CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

BWBR0041522-geldend van 09-01-2025 tm heden zichtdatum 27-02-2025

Gemeenteraad 22 april 2025, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de verordening rechtspositie raads- en commissieleden Bergen (L) 2025;24.179 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers Geraadpleegd op 27-02-2025. Geldend van 09-01-2025 t/m heden Besluit van 15 oktober 2018, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2018, nr. 2018-0000382887; Gelet op de artikelen 43, eerste, tweede en achtste lid, 61d, 65, eerste, tweede en zevende lid, 72, 77, 93, vierde lid, en 94, derde lid, van de Provinciewet, de artikelen 44, eerste, tweede en achtste lid, 66, eerste, tweede en zevende lid, 73, 79, 95, vierde lid, en 96, derde lid, van de Gemeentewet en de artikelen 32a, vierde lid, 44, eerste en zevende lid, 48, zevende lid, en 49, eerste lid, van de Waterschapswet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 september 2018, no. W04.18.0192/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 oktober 2018, nr.

2018-0000814574; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b.

Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; gedeputeerde staten: college van gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie.

Hoofdstuk 2. Provincies Afdeling 2.1. Algemeen Artikel 2.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b. c.

statenlid: lid van provinciale staten; voorzitter: voorzitter van provinciale staten; fractievoorzitter: statenlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; d. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens statenlid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd; e. gedeputeerde: lid van gedeputeerde staten; f. commissaris: commissaris van de Koning. Artikel 2.2 (leeg)

Artikel 2.3 (leeg) Artikel 2.4 (leeg) Artikel 2.5 (leeg) Afdeling 2.1. Statenleden Paragraaf 1. Beloning statenlid Artikel 2.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden 1. Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een vergoeding voor de werkzaamheden van € 2.142,67 per maand. 2. Een statenlid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. 4. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het statenlid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen. Artikel 2.1.2.

Toelage lid vertrouwenscommissie 1. Aan een statenlid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, of artikel 61a, vierde lid, van de Provinciewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie per jaar ten laste van de provincie een toelage verleend van € 153,33 per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 2.1.3. Toelage lid onderzoekscommissie 1. Aan een statenlid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de provincie een toelage toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast. Artikel 2.1.4. Toelage lid bijzondere commissie

1. Indien provinciale staten besluiten ter uitvoering van hun taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een statenlid geacht kunnen worden te behoren, kunnen zij bij verordening besluiten aan de statenleden die lid zijn van die commissie ten laste van de provincie een toelage toe te kennen van maximaal € 153,33 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 2.1.4a. Toelage vaste voorzitter commissie als bedoeld in artikel 80 Provinciewet 1.

Indien provinciale staten van oordeel zijn dat de belasting en het tijdsbeslag van het vaste voorzitterschap van een commissie als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een statenlid geacht kunnen worden te behoren, kunnen zij bij verordening besluiten aan die voorzitter ten laste van de provincie een toelage toe te kennen van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 2.1.4, eerste lid, per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie. 2. Voor toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast. Artikel 2.1.5. Toelage fractievoorzitter 1. De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van € 89,46 per maand, vermeerderd met € 12,77 voor elk statenlid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. De toelage bedraagt ten hoogste € 191,67 per maand. 2. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van de maand begint of eindigt, wordt de toelage, bedoeld in het eerste lid, voor die maand naar evenredigheid van de duur van het fractievoorzitterschap toegekend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris vast: a. hoeveel leden een fractie telt, en b. de duur van het fractievoorzitterschap. 4.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen statenlid Artikel 2.1.6. Onkostenvergoeding 1. Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten van € 215,94 per maand. 2. Een statenlid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de onkostenvergoeding naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de door het Centraal Bureau voor de

Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 2.1.7. Reiskostenvergoeding 1. Een statenlid heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en commissies, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de provincie als daarbuiten, gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 2.1.8 (leeg) Artikel 2.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden 1. Het statenlid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de provincie een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, om voorzieningen te treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. 2.

