CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend voorstel en besluit APV

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening 2021;18.765 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

g emeen •

Voorstel aan de gemeenteraad

•

t e

• •

BERGEN Limburg

Datum besluitvorming college 12 januari 2021

Portefeuillehouder Burgemeester Pelzer

Datum vergadering 23 maart 2021

Onderwerp Vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Bergen (L) 2021

Aan de raad,

Inleiding In 2019 is de Algemene Plaatselijke Verordening Bergen (hierna: APV) voor het laatst herzien. Gelet op de wederom veranderende wet- en regelgeving, jurisprudentie, wensen uit de praktijk en adviezen vanuit de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), is de noodzaak gebleken om de huidige APV te actualiseren en ter vaststelling aan de raad voor te leggen. Voor u ligt daarom de APV 2021.

Relatie met begroting / coalitieprogramma / speerpunten Met de actualisatie sluit de APV weer aan bij de veranderende wet- en regelgeving, jurisprudentie en wensen uit de praktijk.

Argumenten Wijzigingen In de bijlage 'wijzigingenoverzicht' worden alle wijzigingen ten opzichte van de APV 2019 vermeld en toegelicht. Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen uiteen gezet. 1. Wijzigingen op grond van het VNG model a. De VNG heeft haar model van de APV gedurende de periode van 2019 tot op heden herzien. De herzieningen van de model APV van de VNG zijn meegenomen in deze actualisatie. De herzieningen van de VNG sluiten aan bij de gewijzigde wet- en regelgeving en de jurisprudentie, maar bevatten ook tekstuele aanpassingen ten behoeve van de interpretatie van de artikelen. Het model van de VNG is net als in 2019 als basis genomen. Dit neemt niet weg dat de APV op enkel onderdelen verschilt van het VNG model. Immers, de APV bevat een lokale invulling van regels die van invloed zijn op de openbare ruimte. Het spreekt voor zich dat de gemeente, binnen de grenzen van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, invulling geeft aan de eigen behoeften en wensen. b. De titel van sommige hoofdstukken of afdelingen is door de VNG in de model APV gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde 'rubrica est lex'-regel).

De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487). Deze wijzigingen zijn overgenomen. c. In de aanhef van het raadsbesluit tot vaststelling van de APV is als grondslag van de verordenende bevoegdheid de medebewindswetgeving benoemd. De APV is voor een groot deel gebaseerd op de algemene verordende bevoegdheid van de gemeenteraad (artikel 149 van de Gemeentewet). Maar de APV bevat ook een aantal bepalingen waarvoor de verordenende bevoegdheid is gebaseerd op andere wettelijke bepalingen. De gewijzigde aanhef sluit hierop aan. 2. Verbod op magneetvissen (artikel 2:12b) In de APV is al een verbod opgenomen tot het opsporen van explosieven, wapens of oudheidkundige voorwerken. Magneetvissen is in Nederland niet verboden. Wel zijn er enkele gemeenten in Nederland die een verbod hebben opgenomen in de APV. Het

Pagina 1 van 4

grootste risico met magneetvissen is dat er een explosief kan worden opgevist. Dit kan voor gevaarlijke situaties zorgen. Dit geldt ook voor de gemeente Bergen, gelet op de aanwezige restanten aan explosieven uit de oorlog. Omliggende gemeenten, waaronder Venray en Gennep, zijn ook bezig met een dergelijk verbod. Het risico bestaat de magneetvissers uit deze gemeenten zich verplaatsen naar de gemeente Bergen. Gelet op het voorgaande is nu het verbod op magneetvissen opgenomen. 3.

