Bijlage 2a Advies inzake wijzigingen GR'en
Tekst van het document
55
Zie het nog niet in werking getreden artikel 3.3 lid 2 aanhef en onder c van de Wet open overheid.
56
Zie het nog niet in werking getreden artikel 3.3. lid 2 aan hef en onder d van de Wet open overheid.
Pagina
24/58
uitvoering van langlopende beleidsafspraken) kunnen jaarlijks terugkomen in de jaarrekening en het jaarverslag. Naast de structurele informatievoorziening vindt ook incidentele informatievoorziening plaats. Dit kan zijn aan de hand van een onverwacht voorval, waarbij het samenwerkingsverband of het college de raad actief informeert. De raadsleden kunnen ook zelf om inlichtingen vragen, dat recht hebben zij wettelijk.57 De gevraagde inlichtingen moeten, voor zover die natuurlijk gericht zijn op informatie waarover het samenwerkingsverband kan beschikken, aan alle raden verstrekt worden (eventueel onder geheimhouding als één van de uitzonderingsgronden van de Wet open overheid zich voordoet). Anders kunnen de raden hun controlerende taak niet oppakken. In de gemeenschappelijke regeling zouden afspraken kunnen worden opgenomen over hoe snel en op welke wijze de informatie wordt verstrekt. 3.3
Afsluiting onderdeel "wijzigingen"
Zowel de gemeenschappelijke regelingen als de raden en colleges van de deelnemende gemeenten staan voor een aantal belangrijke keuzes. Daarbij moet steeds gekeken worden naar de intentie om de positie van de gemeenteraad te versterken, maar wel op een manier dat het samenwerkingsverband zijn taken ook doelmatig en doeltreffend, of efficiënt en effectief kan (blijven) oppakken. De inzet van extra instrumenten moet de kaderstellende of controlerende rol van de raad anderzijds versterken, zonder de raad verder te overbelasten. De gewenste invloed kan ook per gemeenschappelijke regeling verschillen. In de ene gemeenschappelijke regeling gaat immers meer geld om, worden meer beleidskeuzes gemaakt of raakt die sneller aan de belangen van inwoners. Dan is actievere sturing mogelijk gewenst. Hoe beleidsneutraler de uitvoering van de samenwerking wordt, hoe minder interessant het voor de raad zou moeten zijn. De raad moet zich blijven concentreren op zijn kaderstellende en controlerende rollen, en proberen te voorkomen dat hij louter op de bedrijfsvoering (lees: organisatie) en financiën gaat sturen. Een gemeenschappelijke regeling is immers een hulpmiddel om bepaalde beleidsdoelstellingen te bereiken. Om die reden is hiervoor al op enkele plekken ook aangegeven om meer strategisch te kijken naar de inzet van instrumenten, bijvoorbeeld ad hoc in de beleidscyclus.
Daarmee worden zinloze vergaderingen voorkomen en daarmee de overbelasting van de regeling en de gemeenteraad. Hierna wordt per categorie gemeenschappelijke regeling een voorstel gedaan voor een passende implementatie van de wijzigingen.
57
Zie artikel 17 lid 1 Wgr.
Pagina
25/58
IV.
CATEGORIEËN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN
In de tabel op de volgende pagina hebben wij alle deelnemende gemeenschappelijke regelingen onderverdeeld in de volgende categorieën: Categorie 1: beleidsrijke gemeenschappelijke regelingen Hieronder vallen de gemeenschappelijke regelingen die beleid zowel voorbereiden als vaststellen. Categorie 2: beleidsarme gemeenschappelijke regelingen Hieronder vallen de gemeenschappelijke regelingen waarbij de deelnemers het beleid niet of enkel voorbereiden, maar uitdrukkelijk niet bij de beleidsvaststelling betrokken zijn. Deze regelingen zijn eerst en vooral uitvoerend van aard. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
CATEGORIE 1 BELEIDSRIJK
Veiligheidsregio Zuid-Limburg BsGW
CATEGORIE 2 BELEIDSARM
X58 X59
Omnibuzz GGD Zuid-Limburg Westrom
X60 X61 X62
Geul en Maas Rd4 Reinigingsdienst Maasland
X63 X64 X65
Historisch Centrum Limburg Het Gegevenshuis
X66 X67
WOZL WSP Parkstad
X68 X69
WAA Venlo
X70
58
Zie artikel 3.2 en 3.3 van de GR van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg.
59
Zie de overwegingen en de artikelen 4 en 5 van de GR van de BsGW.
