CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij motivering Bijlage 6 Aanvullend ecologisch onderzoek

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel een bindend advies te geven op de aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van 37 woningen in het woningbouwplan 'Westflank Well';5.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend onderzoek ecologie Elsterendijk ong. te Well Aanvullend onderzoek naar das, kleine marterachtigen en steenmarter in het kader van de Omgevingswet

Colofon Status:

Definitief

Project:

2023-1357

Datum:

27 november 2024

Samensteller:

ing. E. Snoeijink

Collegiale toets:

ing. K.J. Rebergen

Opdrachtgever:

Buro Waalbrug

Contactpersoon:

R. van den Oetelaar

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel

4

1.3

Beschrijving plangebied

5

1.4

Voorgenomen werkzaamheden

5

1.5

Mogelijk aanwezige soorten

6

1.6

Juridisch kader

7

2 Methode onderzoek

9

2.1

Theoretisch kader

9

2.2

Praktische uitvoering

9

2.3

Veldbezoeken

11

2.4

Specifieke omstandigheden

12

3 Resultaten

13

3.1

Das

13

3.2

Kleine marterachtigen

16

3.3

Steenmarter

16

3.4

Overige soorten

17

3.5

NDFF

18

4 Conclusie

19

4.1

Das

19

4.2

Kleine marterachtigen

19

4.3

Steenmarter

19

4.4

Overige soorten

19

4.5

Vervolgstappen

20

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Elsterendijk ong. te Well is een grasperceel gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het bestaande grasperceel 35 woningen te realiseren. Tevens worden er meerdere (fruit)bomen gekapt voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 1.1

Het plangebied is gelegen aan de Elsterendijk ong. te Well.

Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Omgevingswet is een quickscan Natuur uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024). Op basis van de quickscan Natuur kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied van das, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Buro Waalbrug heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

1.2

Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn er dassen, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarters aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied migratieroutes, foerageergebieden, voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van voortplantings- en/of verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?

4

1.3

Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een grasperceel aan de Elsterendijk ong. te Well (figuur 1.2). Binnen de planlocatie is er geen bebouwing, oppervlaktewater en verharding aanwezig. Aan de grenzen van de planlocatie zijn bomenrijen en ruige vegetaties aanwezig. Op de planlocatie zijn circa 10 fruitbomen aanwezig welke worden gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Natuur (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024). In figuur 1.2 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van het plangebied.

Figuur 1.2 De planlocatie bestaat uit een grasperceel.

1.4

Voorgenomen werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie 35 woningen, waaronder 8 twee-onder-éénkap, 3 vrijstaande woningen en 24 rijwoningen, te realiseren. Op het noordelijke perceel zal een vrijstaande woning gerealiseerd worden. Hiervoor worden 10 fruitbomen gekapt. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer van hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

5

Figuur 1.3 Visuele presentatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).

1.5

Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Natuur (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk voortplantings- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van das, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter (tabel 1.1). De groenstructuren, bestaande uit fruitbomen met een ruige struiklaag, braamstruwelen en de gazonpercelen hebben mogelijk een belangrijke functie als migratieroute, foerageergebied en/of rust- en voortplantingsplaats, voor de voorgenoemde soorten.

6

Tabel 1.1

Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024).

Soortgroep

Onderzoek nodig

Bescherming

Mogelijke functie plangebied

Ja

NB

Verblijfplaatsen/migratieroute/

Planten Grondgebonden zoogdieren Das Bunzing Hermelijn Wezel Steenmarter

foerageergebied

Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)

Figuur 1.4 De groenstructuren, bestaande uit fruitbomen met een ruige struiklaag, braamstruwelen en de gazonpercelen hebben mogelijk een essentiële functie voor das, kleine marterachtigen en steenmarter.

