grond van het eerste lid, dient uiterlijk binnen 6 maanden na dagtekening van de opgelegde belasting, zoals bedoeld in het eerste lid, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de heffingsambtenaar. Bij dit verzoek dient een schriftelijke verklaring van de huisarts of medisch specialist te worden overlegd, waaruit blijkt dat als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra afval wordt aangeboden. 4. De vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats na afloop van het betreffende belastingjaar. Pagina 2 van 7

5. Er wordt slechts één vermindering per huishouden verleend. Artikel 7 Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing 1. 2.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 en 1.2 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven; De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.3 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 en Hoofdstuk 1.2 onderdelen 1.2.2 tot met 1.2.2.8 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak, of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht; 2. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.2. onderdelen 1.2.1. tot met 1.2.1.8 van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak, of zo dit eerder is na beëindiging van de belastingplicht; 3. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.3 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening; 4. Indien de belastingplicht, als bedoeld in het eerste lid, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; 5. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar, na beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; 6.

Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt. 7. Voor de hoofdstukken 1.1. en 1.2 van de tarieventabel geldt dat belastingbedragen van minder dan C 5,00 niet worden geheven. 8. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.

2.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten aanslagen, bedoeld in de hoofdstukken 1.1. en 1.2. van de tarieventabel, worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan C 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. In afwijking van de in voorgaande leden genoemde betaaltermijnen moet een aanslag bedoeld in hoofdstuk 1.3. ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

Pagina 3 van 7

Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen

4.

5.

(BsGW). De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk 3 Reinigingsrechten

Artikel 11 Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten'worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 12 Belastingplicht De reinigingsrechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief De reinigingsrechten worden geheven aan de hand van en naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 14 Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15 Wijze van heffing 1. 2.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 2.1 en 2.2 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven; De belasting bedoeld in hoofdstuk 2.3 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2. 3. 4.

5.

6. 7.

Het recht bedoeld in hoofdstuk 2.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht; De rechten als bedoeld in hoofdstuk 2.2 van de tarieventabel zijn verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak, of zo dit eerder is na beëindiging van de belastingplicht; Het recht als bedoeld in hoofdstuk 2.3 van de tarieventabel is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening; Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is het recht als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven; Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor het recht bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven Voor de hoofdstukken 2.1. en 2.2. van de tarieventabel geldt dat belastingbedragen van minder dan C 5,00 niet worden geheven. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Pagina 4 van 7

Artikel 17 Termijnen van betaling 1.

2.

3.

4.

5.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag, bedoeld in de hoofdstukken 2.1 en 2.2 van de tarieventabel, worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. In afwijking van de in voorgaande leden genoemde betaaltermijnen moet een aanslag bedoeld in hoofdstuk 2.3. ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 15, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 18 Inwerkingtreding en citeertitel •

• • •

De 'Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsheffingen 2021 van 15 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan; Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking; De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022; Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten 2022'.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Bergen van 14 december 2021.

De voorzitter

M.H.E. Pelzer

Pagina 5 van 7

Bijlage Tarieventabel behorende bij de Verordening Afvalstoffenheffingen en Reinigingsrechten 2022 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief B.T.W. indien deze verschuldigd is. Tarieven tabel 2022 Hoofdstuk 1

Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing

Hoofdstuk 1.1 1.1.

Vastrecht afvalstoffenheffing De belasting bedraagt per perceel per belastingtijdvak

Hoofdstuk 1.2 1.2.1 1.2.1.1 1.2.1.2 1.2.1.3 1.2.1.4 1.2.1.5 1.2.1.6 1.2.1.7 1.2.1.8

1.2.2 1.2.2.1 1.2.2.2 1.2.2.3 1.2.2.4 1.2.2.5 1.2.2.6 1.2.2.7 1.2.2.8

Hoofdstuk 1.3. 1.3.1

1.3.1.1 1.3.1.2

Variabel tarief afvalstoffenheffing Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting per lediging van een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor restafval Ondergrondse container afvalzak restafval 60 liter Extra containers Het tarief per extra geplaatste container bedraagt voor een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-afval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor restafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor restafval Bij teruggave van de in hoofdstuk 1.2.2.1 t/m 1.2.2.6 genoemde container(s) wordt geen restitutie verleend Voor de in hoofdstuk 1.2.2.1 t/m 1.2.2.6 genoemde containers is hoofdstuk 1.2.1.1 t/m 1.2,1.7 eveneens van toepassing

€ 127,00

€ 4,05 € 5,61 € 7,29 € 4,90 € 6,44 € 8,74 € 12,58 € 3,19

€ 26,90 € 27,70 € 35,55 € 35,55 € 32,75 € 37,95

Overige tarieven afvalstoffenheffing Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 bedraagt de belasting voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Indien het afval, hout, metalen, asbest (verpakt), autobanden (maximaal 4 stuks), dakleer, vloerbedekking, harde kunststoffen en grofvuil betreft, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan Het aanbieden van grof tuinafval en/of snoeiafval is tot een maximum van 2m3 per aanbieding Indien het puin en grond betreft, per 0,5m3 of gedeelte daarvan

€ 15,00

gratis € 15,00

Pagina 6 van 7

1.3.1.3

1.3.1.4 1.3.1.5

1.3.1.6

Hoofdstuk 2.1 2.1. Hoofdstuk 2.2 2.2.1 2.2.1.1 2.2.1.2 2.2.1.3 2.2.1.4 2.2.1.5 2.2.1.6 2.2.1.7 Hoofdstuk 2.3. 2.3.1