60
Zie artikel 4 lid 1 sub e van de GR van Omnibuzz.
61
Zie artikel 3 van de GR van de GGD Zuid-Limburg.
62
Voor zover het de uitvoering van de Pw betreft (zie artikel 3 lid 1 sub b van de GR van Westrom).
63
Zie artikel 5 lid 1 en 2 en artikel 6 lid 2 sub b van de GR Geul en Maas.
64
Zie artikel 3, 4 en 18 van de GR van Rd4.
65
Zie artikel 4 en 5 van de GR van RD Maasland.
66
Zie artikel 2b van de GR Historisch Centrum Limburg 2020.
67
Zie artikel 2 van de GR van Het Gegevenshuis.
68
Zie artikel 2 van de GR WOZL.
69
Zie artikel 2a van de GR WSP Parkstad.
70
Zie artikel 3 lid 1 van de GR van WAA Venlo.
Pagina
26/58
RUD Zuid-Limburg Veiligheidsregio en GGD Limburg-Noord Sociaal domein Limburg-Noord
X
72
X71 X73 X74
ISD BOL
X75
ISD Kompas
X76
RUD Limburg-Noord
X77
Grenspark Maas-Swalm-Nette
X78
Uit het voorgaande overzicht volgt dus dat de meerderheid van de deelnemende gemeenschappelijke regelingen in categorie 2, beleidsarm, valt. Dat is ook logisch, omdat vrijwel alle regelingen in meerdere of mindere mate enkel een taak hebben op het gebied van beleidsvoorlichting en/of -voorbereiding, maar de deelnemende gemeenten zelf het eigen beleid blijven vaststellen. In de hierna volgende wijzigingsvoorstellen zullen wij het onderscheid tussen beleidsarme en beleidsrijke regelingen nader uitdiepen. V.
WIJZIGINGSVOORSTELLEN
Hierna doen wij een voorstel tot wijziging van de deelnemende gemeenschappelijke regelingen. Wij maken daarbij een onderscheid tussen: a) Uniforme wijzigingsvoorstellen: een aantal wijzigingen kunnen (vrijwel) uniform voor iedere gemeenschappelijke regeling worden doorgevoerd. Voor deze wijzigingen stellen wij daarom uniforme wijzigingsvoorstellen voor. b) Wijzigingsvoorstellen per categorie: voor de wijzigingen die afhankelijk zijn van de vraag of een regeling beleidsrijk of beleidsarm is, doen wij hierna per categorie concrete wijzigingsvoorstellen.
71
Zie de artikelen 3 tot en met 6 van de GR RUD Zuid-Limburg.
72
Zie artikel 5 van de GR van de Veiligheidsregio en GGD Limburg-Noord.
73
Voor zover het de taken van de GGD betreft.
74
Zie de modules 1 en 2 bij de MGR Sociaal Domein Limburg-Noord.
75
Zie artikel 6 lid 3 ISD BOL.
76
Zie artikel 5 lid 1 sub d ISD Kompas.
77
Zie artikel 3 RUD Limburg-Noord.
78
Zie artikel 6 lid 1 Grenspark MSN.
Pagina
27/58
5.1
Uniforme wijzigingsvoorstellen voor alle regelingen
Wij zijn hieronder steeds uitgegaan van een collegeregeling met openbaar lichaam, waaraan uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders deelnemen. In de bijlage vindt u, waar nodig, afwijkende bepalingen voor de regelingen waaraan ook provincie- of waterschapsbesturen deelnemen, die een andere rechtsvorm kennen of die verplicht zijn (met betrekking tot de uittredingsregeling). 5.1.1 Actieve informatieplicht Ten aanzien van de actieve informatieverplichting dient aan de regelingen het volgende te worden toegevoegd: a) het algemeen en dagelijks bestuur c.q. het gemeenschappelijk orgaan geven de raden alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, en; b) de regeling omschrijft de wijze waarop deze inlichtingen worden verstrekt. In dat kader stellen wij het volgende tekstvoorstel voor: "Het bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."
Indien de informatie- en verantwoordingsplicht in de betreffende gemeenschappelijke regeling is geregeld per bestuursorgaan, dan luidt het tekstvoorstel als volgt: "Het dagelijks bestuur | algemeen bestuur | de voorzitter geeft de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."