Voor zover het lidmaatschap van provinciale staten in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het statenlidmaatschap toegekend. 3. Voor zover het statenlid in de loop van het jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van de periode tot de datum waarop die leeftijd is bereikt, uitbetaald. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet. Artikel 2.1.10. Ziektekostenverzekering 1. Een statenlid ontvangt ten laste van de provincie een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 136,85 per jaar. 2. Voor zover het lidmaatschap van provinciale staten in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap van provinciale staten toegekend. 3.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 2.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering In het geval een statenlid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, de toelage voor het lid van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 2.1.2, eerste lid, de toelage voor het lid van de onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, de toelage voor het lid van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, de toelage voor de vaste voorzitter van een

commissie, bedoeld in artikel 2.1.4a, eerste lid, of de toelage voor de fractievoorzitter, bedoeld in artikel 2.1.5, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende statenlid worden verlaagd. Paragraaf 3. Waarneming door statenlid Artikel 2.1.12. Waarneming voorzitter of commissaris door statenlid 1. Een statenlid dat op grond van artikel 75, eerste lid, van de Provinciewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toeslag van 8% op zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, alsmede een toeslag van 8% op de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, eerste lid. 2. Indien een statenlid op grond van artikel 75, tweede lid, van de Provinciewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast: a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2.2.1, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zesde lid; b.

ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, een ambtstoelage en een vergoeding voor overige ambtskosten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, en c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 2.2.9, tweede lid, en de artikelen 2.2.10 en 2.2.12 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4. Tijdelijk ontslagen statenlid Artikel 2.1.13. Vergoeding voor werkzaamheden en onkostenvergoeding 1. Artikel 2.1.1 is van overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie op grond van artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat indien door provinciale staten toepassing is gegeven aan artikel 2.1.1, vierde lid, dit statenlid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden. 2. Artikel 2.1.6 is van overeenkomstige toepassing op het statenlid, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de vergoeding de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepaling van toepassing is. 3. De artikelen 2.1.9, 2.1.10 en 2.1.11 en afdeling 2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op het statenlid, bedoeld in het eerste lid. Afdeling 2.2. Commissaris en gedeputeerden Paragraaf 1. Beloning commissaris en gedeputeerde Artikel 2.2.1. Bezoldiging en uitkeringen 1.

De bezoldiging van de commissaris bedraagt € 14.760,00 per maand. 2. De bezoldiging van de gedeputeerde bedraagt € 11.036,48 per maand. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. 4. De commissaris en de gedeputeerde ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van

twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de commissaris of de gedeputeerde vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 5. De commissaris en de gedeputeerde ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de commissaris of de gedeputeerde vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 6. Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het derde lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de commissaris en de gedeputeerde een uitkering op dezelfde voet. 7.

De gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, tweede lid, van de Provinciewet zijn functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet. 8. Wanneer de commissaris of de gedeputeerde in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand. 9. Indien de gedeputeerde gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 35c, tweede lid, onder a of b, van de Provinciewet tevens statenlid is, vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid. Artikel 2.2.2. Waarneming commissaris door gedeputeerde Indien de gedeputeerde gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, wordt zijn bezoldiging voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid. Artikel 2.2.3. Neveninkomsten 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als commissaris of gedeputeerde genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste of tweede lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 2.2.1, vierde lid, en aangevuld op grond van artikel 2.2.2; b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 65, zesde lid, of artikel 43, zesde lid, van de Provinciewet. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de commissaris of de gedeputeerde aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie: a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of dat hij niet meer neveninkomsten heeft genoten dan 14% van de bezoldiging over dat jaar of, indien hij zijn ambt vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven. 3. Gedeputeerde staten verminderen op verzoek van de commissaris of de gedeputeerde diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten. 4. Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt gedeputeerde staten het

bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde. 5. Gedeputeerde staten vorderen, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde. 6. Indien de commissaris of de gedeputeerde geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De commissaris of de gedeputeerde meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken. 7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de commissaris of de gedeputeerde binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en gedeputeerde staten niet uit anderen hoofde kunnen vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stellen gedeputeerde staten de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis. 8. Op verzoek van de commissaris of de gedeputeerde kunnen gedeputeerde staten besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden. Artikel 2.2.4.

