CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij motivering Vrij 27

Gemeenteraad 7 juli 2026, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling TAM-omgevingsplan ''Hoofdstuk 22K Vrij 27 Siebengewald;19.537 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inpassingsplan Vrij 27, Siebengewald

Op de locatie Vrij 27 te Siebengewald wordt een varkensbedrijf geëxploiteerd. Initiatiefnemers overwegen om het houden van varkens te beëindigen. De bedrijfsgebouwen komen dan leeg te liggen. Als gevolg van dit voornemen is gezocht naar een alternatieve invulling voor deze locatie. Mede gezien de leeftijd van initiatiefnemers is er geen voornemen om een nieuwe activiteit te starten c.q. een nieuw bedrijf op te richten. Daarom is gekeken naar de mogelijkheden voor ‘wonen’ op deze locatie. Gezien de ligging van de locatie in een omgeving met diverse andere woningen en een lintvormige bebouwing in de straat, kan geconcludeerd worden dat een omzetting van de functie ‘agrarisch’ naar de functie ‘wonen’ geen ondenkbare stap is op deze locatie. De bestaande bedrijfswoning wordt daarbij omgezet naar een reguliere burgerwoning, waarbij de mogelijk gecreëerd wordt om een loods (bijbehorende bouwwerk) van ca. 400 m2 te realiseren. Op een gedeelte van het perceel wenst initiatiefnemer een tweetal nieuwe woningen te realiseren, waarmee het huidige bebouwingslint verder wordt opgevuld. Het plangebied ligt in een open en grootschalig gebied waar de dichtheid van bebouwing varieert. Het plan gebied ligt in het enige bebouwingslint in de direct omgeving. Ten oosten van het pangebied is een kleinschaliger landschap met bebouwing verspreid over het gebied.

Hier liggen woonfuncties en bedrijven door elkaar. Ten zuiden en westen is een grootschalig agrarisch landschap waar de bebouwing ver uit elkaar ligt. Naast de agrarische bedrijven zijn hier toch nog meerdere woonfuncties te vinden. Het plangebied en het bebouwingslint waar het in ligt sluit aan bij het oostelijk gelegen kleinerschaliger gebied.

Luchtfoto omgeving landschap - PDOK

Het omliggend landschap is grotendeels open, er zijn weinig bosgebieden. Ten zuiden op circa 1,3 km afstand liggen bossen die aansluiten op het Nationaal park De Maasduinen en ten noorden van het plangebied bij de Duitse grens liggen kleine bosgebieden rondom de watergang Kendel. De overige opgaande beplanting in het gebied zijn bomenrijen en lanen die aan de wegenstructuur verbonden zijn en beplanting rondom de omliggende bebouwing. Binnen het plangebied zelf staan verschillende solitaire bomen of boomgroepen. De meeste hiervan staan aan de achterzijde/oostzijde van het plangebied. Ook rondom de woning en aan de straat staan verschillende kleine bomen, dit zijn veelal uitheemse of cultivar soorten. Tot slot loopt er een uitgebreide hagen structuur aan de straatzijde van het plangebied en rondom de woning.

Luchtfoto omgeving plangebied - PDOK

Landschappelijke inpassing | Vrij 27, Siebengewald

Landschapstype Het plangebied valt volgens gemeente Bergen binnen het landschapstype ‘Leege Heide’. Dit gebied kenmerkt zich met grootschalige landbouwontginningen met een grootmazig stelsel van lanen van zomereik, oude ontginningen en gehuchten bij Siebengewald: Flieray, Vrij (langs de Kendel) met houtwallen met eikenhakhout (en andere soorten als berk, hulst) en Lakei en Groote Horst met enkel erfbeplantingen. Verder “Duitse” erfbeplantingen met sparren. Relatief veel vrijkomende agrarische bebouwing, maar weinig veranderd. Meanderend aangelegde bovenloop van de Eckeltse Beek. Heerenven met bijzondere natuurwaarden. Ontwikkeling van grootschalige intensieve veehouderijen in LOG, tot nu toe introvert qua vorm, kleurstelling en beplanting. Vrijkomende agrarische bebouwing inpassen met: • Sparren, • Boerenbongerdjes of • Meidoorn- of beukenhagen (geen haagbeuk) • Vrijstaande inheemse bomen of grote vruchtbomen. Het landschap wat omschreven wordt door de gemeente is een jonge of oude heide ontginning. Een grootschalig en open landschap met bomenrijen of lanen aan de ontginningswegen. Dit landschap wordt voornamelijk ingezet voor landbouw. Als er gekeken wordt naar het landschap en historische kaarten is het ook een combinatie van jonge en oude heide ontginningen. De percelen van een jonge heide ontginning bestaand uit een strak raster van rechte wegen en kavels.