Outlaw Motorcycle Gangs (artikelen 2:26 en 2:50a) Vanuit het Openbaar Ministerie hebben juridische procedures plaatsgevonden om Outlaw Motorcycle Gangs (OMG's) verboden te laten verklaren, omdat de activiteiten van deze OMG's in strijd zijn met de openbare orde. Er zijn inmiddels aan aantal civiele verboden uitgesproken tegen verschillende OMG's. Het doel van deze verboden is het stoppen van de werkzaamheden/activiteiten van dit soort organisaties waarmee, zo is het beeld, een nadrukkelijke inbreuk wordt gemaakt op de openbare orde. De handhaving van de uitgesproken civiele verboden heeft een wettelijke grondslag nodig. Deze wordt enerzijds gevonden in artikel 3 van de Politiewet. Maar dit is niet voldoende. Er dient verder sprake te zijn van een feitelijke strafbaarstelling van de voor de OMG en/of haar leden gepleegde gedragingen. Om dit mogelijk te maken wordt artikel 2:26 aangepast en artikel 2:50a ingevoegd. Hoewel de handhaving van het civiele verbod primair een taak is van de politie, hebben gemeentelijke handhavers ook een belangrijke signalerende functie. Echter, zij hebben niet de (strafvorderlijke) opsporingsbevoegdheden vanuit de Politiewet. Daarom is het noodzakelijk om deze via de genoemde artikelen in de APV te creëren.

Hierdoor kan er effectiever worden opgetreden tegen het verschijnen in het publieke domein van leden met uiterlijke kenmerken van leden van verboden verenigingen (OMG's).

4.

Definities openbare inrichtingen (artikel 2:271 Het waterpijpcafé (ook bekend als shisha-lounge) is toegevoegd aan de opsomming van openbare inrichtingen. De exploitatie van een waterpijpcafe is hierdoor altijd aan een vergunning onderworpen.

5.

Lachgas (artikel 2:47a) Het bestaande artikel is op aangeven van de VNG uitgebreid. De tekst uit het eerste lid, is uitgebreid en ziet nu niet enkel op het oneigenlijk gebruik van lachgas, maar ook op voorbereidingen voor het gebruik en op het bij zich hebben van voorwerpen of stoffen ten behoeve van dat gebruik. Het college kan op grond van het tweede lid nu openbare plaatsen aanwijzen waar het lachgasgebruik, voorbereidingen daartoe of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat tot ordeverstoring en dergelijke leidt. Op grond van het derde lid kan het college dit verbod beperken tot bepaalde tijden.

6.

Loslopende honden (artikel 2:57) De wijziging breidt het verbod uit voor niet-aangelijnde honden tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dit past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over aangewezen plaatsen.

7.

Gevaarlijke honden (artikel 2:59) In het tweede en derde lid is nu uitdrukkelijke aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod. Dit is mede gebeurd op aanwijzing van het Openbaar Ministerie in het kader van de handhaving. Het aanlijngebod houdt in dat de lijn een lengte kan hebben van ten hoogste 1,5 meter. In de feitcodes van het OM staat 'kort aangelijnd'. Om discussie te voorkomen is het woord 'kort' toegevoegd aan de bepaling.

8.

Openliike gebruik van drugs (artikel 2:72b) Met de uitspraak van de Hoge Raad in 2015 dat een op grond van de APV ingesteld verbod voor gebruiken van softdrugs toch niet in strijd is met de Opiumwet, is het weer mogelijk om een blowverbod in te stellen. Artikel 2:74b is ingevoegd om de gemeente Pagina 2 van 4

een extra handvat te geven ter voorkoming van overlast. De bepaling ziet op zowel het gebruik van soft- en harddrugs in de openbare ruimte. 9.

Afdeling 13. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikelen 2:80 t/m 2:85) Om het pallet aan instrumenten (preventief en repressief) in de aanpak van ondermijnende criminaliteit uit te breiden, wordt steeds vaker naar de APV als instrument gekeken. Zeker daar waar het gaat om vergunningsvrije sectoren, waar het toezicht van de overheid in de regel beperkt(er) is. Om te voorkomen dat voor de verschillende sectoren (denk aan belwinkels, zonnebankstudio's, autoverhuurbedrijven, vakantieparken, etc.) een exploitatievergunningstelsel in de APV opgenomen wordt, heeft een aantal gemeenten al besloten een afdeling te wijden aan het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. Met de artikelen in deze afdeling wordt het mogelijk om in het kader van de openbare orde, zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemingsklimaat, een vergunningplicht voor bepaalde door de burgemeester aangewezen panden, gebieden of branches in te voeren. Daarmee wordt het onder andere mogelijk om een Bibob-onderzoek toe te passen. Het doel van deze APVbepalingen is om door het versterken van de aanpak ondermijning een gezond ondernemingsklimaat te stimuleren en daarmee de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente te waarborgen.

