CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting + regels ontwerp bestemmingsplan 'Knikkerdorp 11'.doc

Gemeenteraad 12 maart 2024, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Knikkerdorp 11 Well;24.223 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting en regels

Ontwerp (18 september 2023)

Bestemmingsplan

Knikkerdorp 11

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 9

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Conclusie

11 11 12 13 14 15

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Cultureel erfgoed 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling

16 16 16 17 18 19 20 21 22 26 28 29 30

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

31 31 33

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

34 34 34

Bijlagen bij toelichting

36

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

37

Bijlage 2

Stikstofdepositieonderzoek

38

Regels

39

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

40 40 47

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Tuin Wonen Waarde - Archeologie 4

48 48 49 54

2

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Artikel 6

Waarde - Archeologie 5

57

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels

60 60 61 62 64 65 66 66 67

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

69 69 69

Bijlagen bij regels

70

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

71

Bijlage 2

Kaart Cultuurhistorische waarden

72

Bijlage 3

Tabel Cultuurhistorische waarden

73

Bijlage 4

Tabel Cultuurhistorische waarden geomorfologie

74

Bijlage 5

Kaart Landschappelijke waarden

75

Bijlage 6

Veehouderijlocaties gemeente Bergen

76

Bijlage 7

Ontwerpprincipes en ruimtelijke kwaliteit

77

Bijlage 8

Geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen

78

Bijlage 9

Landschappelijke inpassing

79

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

3

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Toelichting

4

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De eigenaren van de percelen kadastraal bekend als nr. 2212, 2479, 3059 en 3060, aan de Knikkerdorp 11 in Well, zijn voornemens om de huidige woonbestemming te vergroten met een strook grond direct achter het huidige woonperceel. Dit met als doel een vrijstaand bijgebouw bij de woning te realiseren. Het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op het bestaande woonperceel binnen het achtererf gebied van de woning is niet mogelijk gebleken. Door hoogteverschillen van 100 - 150 cm op en om het huisperceel is het niet mogelijk om een vrijstaand bijgebouw te realiseren dat tevens bereikbaar is vanaf de huidige inrit van de woning aan de Hoogveldseweg. Een inrit aan de zijde van de provinciale weg N271 is niet mogelijk omdat de provincie zo min mogelijk nieuwe inritten direct op deze doorgaande weg wil hebben. Op 21 april 2022 heeft het college besloten om in principe medewerking te verlenen aan dit plan waarbij het nieuwe bestemmingsplan moet bestaan uit het woonperceel, de locatie van de Michelsmolen en de locatie van het nieuwe bijgebouw. Om dit mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan Knikkerdorp, in het buitengebied van Bergen en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie G, nummers 2212 (deels), 2479 (deels), 3059 en 3060 (grotendeels). Het plangebied heeft een totale omvang van circa 3.300 m 2 en wordt begrensd door:  Noordzijde: een agrarisch perceel, kadastraal bekend als nr. 2479;  Oostzijde: de Hoogveldseweg;  Zuidzijde: de Knikkerdorp (N271);  Westzijde: agrarisch perceel, kadastraal bekend als nr. 2212. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Globale ligging plangebied (rode stip)

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

5

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2022. De gronden in het plangebied hebben de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast kent het plangebied grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en voor een beperkt deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Binnen de gronden met agrarisch gebruik is wonen niet toegestaan.

6

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening' met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Het aan de noordoostzijde beoogde bijgebouw past niet binnen de ter plaatse geldende bestemming 'Agrarisch met waarden'. Vandaar dat het bestemmingsplan wordt herzien. Overigens, blijft de maximum oppervlakte aan vrijstaande bouwwerken gelijk (125 m²). Op verzoek van de gemeente wordt in dit bestemmingsplan tevens het noordwestelijke deel van het plangebied, ter plaatse van de resten van de Michelsmolen, bestemd als 'Tuin'.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