2.3.1.1 2.3.1.2 2.3.1.3

2.3.1.4

Indien het puin en grond betreft, aangeboden door nietinwoners van gemeente of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per 0,5 m3 of gedeelte daarvan Indien meer dan vier autobanden worden aangeboden, per extra autoband Indien het overig huishoudelijk afval betreft met uitzondering van papier, karton, glas, vlakglas, wit- en bruingoed, klein chemisch afval, tetrapakken en textiel, per hoeveelheid van 40 liter of een gedeelte daarvan

€ 37,50

€ 3,00 € 1,75

Indien het afval betreft, aangeboden door niet-inwoners of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan

€ 37,50

Vastrecht reinigingsrecht Het recht bedraagt per bedrijfspand of zelfstandig gebruikt gedeelte daarvan per belastingtijdvak

€ 127,00

Variabel tarief reinigingsrecht Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2.1 bedraagt het recht per lediging van een: Minicontainer van 25 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor gft-bedrijfsafval Minicontainer van 40 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 80 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 140 liter, bestemd voor bedrijfsafval Minicontainer van 240 liter, bestemd voor bedrijfsafval

€ 4,05 € 5,61 € 7,29 € 4,90 € 6,44 € 8,74 € 12,58

Overige tarieven reinigingsrechten Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 2.1 en 2.2 bedraagt de belasting voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats: Indien het afval, hout, metalen, asbest (verpakt), autobanden (maximaal 4 stuks), dakleer, vloerbedekking, harde kunststoffen en grofvuil betreft, per hoeveelheid van 2 m3 of gedeelte daarvan Het aanbieden van grof tuinafval en/of snoeiafval is tot een maximum van 2m3 per aanbieding Indien het puin en grond betreft, per 0,5m3 of gedeelte daarvan Indien het puin en grond betreft, aangeboden door nietinwoners van gemeente of door mensen die zich niet kunnen legitimeren, per 0,5 m3 of gedeelte daarvan Indien het overig huishoudelijk afval betreft met uitzondering van papier, karton, glas, vlakglas, wit- en bruingoed, klein chemisch afval, tetrapakken en textiel, per hoeveelheid van 40 liter of e edeelte daarvan

€ 15,00

gratis € 15,00

€ 3,00 € 1,75

Behoort sbesluit van 14 december 2021 Griffier vn de reente Bergen,

Pagina 7 van 7

g emeent

Besluit van de gemeenteraad

e

BERGEN Limburg

Onderwerp Verordening forensenbelasting 2022

De raad van de gemeente Bergen, gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 november 2021 gelet op artikel 223 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2022. (Verordening forensenbelasting 2022)

Artikel 1: Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel 2: Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden; 2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel 3: Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft. Artikel 4: Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingtijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld; 2.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken. 3. In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.

..... Pagina 1 van 3

4. De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast. Artikel 5: Belastingtarief De belasting bedraagt bij een waarde van : C 60.000 of minder C 60.001 tot en met C 120.000 C 120.001 tot en met C 180.000 C 180.001 tot en met € 299.000 C 299.001 of meer

286; C 585; C € 1.362; C 2.525; C 2.764.

Artikel 6: Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7: Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8: Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2. Artikel 9

Aanslaggrens

1. Belastingbedragen van minder dan C 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10: Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan C 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische Betaling 3. incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De Verordening forensenbelasting 2021 van 15 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan; 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking; 3. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022; 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening forensenbelasting 2022'.

Pagina 2 van 3

rgen (L), 14 december 2021

.C. van ' H e griffi

M.H.E. Pelzer De voorzitter

Pagina 3 van 3

Besluit van de gemeenteraad

Onderwerp Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen Bergen 2022.

De raad van de gemeente Bergen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 november 2021; gelet op artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en waterschapsbelastingen; overwegende dat het gewenst is om nadere regels te stellen voor het verlenen van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen

Besluit vast te stellen de volgende verordening: Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen Bergen 2022 Artikel 1. Uitgesloten van kwijtschelding De gemeente verleent geen kwijtschelding voor belastingaanslagen: Rioolheffing; Forensenbelasting; Onroerende zaakbelasting; Verblijfsbelasting; Waterverblijfsbelasting; Reclamebelasting. Artikel 2. Beperkte kwijtschelding Afvalstoffenheffing en reinigingsrechten. Voor de afvalstoffenheffing is alleen kwijtschelding mogelijk van het vast bedrag per jaar; onderdeel 1.1. van hoofdstuk 1 van de tarieventabel. Bij de heffing op grond van de overige artikelen van de tarieventabel, behorende bij de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten, wordt géén kwijtschelding verleend. Artikel 3. Kosten van bestaan

1. Bij de kwijtschelding bedoeld in artikel 2 wordt in afwijking van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan gesteld op 100 percent. 2. In afwijking van het eerste lid worden de kosten van bestaan van de in artikel la van de Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en waterschapsbelastingen bedoelde AOW-gerechtigde personen gesteld op 100 percent van de toepasselijke, in genoemd artikel la bedoelde netto AOW-bedragen. Artikel 4. Netto kosten kinderopvang Als uitgaven als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 worden mede in aanmerking genomen de in artikel 28, derde lid, van genoemde regeling bedoelde netto kosten van kinderopvang. Artikel 5. Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel 1. De "De verordening Kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2007, vastgesteld door de raad van de gemeente Bergen in de openbare vergadering van 19 december 2006 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum met dien verstande dat deze van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking. 3. De datum van ingang is 1 januari 2022. 4.

Deze verordening kan worden aangehaald als " Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen Bergen 2022".

Al dus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente ergen van 14 december 2021.

I.C. van t e griffi

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10935197/1