In een oude heideontginning hebben ze een meer organische vorm waar het voormalige landschap nog deels in terug is te zien. Deze twee verkavelingstructuren wisselen elkaar af. In dit landschapstype worden over het algemeen grote en rechte landschapselementen toegepast die het landschap indelen in verschillende kamers. Deze elementen worden ook doorgetrokken om agrarische bedrijven om een robuuste inpassing te creëren. Het plangebied zelf ligt in een bebouwingscluster. Dergelijke bebouwingsclusters passen niet bij een jongeheide ontginning. Op historische kaarten val te zien dat dit deel van het landschap ook behoort tot de eerste ontgonnen delen en daarmee meer kenmerken van de oude heideontginning heeft. Op de gemeente kaart met landschappelijke eenheden staat ook dat het plangebied in of in de buurt van een gebied ligt dat voor 1800 is ontgonnen.

Kaart landschappelijke eenheden- Landschapsplan Bergen

Landschappelijke inpassing | Vrij 27, Siebengewald

Inpassingsplan Er is samen met de provincie en gemeente gekeken naar een geschikte indeling voor de nieuwe woningen. Hierbij is rekening gehouden met de afstand tussen de woningen binnen het bebouwingslint. Het plangebied sluit hierbij aan door één van de nieuwe woningen dicht bij de weg te bouwen en de andere verder achter op het perceel te plaatsen. Daarnaast zal de achter gelegen woning als schuurwoning worden gerealiseerd om de gewenste uitstraling van het plangebied te versterken. Het doel van het inpassingsplan is om de drie woningen van elkaar te scheiden en te verbinden met het omliggend gebied. Het landschapsplan van de gemeente bergen geeft aan dat het bij een VAB woning de voorkeur geeft aan beuken of meidoornhagen. Binnen het plangebied zijn reeds beukhagen gelegen. Deze structuur wordt uitgebreid en dienen als scheiding tussen de drie woningen. De bestaande bomen aan de oostzijde van het plangebied worden opgenomen in het inpassingsplan om de achterzijde van de woningen aan te kleden met opgaand groen. De overige zijden van het plangebied liggen grotendeels uit het zicht vanuit het omliggende landschap door de overige aanwezige bebouwing en bomenrij aan de straat. De gemeente geeft aan dat biodiversiteit hoog in het vaandel heeft staan.

Om de biodiversiteit binnen het plangebied te bevorderen wordt de hemelwaterberging voorzien van flauwe taluds, deze hebben een hogere ecologische waarden van steile taluds. Daarnaast wordt aangeraden om het gras in en rondom de hemelwaterberging in hooilandbeheer te maaien. Dit in combinatie met de reeds aanwezige bomen vormen een zeer geschikte locatie waar insecten en kleine vogels en zoogdieren kunnen verblijven en foerageren.

Hemelwaterberging Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient ook binnen het gebied geborgen en geïnfiltreerd te worden. Waterschap Limburg stelt de eis dat de infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Binnen het plangebied komt circa 1.300m2 aan verharding, bij de bestaande woning komt circa 700m2 aan verharding en bij de twee nieuwe woningen is rekening gehouden et 300m2 aan verharding per woning. Dit betekend dat er 130m3 aan hemelwaterberging dient te komen. Volgens informatie van Geologische dienst Nederland ligt de GHG binnen het plangebied op 0,41m. De K-waarde ligt volgens kaartmateriaal van waterschap Limburg tussen de 1,5 en 10m/d. Dit betekend dat de GHG de beperkende factor is voor de diepte van de waterberging.

Met een oppervlak van 500m2 (30 x 17m), een diepte van 0,4m en taluds van 1:5 komt de capaciteit van de berging uit op circa 160m3. Dit zorgt voor een overcapaciteit van circa 30m3. Dit is gedaan omdat de exacte hoeveelheid verharding die wordt aangelegd bij de nieuwe woningen nog niet vast staat. Naast de bergingscapaciteit heeft de waterberging met een oppervlak van 500m2 een infiltratiecapacteit van 750 tot 5.000m3 per dag.

