CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3A Toelichting ontwerp compleet

Gemeenteraad 13 februari 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Oude Bergse Heide Nieuw Bergen;16.226 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Oude Bergse Heide Nieuw Bergen” NL.IMRO.0893.BP22006OUONGNBG-ON01 Ontwerp

Document:

Bestemmingsplan “Oude Bergse Heide Nieuw Bergen”

IDN:

NL.IMRO.0893.BP22006OUONGNBG-ON01

Status:

Ontwerp

Datum:

16 september 2022

Aanvrager:

Gemeente Bergen

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 5

HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................7 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 7

2.2

Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 7

2.3

Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 8

PLANBESCHRIJVING .......................................................................................................................................9 3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan.............................................................................................................................. 10

3.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten .................................................................................................................................... 10

3.3

Landschappelijke inpassing ...................................................................................................................................................................... 11

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 13 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 13

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 15

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 19

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 22 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 22

5.2

Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 29

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 29

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 31

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 33

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 35

5.7

Volksgezondheid ......................................................................................................................................................................................... 36

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 37 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 37

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 37

UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................................... 39 7.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 39

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 39

Ontwerp

1

8.

PROCEDURE .................................................................................................................................................... 40

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 2: AERIUS berekening bouwfase Separate bijlagen: ▪ Landschappelijk inpassingsplan (Groen en Ruimte) ▪ Verkennend bodemonderzoek (M&A Bodem & Asbest BV)

Ontwerp

2

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Bij de gemeente Bergen is een verzoek ingediend voor het oprichten van een nieuwe woning naast de bestaande woning Oude Bergse Heide 7 in Nieuw Bergen. De locatie leent zich uit stedenbouwkundig oogpunt uitstekend voor het oprichten van een nieuwe woning. De beoogde locatie voor de nieuwe woning maakt namelijk enerzijds onderdeel uit van het transparante bebouwingslint van de Oude Bergse Heide en sluit anderzijds aan op de laatste uitbreidingswijk van Nieuw Bergen.

Afbeelding 1. Locatie beoogde woning in de bebouwde kom van Nieuw Bergen (rood omcirkeld)

Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Nieuw Bergen” is de beoogde oprichting van een woning op deze plek echter niet toegestaan. Desondanks voldoet een nieuwe woning op deze plek wel aan de provinciale en overige gemeentelijke beleidskaders. De gemeente Bergen heeft daarom in principe medewerking toegezegd aan de oprichting van een woning op deze locatie. Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan de betreffende locatie (het plangebied) een bouwvlak toegekend, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een nieuwe woning ontstaan.

Ontwerp

3

1.2 Plangebied en begrenzingen De nieuwe woning is beoogd aan de zuidoostelijke zijde van de Oude Bergse Heide, ter versterking van het daar aanwezige bebouwingslint, welke louter bestaat uit woningen. De Oude Bergse Heide sluit als zijweg van de Bergse Heide direct aan op de Rijksweg (N271). Van oudsher betrof deze weg een zandpad in het buitengebied, met daaraan verspreid gelegen (woon)bebouwing. De woning Oude Bergse Heide 7 betreft zo’n woning die al van oudsher aan deze weg ligt. Kenmerkend voor de Oude Bergse Heide is dat deze weg wordt begeleidt door een eenzijdige wegbeplanting welke bestaat uit Lindes. Met de ontwikkeling van de eerste fase van de woonwijk Bergse Heide medio jaren ’90 van de vorige eeuw is de woonbebouwing tot tegen de Oude Bergse Heide gerealiseerd. De Oude Bergse Heide werd daarmee de fysieke grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. De woonbebouwing aan de Oude Bergse Heide is sindsdien verder verdicht met de realisatie van nieuwe woningen tussen de al bestaande woningen. De laatste fase van de woonwijk Bergse Heide is sinds 2010 in ontwikkeling aan de overzijde van de Oude Bergse Heide, in het gebied tussen de Oude Bergse Heide en Bergse Heide. Inmiddels is deze laatste fase zo goed als afgerond. De nieuwe woningen zijn tot direct ten noordoosten van de woning Oude Bergse Heide 7 gerealiseerd.