1.6

Juridisch kader De soortenbescherming van de Omgevingswet valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) en de nationaal beschermde soorten (Bal art. 11.54). De bescherming van de das, bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter valt onder de nationaal beschermde soorten. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden:

7

Ow, art. 5.1 Lid g: Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een floraen fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt aangewezen welke schadelijke handelingen hiermee worden bedoeld. Bal art. 11.54 (Nationaal beschermde soorten) Lid 1b: Het is verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (das, bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter) opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

8

2 Methode onderzoek 2.1

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de das zijn deze richtlijnen vastgelegd in het Kennisdocument (BIJ12, 2017). Voor de kleine marterachtigen zijn deze richtlijnen vastgelegd in het Kennisdocument (BIJ12, 2024). Voor de steenmarter is geen kennisdocument, derhalve wordt het Kennisdocument voor de kleine marterachtigen ook (deels) toegepast voor de steenmarter. Blom Ecologie voert de soortgerichte aanvullende onderzoeken uit conform de meest actuele onderzoeksprotocollen en -richtlijnen. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform het relevante Kennisdocument. Tabel 2.1

Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten.

Soort

Type

Periode

Omschrijving

Migratieroute/ Foerageergebied /Verblijfplaats

Jaarrond (afhankelijk van functie)

Minimaal 4-6 weken inventariseren middels cameravallen en sporenonderzoek. (ook deels afhankelijk van functie)

Kleine marterachtigen

Functioneel leefgebied

Juni – medio november

Minimaal 8 weken inventariseren middels marterboxen, cameravallen, struikrovers, sporenbuizen en sporenonderzoek.

Steenmarter

Functioneel leefgebied

Juni – medio november

Vormvrij. In dit geval wordt de methodiek voor kleine marterachtigen aangehouden.

Das

Cat. 5 vogels Algemene broedvogels

Nest

De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.

2.2 Praktische uitvoering Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van das, kleine marterachtigen en steenmarter vast te stellen zijn twee marterboxen en zes cameravallen ingezet (figuur 2.1). Voor het bepalen van de onderzoeksinspanning moeten geschikte meetpunten worden bepaald. Voor de meetpunten geldt dat per 0,25 hectare leefgebied minimaal één methodiek ingezet dient te worden. Bij het toepassen van de onderzoeksmethoden moet elk meetpunt elke te onderzoeken soort dekken.

9

De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, tussen de bramenstruiken en langs mogelijke migratieroutes (figuur 2.2). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in twee rondes in de periode van maart 2024 t/m oktober 2024. De eerste ronde werd uitgevoerd in de periode maart t/m mei, waarbij de materialen 8 aaneengesloten weken in het veld hebben gestaan. De tweede ronde werd uitgevoerd in de periode september t/m oktober, waarbij de materialen 7 aaneengesloten weken in het veld hebben gestaan. De camera’s zijn geplaatst aan de randen van de planlocatie waar de vegetatie hoger is en bestaat uit struiken, bomen en braamstruwelen. Middels palen die de grond in zijn gegraven zijn de camera’s vastgezet en gericht op verschillende oriëntatiepunten (figuur 2.2). De marterboxen zijn geplaatst aan de randen van de planlocatie waar de vegetatie hoger is en bestaat uit struiken, bomen en braamstruwelen. Een marterbox is een kist met een buis als opening. De buis leidt naar de binnenzijde waar een lokstof (sardientjes) wordt geplaatst. In de kist zit een camera met bewegingsdetector. Op de camera is een lens met sterkte geplaats (2+). Naast het plaatsen van wildcamera’s en marterboxen is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van dassen, marterachtigen en/of verblijfplaatsen.

Dit betreffen sporen als graafsporen, latrines met uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen.

Figuur 2.1 Overzicht van de locaties van de marterboxen en cameravallen. Wildcamera 1 t/m 4 zijn in de eerste ronde (maart-mei) geplaatst. Wildcamera 5 en 6 en marterbox (MB) 1 en 2 zijn in de tweede ronde (september-oktober) geplaatst.