7

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Knikkerdorp in het buitengebied van Well. De Knikkerdorp is een provinciale weg (N271) en een oostelijke invalsroute naar het centrum van Well, die begeleid wordt door een kenmerkende bomenlaan. Langs het gedeelte van de Knikkerdorp dat buiten de bebouwde kom is gelegen, bevindt zich verspreid liggende bebouwing, met doorzichten naar het achterliggende landschap. Het plangebied is in de bestaande situatie ter plaatse van het op te richten bijgebouw onbebouwd. Op het woonperceel is een vrijstaande woning gevestigd met een oppervlakte van circa 210 m 2. Verder bevindt zich op het perceel nog een kleine schuur (circa 15 m²) alsmede een overkapping/prieel (circa 15 m²). De woning beschikt over een inrit aan de Hoogveldseweg, aan de oostzijde van het plangebied. De rest van de gronden van het plangebied bestaan uit weide, bomen en beplanting. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Een uitzondering hierop is het bedrijf met bedrijfswoning ten zuidoosten van het plangebied en de nutsvoorziening van netbeheerder Enexis tegen de zuidoostelijke perceelsgrens. Aan de westzijde van de woning ligt een verhoging die herinnert aan de Molenberg, waarop de voormalige Michelsmolen heeft gestaan. De molen is in 1918 wegens de slechte staat gesloopt.

Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van de omliggende bebouwing en het plangebied weergegeven.

Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (uitgelicht), voormalige michelsmolen in blauw.

8

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is het voornemen om aan de noordoostzijde van het plangebied een strook grond te bestemmen voor 'wonen' zodat binnen die strook grond een vrijstaand bijgebouw kan worden opgericht. Omdat het woongebouw volledig voor bewoning is ingericht, is daar geen plaats voor zaken zoals bijvoorbeeld aanhangwagen, tuingereedschap, zitmaaier en machines voor de beregening. Aan de noordwestzijde van het plangebied wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar de bestemming 'Tuin' hetgeen beter aansluit bij het huidige gebruik en inrichting. Het perceel is met alle bomen en beplanting niet geschikt voor agrarisch gebruik. Daarnaast wordt met de bestemming 'Tuin' voorkomen dat ter plaatse bijgebouwen kunnen worden opgericht. Op navolgende afbeeldingen is de inrichting gevisualiseerd:

Uitbreiding bestemming 'Wonen' in geel en de bestemming 'Tuin' in groen In het plangebied is sprake van een bestaande woning met bijgebouwen. Er wordt een vrijstaand bijgebouw mogelijk gemaakt met een afmeting van 13,5 bij 7 meter met een maximale oppervlakte van 94,5 m². De twee bestaande bijgebouwen hebben samen een oppervlakte van 30 m². Na oprichting van het vrijstaande bijgebouw is er derhalve 124,5 m² aan vrijstaande bijgebouwen. Dit blijft binnen de huidige maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m². Voor de oprichting van het vrijstaande bijgebouw wordt qua positionering aansluiting gezocht bij de bestaande nutsvoorziening van Enexis. Door te bouwen voor de voorgevelrooilijn van de woning vormt het nieuwe bijgebouw een eenheid c.q. cluster van bebouwing samen met de bebouwing voor de nutsvoorziening en wordt voorkomen dat er over het woonperceel verspreid bebouwing komt te staan. Door het bijgebouw te lokaliseren in de nabijheid van de nutsvoorziening blijft tevens het vrije zicht vanuit de woning op het achterliggende landschap behouden. Er wordt voldoende afstand gehouden tot de nutsvoorziening om de bereikbaarheid van de nutsvoorziening te waarborgen. Aan de noordzijde is het mogelijk om een indraai te maken ter hoogte van de overhead deuren via het aangrenzende agrarische perceel dat eveneens in eigendom is van initiatiefnemer.

Ter plaatse van de te maken draai wordt geen verharding gerealiseerd. Dit zal gebeuren over de bestaande agrarische grond. Door het nieuwe bijgebouw achter de bestaande nutsvoorziening te realiseren en de opgaande beplanting ten zuiden daarvan, zal het gebouw nauwelijks waarneembaar zijn vanuit de openbare ruimte. Er blijft ook in de toekomstige situatie met een bijgebouw op deze nieuwe locatie sprake van een compact bebouwingsensemble, passend binnen de structuur van het gebied. De bestaande haag aan de oostzijde wordt aangevuld waardoor ook vanuit de noordzijde het zicht op de bebouwing beperkt is. De bestaande bomen en struweel blijven behouden. Daarnaast wordt een bloem- en kruidenrijk grasland gerealiseerd om de biodiversiteit te bevorderen. Op onderstaande inrichtingstekening wordt het voorgaande gevisualiseerd.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