De nieuwe woningen worden van de woning Oude Bergse Heide 7 fysiek gescheiden door een fiets- en wandelpad.

Oude Bergse Heide

Woonwijk jaren ‘90

Woonwijk jaren ‘10

Fiets- en wandelpad

Bebouwingslint Afbeelding 2. Luchtfoto huidige situatie plangebied en omgeving

Tussen het fiets- en wandelpad en de woning Oude Bergse Heide 7 ligt een weiland, welke behoort tot de woning Oude Bergse Heide 7. Op dit weiland is de nieuwe woning beoogd. Het perceel waarop de woning is beoogd (het plangebied) staat kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie T, nummer 3423 en heeft een oppervlakte van 770 m2.

Ontwerp

4

De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van de Oude Bergse Heide, welke aanwezig is aan deze zijde van de weg. Verder in noordelijke richting zal dit bebouwingslint verder worden versterkt. Hier zijn nog enkele bouwkavels aanwezig in het kader van de laatste fase van de woonwijk Bergse Heide.

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Nieuw Bergen” (vastgesteld d.d. 19 februari 2013) en is bestemd als ‘Wonen’ en daarbij tevens voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ of ‘Waarde – Archeologie 5’. Deze dubbelbestemmingen worden wederom overgenomen in dit bestemmingsplan.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Nieuw Bergen” (plangebied rood aangeduid)

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden-beroep. De gronden zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven, parkeervoorzieningen en erfontsluiting en voorzieningen van algemeen nut. Voor hoofdgebouwen (zijnde woningen) geldt dat deze uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd. Binnen het plangebied is geen sprake van een bouwvlak. Nieuwe woningen mogen daarnaast uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’, voor het overige mogen geen nieuwe woningen worden gebouwd behoudens herbouw ter plaatse. Binnen het plangebied is eveneens geen sprake van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. Het oprichten van de beoogde nieuwe woning op deze locatie past derhalve niet in het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is dan wel bestemd voor woondoeleinden, er bestaat ter plaatse geen bouwmogelijkheden voor een nieuwe woning. Ontwerp

5

In dat kader wordt door middel van dit bestemmingsplan een bouwvlak aan de locatie toegekend. Het wordt daarmee alsnog mogelijk om op deze locatie een nieuwe woning op te richten.

Ontwerp

6

2. HUIDIGE SITUATIE

2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Nieuw Bergen, aan de Oude Bergse Heide. De kern Nieuw Bergen is met circa 5.000 inwoners de grootste kern van de gemeente Bergen.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie van het plangebied

Het plangebied is thans in gebruik als weiland, behorende bij de naastgelegen woning Oude Bergse Heide 7. Het plangebied is daarom niet bebouwd, begroeid met gras en omzoomd met een hekwerk. Andere vormen van beplanting ontbreken volledig. Kenmerkend is verder de aanwezigheid van een opgaande wegbeplanting aan de zijde van de Oude Bergse Heide.

2.2

Ruimtelijke structuur

De kern Bergen, als zetel van de gelijknamige gemeente Bergen, is direct gelegen aan de Maas. De moeilijke bereikbaarheid bij hoge waterstanden, waarbij het dorp als een eiland in de rivier komt te liggen, hebben het functioneren als centrum van de gemeente bemoeilijkt. Door het ontbreken van ruimtelijke mogelijkheden waren de (uitbreidings)mogelijkheden van Bergen zeer beperkt. Toen na de Tweede Wereldoorlog het beleid erop gericht werd de positie van Bergen als centrum van de gemeente te versterken, heeft dit geleid tot het stichten van Nieuw Bergen op de hoger gelegen oeverwal. De ruimtelijke mogelijkheden waren hier praktisch onbegrensd en door de aanleg van een industrieterrein (de Flammert) zou de ontwikkeling van dit geïsoleerde, in economisch opzicht achtergebleven gebied worden gestimuleerd.