De artikelen in de nieuwe afdeling zijn gericht op de exploitatie, weigeringsgronden en intrekkingsgronden alsook eisen ten aanzien van het beheer en situaties waarin de burgemeester bevoegd geacht wordt om over te gaan tot een (tijdelijke) sluiting. Deze bepalingen sluiten aan bij het ondermijningsbeleid van de gemeente. Op dit moment is er binnen de gemeente nog geen sprake van dergelijke ondernemingen, waardoor er vooralsnog sprake zal zijn van slapende artikelen. Als de situatie zich voor doet, dan beschikt de gemeente over de middelen om hier adequaat op te reageren.

10. Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan OP de rijbaan (artikel 5:10) Bij de laatste herziening van de APV is artikel 5:10 ingevoegd. Dit betreft het verbod op het zogenaamde 'bermparkeren'. Op grond van Europese regelgeving en jurisprudentie geldt het parkeerverbodsbord (bord El uit de bijlage bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990)) alleen voor de rijbaan. Omdat dit ook geldt voor het stopverbodsbord (bord E2), heeft de VNG aan artikel 5:10 het stopverbod toegevoegd. Toevoeging van het stopverbod aan dit artikel, maakt het mogelijk om op te treden tegen notoire foutparkeerders. 11. Crossterreinen (artikel 5:32) In het eerste lid is toegevoegd dat het verboden is om te crossen buiten wedstrijdverband. Gebleken is dat recreatief crossen op terreinen, veelal in het buitengebied, leidt tot (geluids)overlast. Deze toevoeging maakt het mogelijk om hiertegen op te kunnen treden. 12. Sanctiebepaling (artikel 6:1) Een aantal vergunningen uit de APV vallen onder de WABO en op overtredingen die voortvloeien uit de WABO (handelen zonder vergunning) is de Wet op de economische delicten van toepassing (zie artikel la van die wet). Denk hierbij aan illegale kapactiviteiten. De algemene strafbepaling kan hier niet op worden toegepast.

Daarom is dit in het verleden aangepast in de model APV van de VNG en wordt deze wijziging nu overgenomen voor de gemeente Bergen. Toekomstige wijzigingen Ten tijde van de herziening in 2019 bent u geïnformeerd dat het evenementenbeleid in 2020 zou worden herzien. Deze herziening zal nu naar verwachting in 2021 plaatsvinden. Deze herziening zal gevolgen hebben voor verschillende onderdelen uit de APV, te weten evenementen, geluidhinder en verlichting, sluitingstijden horeca en terrassen en paracommerciële rechtspersonen. Na vaststelling van het evenementenbeleid zal, waar nodig, de APV op deze punten nader worden herzien. Pagina 3 van 4

Communicatie De inwoners dienen op de hoogte te worden gebracht van de doorgevoerde wijzigingen. De communicatie vindt plaats door publicatie in de Maasduinen Courant, op de website van de gemeente en via DROP in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl. Aangezien in de APV op overtredingen een sanctie wordt gesteld (artikel 6:1) dient de verordening ter kennis te worden gebracht aan het Arrondissementsparket Limburg.