Beheer Beukenhagen kunnen het beste tussen half november en eind april worden geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Voer zo nodig grondverbetering uit bij de plantgaten. Geef gedurende twee jaar de planten ruim voldoende water. Om een dichte haag te krijgen verdient het aanbeveling om direct na het planten zowel de boven- als zijkant te snoeien. Dit stimuleert de vertakking waardoor een volle haag ontstaat. Laat de haag elk jaar iets hoger worden tot de gewenst hoogte is bereikt. De eerste jaren na aanplant kan het beste tweemaal per jaar worden geknipt, waarvan de eerste keer vóór de langste dag (de haag heeft dan de kans om nog nieuwe loten te vormen) en de tweede keer rond 1 oktober. Na enkele jaren heeft het de voorkeur om slechts één keer per jaar de haag in het vroege voorjaar te snoeien. Jaarlijkse snoei garandeert het behoud van de vorm van de haag en stimuleert verdichting. Snoeiwerkzaamheden dienen vermeden te worden tijdens felle zon en nachtvorst om schade aan de haag te voorkomen. Bij de aanplant van bomen wordt aangeraden het plaatsen van boompalen en banden sterk aangeraden om jonge bomen recht te houden. Bovendien zorgen boompalen ervoor dat wortels niet bewegen en zich beter kunnen ontwikkelen. De boombanden dienen jaarlijks te worden gecontroleerd en eventueel ruimer worden gezet om insnoeren te voorkomen. Slechte boompalen indien nodig vervangen.

Na 5 groeiseizoenen kunnen de boompaal en band worden verwijderd. Om de vorm van de boom niet te beschadigen wordt er zo min mogelijk gesnoeid. Indien nodig kan gekozen worden om de boom op te kronen. Verder is alleen begeleidingssnoei bij overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties noodzakelijk. Het kappen en/of snoeien van bomen en struiken tijdens het broedseizoen, is in strijd met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zodra er daadwerkelijk een vogel broedt in de betreffende boom of struik. Dit broedseizoen loopt over het algemeen van maart tot augustus, maar ook buiten deze periode kunnen snoeien kapwerkzaamheden in strijd zijn met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bijvoorbeeld wanneer er een jaarrond beschermd nest aanwezig is of een vogel broedt buiten het broedseizoen. Belangrijk is dan ook om altijd voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren of eerdergenoemde situaties niet aan de orde zijn.

Landschappelijke inpassing | Vrij 27, Siebengewald

QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING VRIJ 27 TE SIEBENGEWALD

Colofon Quickscan soortenbescherming Projectnummer: E.00006434 Versie: 1 Datum: 13 maart 2025 Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan Waalkade 33 5347 KR Oss

Postbus 300 5340 AH Oss

Locatie Vrij 27 Siebengewald Contactpersoon AvZ T: 088 – 488 2929 F: 088 – 488 2102 Email: exlanadvies@agrifirm.com Uitvoerders AvZ KvL Collegiale check AvZ

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.

2 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Inhoudsopgave Quickscan soortenbescherming INLEIDING

4

HOOFDSTUK 1 TOETSINGSKADER

6

HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKSRESULTATEN

10

HOOFDSTUK 3 CONCLUSIE

33

LITERATUUR

34

WAARNEMINGEN EFFECTEN INDICATOR SOORTEN PLAN PROJECTLOCATIE NATUURGEGEVENS PROVINCIE LIMBURG BROEDVOGELINDICATIE RAPPORT BESCHERMDE SOORTENINDICATOR (BESI)

35 40 42 43 44

3 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

6

10

33

Inleiding Planbeschrijving Aanleiding Het plangebied is gelegen aan de Vrij 27 te Siebengewald. De plannen omvatten het beëindigen van een varkenshouderij, hiervoor worden alle stallen gesloopt. Daarna worden er twee nieuwe woningen gebouwd. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Omgevingswet, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, is er een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna benodigd. De voorliggende quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Plangebied Het plangebied ligt in de plaats Siebengewald in de gemeente Bergen. Het plangebied bevindt zich buiten de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van Siebengewald.

Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 13/03/2025)

4 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Afbeelding 2: luchtfoto detail plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 13/03/2025)

Onderzoeksmethode Om een goede indicatie van de natuurwaarden binnen het plangebied te krijgen, wordt het onderzoek in verschillende stappen uitgevoerd. Op basis van bronnenonderzoek is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het gebied voor kunnen komen waaraan extra aandacht geschonken dient te worden tijdens het terreinbezoek. Na het bronnenonderzoek is een verkennend terreinbezoek gebracht aan het plangebied. Hierbij is beoordeeld voor welke soorten het gebied daadwerkelijk een geschikte habitat biedt en daarmee welke soorten er voor kunnen komen. Vervolgens zijn de mogelijke effecten op de verwachte beschermde soorten beschreven. Op basis van de doorlopen procedures zijn conclusies getrokken met betrekking tot de eventuele negatieve effecten en/of obstakels inzake de Omgevingswet. Op maandag 10 maart 2025 is de locatie tussen 10:45 en 11:45 uur ter plaatse geïnventariseerd, om te onderzoeken of het plangebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 9 graden Celsius, zonnig en onbewolkt. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de, in de regio voorkomende, beschermde soorten.