Met deze tekstvoorstellen wordt zo dicht mogelijk aangesloten bij de tekst van de wetswijziging. Tegelijkertijd wordt door het enkele woord "schriftelijk" zoveel mogelijk flexibiliteit geboden ten aanzien van de wijze van actieve informatieverstrekking, zodat eventueel toekomstige maatwerkafspraken daar altijd onder vallen. Een termijn voor toezending is hier niet in opgenomen omdat het expliciet niet gaat om informatievoorziening op verzoek. Dat is geregeld in artikel 17 lid 1 Wgr. Mogelijk ten overvloede merken wij op deze plek nog op dat uit de nog in werking te treden artikel 3.3 van de Wet open overheid ook een actieve openbaarmakingsplicht voortvloeit voor de vergaderstukken en verslagen van een algemeen bestuur van een openbaar lichaam, van het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie en van een gemeenschappelijk orgaan. Het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam moet voortaan zijn agenda’s en besluitenlijsten Pagina
28/58
actief openbaar maken. Nu deze verplichting al rechtstreeks uit de wet voortvloeit, is ervoor gekozen om daartoe geen aparte bepaling op te nemen. Mogelijkheid voor maatwerk in werkafspraken Bij het voorgaande merken wij nog op dat er ten aanzien van de concrete wijze van informatieverschaffing maatwerk gewenst kan zijn. Mocht dit aan de orde zijn, dan adviseren wij om daarover te zijner tijd werkafspraken te maken met de betreffende raden. Let daarbij wel op: de werkafspraak dient wel uniform te zijn voor alle raden van de aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten. 5.1.2 Begroting Ook de wijzigingen ten aanzien van het onderdeel "begroting" kunnen uniform geschieden nu de termijnen voor het toezenden van de ontwerpbegroting voor alle regelingen op gelijke wijze wijzigen. Om de wijzigingsvoorstellen overzichtelijk te houden, hebben wij de wijzigingsvoorstellen hieronder verwerkt in de gemeenschappelijke regeling van Omnibuzz (zie de geel gearceerde gedeelten). "Artikel (…) Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de colleges en raden. 2.
De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.
De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
4.
Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5.
Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
6.
Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september zendt het dagelijks bestuur de begroting aan gedeputeerde staten.
7.
Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
Pagina
29/58
8.
Het bepaalde in het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het zesde lid genoemde termijn, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Optioneel: 9. Het achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers.
Artikel (…) Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór 30 april toe aan de raden. 2.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden.
Optioneel: 3. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer."
Bij het voorgaande merken wij op dat het ook mogelijk is om – anders dan het hiervoor opgenomen voorstel -, in de wijzigingsvoorstellen te volstaan met verwijzingen naar de termijnen zoals die zijn opgenomen in de Wet gemeenschappelijke regelingen. De voor de begroting en de jaarrekening geldende termijnen volgen namelijk rechtstreeks uit artikel 34, 34b en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Beide opties zijn in ieder geval in lijn met de wet(swijziging). Nog te verwerken aanvulling Tijdens het overleg met de gemeentesecretarissen is verzocht om in de gemeenschappelijke regelingen een aanvullende bepaling op te nemen die ertoe strekt dat de gemeenschappelijke regelingen de ontwerpbegroting uiterlijk 30 april van ieder jaar aan de raden dienen te verzenden. Deze aanvullende bepaling zal na afloop van de zienswijzeprocedure aan de regelingen worden toegevoegd. Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat deze aanvullende bepaling alleen niet zal worden verwerkt voor de gemeenschappelijke regeling Geul en Maas. De redenen daartoe zijn uiteengezet in de oplegbrief voor Geul en Maas.
Pagina
30/58
5.1.3 Uittredingsregeling Als gevolg van de wetswijziging van de Wgr zijn gemeenschappelijke regelingen aldus verplicht om de uittredingsregeling aan te scherpen. De uittredingsregeling moet nu bepalingen bevatten over de gevolgen van de uittreding, waaronder bepalingen over het vermogen van de gemeenschappelijke regeling. Daaronder vallen niet alleen de financiële, maar ook de personele en organisatorische gevolgen. Met de hierna volgende uniforme tekstvoorstellen wordt de uittredingsregeling op de vorenbedoelde wijze aangescherpt. Beoogd wordt daarmee tevens om het uittredingsproces zelf helder te schetsen, zodat eventuele discussies over de hoogte van de uittreedsom en/of de keuze van de onafhankelijke adviseur worden voorkomen. "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.
3.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Artikel (…) 1.
Procedure en inhoud van het uittredingsplan
Het in artikel (…), derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
2.