Ontwerp

7

Sindsdien is de kern Nieuw Bergen flink gegroeid en is het oorspronkelijke Bergen niet tot nauwelijks gegroeid. Als jonge kern is Nieuw Bergen planmatig opgezet aan vooral de oostelijke zijde van de provinciale weg N271 (Rijksweg). Het centrum ligt in de oksel van de Rijksweg en de Siebengewaldseweg, gelegen ten noorden van het plangebied. Toen Nieuw Bergen werd gesticht op de hoge oeverwal bestond het buurtschap Bergsche Heide al en bestond uit enkele woningen en boerderijen aan wat nu de Oude Bergse Heide en Bergse Heide zijn. Sindsdien is de kern van Nieuw Bergen telkens uitgebreid met nieuwe woonwijken. In de jaren ’90 van de vorige eeuw is een woonwijk gerealiseerd tot aan de westelijke zijde van de Oude Bergse Heide. Het oorspronkelijke buurtschap is daarbij redelijk goed bewaard gebleven. Sinds 2010 is de woningbouw de Oude Bergse Heide overgestoken. Ook aan de oostelijke zijde van de Oude Bergse Heide liggen er nu daarom woningen. De Maas is de belangrijkste structuurdrager in de omgeving. Evenwijdig aan de Maas, op de overgang van laag naar hoog, ligt de Rijksweg. De Rijksweg is over oude wegen heen gelegd, waardoor het al vanuit het verleden eigenlijk al een zeer belangrijke weg betrof. Aan deze weg vestigden zich mensen in de vorm van diverse buurtschappen.

Vanuit de oorspronkelijke woningen en boerderijen van het buurtschap Bergsche Heide werden de omliggende gronden ontgonnen als een kampontginning. Kampontginningen zijn kleinschalige ontginningen. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers te houden. Dit kleinschalige karakter is door de ruilverkaveling en de woningbouw grotendeels nagenoeg volledig verloren gegaan hier. Heden ten dage is de ruimtelijke structuur van het plangebied en omgeving vooral te typeren als een overgangszone tussen een bebouwde kom met planmatig opgezette woonwijken en een agrarisch c.q. natuurlijk buitengebied.

2.3

Functionele structuur

In de bebouwde kom van Nieuw Bergen en in de omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. De woningvoorraad bestaat aan de oostelijke zijde van de Oude Bergse Heide uit vrijstaande woningen, terwijl aan de westelijke zijde meer sprake is van twee-aaneengebouwde woningen. Verder in oostelijke richting bevindt zich de plaatselijke begraafplaats. In het buitengebied overheerst de agrarische functie. De agrarische gronden worden aangewend als akker- of weiland. In zuidelijke richting bevindt zich een akkerbouwbedrijf, welke omringd wordt door woningen. Het buitengebied heeft naast een agrarische functie ook een belangrijke functie voor de natuur. Gelegen tussen de Maas en Maasduinen bevinden zich in de directe omgeving diverse bos- en houtopstanden tussen de akkers en weilanden. Dit draagt bij aan het groene karakter van de omgeving.

Ontwerp

8

3. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer wenst een nieuwe woning op te richten aan de Oude Bergse Heide in Nieuw Bergen, direct ten noorden van de woning met huisnummer 7. De beoogde bouwlocatie betreft in de huidige situatie een weiland behorende bij de woning met huisnummer 7.

Afbeeldingen 5 en 6. Impressie / voorbeelden van een schuurwoning

Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Initiatiefnemer wenst echter het woningtype ‘schuurwoning’ te realiseren. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels.