Doelstelling Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloop- en bouwwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en komt daarmee de staat van instandhouding in gevaar? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

5 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Hoofdstuk 1

1 Toetsingskader Omgevingswet De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. En per 1 januari 2024 zijn deze allen opgenomen in de Omgevingswet. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen Gedeputeerde Staten van de provincies.

1.1

Gebiedsbescherming De Omgevingswet noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden De bekendste natuurgebieden zijn de Natura 2000-gebieden, zij kennen tevens het meest strikte beschermingsregime. De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen. Daarnaast kent Nederland ook ‘bijzonder nationaal natuurgebied’. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald die betrekking kunnen hebben op de bescherming van specifieke flora en fauna alsook leefgebieden van soorten. Alle projecten en handelingen binnen of buiten de gebiedsgrenzen mogen geen verstorend of verslechterend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “ja-mits”- benadering. Overige gebieden Naast de bovengenoemde gebieden kunnen gebieden aangewezen worden als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, ‘bijzondere provinciale landschappen’ of ‘nationaal park’. De bescherming van deze gebieden vindt net als bij het NNN plaats via het ruimtelijk spoor. Daarnaast kan een gebied aangewezen worden als ‘bijzonder nationaal gebied’, een soort voorloper van de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden stemt dan ook overeen met de bescherming van Natura 2000-gebieden.

6 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

1.2

Soortenbescherming De Omgevingswet verbiedt het om zonder omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna, activiteiten te verrichten. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt het beschermingsregime geregeld van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende dieren en planten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten beschermingsregimes: 1) Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2) 2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3) 3) Beschermingsregime ander soorten (paragraaf 11.2.4) Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. Vogelrichtlijn Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om:  Opzettelijk vogels te doden of te vangen;  Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en – eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;  Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;  Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I (planten) en II (diersoorten) van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn.

In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het verboden om:  Opzettelijk dieren te doden of te vangen;  Opzettelijk dieren te verstoren;  Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;  Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;  Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ook is het verboden deze soorten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. Het beschermingsniveau van deze soorten kan per provincie verschillen. Het is verboden om: 1) Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2) Vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren te beschadigen of te vernielen; 3) Opzettelijk (vaat)planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.

Vrijgestelde soorten De verboden zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook vallen de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en sommige exoten niet onder beschermingsregime van de Omgevingswet en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden. Indien deze soorten aanwezig zijn, is een alternatievenafweging noodzakelijk en dient onnodig lijden ten alle tijden voorkomen worden. Daarnaast geldt, zoals hierboven reeds 7 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

aangegeven, dat provincies de bevoegdheid hebben vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Zo heeft de provincie Limburg de steenmarter, hazelworm, levendbarende hagedis en de eekhoorn gedurende specifieke periodes van het jaar vrijgesteld. Daarnaast zijn hier de aardmuis, bastaardkikker, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, vos, wezel en woelrat vrijgesteld. Voor deze soorten geldt uitsluitend de specifieke zorgplicht uit de omgevingswet (artikel 11.27 Bal). Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet en meegenomen is onder de Wet natuurbescherming. De nesten zijn ingedeeld in categorieën (1 t/m 4) waarvan de categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. Nesten in categorie 4 zijn enkel beschermd bij afwezigheid van voldoende alternatieven. 1) jaarrond gebruikte nesten. Deze soorten maken ook buiten het broedseizoen gebruik van de nestplaats 2) zeer plaatstrouwe broedvogels of soorten die afhankelijk zijn van bebouwing Deze soorten broeden elk broedseizoen op dezelfde plaats en zijn daarin zeer conservatief.

De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar 3) plaatstrouwe vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen . Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben. Of ze bouwen een nieuw nest op het oude nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig van is. 4) zijn de nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht is geregeld in artikel 11.27 van het Bal.

Hieronder vallen de volgende soorten:  Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van de soorten die genoemd zijn in bijlage I van de Vogelrichtlijn en  Alle geregeld in Nederland voorkomende trekvogels als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de vogelrichtlijn;  Alle van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen II, IV en V van de habitatrichtlijn;  Alle dieren of planten van soorten die genoemd zijn in bijlage IX of in de rode lijsten De rode lijst is een lijst met van nature in Nederland voorkomende dieren en planten die met uitroeiing bedreigd worden of die speciaal gevaar lopen. Deze lijst wordt periodiek vastgesteld door de Minister van Natuur en Stikstof. De meest recente lijst dateert van 2 oktober 2024. Wanneer een soort zeldzaam is, of een negatieve trend laat zien, kan deze op de rode lijst gezet worden. De rode lijst heeft geen juridische status. Wel geldt voor de soorten op deze lijst dus de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor de genoemde dieren en planten zo veel mogelijk moet worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. Voor deze soorten moet, voorafgaand aan het verrichten van activiteiten, worden vastgesteld of deze soorten op de locatie aanwezig zijn en of de voorgenomen activiteiten nadelig zijn voor deze soorten.