Uitkering bij overlijden 1. In het geval van overlijden van de commissaris of de gedeputeerde wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste onderscheidenlijk tweede lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de overledene laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overledene ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet. 3.

Indien voor de overledene een tijdsbestedingsnorm als bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet was vastgesteld, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van die tijdsbestedingsnorm uitgekeerd. Artikel 2.2.5 (leeg) Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen commissaris en gedeputeerde Artikel 2.2.6. Ambtskosten 1. De commissaris ontvangt per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten: a. een ambtstoelage van € 806,22 en b. een vergoeding van € 616,44 voor overige ambtskosten. 2. De gedeputeerde ontvangt een vergoeding van € 451,55 per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. Indien de gedeputeerde gedurende meer dan dertig dagen

onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, ontvangt hij voor die tijd per maand: a. een ambtstoelage van € 806,22 en b. een vergoeding van € 616,44 voor overige ambtskosten. 3. De gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, tweede lid, van de Provinciewet zijn functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet. 4. Wanneer de commissaris of de gedeputeerde in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, worden de ambtstoelage, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder b, onderscheidenlijk de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten. 5. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 2.2.7. Kosten in verband met verhuizing 1.

Indien de commissaris of de gedeputeerde bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie, heeft hij ten laste van de provincie eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing in verband met zijn benoeming naar de provincie. 2. Voor de duur dat de commissaris zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie of voor de duur dat een gedeputeerde met toepassing van artikel 35b, tweede lid, van de Provinciewet zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie, heeft hij ten laste van de provincie aanspraak op: a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde. 3. Indien de commissaris of de gedeputeerde in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde. 4.

De commissaris heeft uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming bij vertrek uit de provincie of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding. 5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van de provincie aan de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde vergoed. 6. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 2.2.8. Ter beschikking gestelde woning 1. De commissaris of de gedeputeerde betaalt voor het bewonen van een door de provincie aan hem in verband met de uitoefening van zijn ambt ter beschikking gestelde woning een eigen bijdrage per maand aan de provincie.

2. Bij het bewonen van een woning als bedoeld in het eerste lid komen de kosten voor energie en water ten laste van de provincie. 3. Indien de commissaris of de gedeputeerde voor het gebruik van een woning, bedoeld in het eerste lid, loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de provincie aan hem vergoed. 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van een ter beschikking gestelde woning. Artikel 2.2.9. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten 1. De commissaris en de gedeputeerde hebben ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor woon-werkverkeer; b. reis- en verblijfkosten voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt. 2. Onze Minister stelt nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 2.2.10. Ter beschikking gestelde auto 1. Gedeputeerde staten kunnen aan de commissaris of de gedeputeerde ten laste van de provincie een auto ter beschikking stellen, daaronder begrepen een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door de provincie gecontracteerde vervoerder. 2.

Een ter beschikking gestelde auto, met uitzondering van een auto voor gemeenschappelijk gebruik en een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden. 3. Onder gebruik voor zakelijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik dat voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen niet als gebruik voor privédoeleinden wordt aangemerkt. 4. Onder gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik in het kader van de uitoefening van nevenfuncties, waarvan de uitoefening door de commissaris of gedeputeerde naar het oordeel van gedeputeerde staten in het belang van de provincie is. 5. Gedeputeerde staten kunnen bij de terbeschikkingstelling van een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, bepalen dat deze door de commissaris of de gedeputeerde ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. 6.