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Pagina
31/58
3.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur/voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
4.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel [voorgaande artikel] in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5-10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5.
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer."
Mogelijkheid tot maatwerk Uiteraard is het mogelijk om ten aanzien van deze voorgestelde bepaling in meerdere of mindere mate maatwerk toe te passen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat nog wordt toegevoegd dat uittreding gedurende een bepaalde periode niet mogelijk is. Wij merken daarbij wel op dat over de thans voorgestelde standaardregeling uitvoerig is nagedacht en dat daarmee in zo kort mogelijke bewoordingen iedere discussie op het moment van uittreding is getracht te voorkomen. Voor wat betreft de in lid 4 van dit artikel opgenomen risico-opslag van 5-10% merken wij op, dat wij adviseren om een risico-opslag van 10% te hanteren indien er onder de gemeenschappelijke regeling nog werkmaatschappijen of B.V.'s hangen. In die situatie is de hoogte van de onvoorziene kosten namelijk moeilijker te bepalen. In alle andere gevallen stellen wij een risico-opslag van 5% voor. In afwijking van het voorgaande geldt dat uittreding uit de RUD Zuid-Limburg, de GGD Zuid-Limburg en de Veiligheidsregio's niet zonder meer mogelijk is. Dit betreffen namelijk verplichte samenwerkingen. In overleg met deze regelingen wordt daarom de volgende aparte uittredingsregeling opgesteld die recht doet aan de wettelijke taken. Zie daarvoor de bijlage. Pagina
32/58
5.1.4 Evaluatie Ook de evaluatiebepaling kan naar onze mening uniform worden vormgegeven. Daartoe doen wij het volgende tekstvoorstel: "De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen."
Op deze wijze wordt enerzijds geborgd dat er een evaluatie wordt gehouden indien de meerderheid van de deelnemers daartoe verzoekt – het Algemeen Bestuur richt zich immers naar het belang van de deelnemers, maar wordt anderzijds voorkomen dat er een verplichting ontstaat om (bijvoorbeeld) iedere vier jaar te evalueren. Evalueren is kostbaar, waardoor er vanuit efficiency overwegingen niet vaker dan noodzakelijk van dit middel gebruik zou moeten worden gemaakt. worden gemaakt. Gezien deze overwegingen is in de wijzigingsvoorstellen geen vaste termijn voor de evaluatie vastgelegd. Bij het voorgaande merken wij nog op dat de mogelijkheid van evaluatie ziet op een besluit dat door de meerderheid van het algemeen bestuur (dus de gezamenlijke deelnemers) moet worden genomen. Wenst een raad echter individueel een evaluatie te houden, dan blijft die mogelijkheid hoe dan ook bestaan. Daartoe zou de raad de gemeentelijke rekenkamer opdracht kunnen verlenen.79 5.2
Wijzigingsvoorstellen per categorie – beleidsarm en beleidsrijk
De wijzigingen die zien op de mogelijkheid tot participatie en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen, lenen zich voor een categoriale indeling. De mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen dient onzes inziens nadrukkelijker te worden geboden bij beleidsrijke regelingen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid tot participatie. 5.2.1 Wijzigingsvoorstellen voor beleidsarme regelingen Voor beleidsarme regelingen stellen wij de volgende regeling voor het indienen van zienswijzen voor. Wij merken daarbij op dat deze voorstellen niet gelden voor ISD Kompas en ISD BOL. Zij zijn namelijk zogenaamde gemengde regelingen – te weten regelingen waarin ook raadsleden zitting hebben in het algemeen bestuur. Bij deze regelingen is de raadsbetrokkenheid daarom hoe dan ook al gewaarborgd.
79
Zie artikel 184 Gemeentewet.
Pagina
33/58
Zienswijzemogelijkheid bij opheffing van de regeling Voor zover dit nog niet in de regeling is opgenomen, stellen wij voor om de zienswijzeprocedure van artikel 1 van de Wgr bij de opheffing van een gemeenschappelijke regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren. Opheffing van een regeling kan namelijk ingrijpende gevolgen hebben voor de deelnemers, waardoor wij ons kunnen voorstellen dat het vragen van een voorafgaande zienswijze van de raden gewenst wordt geacht. Deze bepaling zou dan als volgt kunnen gaan luiden: "De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemers gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen."