10

Figuur 2.2 Een geplaatst cameraval (links) en marterbox (rechts). De data die wordt verzameld in het soortgericht aanvullend onderzoek wordt ingevoerd en opgeslagen in de VeldwerkApp, een applicatie die Blom Ecologie specifiek voor dit type onderzoeken heeft laten ontwikkelen. In de VeldwerkApp worden de omstandigheden van het veldbezoek, beeldmateriaal en onderzoeksresultaten in een hoog detailniveau verwerkt. De onderzoekers hebben ook direct toegang tot de resultaten van eerdere veldbezoeken om eerder gedane (onzekere) waarnemingen te kunnen valideren. Naast het uitgevoerde veldonderzoek wordt ook het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geactualiseerd. Hiervoor wordt de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opnieuw geraadpleegd om te checken of externe personen of partijen waarnemingen hebben gedaan die relevant zijn in voorliggend project. Hiervoor wordt een check gedaan op waarnemingen die relevant zijn in kader van de beoogde ruimtelijke ingreep wat betreft locatie (binnen circa 100 m van de planlocatie) en soortgroepen. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 19 november 2024.

2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabellen (tabel 2.2 en tabel 2.3). De veldbezoeken zijn opgedeeld in twee periodes. In maart-mei en september-oktober is onderzoek uitgevoerd. Tabel 2.2

Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek in ronde 1. Aantal pers.

Veldbezoek

Functie

Marter 1

Camera’s uitzetten / sporen zoeken

1

12-03-2024

Marter 2

SD kaarten en batterijen wisselen / sporen zoeken

1

03-04-2024

Marter 3

Camera’s ophalen / sporen zoeken

1

07-05-2024

Tabel 2.3

Datum

Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek in ronde 2. Aantal pers.

Veldbezoek

Functie

Datum

Marter 1

Camera’s uitzetten / sporen zoeken

1

10-09-2024

Marter 2

SD kaarten en batterijen wisselen / sporen zoeken

1

07-10-2024

Marter 3

Camera’s ophalen / sporen zoeken

1

29-10-2024

11

2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.

12

3 Resultaten 3.1

Das Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes is op 2 camera’s de das waargenomen. Dit betroffen camera 5 en 6 (tweede ronde). In totaal is de das 4 keer waargenomen op de wildcamera’s. De waarnemingen zijn van vier verschillende dagen. Het is mogelijk dat de al deze waarnemingen dezelfde das betreft. Op de camerabeelden is te zien dat de das voorbij loopt in diverse richtingen. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende vijf van de zes veldbezoeken zijn diverse sporen aangetroffen op de planlocatie, waaronder wisselsporen, neusputjes en latrines. De sporen zijn voornamelijk aan de noord- en westzijde van de planlocatie aangetroffen. In figuur 3.1 zijn de diverse sporen en waarnemingen van de das op de planlocatie weergegeven. Gedurende het onderzoek zijn echter geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden. Derhalve is er geen sprake van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats op de planlocatie. Leefgebied Op de planlocatie zijn zoals hierboven beschreven diverse sporen (wisselsporen, neusputjes en latrines) aangetroffen die duiden op aanwezigheid van de das (figuur 3.1). In de eerste onderzoeksronde (voorjaar) zijn diverse neusputjes en wissels (aannemelijk van de das) aangetroffen. In figuur 3.2 is een aangetroffen wissel weergegeven. Tevens is in de eerste onderzoeksronde een oude latrine aangetroffen.

In de tweede onderzoeksronde (najaar) zijn opnieuw verse neusputjes aangetroffen, ditmaal in een grotere hoeveelheid. Tevens is in de tweede onderzoeksronde een verse keutel aangetroffen. Normaliter worden keutels van dassen in een kuiltje gelegd (latrine). De keutel bevindt zich niet in een kuiltje, maar is aannemelijk toch van een das, door het uitsluiten van andere soorten. Latrines worden door dassen gebruikt om een territorium af te bakenen. Gezien de latrines aan de westrand van het perceel zijn gelegen en niet in het midden, is het aannemelijk dat de planlocatie door één dassenclan wordt gebruikt. Het laat echter wel zien dat er vermoedelijk meerdere dassenclans in de omgeving aanwezig zijn. De tijdens de najaarsbezoeken nieuwe aangetroffen neusputjes tonen aan dat het perceel in deze periode van essentiële waarde voor de das is. In het najaar wordt deze aanwezigheid van de das tevens bevestigd middels camerabeelden van de planlocatie (figuur 3.3). Opvallend is dat de das niet in het voorjaar is waargenomen op de beelden. De gecombineerde sporen en camerabeelden duiden erop dat de das voornamelijk in het najaar gebruik maakt van de planlocatie om te foerageren. Dit is logisch gezien dergelijke weides met name in het najaar belangrijk kunnen zijn voor de das, gezien de hoge hoeveelheid aan regenwormen in die periode.