Er moeten preventieve maatregelen worden getroffen om eventuele nadelige gevolgen te voorkomen.

8 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

1.3

Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat over het vellen van houtopstanden en het herplanten van grond na het vellen van houtopstanden. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Buiten de bescherming vallen:  Houtopstanden binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’. Dit bebouwingscontour dient door de gemeenteraad vastgesteld te zijn in het omgevingsplan;  houtopstanden op erven of in tuinen;  bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld;  houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar;  kweekgoed;  populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden  het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand;  beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid.

o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.  houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel;  houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Naast de Omgevingswet kan ook een gemeente beperkingen opleggen ten aanzien van het kappen van bomen. Er is dan een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van bomen op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). Tenslotte kan ook in een provinciale verordening een kapverbod opgelegd worden. Indien hier sprake van is, moet er bij de provincie een ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst. In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan.

9 Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Hoofdstuk 2

2 Onderzoeksresultaten 2.1

Bronnenonderzoek Gegevens van websites als www.waarneming.nl en de verspreidingsatlas van NDFF zijn geraadpleegd voor achtergrondinformatie. Een groot aantal amateurs en professionals publiceert op deze bekende websites zijn natuurwaarnemingen, die worden gecontroleerd door een validatiecommissie. Zodoende zijn de waarnemingen uit deze bronnen redelijk betrouwbaar, maar moeilijk te verifiëren. De waarnemingen geven eventueel wel een indicatie van soorten waar tijdens het veldonderzoek extra aandacht aan besteed dient te worden. Natuurnetwerk Nederland Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat hier om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Maasduinen”. Het habitat en vogelrichtlijnengebied is gelegen op een afstand van 1,4 km van de projectlocatie. Ook de gebieden “Oeffelter Meent” en Zeldersche Driessen liggen binnen een straal van 10 km van de projectlocatie.

De Duitse Natura 2000-gebieden “Reichswald” en “ErlenWälder bei Gut Hovesaat“ liggen eveneens binnen 10 km van de projectlocatie vandaan.

Afbeelding

3:

ligging

Natuurnetwerk

Nederland

(bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 13/03/2025)

10

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

en

Natura

2000

Het beëindigen van een veehouderij levert natuurwinst op voor de Natura 2000-gebieden doordat de (stikstof) emissies afnemen. Ook transportbewegingen en geluid zal afnemen. De bouw van twee (gasloze) woningen leveren geen extra belasting dan de huidige situatie. Daarnaast liggen de natuurgebieden op een dermate grote afstand dat geluid en trillingshinder naar de achtergrond zakken. De Limburgse natuurgebieden, waaronder ook de Natura 2000-gebieden, vormen samen het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland (samen ca. 53.000 ha). Het Natuurnetwerk Limburg is gelegen in delen van beekdalen, op hellingen en op veen- en stuifzandgebieden van de hoger gelegen gebieden. Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Daarnaast wordt ingezet op het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving. De Natura 2000-gebieden (ca. 17.000 ha) vormen een selectie binnen het Natuurnetwerk Limburg. Hier ligt de absolute nadruk op de natuurwaarden: het zo spoedig mogelijk en verantwoord bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitatten, waarop de aanwijzing als Natura2000-gebied is gebaseerd. De Natuurbeheerplannen van de 23 Natura 2000-gebieden in Limburg geven inzicht in hetgeen daarvoor nodig is.

Er zijn ook Natura 2000-gebieden (net) buiten de provinciegrens. Vanuit de Europese wet- en regelgeving geldt een strenge wet- en regelgeving gericht op beheer en bescherming van de natuurwaarden. Onder andere via het Aanvalsplan Stikstof wordt gewerkt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit van de Natura 2000-gebieden. Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “nee, tenzij”- benadering. Het project is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland en dus kan geconcludeerd worden dat het project geen gevolgen heeft voor het Natuurnetwerk.

2.2

Veldonderzoek Op verschillende punten in het plangebied zijn waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten. De ecologische factoren in de omgeving zijn met behulp van een digitale fotocamera vastgelegd. Om de flora en fauna te kunnen determineren, is gebruik gemaakt van eigen kennis en literatuur.