Zienswijzemogelijkheid voorafgaand aan het vaststellen van strategische meerjarenplannen Daarnaast stellen wij voor om in de regeling een zienswijzemogelijkheid te bieden bij de voorbereiding van strategische meerjarenplannen. Zoals in hoofdstuk 3 van dit memo al is opgemerkt, zijn dergelijke plannen namelijk richtinggevend voor de toekomstige koers van gemeenschappelijke regelingen en kan de kaderstellende rol van raden juist worden versterkt door de raden al in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de toekomstige strategische koers. Een dergelijke zienswijzemogelijkheid zou als volgt kunnen worden vormgegeven: "Het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen."
Uiteraard is ook bij deze bepaling maatwerk mogelijk. Dat laatste is hoe dan ook aan de orde als de strategische plannen een bepaalde naam dragen. Indien uw gemeenschappelijke regeling maatwerk wenst, dan verzoeken wij om dit uiterlijk voor 1 maart a.s. aan ons kenbaar te maken, zodat wij de tekstvoorstellen daarop kunnen laten aansluiten. Participatierecht raden Tijdens de raadssessie in Zuid-Limburg werd geopperd om een bepaling te maken waarbij raadsleden permanent een soort participatierecht bij de gemeenschappelijke regeling krijgen. Dat is echter moeilijk vorm te geven. Wij geven daarom dit alternatief mee:
Pagina
34/58
Artikel (…) Zienswijze raden 1.
Het algemeen bestuur beslist bij een voorstel dat voor de gemeenten ingrijpende gevolgen kan hebben niet alvorens de raden door het dagelijks bestuur om zienswijzen zijn gevraagd. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
2.
Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
3.
Indien het eerste of tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur bekend te maken. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Bij besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam die voor de gemeentebesturen ingrijpende gevolgen kunnen hebben moet het dagelijks bestuur de raden om zienswijzen te vragen. Het dagelijks bestuur beslist wanneer het vindt dat de besluiten ingrijpende gevolgen (kunnen) hebben. Het dagelijks bestuur moet in elk geval zienswijzen vragen wanneer ten minste twee gemeenteraden hierom verzoeken. In beide gevallen mag het algemeen bestuur niet beslissen dan voordat de gemeenteraden in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen bij het dagelijks bestuur. De raden hebben daar 12 weken de tijd voor. Slechts in spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van de zienswijzeprocedure. Het dagelijks bestuur moet dit besluit dan expliciet motiveren aan de gemeenteraden. Het dagelijks bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de raden te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden. Het dagelijks bestuur moet deze reactie aan de raden zenden vóórdat het algemeen bestuur tot besluitvorming overgaat. Op die manier kunnen de raden, indien gewenst, hun opvattingen nog meegeven aan hun leden in het algemeen bestuur.
Burgerparticipatie Ten aanzien van de mogelijkheid van burgerparticipatie merken wij op dat de categorie beleidsarme regelingen juist wordt gekenmerkt door het feit dat zij geen beleid vaststellen. Dat doen de deelnemers zelf. Om die reden achten wij het ook Pagina
35/58
passend om de mogelijkheid van participatie bij de betrokken deelnemers te laten. Participatie is en blijft daarmee mogelijk via de reguliere procedures bij de deelnemers. Het tekstvoorstel luidt in dat kader als volgt: "Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid."