9

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Inrichtingstekening

10

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:  Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;  Steden en regio's sterker en leefbaarder maken  Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek In het Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde "ladder voor duurzame verstedelijking" is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de "ladder voor duurzame verstedelijking". De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

11

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet slechts in het toevoegen van een vrijstaand bijgebouw bij een al bestaande woning. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Provinciale Staten heeft op 12 decmeber 2014 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vastgesteld. POL2014 is een strategisch plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg op de middellange termijn en is het resultaat van een intensief samenwerkingsproces met de Limburgse gemeenten en partners. Op basis van een aantal Limburgse principes wordt voor de ontwikkeling van Limburg en nader onderscheiden in de regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg een toekomstvisie geschetst en wordt ten aanzien van overkoepelende thema’s als ‘duurzame economische structuur’, ‘aantrekkelijke woon- en leefomgeving’, ‘landelijk gebied met kwaliteit’ en ‘ondergrond’ een aantal ambities en opgaven benoemd. De kwaliteit van Limburg staat daarbij voorop. POL2014 heeft de wettelijke functie van ruimtelijke structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeers- en vervoersplan (PVVP). POL2014 is vervangen door de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg. 3.2.2

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 – 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In veel gevallen zal het mogelijk zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. In gebieden als de Maasduinen is de landbouw minder grootschalig en vervult verblijfsrecreatie een belangrijke rol. De provincie wil die samenwerking stimuleren en waar nodig initiëren. Planspecifiek Het plangebied is gelegen buiten de groenblauwe mantel en het natuurnetwerk. Het plangebied is onderdeel van het landelijk gebied, zonder specifieke waarden.

Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

12

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

3.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek Het plangebied heeft op basis van de Omgevingsverordening geen specifieke aanduiding waar rekening mee gehouden dient te worden. Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die de specifieke waarden in dit gebied aantasten. Door het nieuwe bijgebouw achter de bestaande nutsvoorziening te realiseren en de opgaande beplanting ten zuiden daarvan, zal het gebouw nauwelijks waarneembaar zijn vanuit de openbare ruimte. Er blijft ook in de toekomstige situatie met een bijgebouw op deze nieuwe locatie sprake van een compact bebouwingsensemble, passend binnen de structuur van het gebied.

3.2.4

Omgevingsverordening Limburg

Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is nog niet in werking getreden, maar er is wel al aan getoetst. In deze verordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de nieuwe Omgevingsvisie juridische binding te geven. Planspecifiek In de Omgevingsverordening maakt het plangebied geen onderdeel uit van een aanduiding ter bescherming van landschap en/of natuur. Het plangebied valt op kaart 9 'Landbouw' binnen de aanduiding 'Buitengebied'. Dit is een gebied waar geen specifieke waarden aan zijn toegekend. Qua argumentatie voor de locatie van het nieuwe bijgebouw, kan aangesloten worden bij de planspecifieke tekst in subparagraaf 2.2.

3.2.5

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024

De gemeente Bergen heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen heeft de gemeenteraad op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Bergen gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 109 woningbouwplannen in de periode 2016 - 2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 blijkt dat de gemeente Bergen de gestelde opgave heeft overtroffen. Eén van de centrale opgaven in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet wordt op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

13

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen wordt de langste keten op het gebied van doorstroming bewerkstelligd. Ouderen stromen van grote gezinswoningen naar nultredenwoningen en gezinnen kunnen hierdoor de volgende stap in hun wooncarrière maken waardoor er weer starterswoningen vrijkomen voor de nieuwe starters. Hierbij is het ook van belang de balans tussen de koop- en huursector te herstellen. In Noord-Limburg ligt de nadruk sterk op de koopsector.

Planspecifiek In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindelijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er hoeft verder niet getoetst te worden aan de regionale woonvisie.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Bergen 2030

Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie Bergen 2030' vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het energielandgoed Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie: 1. De meest toekomstbestendige gemeente; 2. Energie onafhankelijk in 2030; 3. Landschap en landbouw in balans; 4. Waterbeheer op maat; 5. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 6. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen; 7. Afstemmen woningvoorraad op vraag; 8. Voorzieningen bereikbaar houden; 9. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 10. Leefklimaat in de dorpen verbeteren.