11

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

12

Afbeelding 4: voorgevel te slopen stel

Afbeelding 5: open stootvoegen in de voorgevel boven lateien

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

13

Afbeelding 6: detail dakaansluiting

Afbeelding 7: zicht op oudste stal en paardenstal

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

14

Afbeelding 8: centrale gang

Afbeelding 9: detail dakaansluiting

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

15

Afbeelding 10: linker zijgevel

Afbeelding 11: vogelschroot onder de golfplaten

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

16

Afbeelding 12: kweekkas in de moestuin

Afbeelding 13: fruitbomen en haagdoorn op de perceelsgrens

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

17

Afbeelding 14: linker zijgevel te slopen stal

Afbeelding 15: composthoop achter het bedrijf

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

18

Afbeelding 16: boomgaard achter de stallen blijft behouden

Afbeelding 17: achtergevel te slopen stal

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

19

Afbeelding 18: berging tussen twee stallen

Afbeelding 19: onderzijde dak berging

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

20

Afbeelding 20: zijgevel stal

Afbeelding 21: onderzijde dak dicht gepurd

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

21

Afbeelding 22: overkapping aan de paardenstal voor de varkensstal

Afbeelding 23: binnenzijde paardenstal

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

22

Afbeelding 24: aangeboden nestplaats boerenzwaluw

Afbeelding 25: rechter zijgevel oudste stal

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

23

Afbeelding 26: zicht op luchtwasser/luchtkanalen

Afbeelding 27: erfverharding

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

24

Afbeelding 28: paardenwei met zicht op acacia’s langs de straat

Afbeelding 29: voorgevel paardenstal met daarachter varkensstallen

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

25

Afbeelding 30: straatbeeld in zuidelijke richting

Afbeelding 31: voorgevel bedrijfswoning (blijft behouden)

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Afbeelding 32: straatbeeld in noordelijke richting.

Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Het erf rond de te slopen stallen is verhard met bestrating. In de paardenweide en fruitboomgaard groeien grassen en algemeen voorkomende kruiden die door de paarden kort gehouden worden. De tuin van de bedrijfswoning is ingericht met heggen en heesters. Ook aan de straatzijde en de grens met de buren is voorzien van heggen van haagdoorn en beuk. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Op het erf lopen 3 katten en een hond vrij rond. Hierdoor is de locatie voor grondgebonden zoogdieren minder interessant. Tenslotte wordt er op het bedrijf aan plaagdierbestrijding gedaan. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter.

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde 26

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

soorten (Bouwens 2017). Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. De bunzing, hermelijn en wezel zijn in de provincie Limburg vrijgesteld. Voor deze soorten geldt uitsluitend de zorgplicht. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Eekhoorns leven doorgaans in oude, dichte bossen met een grote verscheidenheid aan soorten waarin zij hun voedsel kunnen vinden. De oude bomen bieden holtes voor het bouwen van een nest. Tevens worden er met de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. De eekhoorn is in de provincie Limburg in de periode maart-april en juli t/m november vrijgesteld. In die periode geldt alleen de zorgplicht. Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. De bever leeft in het water of de waterkant. Rondom de projectlocatie is geen water aanwezig. Verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Dassen komen wel voor in het gebied rondom de projectlocatie. Zij maken hun burchten in de grens tussen bos(jes) en weilanden. Bij voorkeur in een talud, verstopt in de dekking.

Er is geen houtwal aanwezig die voldoende dekking biedt aan een dassenburcht. Het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats is daarmee uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Deze zijn niet waargenomen. Daarmee is uit te sluiten dat de projectlocatie onderdeel uitmaakt van een essentieel foerageergebied van de das. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven.

Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. Pluimvee- en varkensstallen zijn door de aanwezigheid van golfplaten, continu geluid van ventilatoren en dieren, uitstoot van allerlei emissies zoals geur en ammoniak niet geschikt voor vleermuizen. Hiertoe treft men in de praktijk zelden vleermuizen aan in een dergelijke stal. Daarnaast worden deze stallen zodanig gebouwd dat ze geen toegang hebben voor vogels (en dus ook vleermuizen) om overdracht van ziektes zo veel mogelijk te voorkomen. De nieuwste stal heeft een metselwerk gevel met spouw. Er zitten open stootvoegen in de voor- en achtergevel boven de lateien. Deze zijn amper 1 cm breed en daarmee te smal voor vleermuizen. Ook zijn er geen slijtsporen of vetstrepen rond deze open stootvoegen te zien. In de zijgevel zitten geen open stootvoegen of andere spleten of scheuren die toegang geven tot de spouw. Op het dak liggen golfplaten. De platen sluiten onderling nauw aan. De randen 27

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

aan de kopgevels zijn strak afgewerkt met houtwerk. Bij de muurplaat is de onderzijde van het dak afgewerkt met vogelschroot. Hierdoor is deze stal ontoegankelijk voor vleermuizen. De oudste stal bestaat uit een dubbele betonmuur. In de zijgevel zitten laag aan de grond de ventilatieopeningen. Deze zijn voorzien van gaas om te voorkomen dat ongedierte in de spouw kruipt. Op het dak liggen eveneens golfplaten die bij de muurplaat met pur is dichtgemaakt. Hierdoor is ook deze stal voor vleermuizen ontoegankelijk. Aan de voorzijde van de oudste stal is een houten paardenstal gebouwd. Op het dak liggen ongeïsoleerde golfplaten. De gevels bestaan uit gepotdekselde houten planken. Hierin zitten geen kleine ruimten om in weg te kruipen. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich het woonhuis. Eventuele verblijfsplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de slooplocatie en de aard van de ingreep geen hinder. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden.