De planlocatie bestaat uit een open weide naast percelen met bosschages. De percelen in de omgeving bestaan voor een klein deel uit andere open weides en voor het merendeel uit akkers. De percelen direct rondom de planlocatie zijn van lagere kwaliteit (kleiner) of zijn bebouwd/vergraven. Doordat de omliggende velden (niet meer) geschikt zijn als leefgebied voor de das ontstaat er een cumulatief effect wanneer de planlocatie wordt bebouwd. Vanwege de hoeveelheid sporen en waarnemingen en de afwezigheid van alternatieve leefgebieden in de nabije omgeving, kan gesteld worden dat de planlocatie essentieel leefgebied vormt voor de das. Het essentiële leefgebied heeft een primaire functie, doordat het bestaat uit een open weide.

13

Figuur 3.1 Overzicht van de aangetroffen sporen en waarnemingen (op de wildcamera’s) van de das. Alleen op de wildcamera’s 5 en 6 zijn, tijdens het najaarsonderzoek, dassen waargenomen. In combinatie met de gevonden sporen, waarvan het merendeel ook in het najaar is aangetroffen, lijkt het erop dat in het najaar het perceel van essentiële waarde is voor de das. Het aantreffen van latrines duidt op een territoriummarkering waardoor in de omgeving mogelijk meerdere dassenclans aanwezig zijn.

14

Figuur 3.2 Op de planlocatie zijn meerdere wisselsporen aangetroffen, aannemelijk behorend tot de das. In deze afbeelding is een wisselspoor weergegeven van het noorden naar het zuiden van de planlocatie.

Figuur 3.3 Das op camera 5 tijdens de tweede onderzoeksronde aan de noordzijde van de planlocatie. 15

3.2 Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen waarnemingen van kleine marterachtigen op de wildcamera’s vastgelegd. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Kleine marterachtigen zijn niet waargenomen op de beelden gedurende beide rondes. Door een interne communicatiefout hebben de materialen 7 weken, in plaats van 8 weken in het veld gestaan. Het waarnemen van kleine marterachtigen middels wildcamera’s heeft over het algemeen een lage kans. Gezien er voor de das een vergunning benodigd is, wordt geadviseerd de soortgroep kleine marterachtigen volledigheidshalve mee te nemen. Functioneel leefgebied Doordat de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen niet uitgesloten kan worden, is de aanwezigheid van essentieel leefgebied ook niet uit te sluiten. Het leefgebied wordt tevens meegenomen in de vergunningsaanvraag.

3.3 Steenmarter Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn waarnemingen van de steenmarter vastgelegd op 5 wildcamera’s (camera 2, 3, 4, 5 en 6) . In figuur 3.4 zijn de waarnemingen in relatie tot de wildcamera’s weergegeven. Op de camera’s is de steenmarter in totaal 11 keer waargenomen verspreid over de twee onderzoeksrondes. In figuur 3.5 is één van de beelden weergegeven.

Figuur 3.4 Waarnemingen van de steenmarter in relatie tot de geplaatste wildcamera’s. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden. Gedurende het onderzoek zijn enkele wisselsporen, één prent en twee mogelijke prooiresten gevonden. Op de planlocatie zijn geen structuren aanwezig, zoals bebouwing waarin de steenmarter een rust- of voortplantingsplaats kan vinden. Hierdoor kan de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden uitgesloten.

16

Functioneel leefgebied Op de planlocatie is sprake van essentieel leefgebied van de steenmarter door het zeer frequent (10x) voorkomen van de steenmarter op de beelden. Tevens zijn op de planlocatie enkele wisselsporen, één prent en twee mogelijke prooiresten gevonden. De planlocatie vormt essentieel leefgebied voor de steenmarter gezien in de directe omgeving geen vergelijkbare groenstructuren aanwezig zijn en de soort frequent is waargenomen. Hoewel op de planlocatie geen vaste rust-of verblijfplaats aanwezig kan zijn, is het niet uitgesloten dat de steenmarter naast de planlocatie verblijft door het aanliggende stedelijk gebied.