Indien de commissaris of de gedeputeerde een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden en hij voor het gebruik van die auto loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de provincie aan hem vergoed. 7. Voor zover de commissaris of de gedeputeerde een aan hem ter beschikking gestelde auto gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden, worden vergoedingen van derden in verband met het gebruik van die auto in de provinciekas gestort. 8. De commissaris of de gedeputeerde betaalt voor het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde auto voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden een eigen bijdrage per maand aan de provincie. 9. Indien aan de commissaris of de gedeputeerde een auto, niet zijnde een auto voor

gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking is gesteld, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid. 10. Voor zover de commissaris of de gedeputeerde gebruik maakt van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid. 11. Onze Minister stelt nadere regels over de voorwaarden voor de ter beschikkingstelling van een auto en het gebruik daarvan, alsmede over de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het achtste lid. Artikel 2.2.11. Loopbaanoriëntatie 1. De kosten die de commissaris of gedeputeerde maakt omdat hij zich tijdens het ambt oriënteert op zijn verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooit, komen ten laste van de provincie, op voorwaarde dat gedeputeerde staten van oordeel zijn dat: a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit redelijk is; b.

die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit niet kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit; en c. de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 2. Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen. Artikel 2.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen 1. Indien er sprake is van een dringende reden van dienstbelang en de commissaris of de gedeputeerde die buiten de provincie verblijft, zou schade lijden als hij direct terugkeert naar de provincie, legt hij zijn voornemen om vanwege deze reden terug te keren naar zijn provincie voor aan Onze Minister onderscheidenlijk de commissaris. 2. Indien Onze Minister onderscheidenlijk de commissaris het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan commissaris of de gedeputeerde ten laste van de provincie een schadeloosstelling toegekend. 3. De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de commissaris of de gedeputeerde. Gedeputeerde staten stellen de hoogte van de schadeloosstelling vast. Artikel 2.2.13.

Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte De gedeputeerde aan wie in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel 44, eerste lid, van de Provinciewet verlof is verleend, ontvangt in afwijking van artikel 2.2.6, tweede lid, een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van de helft van het bedrag, genoemd in die bepaling. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 2.2.14. Vergoeding bij waarneming van de commissaris Op degene die op grond van artikel 76 van de Provinciewet met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, zijn voor die tijd de bepalingen in deze afdeling en afdeling 2.3, voor zover die betrekking hebben op de rechtspositie van de commissaris, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 2.2.3, 2.2.7, derde lid, 2.2.17, 2.2.18 en 2.2.19.

Artikel 2.2.15. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger gedeputeerde 1. De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden € 753,94 per maand. 2. De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die met toepassing van artikel 35a, derde lid, van de Provinciewet de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 2.2.16 (leeg) Artikel 2.2.17. Kennisgeving bij afwezigheid Indien de commissaris langer dan acht dagen wegens ziekte of om andere redenen zijn ambt niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan Onze Minister. Artikel 2.2.18. Schorsing 1.

Een besluit tot schorsing als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Provinciewet bevat in ieder geval een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. 2. De commissaris die geschorst is, behoudt gedurende de schorsing zijn bezoldiging en uitkeringen, bedoeld in artikel 2.2.1, en zijn aanspraak op vergoedingen en voorzieningen op grond van de afdelingen 2.2 en 2.3. 3. Gedurende een schorsing is het de commissaris als zodanig niet toegestaan de provinciale dienstgebouwen te betreden. Artikel 2.2.19. Ontslag 1. De commissaris wordt op zijn aanvraag ontslagen of na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd. Het ontslag wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. 2. Aan de commissaris wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, eervol ontslag verleend. 3. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de commissaris ontslag worden verleend op grond van: a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken; b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken; c. andere gronden. 4. Een ontslag als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts plaatsvinden indien: a.

er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, en b. herstel niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a bedoelde termijn van

zes maanden te verwachten is. 5. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen en, indien de commissaris dit wenst, een door de commissaris aangewezen geneeskundige. De commissaris is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid. Indien de commissaris geen medewerking verleent, is de in het vierde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing. 6. Het ontslag op grond van het derde lid, onder a of b, wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het derde lid, onder c, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. Afdeling 2.3. Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 2.3.1. Bewaken en beveiligen 1. Indien gedeputeerde staten ten behoeve van een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris kosten maken, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van de provincie. 2.

Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het treffen van andere voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris dan die welke op grond van het eerste lid ten laste van de provincie komen. Artikel 2.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen Gedeputeerde staten stellen ten laste van de provincie aan een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan de daarbij behorende abonnementen. Artikel 2.3.3. Vergoeding kosten scholing 1. De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van statenlid, gedeputeerde of commissaris komen ten laste van de provincie, op voorwaarde dat gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 2. Provinciale staten kunnen voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van statenleden betreft. Gedeputeerde staten kunnen voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van de commissaris of gedeputeerden betreft. 3.

Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen reiskosten voor het volgen van de scholing. De reiskosten worden berekend met overeenkomstige toepassing van de nadere regels op grond van artikel 2.1.7 onderscheidenlijk 2.2.9. Artikel 2.3.4. Beroepsvereniging Indien een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris als zodanig lid is van een voor ieder statenlid, iedere gedeputeerde of iedere commissaris toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging die blijkens haar statuten deskundigheidsbevordering of belangenbehartiging van de functie van statenlid, gedeputeerde of commissaris ten doel heeft of mede ten doel heeft, wordt de contributie van die beroepsvereniging ten laste van de provincie vergoed, tenzij gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het in de eerste volzin bedoelde doel.

Artikel 2.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg Gedeputeerde staten treffen ten laste van de provincie een voorziening voor bedrijfsgeneeskundige zorg voor de statenleden, de gedeputeerden en de commissaris. Artikel 2.3.6. Voorzieningen in verband met beroepsziekte of een dienstongeval 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden; b. dienstongeval: ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden. 2. Een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling of verzorging in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval: a. voor zover deze kosten ten laste blijven van het statenlid, de gedeputeerde of de commissaris, en b. voor zover de beroepsziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is. 3. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de beroepsziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid, en gehoord de vergadering van fractievoorzitters van alle partijen in provinciale staten. 4. Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen. 5. Als de schade van de beroepsziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden of ontslag, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen statenlid, de gewezen gedeputeerde of de gewezen commissaris. Artikel 2.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking 1.

Indien een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, kunnen gedeputeerde staten hem op zijn aanvraag ten laste van de provincie voorzieningen toekennen, die strekken tot het kunnen blijven uitoefenen van het ambt of tot herstel of bevordering van de mogelijkheid om het ambt weer te gaan uitoefenen dan wel een financiële vergoeding daarvoor. 2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan voorzieningen die een werkgever op grond van artikel 611 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek als goed werkgever dient te verstrekken en voorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 3. Een voorziening of een financiële vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegekend, indien die voorziening proportioneel is en niet reeds uit anderen hoofde is toegekend of vergoed. 4. De regels, gesteld krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.3.8. Eindheffingsbestanddelen Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen: a. de vergoedingen en toelage, bedoeld in de artikelen 2.1.6 en 2.2.6; b.

de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 2.1.10; c. de vergoedingen in verband met verhuizing, bedoeld in artikel 2.2.7, eerste en vierde lid;

d. de vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder a; e. de tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in artikel 2.2.7, derde lid; f. de betaling of vergoeding van de kosten voor energie en water, bedoeld in artikel 2.2.8, tweede lid; g. de vergoeding van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 2.1.7, eerste lid, en de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid; h. de vergoeding van de belastingheffing, bedoeld in de artikelen 2.2.7, vijfde lid, 2.2.8, derde lid, en 2.2.10, zesde lid; i. de vergoeding van de kosten in verband met loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten, bedoeld in artikel 2.2.11, eerste lid; j. de voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek als bedoeld in artikel 2.3.1, eerste en tweede lid; k. de ter beschikking stelling van informatie- en communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 2.3.2; l. de vergoeding van de kosten voor scholing als bedoeld in artikel 2.3.3; m. de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedoeld in artikel 2.3.4, en n. een voorziening of financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.3.7, eerste lid. Afdeling 2.4. Commissieleden Artikel 2.4.1. Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen 1.