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. De bomenrij langs de openbare weg en diverse lanen rond omliggende bedrijven leiden naar de bosranden in de buurt. Dit zijn allen zeer mooie landschapselementen die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vliegroute of foerageerhabitat. De fruitbomen rond de stallen maken hier nauwelijks onderdeel van uit. Daarnaast blijven deze bomen behouden. De sloopwerkzaamheden vinden in de dagperiode plaats, daar waar vleermuizen nachtactief zijn. Hierdoor ondervinden vleermuizen geen hinder van de sloopwerkzaamheden. Wanneer tijdens de bouw van de nieuwe woningen de kruinen van de bomen langs de weg niet worden aangelicht, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil, kerkuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, bosuil, ransuil en torenvalk.

Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik Tijdens het veldbezoek vlogen twee buizerds ten zuiden van het bedrijf rond. Het was het begin van de paartijd. De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens

28

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied.

Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Het habitat van een huismus moet bestaan uit een combinatie van:  plekken voor nestgelegenheid  jaarrond beschikbaar zijn van voedsel (voor volwassen en jongen)  dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop)  plekken voor stofbaden  drinkwater Ontbreekt een van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. Er zijn huismussen aanwezig in de beukenheg rond de paardenweide en in de voortuin van de bedrijfswoning. Rond de varkensstallen zijn geen huismussen gezien of gehoord. De varkensstallen zijn bouwkundig ontoegankelijk voor huismussen en andere vogels, door de aanwezigheid van vogelschroot onder de golfplaten. In de paardenstal is nadrukkelijk gezocht naar nesten van huismussen, omdat dit gebouw daar wel geschikt voor zou kunnen zijn. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopen bebouwing. Vermoedelijk nestelen de huismussen in de bedrijfswoning die behouden blijft. Boerenzwaluw en huiszwaluw Zowel de boerenzwaluw als de huiszwaluw zijn te vinden rond boerenerven. Beide soorten maken een moddernest.

Echter bouwt de boerenzwaluw zijn nest bij voorkeur in een schuur terwijl een huiszwaluw zijn nest aan de buitenkant van een gebouw maakt en helemaal dicht metselt. Ook zijn beide soorten heel sociaal. Huiszwaluwen broeden vaak in kolonies van grote aantallen nesten (soms wel meer dan 100). Boerenzwaluwen zoeken hun soortgenoten ook op, maar wonen met enkele paren bij elkaar. De te slopen varkensstallen zijn zeer gesloten van karakter. Daarmee zijn de stallen voor de boerenzwaluw niet geschikt. De dieren kunnen namelijk niet makkelijk in en uit vliegen. Een boerenzwaluw komt alleen op varkensbedrijven voor als er bijvoorbeeld een voerkeuken aanwezig is waarvan de deur altijd open staat. Daar is bij dit bedrijf geen sprake van. In de paardenstal zijn twee nestkommen aangeboden. In 2024 heeft slechts 1 koppeltje boerenzwaluw gebroed in de paardenstal. De boerenzwaluw is erg gebonden aan de aanwezigheid van vee. Er komen vliegen en insecten af op de dieren, waardoor er voedsel aanwezig is in de directe nabijheid van het nest. Zodra de dieren weg gaan, zullen de boerenzwaluwen ook weg blijven en een nest bouwen op een plek waar wel vee aanwezig is.

29

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Een huiszwaluw bouwt zijn nest vaak onder witte overstekken. De te slopen stallen zijn niet voorzien van een overstek. Daarnaast vallen deze nesten erg op. Er zijn geen zwaluwnesten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Bosuil en ransuil De bosuil is de meest voorkomende uilensoort in Europa. Maar omdat hij vooral ’s nachts leeft, wordt hij niet altijd opgemerkt. Ze leven in veel verschillende biotopen: loof- en naaldbossen, stadsparken en groene woonwijken. Dat komt omdat ze flexibel in prooikeuze zijn. De bosuil broedt overwegend in boomholtes van (oude) bomen. Er moet het hele jaar voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar zijn. Daarnaast zijn voldoende roest- en broedplaatsen belangrijk. Ook de ransuil komt in veel verschillende leefgebieden voor en broedt in bomen. Echter gebruikt een ransuil vaak geen holtes, maar oude kraaien- of eksternesten. Omdat een ransuil in open velden/plekken en langs wegbermen jaagt, komen ze niet veel voor in dicht beboste gebieden. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Een negatief effect van het plan op de bosuil en ransuil is dus uit te sluiten. Torenvalk Een torenvalk bouwt zelf geen nest.