Figuur 3.5 Foto van de steenmarter op de planlocatie. Deze steenmarter is vastgelegd met camera 3 in de eerste onderzoeksronde.

3.4 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. In de marterboxen zijn de volgende soorten waargenomen: bosmuis, bruine rat, egel, heggenmus, huisspitsmuis, koolmees en pimpelmees. De volgende soorten zijn waargenomen op de wildcamera’s: bosmuis, ekster, gaai, groene specht, haas, huisspitsmuis, kerkuil, konijn, koolmees, merel, rode eekhoorn, roodborst, wilde eend, winterkoning, zanglijster, zwarte kraai en zwarte roodstaart. De egel, groene specht, haas, kerkuil, konijn en rode eekhoorn vallen onder de Specifieke zorgplicht. Gedurende de onderzoeksperiode zijn de egel, groene specht en rode eekhoorn één keer waargenomen op de camerabeelden. De egel komt in diverse landschappen voor en hebben geen vast territorium dat ze verdedigen tegen soortgenoten. Egels slapen in dicht struikgewas, compost- of takkenhopen. Doordat egels in diverse landschappen kunnen voorkomen, zoals bos(randen), tuinen en struweel, dient de planlocatie niet als essentieel leefgebied van de egel. Rondom de planlocatie zijn voldoende alternatieve structuren aanwezig waar de egel van gebruik kan maken, zoals de bosschages of tuinen binnen het stedelijk gebied. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de egel uitgesloten.

De groene specht komt voor in loofbossen, parken en houtsingels. Nesten van de groene specht worden in oude loofbomen gemaakt. De planlocatie bestaat uit een weiland met rondom loofbomen. Op de planlocatie staan enkele fruitbomen, welke gekapt zullen worden in de beoogde ruimtelijke ingreep. Op de planlocatie zijn geen nesten aangetroffen. De bomen langs de randen van de planlocatie blijven behouden in de ruimtelijke ingreep. 17

Het weiland dient niet als essentieel leefgebied voor de groene specht door de afwezigheid van nestlocaties en de aanwezigheid van alternatieve leefgebieden zoals de bosschages buiten de planlocatie. Om bovenstaande redenen zijn negatieve effecten ten aanzien van de groene specht uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in en nabij bossen. In de quickscan is aanwezigheid van nestlocaties en essentieel leefgebied uitgesloten. Het sporadisch voorkomen van de rode eekhoorn werd niet uitgesloten door bekende waarnemingen op korte afstand van de planlocatie (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024). De rode eekhoorn is slechts één keer waargenomen op de wildcamera. Dit onderschrijft de beoordeling van de quickscan. Door afwezigheid van essentieel leefgebied of vaste rust- en verblijfplaatsen binnen de planlocatie is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van de rode eekhoorn. De kerkuil leeft in cultuurlandschappen met diverse landschapselementen, zoals graslanden, akkers, houtwallen en bosjes. Op de planlocatie is geen sprake van een nestlocatie of essentieel leefgebied van de kerkuil (Vleeshouwers & Snoeijink, 2024). De kerkuil is drie keer waargenomen op camera 43. De kerkuil maakt gebruik van de planlocatie om te jagen maar kan uitweiden naar diverse percelen rondom de planlocatie. Het cultuurlandschap waarin de kerkuil voorkomt blijft rondom de locatie behouden.

Negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil zijn derhalve uitgesloten. Hazen hebben de voorkeur voor open velden, akkers en weilanden. De haas maakt geen holen, maar rust in ondiepe kuilen in onder andere bosranden en onder heggen. De soort heeft geen vaste rust- en verblijfplaatsen. De haas is 1-2 keer waargenomen op de camerabeelden. De planlocatie wordt gebruikt als leefgebied van de haas. Het plangebied maakt geen deel uit van essentieel leefgebied, doordat hazen er geen vaste rust- en verblijfplaatsen hebben en er alternatieve leefgebieden aanwezig zijn in de omgeving. Zo kunnen hazen gebruik maken van de akkers ten zuiden van de weg Het Leuken. Om bovenstaande redenen zijn negatieve effecten ten aanzien van de haas uitgesloten. Konijnen hebben de voorkeur voor halfopen landschappen, zoals tuinen en bosranden. Belangrijk is dat de leefomgeving voorzien is van goed vergraafbare zandgrond, zodat de konijnen holen kunnen graven. Het konijn is drie keer waargenomen op de camerabeelden. Tevens is tijdens het aanvullende onderzoek een konijnenhol, keutels en graafsporen aangetroffen. De camerabeelden en sporen duiden op een vaste rust- en voortplantingsplaats van het konijn op de planlocatie. Door de aanwezigheid van het konijnenhol is de planlocatie essentieel leefgebied voor de aanwezige konijnen.

In de provincie Limburg geldt echter een vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen voor het konijn. Hierdoor is het konijn niet beschermd. Er dient echter wel rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht, waarbij het konijn de kans krijgt om zijn hol te verlaten. Hoewel het konijn niet meegenomen hoeft te worden in de te nemen maatregelen voor de das, kleine marterachtigen en steenmarter, zal het konijn wel profiteren van deze maatregelen.

3.5 NDFF Tijdens het raadplegen van de NDFF (2019-2024) zijn geen waarnemingen aangetroffen die aanvullend zijn op voorliggende onderzoeksresultaten en relevant zijn binnen voorliggend project.

18

4 Conclusie 4.1

Das In de periode maart-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van das in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn individuen en sporen van dassen aangetroffen binnen het plangebied. Er is op de planlocatie sprake van 1,27 hectare primair essentieel leefgebied van de das dat wordt weggenomen. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt wel tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve benodigd.

4.2 Kleine marterachtigen In de periode september-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen of duidelijke sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. Kleine marterachtigen zijn echter lastig te onderzoeken. De aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen is niet uit te sluiten. Gezien maatregelen voor de das en steenmarter benodigd zijn, worden de kleine marterachtigen volledigheidshalve meegenomen in deze maatregelen. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt wel tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve benodigd.

4.3 Steenmarter In de periode maart-oktober 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarter in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn wel individuen en sporen van steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. Er is sprake van essentieel leefgebied op de planlocatie. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt wel tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve benodigd.

4.4 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot das, kleine marterachtigen en steenmarter. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er is een konijnenhol aangetroffen op de planlocatie. In de provincie Limburg geldt een vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen voor het konijn, waardoor konijnen niet zijn beschermd. Er dient echter wel rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht, waarbij het konijn de kans krijgt om zijn hol te verlaten. Hoewel het konijn niet meegenomen hoeft te worden in de te nemen maatregelen voor de das, kleine marterachtigen en steenmarter, zal het konijn wel profiteren van deze maatregelen. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen.

19

4.5 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de ingreep is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig van de verbodsbepalingen Natuur onder de Omgevingswet. Conform de relevante wetteksten en Kennisdocumenten wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de vergunningsaanvraag. Bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden onder het Besluit kwaliteit leefomgeving: Nationaal beschermde soorten (art. 8.74l) a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) er is sprake van een wettelijk belang; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is enkel succesvol als al deze aspecten voldoende onderbouwd kunnen worden. Indien de ingreep geen wettelijk belang kent of indien de staat van instandhouding van de aanwezige soorten in het geding komt kan een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit mogelijk geweigerd worden. Bevoegd gezag heeft de wettelijke termijn van 14 weken (8 + 6 weken verlenging) om een enkelvoudige aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te beoordelen.

De planning van de werkzaamheden dient aangepast te worden aan de aanwezige soorten om zoveel mogelijk de werkzaamheden uit te voeren buiten kwetsbare periodes. Dergelijk maatwerk kan ervoor zorgen dat het project enkel in bepaalde periodes van het jaar uitgevoerd kan worden. Indien de werkzaamheden leiden tot het wegnemen van verblijfplaatsen dienen alternatieve verblijfplaatsen gedurende een bepaalde periode aanwezig te zijn naast de verblijfplaatsen. Deze gewenningsperiode is afhankelijk van de soort en het aantal individuen en betreft indicatief een aantal maanden en/of een specifiek seizoen. Het tijdig aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen is van belang om onnodige vertraging te voorkomen. Raadpleeg voor de plaatsing van de voorzieningen een ter zake deskundig ecoloog.