14

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een mozaïekzone met kleinschalig landschap op de overgang van laagnaar middenterras. Ter plaatse streeft de gemeente naar de ontwikkeling van kenmerkende landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden in combinatie met het onderzoeken van mogelijkheden voor kleinschalige ontwikkelingen op het gebied van recreatie, wonen, (zorg)voorzieningen & landbouw. De uitbreiding van de woonbestemming om uiteindelijk de de ontwikkeling van een vrijstaand bijgebouw bij een bestaande woning mogelijk te maken, half verscholen achter een bestaande nutsvoorziening, en landschappelijk ingepast, is een kleinschalige ontwikkeling passend binnen deze zone. Het toegestane oppervlakte aan bijgebouwen (125 m²) neemt niet toe. De bestaande bomen en struweel blijven behouden evenals de bestaande haag. De bestaande haag wordt verlengd. Door de landschappelijke inpassing wordt met de oprichting van het bijgebouw bijgedragen aan het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit. Naast verlenging van de bestaande haag wordt een bloem- en kruidenrijk grasland gerealiseerd.

3.4.2

Woonvisie gemeente Bergen 2017 - 2021

De gemeenteraad heeft op 12 december 2017 een gemeentelijke woonvisie vastgesteld waarbij rekening is gehouden met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Er ligt een grote opgave om de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig (inspelen op de grote groei van het aantal ouderen) en duurzaam te maken. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven richt de gemeente zich sterk op het toevoegen van de juiste woningen (kwalitatieve aanvulling op het bestaande woningaanbod) op de juiste locatie. Daarnaast heeft de gemeente een opgave om te schrappen in de bestaande planvoorraad. Om een goede afweging te kunnen maken, zowel als het gaat om het schrappen van een deel van de harde planvoorraad als het beoordelen van nieuwe initiatieven, is in de woonvisie een kwalitatief afwegingskader opgenomen. In dit afwegingskader worden kwaliteiten genoemd voor de locatie en voor de woning. Dat betekent dat inbreiding voor uitbreiding gaat en wordt ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (o.a. herbestemmingsmogelijkheden, invulling ‘rotte plekken’ bijdrage aan gevarieerde wijkopbouw). Wat betreft de kwaliteiten van de woning wordt ingezet op levensloopbestendige woningen, duurzaamheid, excellente woonmilieus, consumentgericht ontwikkelen en bijzondere doelgroepen.

Planspecifiek In subparagraaf 3.3.1 onder de kop 'planspecifiek' is voor de recentere regionale woonvisie al ingegaan op de kwantitatieve onderbouwing.

3.4.3

Conclusie

In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er hoeft verder niet getoetst te worden aan de regionale woonvisie.

3.5

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

15

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van de woonbestemming om vervolgens de bouw van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken binnen de woonbestemming. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Er is geen verkeersaantrekkende werking. Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige situatie het aantal woningen en daarmee het aantal vervoersbewegingen in het plangebied niet toe. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Parkeren

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van de woonbestemming om vervolgens de bouw van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken binnen de woonbestemming. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Er is geen verkeersaantrekkende werking. Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige situatie het aantal woningen en daarmee het aantal vervoersbewegingen in het plangebied niet toe. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het bestaande of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

16

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Omdat de woonbestemming wordt vergroot is er sprake van wijziging van de bestemming naar een meer gevoeligere functie. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik en het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende NEN-normen en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving betreffende de kwaliteit van de uitvoering van milieuhygiënisch bodemonderzoek. De locatie is onderzocht volgens de strategie voor een ’onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL). Resultaten Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende:  In de bovengrond zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond.  In de ondergrond zijn geen verontreinigende stoffen aangetoond.  Onderzoek van het grondwater heeft niet plaatsgevonden aangezien dit zich op een diepte van meer dan 5 m -mv bevindt. Conclusies verkennend bodemonderzoek Er zijn geen verontreinigingen aangetoond in gehalten boven de tussenwaarde, het uitvoeren van nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemmingswijziging en bouwactiviteiten op het terrein.

Als grond op de locatie vrijkomt zal dit worden hergebruikt binnen het plangebied. Het aspect 'bodem' vormt, gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.

Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

17

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Bij ontheffing van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg, aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het bijgebouw is geen geluidgevoelig gebouw. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

18

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het bijgebouw is geen gevoelige functie. Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van andere voorzieningen / inrichtingen met een hindercontour die overlapt met de uitbreiding van het woonperceel. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

19

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op het vergroten van de woonbestemming om de realisatie van maximaal één vrijstaand bijgebouw bij een al bestaande woning mogelijk te maken. Het aantal 4.1.1 voertuigbewegingen zal daarom gelijk blijven en de beoogde ontwikkeling zal geen effect op de luchtkwaliteit hebben. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool, GCN en GDN) In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2025 bepaald. Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximaal 3 ouE/m³

maximaal 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 ouE/m³

maximaal 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007.

20

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het beoogde vrijstaande bijgebouw is geen geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Een beoordeling op basis van de Wgv kan derhalve achterwege blijven. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen sprake is van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied is gelegen. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

21

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het beoogde vrijstaande bijgebouw betreft geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Een beoordeling van het aspect externe veiligheid is daarom op basis van bovengenoemde vereisten niet vereist. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid Waterschap Het plangebied ligt in het stroomgebied van waterschap Limburg. Naast de Keur van het waterschap Limburg heeft het waterschap het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 (WBP) opgesteld. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor waterbeheer in een veranderend klimaat. De belangrijkste speerpunten zijn:  Hoogwaterbescherming Maasvallei:  bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas;  Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.  Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlik ingericht.  Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Bij nieuwbouw is het van belang dat regenwater uit het riool wordt gehouden.

De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op opppervlaktewater. Gemeentelijk beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. De insteek van het gemeentelijk beleid is om geen extra afvalwater te hebben op het riool.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied is er sprake van volgende bestaande verhardingen:  Bestaand verhard dakoppervlak inclusief bijgebouwen: 237 m²  Bestaande terreinverharding ter plaatse van uitbreiding : 0 m²

22

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (uitgelicht) Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Het plangebied ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is gelegen in de buitenbeschermingszone van een waterkering. Op basis van het 'Besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de uitvoering van de Keur Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 3' is het stroomschema bouwwerken uit artikel 2.5.2 gevolgd. Hieruit volgt dat bij het aanleggen van een bouwwerk binnen de buitenbeschermingszone van een waterkering met een ontgraving van maximaal 2,5 m beneden het maaiveld een zorgplicht van toepassing is. De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Een goede bereikbaarheid is van belang met het oog op enerzijds het (dagelijks) beheer van de waterkering en anderzijds op het zo nodig kunnen treffen van maatregelen en/of voorzieningen indien sprake is van een (dreigende) calamiteuze situatie. Het uitbreiden van de woonbestemming met uiteindelijk het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op de beoogde locatie heeft geen negatieve invloed op de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht.

Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie valt het hemelwater op het onverharde deel van het plangebied waar het bijgebouw wordt gerealiseerd en kan het water direct in de bodem infiltreren. Het water van de woning stroomt via een geul aan de inritzijde weg. Daarnaast wordt er gewerkt met regentonnen en is er natuurlijk verloop in de tuin. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Het huidige afvalwater uit de bestaande woning in het plangebied wordt verwerkt middels een aansluiting op het riool. Ter plaatse van het te realiseren bijgebouw is er geen afvalwater. Aanwezig oppervlaktewater In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden.

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

23

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

Grondwaterstand en maaiveldhoogte. De grondwaterstand bedraagt circa 6 m - mv (circa 11 M + NAP). Het maaiveld ter plaatse van het plangebied ligt op een hoogte van circa 17 M + NAP.

Toekomstige situatie en waterberginsopgave Planbeschrijving De grootte van het totale plangebied bedraagt circa 3.300 m². In het plangebied is sprake van een bestaande woning met bijgebouwen. Er wordt een uitbreiding van de woonbestemming mogelijk gemaakt, waardoor uiteindelijk een vrijstaand bijgebouw kan worden opgericht op de gewenste locatie met een afmeting van 13,5 bij 7 meter met een maximale oppervlakte van 94,5 m². De twee bestaande bijgebouwen hebben samen een oppervlakte van 30 m². Na oprichting van het vrijstaande bijgebouw is er derhalve 124,5 m² aan vrijstaande bijgebouwen. Dit blijft binnen de huidige maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m². Dit bijgebouw betreft dus een vervangend bijgebouw wat al gerealiseerd had kunnen worden binnen de bestaande situatie maar nog niet was opgericht. Op onderstaande inrichtingstekening wordt het voorgaande gevisualiseerd:

Visualisatie toekomstige situatie

Hemelwater Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025. In het plangebied wordt de woonbestemming uitgebreid zodat ter plaatse een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd. Dit bijgebouw had binnen de bestaande situatie al gerealiseerd kunnen worden binnen de woonbestemming, echter niet op deze locatie. In beginsel is er dus geen sprake van een toename van de bebouwingsmogelijkheden en geen toename van de verharding. Desalniettemin is in het kader van een worst-case benadering toch berekend hoeveel waterberging noodzakelijk zou moeten zijn. Dit betreft een worst case scenario. Worst-case wordt ervan uit gegaan dat de verharding in de vorm van het nieuwe vrijstaande bijgebouw en nieuw is terwijl normaliter het bijgebouw al binnen de bestaande woonbestemming

24

bestemmingsplan "Knikkerdorp 11" (ontwerp)

bestemmingsplan Knikkerdorp 11

gerealiseerd had kunnen worden. Voor het nieuwe bijgebouw zal gewerkt met waterdoorlatende kiezel en komt geen verharding in de vorm van tegels. Het plangebied zal zelfvoorzienend moeten zijn qua waterberging. Dit betekent dat op eigen terrein in extra ruimte voor waterberging zal moeten worden voorzien. De exacte grootte van de voorziening hangt af van de oppervlakte die bebouwd gaat worden. Gezien de forse grootte van het bestaande perceel is hier ruimte genoeg voor op eigen terrein. Daarnaast wordt de waterafvoer van het dak van de nieuwe bebouwing afgekoppeld. Overigens blijkt uit de kaart 'bodemdoorlaatbaarheid' van Waterschap Limburg dat de gronden in het deelgebied, gezien de k-waarde (maat voor bodemdoorlaatbaarheid in m/dag), erg geschikt zijn voor infiltratie. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een zeer goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 tot 10 m/dag. Voor de toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van 94,5 m² voor het vrijstaande bijgebouw, In totaal dus 94,5 m² aan bebouwing waarvan de dakoppervlakken niet aangesloten worden op de riolering (afgekoppeld). Daarnaast wordt uitgegaan van circa 55 m² aan waterdoorlatende kiezels rondom het bijgebouw. Bij elkaar opgeteld 94,5 + 55 = 149,5 m² in totaal.

Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak zal op eigen terrein een infiltratievoorziening gerealiseerd moeten worden met een capaciteit van 9 m³ (149,5 m² x 60 mm). De bergingsvoorziening dient binnen 24 uur na de neerslaggebeurtenis opnieuw beschikbaar te zijn voor waterberging. Deze infiltratievoorziening zal worden gerealiseerd door het plaatsen van infiltratiekratten ter plaatse van het bijgebouw of de omliggende verharding danwel middels infiltratie op het eigen perceel bijvoorbeeld door een zaksloot waarvan de locatie nader te bepalen is. Afvalwater Bij de bouw van een vrijstaand bijgebouw is in beginsel geen sprake van afvalwater. Indien er wel afvalwater zal zijn, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een wasbak, dan zal dit afvalwater worden geloosd op de aanwezige riolering. Het rioleringsstelsel is voldoende van omvang om deze zeer minimale toename als gevolg van het gebruik van een wasbak in het vrijstaande bijgebouw te kunnen verwerken. Grondwater Uit het uitgevoerde bodemonderzoek volgt dat ter plaatse sprake is van een bodemopbouw bestaande uit zand waarbij de bovenste laag matig fijn, matig siltig en zwak humeus is. Daaronder is het zand matig fijn, zwak tot matig siltig en matig fijn, zwak siltig en zwak grindig.

Op basis van de kaart 'BRO grondwaterspiegeldiepte 2021' in Dinoloket, blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 240 cm-mv is gelegen. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied ligt op een hoogte van circa 17 m + NAP. Zoals het geldende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsen/of grondwaterwingebied. De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied. Vanuit de grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. Waterkwaliteit en beheer Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend niet-uitlogende bouwmaterialen gebruikt voor het vrijstaande bijgebouw. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13788859/1