Afbeelding 7. Indicatieve situering nieuwe woning

Belangrijk uitgangspunten met de realisatie van de nieuwe woning is dat de opgaande wegbeplanting aan de weg behouden moet blijven en de voorgevel van de nieuwe woning in de lijn dient te liggen van de woning met huisnummer 7. Ontwerp

9

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken een nieuwe vrijstaande woning met bijgebouwen op te kunnen richten aan de Oude Bergse Heide, direct ten noorden van de woning met huisnummer 7. Bij de opstelling van het bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning binnen het plangebied; ▪ De voorgevel van de nieuwe woning dient gelijk te liggen met de voorgevel van de naastgelegen woning met huisnummer 7 worden gerealiseerd; ▪ De voorgevel van de nieuwe woning dient op de voorgevelrooilijn te worden gerealiseerd, dan wel maximaal 3 meter daarachter; ▪ De goot- en bouwhoogte van de nieuwe woning dient aan te sluiten bij de goot- en bouwhoogte van woningen in de directe omgeving; ▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de realisatie van de woning pas is toegestaan wanneer de locatie op een passende wijze landschappelijk zal worden ingepast (en als zodanig in stand zal worden gehouden); ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Bergen dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Nieuw Bergen” zoals dat thans voor de kern van Nieuw

Bergen geldt; ▪ De geldende dubbelbestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan dienen opnieuw te gelden. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het gehele plangebied nog steeds bestemd is als ‘Wonen’, maar waarbij aan de locatie een bouwvlak is toegekend met de aanduidingen ‘vrijstaand’ zodat ter plekke één nieuwe vrijstaande woning is toegestaan. De voorgevel van het bouwvlak is gelijk gelegd aan de voorgevel van de woning met huisnummer 7. Ten slotte is een aanduiding opgenomen dat de goot- en bouwhoogte van de nieuwe woning maximaal 6,5 respectievelijk 10 meter bedraagt, gelijk aan de woning met huisnummer 7. Een voorwaardelijke verplichting in de planregels legt de aanleg en instandhouding van de beoogde landschappelijke inpassing (zie paragraaf 3.3) vast. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ zijn nog steeds van toepassing voor het plangebied.

3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De realisatie van een nieuwe woning binnen het plangebied sluit goed aan bij de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving. Een open ruimte in het transparante bebouwingslint van de Oude Bergse Heide wordt opgevuld zodat het bebouwingslint wordt verdicht c.q. versterkt. Met de positionering van de woning wordt aansluiting gezocht met de naastgelegen woning. Dit is uit stedenbouwkundig oogpunt passend. In functioneel oogpunt is een nieuwe woning evenwel zeer goed passend daar de omgeving louter uit woningen bestaat.

Ontwerp

10

3.3 Landschappelijke inpassing Om de nieuwe woning op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Belangrijkste bestaande landschappelijke element is de laanbeplanting langs de Oude Bergse Heide. Belangrijk is de conditie van de laanbeplanting en het onderhoud. Voor de Oude Bergse Heide betekent dit: ▪ geen uitbreiding van gesloten verharding op de rijbaan ▪ toepassen van ‘open’ materialen in de berm (grasberm) In dat kader is er voor gekozen de inrit naar de nieuwe woning zodanig te situeren dat deze zo ver mogelijk van de bestaande boomstammen af ligt. De inrit zal ter plaatse van de laanbomen worden uitgevoerd in een halfopenverharding. De woning ligt ver verwijderd van de laanbeplanting, in dezelfde lijn als de naastgelegen woning. Op de erfgrens wordt verder een beukenhaag aangeplant zodat het plangebied door groen wordt omkaderd. Tevens zal initiatiefnemer daarna een passende tuinbeplanting realiseren. Achterop het perceel wordt een boomgaard aangeplant.

Afbeelding 8. Landschappelijke inpassing van het plangebied

1

Groen en Ruimte, Landschappelijke inpassing nieuwbouw-woning Oude Bergsche Heide 7 Nieuw Bergen, 12 juli 2022

Ontwerp

11

Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling.

Ontwerp

12

4. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied en de ontwikkeling relevante beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Bergen.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

Ontwerp

13

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen.

Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het oprichten van de woning worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

Ontwerp

14

4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een “stedelijke ontwikkeling” wordt gerealiseerd.

Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het oprichten van één extra woning in de bebouwde kom van Nieuw Bergen evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro.

Er hoeft in dit geval dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige POL2014. In de omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen.

Ontwerp

15

In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen.

Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte.

Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De omgevingsvisie bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de (ontwerp) Omgevingsverordening Limburg 2021. Conform het kaartmateriaal is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘landelijke kern’ behorende bij het hoofdtype bebouwde gebieden.

De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangpunten.

Ontwerp

16

De omgevingsvisie houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De omgevingsvisie is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Op het gebied van wonen is de omgevingsvisie een op hoofdlijnen richtinggevend kader.

De daadwerkelijke invulling wordt overgelaten aan regio’s en / of gemeenten. Het initiatief wordt hierna getoetst aan het regionaal c.q. het gemeentelijk beleid. De toevoeging van een extra woning in de bebouwde kom is in die zin niet in strijd met de omgevingsvisie, er wordt daarmee voldaan aan de concrete woonwensen van initiatiefnemer; iets wat de provincie ambieert. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden maar is in 2014 gewijzigd vanwege de vaststelling van het toenmalige POL2014, waarin was bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening zou worden toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de verordening. In de eerste plaats bevat het hoofdstuk geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen.

Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en bepaalde omgevingsvergunningen. Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wro slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied niet ligt binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Tevens is het plangebied gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Ontwerp

17

Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg heeft betrekking op 'wonen' en kent de volgende bepalingen: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving MiddenLimburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien: a. er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en b. het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 5.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen Het betreft hier een zodanig kleinschalige ontwikkeling dat deze niet valt onder de definitie 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in artikel 2.2.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 en artikel 1.1.1 onder i, jo. artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. Hierdoor is de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking in het kader van dit plan niet aan de orde. Verwezen wordt naar de motivatie zoals opgenomen in paragraaf 4.1.3. In dit kader zijn de leden 1, 5 en 6 van artikel 2.4.2 van toepassing.

Het initiatief voorziet in het oprichten van één woning op een passende locatie in de bebouwde kom van Nieuw Bergen, ter versterking van het bebouwingslint van de Oude Bergse Heide. Het betreft een particulier initiatief; de toekomstige bewoners van de woning zijn dan ook al bekend. Daardoor staat de behoefte aan de nieuwe woning met zekerheid vast. Zoals in paragraaf 4.2.3 is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie. Voor het plangebied kent de verordening geen verdere beperkingen. Het initiatief is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.3 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Bergen heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie.

Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Bergen gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 109 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Bergen de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad.

Ontwerp

18

Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen.

Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Met het beoogde initiatief is sprake van een particulier initiatief, waarbij een nieuwe woning wordt opgericht om te voldoen aan de woonwensen van initiatiefnemer. De woning wordt opgericht in de bebouwde kom, in een bestaande bebouwingslint louter bestaand uit woningen. De nieuwe woningen voorziet daarmee in een plaatselijke behoefte. Ten slotte wordt de woningen zo veel als mogelijk duurzaam, energiezuinig (of zelfs energieneutraal), klimaatgeadapteerd en levensloopbestendig uitgevoerd.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Bergen 2030 In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaald in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie: ▪ Waterbeheer op maat; ▪ Voorzieningen bereikbaar houden; ▪ Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; ▪ Energie onafhankelijkheid in 2030; ▪ Woningvoorraad op maat; ▪ Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; ▪ De meest toekomstbestendige gemeente; Ontwerp

19

▪ ▪ ▪

Leefklimaat in de dorpen verbeteren; Landschap en landbouw in balans; Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen.