20

Bronvermelding Vleeshouwers, B.C.E. & Snoeijink, E., 2024. Quickscan Wet natuurbescherming Elsterendijk ong. te Well. Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024)

Bijlagen Bijlage 1 Das Bijlage 2 Kleine marterachtigen Bijlage 3 Steenmarter

21

Bijlagen Das De das is een marterachtige en een sociaal dier dat vrijwel altijd in een dassenclan leeft (figuur 1). Zo’n clan bestaat meestal uit één dominante man en één dominante vrouw met jongen en jaarlingen (de jongen van het voorgaande jaar). De grootte van een clan is afhankelijk van de grootte van het leefgebied en het voedselaanbod (BIJ12, 2017; Zoogdiervereniging Das, 2022) en kan variëren van 2 tot 12 dieren. In Nederland bestaat de gemiddelde grootte van een dassenclan uit circa vier individuen. Dassen leven in verschillende type burchten. Naast de hoofdburcht zijn er vaak ook (kleinere) bijburchten en vluchtpijpen, welke tijdelijk worden gebruikt en meestal op strategische plaatsen liggen, zoals dicht bij een voedselbron. Afhankelijk van de periode in het jaar wordt de hoofdburcht of een van de bijburchten bewoond. Deze dassenpijpen liggen verspreid in het territorium, waarin verschillende foerageergebieden en looproutes aanwezig en met elkaar verbonden zijn (BIJ12, 2017). Dassen zijn schemer en nacht actieve dieren, waarbij ze de burcht vaak pas ’s avonds verlaten opzoek naar voedsel. Hierbij worden veelal wissels (looproutes) gebruikt om van de burcht naar het foerageergebied te komen en terug. Het dieet van de das bestaat voor het grootste deel uit regenwormen (circa 40-80 %).

Het overige deel van het dieet bestaat uit overige ongewervelde (kevers, pissebedden, duizendpoten slaken etc.), noten, bessen en seizoensgebonden gewassen als mais en graan en soms ook kleine zoogdieren en amfibieën (Dinther et al., 2010; Bommel et al., 2015). De das is een opportunist, wat inhoudt dat hij de voorkeur zal geven voor het voedsel dat het ‘makkelijkst’ bereikbaar is. Hierdoor zijn er grote verschillen, afhankelijk van het seizoen, in het dieet. Echter blijkt dat een hoge biomassa regenwormen het belangrijkste is voor het functioneren van een essentieel foerageergebied. De paring kan het hele jaar door plaatsvinden. Echter wordt er meestal een piek van paring gezien in februari direct nadat de jongen zijn geboren (BIJ12, 2017; Bommel et al., 2015). Na de bevruchting nestelt het embryo niet meteen in de baarmoederwand waardoor vaak de draagtijd pas later begint, meestal in de winter. Hierdoor bedraagt de daadwerkelijke draagtijd enkel zeven tot acht weken en worden jonge dassen geboren in de periode januari - maart met een piek in februari. Als de jongen circa 8 weken oud zijn komen deze voor het eerst uit de burcht. Vanaf juni-augustus worden de jongen zelfstandig. Indien de clan de maximale grootte heeft bereikt gaan de jongen migreren en opzoek naar een nieuwe clan en/of partner (BIJ12, 2017).

Figuur 1 De das (Meles meles) (bron: Blom Ecologie, Zeist). 22

Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 2). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. Met name in de nazomer, wanneer de dispersie plaats vindt en populatieaantallen het hoogste zijn, is de waarnemingskans het hoogst (BIJ12, 2024; Zoogdiervereniging, 2024).

Figuur 2 Links de bunzing, midden de wezel en recht de hermelijn (bron: © Zoogdiervereniging). Steenmarter Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap (figuur 3). De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, houtsingels, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang (Zoogdiervereniging steenmarter, 2024).

Figuur 3 De steenmarter (bron: zoogdierverening.nl).

23

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16226997/1