Aan een commissielid wordt ten laste van de provincie een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie toegekend van € 145,01 per vergadering. 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 2.4.2. Hogere vergoeding Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van het bedrag, genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, ten aanzien van: a. een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken; en b. een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Artikel 2.4.3. Reiskostenvergoeding 1. Een commissielid heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van: a.

reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de provincie als daarbuiten gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 2.4.4. Overige vergoedingen en voorzieningen Ten aanzien van een commissielid zijn de artikelen 2.1.11, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4, 2.3.6, 2.3.7 en

2.3.8 van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 3. Gemeenten Afdeling 3.0. Algemeen Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f.

commissaris: commissaris van de Koning van de provincie waarbinnen de gemeente is gelegen; inwonersklasse: inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.2; raadslid: lid van de gemeenteraad; voorzitter: voorzitter van de gemeenteraad; fractievoorzitter: raadslid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

Artikel 3.2. Indeling gemeenten in inwonersklassen 1. De gemeenten worden ingedeeld in inwonersklassen aan de hand van de volgende tabel:

inwonersklasse

aantal inwoners

1

tot en met 8.000

2

8.001 – 14.000

3

14.001 – 24.000

4

24.001 – 40.000

5

40.001 – 60.000

6

60.001 – 100.000

7

100.001 -150.000

8

150.001 – 375.000

9

375.001 of meer

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het aantal inwoners verstaan het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari. Artikel 3.3. Overgang naar andere inwonersklasse 1. Een gemeente gaat voor de toepassing van artikel 3.2 in verband met de toeneming van het aantal inwoners over naar een hogere klasse met ingang van het jaar waarin op 1 januari het aantal inwoners van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse bereikt heeft en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op: a. 1 januari van het volgende jaar, of b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling waarin zij is betrokken. 2. Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de vermindering van het aantal inwoners vindt plaats met ingang van het jaar waarin het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari voor de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de klasse,

waarin de gemeente tot dusver ingedeeld was, gedaald is. 3. Voor gemeenten waarvan het aantal inwoners ten gevolge van grenscorrecties of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging heeft ondergaan, vindt de overgang naar een hogere of lagere klasse plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het aantal inwoners, zoals dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt. 4. Voor de eerste indeling van een nieuw ingestelde gemeente vindt het derde lid overeenkomstige toepassing. Artikel 3.4. Opclassificatie 1. Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken gemeente ligt, de gemeenteraad gehoord, een gemeente voor de toepassing van artikel 3.2 voor een bepaald tijdvak in een hogere klasse plaatsen dan die waartoe zij op grond van haar aantal inwoners behoort. 2. Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen. 3. Van het tot verhoging strekkende besluit doen gedeputeerde staten onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister. Artikel 3.5 (leeg) Afdeling 3.1. Raadsleden Paragraaf 1. Beloning raadslid Artikel 3.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden 1.

Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een vergoeding voor de werkzaamheden per maand die afhankelijk is van de inwonersklasse van de gemeente waarin hij raadslid is en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel.

inwonersklasse

Vergoeding voor de werkzaamheden

1–4

€ 1.240,07

5

€ 1.612,85

6

€ 1.887,27

7

€ 2.142,67

8

€ 2.496,14

9

€ 3.038,94

2. Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Indien een gemeente in verband met een wijziging van het aantal inwoners op grond van artikel 3.3, eerste of derde lid, wordt ingedeeld in een hogere inwonersklasse of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 3.4 voor een bepaald tijdvak in een hogere inwonersklasse wordt geplaatst,

wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden aan de hand van de tabel in het eerste lid aangepast. 4. De overgang van een gemeente naar een lagere inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.3, tweede of derde lid, in verband met de vermindering van het aantal inwoners is niet van invloed op de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden. 5. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. 6. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het raadslid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen. Artikel 3.1.2. Toelage lid vertrouwenscommissie 1.