Conform de kaart behorende bij de Omgevingsvisie Bergen is het plangebied aangemerkt als ‘centraal voorzieningen centrum Nieuw Bergen’. Het doel binnen de omgevingsvisie is om dit voorzieningencentrum te behouden en te versterken waar mogelijk. Op het gebied van wonen wil de gemeente Bergen inzetten op het realiseren van andere woonmilieus dan alleen ruime woningen binnen de kernen. Hierbij wil de gemeente ruimte bieden voor kleine ontwikkelingen tussen de N271 en het Nationaal Park de Maasduinen waarbij eerst de bestaande voorraad afgestemd dient te worden op de heersende vraag. Alle ontwikkelingen dienen afgestemd te worden op de vraag. Er zijn diverse lopende projecten binnen de gemeente met betrekking tot gezinswoningen en tweekappers. Terwijl tegelijkertijd er steeds meer behoefte aan relatief kleine woningen voor ouderen en jongeren ontstaat. In onderhavig geval is sprake van bouwen op de juiste plek, binnen de bebouwde kom van Nieuw Bergen. Daarnaast is er sprake van bouwen naar behoefte. De specifieke woonwens van initiatiefnemer wordt daarmee ingewilligd. Dit sluit aan bij de gemeentelijke uitgangspunten c.q. ambities uit de omgevingsvisie. 4.3.2 Woonvisie Bergen Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad de woonvisie Bergen vastgesteld.

De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Destion. Het vertrekpunt voor de woonvisie Bergen zijn de vijf inhoudelijke pijlers voortkomend uit de Regionale Woonvisie Noord-Limburg. De visie voor 2030 is het creëren van dorpen in een landelijke omgeving, waarin mensen graag willen verblijven en wonen ongeacht hun leeftijd, mobiliteit of gezondheid. Hierbij worden bijzondere woonvormen (zoals (tijdelijke) woonvoorzieningen voor 1- of 2-persoonshuishoudens en exclusieve/gebiedseigen woonmilieus) gerealiseerd, zowel geschikt voor jongeren als voor ouderen. Belangrijk punt hierbij is om ervoor te zorgen dat er woningen beschikbaar zijn voor jongeren die in eigen dorp willen blijven wonen maar ook woningen voor gezinnen die de stad willen verruilen voor rust en ruimte binnen gemeente Bergen. Er dienen ook voorzieningen te worden gefaciliteerd voor ouderen die graag zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen, echter dienen er ook alternatieven te zijn voor hen die daar niet meer toe in staat zijn. Daarnaast is het van belang oog te blijven houden op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit en de cruciale plekken te verbeteren.

Daarnaast is het ook van belang ontmoetingsplaatsen te creëren waar bewoners elkaar kunnen treffen om zo vereenzaming tegen te gaan en samenhorigheid te creëren. Het doel is dan ook dat in 2030 er sprake is van eigen kracht en verantwoordelijkheid van inwoners. Inwoners zorgen voor elkaar en hun woonomgeving waarbij verschillende samenwerkingsverbanden ontstaan op het gebied van zorginkoop, energiebesparing, gezamenlijk tuinonderhoud en het realiseren van kleinschalige (CPO) woningbouwprojecten. Centraal staat in de woonvisie de doelstelling: ‘Aantrekkelijke woon- en leefklimaat passend bij veranderende vraag van de consument nu en straks’. Om deze doelstelling te bereiken zijn er 3 pijlers opgesteld waarin het woonbeleid verder is uitgewerkt: 1 De juiste woning op de juiste plek; 2 Kwaliteit woon- en leefomgeving: wonen-welzijn-zorg en duurzaamheid; 3 Samen werken aan een aantrekkelijke gemeente. De gemeente Bergen zit, samen met vele andere gemeenten, al enige tijd in een demografische transitie. Er is enerzijds sprake van een afname van het aantal bewoners terwijl het aantal huishoudens juist stijgt. Deze stijging zit vooral in de steeds ouder wordende populatie waardoor de groep oudere (65+) 1- of 2-persoonshuishoudens steeds groter wordt. Ontwerp