Juridische aspecten Op grond van artikel 147 van de Gemeentewet worden gemeentelijke verordeningen vastgesteld door de gemeenteraad. De APV is een algemeen verbindend voorschrift. Een algemeen verbindend voorschrift (en de wijziging daarvan) kan alleen in werking treden als deze is bekend gemaakt in het gemeenteblad. Uitgifte van het gemeenteblaf geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze (artikel 139 Gemeentewet). Door middel van aanlevering via DROP voor publicatie in het gemeenteblad op officielebekendmakingen.nl, wordt aan de voorwaarden voldaan. Artikel 142 van de Gemeentewet bepaalt dat bekend gemaakte besluiten in werking treden met ingang van de achtste dag na die van bekenmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. Voorts bepaalt artikel 8:2, sub a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Uit artikel 7:1 van de Awb volgt dat degene aan wie het recht niet is toegekend om beroep in te stellen, ook geen bezwaar maken.

Financiën / fiscale gevolgen Niet van toepassing

Voorstel Wij stellen u voor: De Algemene Plaatselijke Verordening Bergen 2021 vast te stellen conform bijgaand raadsbesluit.

Burgemeester en wethouders van Bergen (L),

k s H.H.M. Timmermans De secretaris

M.H.E. Pelzer C ---------De burgemee

Bijlage(n) 1. 2. 3.

Raadsbesluit APV Bergen wijzigingen gemarkeerd Wijzigingenoverzicht

Pagina 4 van 4

g emeent . •

e

• .

BERGEN

Besluit van de gemeenteraad

Limburg

Onderwerp Besluit van de raad van de gemeente Bergen (L) tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021

De raad van de gemeente Bergen, gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2021; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1:1 van de Bouwverordening gemeente Bergen 2012; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

.....

Pagina 1 van 38

- motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, derde lid of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.

Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e.

de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Pagina 2 van 38

2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

Pagina 3 van 38

d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Artikel 2:6 (vervallen) Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 (vervallen)

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

Pagina 4 van 38

c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Limburg. Artikel 2:11 (0mgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening Limburg, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Bergen (AVOI). 5.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Op het verbod is het Beleidskader uitwegen van toepassing. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Limburg 2019 of de Omgevingsverordening Limburg. Artikel 2:12a Verbod opsporen explosieven, wapens, of oudheidkundige voorwerpen 1. Het is voor anderen dan de Explosievenopruimingsdienst (EOD) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats, een mijndetector, metaaldetector, of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, wapens of oudheidkundige voorwerpen, bij zich te hebben. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 2:12b Verbod op magneetvissen 1. Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen of te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking.

Pagina 5 van 38

2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op politie, Defensie en Waterschappen. Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 (Vervallen) Artikel 2:17 (Vervallen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende de periode maart tot en met september; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:20a (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Pagina 6 van 38

Artikel 2:22 (Vervallen) Artikel 2:23 (Vervallen)

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala's. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 8:00 uur 's ochtends en 1:00 uur in de aansluitende nacht plaatsvinden; c. er geen commerciële activiteiten plaatsvinden; d.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 8:00 uur 's ochtends of na 24 voorafgaand aan een werkdag en er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 8:00 uur of na 1:00 uur op de overige dagen; e. het evenement niet plaatsvindt op een doorgaande verkeersroute; f. Er een doorgang van minimaal 4,00 meter breed en 4,5 meter hoog beschikbaar blijft voor de hulpdiensten; g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 100m2; h. er een organisator is; Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als a. de organisator ten minste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester en b. de door de burgemeester gestelde algemene regels worden nageleefd.

Pagina 7 van 38

3. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala's. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3.

Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:26a (Vervallen)

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De exploitant of de leidinggevende mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. 3. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b.

de exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting niet voldoet aan de eis, zoals gesteld in het tweede lid. c. Indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend, is afgegeven. 4. De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob).

Pagina 8 van 38

5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning. Artikel 2:28a Intrekking vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd gezag de vergunning intrekken indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. 2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau Bibob door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob worden gevraagd. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid.

Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken. 2. In afwijking van het eerste lid geldt voor een openbare inrichting die wordt geëxploiteerd in het kader van een seksinrichting, de sluitingstijd zoals deze geldt voor de seksinrichting. 3. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een paracommerciële instelling verboden dit horecabedrijf van 2.00 uur tot 7.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven. 4. Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 1.00 uur tot 8.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag en de dag voor een feestdag van 2.00 uur tot 8.00 uur voor het publiek geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven. 5. In afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid, kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift (andere) sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

Pagina 9 van 38

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen (Vervallen) Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 (Vervallen)

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34a Schenktijden 1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De schenktijden beëindigen op: a. maandag tot en met donderdag om 00.00 uur; b. vrijdag, zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen om 01.00 uur; 2. Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigings- of wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 2 uur na beëindiging van deze activiteiten. 3. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.

Artikel 2:34b bijeenkomsten bij para ommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Pagina 10 van 38

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 De exploitant of feitelijk leidinggevende van een inrichting is verplicht 1. een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model; 2. ervoor te zorgen dat het register bedoeld in het eerste lid te allen tijde actueel en volledig is; 3. de gegevens van het register bedoeld in het eerste lid tenminste één jaar te bewaren. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 1. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid de gegevens te verstrekken die volgens het door de burgemeester vastgestelde model in het nachtregister aanwezig dienen te zijn. 2. Degene die een inrichting exploiteert of daaraan feitelijk leiding geeft is verplicht om, na daartoe strekkend verzoek van de burgemeester of een door hem aangewezen persoon, onverwijld volledige inzage te verlenen in het nachtregister. 3.

Degene die een inrichting exploiteert of daaraan feitelijk leiding geeft is verplicht de gegevens als bedoeld in artikel 2:37, derde lid, na daartoe strekkend verzoek van de burgemeester of een door hem aangewezen persoon per omgaande aan te leveren.

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden (Vervallen) Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden

Pagina 11 van 38

1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke (Vervallen) Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:45 (Vervallen) Artikel 2:46 (Vervallen) Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:47a Verboden gebruik lachgas 1.

Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied

Pagina 12 van 38

distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel Ivan de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 (Vervallen) Artikel 2:52 (Vervallen) Artikel 2:53 (Vervallen) Artikel 2:54 (Vervallen)

Pagina 13 van 38

Artikel 2:55 (Vervallen) Artikel 2:56 (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.

Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

Pagina 14 van 38

2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:61 (Vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 (Vervallen) Artikel 2:64 (Vervallen) Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 (Vervallen) Artikel 2:67 (Vervallen) Artikel 2:68 (Vervallen)

Pagina 15 van 38

Artikel 2:69 (Vervallen) Artikel 2:70 (Vervallen)

Afdeling 10. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:73a Carbidschieten 1.

Onder carbidschieten wordt verstaan het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid schieten plaatsvindt op 31 december en 1 januari tussen 10:00 uur en 16:00 uur, mits: a. Het carbid schieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom; b. Het carbid schieten plaatsvindt op een afstand van ten minste 250 meter van gebouwen, bouwwerken of andere werken waarbinnen dieren verblijven; c. Het vrijschootsveld tenminste 250 meter bedraagt en zich binnen dit schootsveld geen personen en/of openbare wegen of paden bevinden; d. Degene die met carbid schiet is 18 jaar of ouder; e. Degene die met carbid schiet redelijkerwijs alle maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar voor mens en dier f. Het college hiervan uiterlijk 27 december een melding heeft ontvangen middels het daarvoor bestemde meldingsformulier; g. De melding geaccepteerd is door het college. 4. De burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid opgenomen verbod. 5.

Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Pagina 16 van 38

Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74b openlijk gebruik van drugs Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkend waar te gebruiken.

Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50 of 2:73 van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. Parkeerterreinen 3. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek Strafrecht en in de Algemene Verordening Gegevensbescherming is het in het kader van privaat cameratoezicht niet toegestaan de openbare ruimte in beeld te brengen. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten minste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht], een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

Pagina 17 van 38

4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933913/1