Aan een raadslid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, of artikel 61a, vierde lid, van de Gemeentewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie per jaar ten laste van de gemeente een toelage verleend van € 153,33 per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.3. Toelage lid onderzoekscommissie 1. Aan een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Artikel 3.1.4. Toelage lid bijzondere commissie 1.

Indien de gemeenteraad besluit ter uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden te behoren, kan de gemeenteraad bij verordening besluiten aan de raadsleden die lid zijn van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toe te kennen van maximaal € 153,33 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.4a. Toelage vaste voorzitter commissie als bedoeld in artikel 82 Gemeentewet

1. Indien de gemeenteraad van oordeel is dat de belasting en het tijdsbeslag van het vaste voorzitterschap van een commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden te behoren, kan de gemeenteraad bij verordening besluiten aan die voorzitter ten laste van de gemeente een toelage toe te kennen van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie. 2. Voor toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Artikel 3.1.5. Toelage fractievoorzitter 1. De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van € 89,46 per maand, vermeerderd met € 12,77 voor elk raadslid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. De toelage bedraagt ten hoogste € 191,67 per maand. 2. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van de maand begint of eindigt, wordt de toelage, bedoeld in het eerste lid, voor die maand naar evenredigheid van de duur van het fractievoorzitterschap toegekend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester vast: a. hoeveel leden een fractie telt, en b. de duur van het fractievoorzitterschap. 4.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen raadslid Artikel 3.1.6. Onkostenvergoeding 1. Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het raadlidmaatschap verbonden kosten van € 215,94 per maand. 2. Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.1.7. Reiskostenvergoeding 1. Een raadslid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a.

reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.

Artikel 3.1.8. Loopbaanoriëntatie 1. De gemeenteraad van een gemeente die is ingedeeld in inwonersklasse 7, 8 of 9 kan bij verordening bepalen dat de kosten die raadsleden maken omdat zij zich tijdens het ambt oriënteren op hun verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooien, ten laste komen van de gemeente. 2. Geen vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend, indien: a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit onredelijk is; b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit, of c. de kosten ervan reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 3. Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen. Artikel 3.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden 1. Het raadslid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de gemeente een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, waarmee hij voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. 2.

Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het raadslidmaatschap toegekend. 3. Voor zover het raadslid in de loop van het jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van de periode tot de datum waarop hij die leeftijd heeft bereikt, uitbetaald. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een raadslid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een raadslid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet. Artikel 3.1.10. Ziektekostenverzekering 1. Een raadslid ontvangt ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 136,85 per jaar. 2. Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap van de gemeenteraad toegekend. 3.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering In het geval een raadslid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, de toelage voor het lid van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, de toelage voor het lid van de onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, de toelage voor het lid van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, de toelage voor de vaste voorzitter van een commissie, bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, of de toelage voor de fractievoorzitter, bedoeld in artikel 3.1.5, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende raadslid worden verlaagd.

Paragraaf 3. Waarneming door raadslid Artikel 3.1.12. Waarneming voorzitter of burgemeester door raadslid 1. Een raadslid dat op grond van artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toeslag van 8% op zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, alsmede een toeslag van 8% op de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid. 2. Indien een raadslid op grond van artikel 77, tweede lid, van de Gemeentewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast: a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de gemeente aangevuld tot het bedrag waarop de bezoldiging van de burgemeester ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, is vastgesteld, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 3.2.1, tiende, elfde, onderscheidenlijk twaalfde lid; b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.1.6, een vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, en c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 3.2.9, tweede lid, en de artikelen 3.2.10 en 3.2.12 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15285246/1