20

De gemeente wil deze groep in staat stellen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen in hun eigen woning en woonomgeving. Maar als dit niet meer mogelijk is dient er gekeken te worden naar een passende kleine woning zoals een nultredenwoning of appartement met lift. Door dat de woningvoorraad overwegend uit gezinswoningen bestaat, ontstaat er een mismatch tussen de woningbehoefte en de woningvoorraad. Het is daarom van belang in te spelen op deze veranderende vraag en het blijven aanpassen van nieuwbouwprogrammering in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht. De gemeente vraagt aan haar partners om een bijdragen te leveren aan de doelstellingen van de woonvisie. Hierbij dient optimaal rekening gehouden te worden met de wensen en ambities van de verschillende partijen. Het consument- en vraaggericht ontwikkelen staat hierbij voorop. De gemeente daagt de inwoners uit hun wensen en ideeën kenbaar te maken en actief te participeren in consumentgerichte projectontwikkeling. Denk hierbij aan mogelijkheden zoals collectief particulier opdrachtgeverschap. De gemeente wil flexibel inspelen op deze veranderende omstandigheden door de visie en het geldende beleid ‘open’ te houden. Door het niet volledig dicht te timmeren kan er flexibel omgegaan worden met het beleid waarmee ingespeeld kan worden op de veranderingen indien nodig.

Alhoewel de behoefte aan de nieuwe woning, welke is te scharen onder een koopwoning in het hogere prijssegment, niet direct uit de gemeentelijke woonvisie, is er wel degelijk behoefte aan deze woning. De toekomstig bewoner van deze woning is initiatiefnemer, waardoor “bouwen voor de leegstand” niet aan de orde is. De nieuwe woning zal daarbij zo veel als mogelijk levensloopbestendig uitgevoerd worden zodat deze ook voor een latere levensfase geschikt zal zijn. Dit bestemmingsplan zorgt ervoor dat een nieuwbouw van een woning kan plaatsvinden met toekomstwaarde en draagt in die zin zeker bij aan de algemene woonbehoefte in Nieuw Bergen c.q. de gemeente Bergen. Het initiatief is daarmee passend binnen de gemeentelijke woonvisie.

Ontwerp

21

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Voordat een nieuwe woning binnen het plangebied kan worden opgericht dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In het kader van het initiatief is derhalve een verkennend bodemonderzoek2 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Na uitvoering van het vooronderzoek kon de hypothese "onverdachte locatie" worden gesteld. Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 6 boringen op het perceel verricht. Hiervan zijn monsters van de bovengrond genomen. Twee van de boringen zijn doorgezet tot 2,0 m-mv. Zintuiglijk werden geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen in de grond. Er zijn geen afwijkingen in geur en / of kleur geconstateerd in de grondmonsters. Vervolgens zijn twee mengmonsters samengesteld, te weten één van de bovengrond en één van de ondergrond. Ook is een week eerder een peilbuis geplaatst, waaruit watermonsters werden genomen.

Na analyse van de grondmonsters en de grondwatermonsters bleek dat: ▪ in de bovengrond de achtergrondwaarden (AW) voor koper en PAK worden overschreden. Voor koper wordt tevens de tussenwaarde overschreden; ▪ in de ondergrond de AW voor de onderzoeksparameters niet worden overschreden; ▪ het grondwater licht verontreinigd is met barium, cadmium, koper en zink. De verhogingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Gezien de overschrijding van de tussenwaarde voor koper in de bovengrond is een nader onderzoek noodzakelijk. Daarom zijn eerst de individuele monsters van de bovengrond uitgesplitst op koper. Uit de resultaten hiervan blijkt dat er geen overschrijdingen van de AW voor koper worden aangetroffen. De verhoging in het mengmonster is waarschijnlijk te wijten aan een piek in de analyse. De verhoging met PAK in de bovengrond kan niet worden verklaard op basis van de zintuiglijke waarnemingen. Gezien het gehalte is geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Nieuw Bergen.

2

M&A Bodem & Asbest BV, Verkennend bodemonderzoek Oude Bergse Heide 7 Nieuw Bergen, 5 juli 2022, rapportnummer: 222-NBOBH7vo-v2

Ontwerp

22

Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de bestemmingswijziging uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid en de latere nieuwbouw van een woning op het perceel. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype).

In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12307766/1