Ze gebruiken oude kraaiennesten of speciale torenvalkkasten. Een torenvalk jaagt in open of halfopen landschappen. In een landschap met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, duinen en akkers is voor hen het voedsel goed te vinden. Al biddend in de lucht jaagt hij op prooien op de grond. Op het menu staan vooral woelmuizen maar ook zangvogels en kuikens van weidevogels. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt. Het beschadigen van nesten is dus uitgesloten. Aangezien het nieuwe bebouwde oppervlak vele malen kleiner is dan in de huidige situatie, zal het jaaggebied in areaal toenemen. Op de rand van het bouwvlak van de overburen staat een torenvalkkast. De afstand van de nestkast tot de te slopen stallen bedraagt bijna 100 meter. Door de sloop- en bouwactiviteiten wordt deze nestplaats niet verstoord. Een negatief effect van het plan op de torenvalk is dus uit te sluiten. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen in de te slopen bebouwing. Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk: 

Tabel 1: overzicht waargenomen vogels

Soort Huismussen (in de voortuin en nabij de paardenweide) Kauw Groenling Turkse tortel Merel Vink Boomkruiper Koolmees Buizerd (2st overvliegend)

30

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Tabel 2: overzicht waargenomen vogelnesten

Soort Boerenzwaluw (categorie indeling nestbescherming: 2) Uitleg bij tabel: Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3: Categorie 4:

Jaarrond gebruikte nesten Zeer plaatstrouwe broedvogels of afhankelijk van bebouwing Zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest Vogels die jaarlijks terugkeren naar een specifiek nest, maar voldoende flexibel zijn om elders een nieuw nest te bouwen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat functionaliteit van leefgebied niet in het geding ma komen.

Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm (in Limburg vrijgesteld van juli t/m september), de levendbarende hagedis (in Limburg vrijgesteld van 15 augustus t/m 15 oktober) en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Omgevingswet een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Specifieke zorgplicht Er worden geen negatieve effecten verwacht voor de soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht (voor zover niet in voorgaande paragrafen benoemd). Het voorkomen van deze soorten is op of in de directe omgeving van de projectlocatie niet vastgesteld en/of er is geen geschikt habitat op de onderzoekslocatie Het kan incidenteel gebeuren deze soorten ondanks de uitgevoerde quickscan, toch voorkomen op de projectlocatie en tijdens de activiteiten hinder ondervinden van de werkzaamheden. In dat geval kunnen negatieve gevolgen voorkomen worden door te voldoen aan de algemene zorgplicht of het inschakelen van een ecologisch deskundige.

31

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

2.3

Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.

waargenomen.

De

Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

32

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Hoofdstuk 3

3 Conclusie en aanbevelingen Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.

3.1

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.

3.2

Aanbeveling Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli).

33

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Literatuur 

  

Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Laar, van, V., Smeenk, C. & Thissen, J.B.M., 1992 Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting uitgeverij van de KNNV, Utrecht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/409 inzake het behoud van de vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/43 inzake instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Provinciale Omgevingsverordening Hollander, H., & Geest, van der, P., 1994. Rode-Lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland. Red data book of threatened mammals in the Netherlands. Vereniging voor Zoogkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Ministerie van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en milieu, 2004. Nota Ruimte. De Nederlandse libellen, Nederlandse Fauna, deel 4 Nationaal historisch museum, KNNV uitgeverij (2002) Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) Vleermuizen en planologie, Zoogdiervereniging (2010) Omgevingswet

          

www.waarneming.nl www.synbiosys.alterra.nl www.atlasleefomgeving.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.google.nl www.floron.nl www.natuurgegevensprovincielimburg.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.natura2000.nl www.ecologica.eu

   

 

34

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Bijlage

1 Waarnemingen

35

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

36

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

37

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

38

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

39

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Bijlage

2 Effecten indicator soorten

40

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

41

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Bijlage

3 Plan projectlocatie

Oranje: projectlocatie Rood: te slopen stallen Groen: nieuw te bouwen woningen (bij benadering)

42

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Bijlage

4 Natuurgegevens

provincie

Limburg

broedvogelindicatie

43

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Bijlage

5 Rapport

Beschermde

SoortenIndicator

(BeSI)

44

Quickscan Soortenbescherming – Vrij 27 Siebengewald

Aanvraagdatum : 13-03-2025 Rapportnummer : 208716 Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Op 13-03-2025 heeft u de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) geraadpleegd. Dit rapport geeft u inzicht in mogelijk nadelige effecten van uw werkzaamheid op beschermde plant- en diersoorten op de door u aangegeven locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17033215/1