Bij het voorgaande merken wij op dat dit een algemene bepaling is en dat deze niet afdoet aan het gegeven dat de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz al werkt met cliëntenraden, waarmee ook al participatie wordt geborgd. Voor Omnibuzz wordt daarom een afwijkend participatievoorstel voorgesteld. Nog te verwerken aanvulling Tijdens het overleg met de gemeentesecretarissen is verzocht om in de gemeenschappelijke regelingen een bepaling op te nemen die ertoe strekt dat het algemeen bestuur zelfstandig kan besluiten tot het inrichten van een inspraakprocedure. Deze aanvulling wordt overgenomen. Na afloop van de zienswijzeprocedure zal daarom na de bovengenoemde tekst de volgende tekst worden ingevoegd: 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
5.2.2 Wijzigingsvoorstellen voor beleidsrijke regelingen Voor de tweede categorie, de beleidsrijke regelingen, hebben wij bezien in hoeverre het gewenst is om in de regeling een aanvullende regeling omtrent het indienen van zienswijzen voor te stellen. Concreet geldt dit enkel voor de Veiligheidsregio's. Met de Veiligheidsregio's is echter besproken dat uit de artikelen 14 tot en met 17 van de Wet veiligheidsregio's al volgt dat zienswijzen moeten worden gevraagd voorafgaand aan het vaststellen van risicoprofielen, beleidsplannen, crisisplannen en rampenbestrijdingsplannen. Nu de wet zelf al voorziet in ruime zienswijzenmogelijkheden bij het vaststellen van beleidsplannen door de Veiligheidsregio's zelf en de Veiligheidsregio's hebben aangegeven dat zij – buiten de strategische meerjarenplannen – verder geen andere (beleids)plannen vaststellen, stellen wij voor om ook voor de beleidsrijke regelingen geen aanvullende regeling omtrent het indienen van zienswijzen voor te
Pagina
36/58
stellen. Alle Limburgse gemeenschappelijke regelingen die meedoen aan het gezamenlijke traject, krijgen zo uniforme voorstellen. 5.2.3 Overige werkafspraken Los van de hiervoor besproken wijzigingen die nodig zijn aan de tekst van de gemeenschappelijke regelingen, geldt daarnaast dat enkele – uniforme – werkafspraken onzes inziens nuttig zijn. Die werkafspraken zien dan concreet op werkwijzen die tot doel hebben om de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering binnen de regeling en om de samenwerking met de deelnemers te vergroten. Het gaat dan concreet om de bevoegdheid tot het instellen van regionale raadsadviescommissies en afspraken omtrent het indienen van de ontwerpbegroting. Regionale raadsadviescommissies Zoals wij in hoofdstuk 2 van dit advies ook al opmerkten, is er voor de instelling van een regionale raadsadviescommissie geen aparte wettelijke regeling nodig; de gemeenteraden kunnen daar gezamenlijk toe besluiten. Nu een raadsadviescommissie een zwaar instrument betreft omdat alle raden daartoe moeten besluiten en het algemeen bestuur de commissie vervolgens dient in te stellen, verwachten wij dat in de praktijk weinig van dit instrument gebruik zal worden gemaakt.
Nu het desondanks nuttig kan zijn om raadsleden op gezette tijden te betrekken bij de bedrijfsvoering, stellen wij voor om aan de raden voor te stellen om regionale agendacommissies samen te stellen. Deze agendacommissies werken dan voor alle samenwerkingsverbanden in de regio en bestaan uit één of twee raadsleden per gemeenteraad. De agendacommissies kunnen zodoende gaan opereren als een vooruitgeschoven post van de gemeenteraden, waardoor besluiten en strategische visies zachter kunnen "landen". In de Noord-Limburgse gemeenten wordt sinds enkele maanden gewerkt met een dergelijke agendacommissie en wij begrepen dat de eerste ervaringen positief zijn. Voorgesteld zou kunnen worden om dit initiatief ook door te trekken naar de Midden- en Zuid-Limburgse gemeenten. Bij het voorgaande merken wij op dat het instellen van een raadscommissie niet mogelijk is voor Geul en Maas. Bij ISD Bol ligt het niet voor de hand wanneer er ook raadsleden zitting nemen in het algemeen bestuur. Dan zouden raadsleden immers gaan adviseren aan andere raadsleden. Begroting In hoofdstuk 3 van dit memo hebben wij de verplichte wijzigingen voor wat betreft de begroting uiteengezet. Feit is echter wel dat door deze wijzigingen de raden in een lastig parket worden gebracht.
Door de nieuwe termijnen voor het aanbieden van de ontwerpbegroting aan de raden valt de zienswijzeprocedure bij de raden namelijk volledig in het zomerreces. Tijdens de bijeenkomst van 29 september jl. is daarom voorgesteld om de werkafspraak te maken dat de ontwerpbegroting net als nu rond 30 april van ieder jaar zal worden aangeboden. De zienswijzetermijn loopt Pagina
37/58
dan begin juli van ieder jaar, dus net voor het zomerreces, af. De raden worden daarmee gefaciliteerd. Dit voorgestelde werkproces is ook besproken met de griffiers van de gemeenten in Limburg. Ook zij hebben aangegeven dat zij dit voorgestelde werkproces omarmen. Voorgesteld wordt daarom om dit werkproces over te nemen. Ondanks dat de voornoemde werkafspraak reeds was gemaakt, hebben de gemeentesecretarissen tijdens het overleg van 1 juni 2023 verzocht om de voornoemde werkafspraak in de gemeenschappelijke regelingen zelf op te nemen. Zoals ook volgt uit pagina 30 van dit memo, zullen de regelingen daarop na afloop van de zienswijzeprocedure worden aangepast. Zienswijze op de kadernota Tijdens het traject is tevens onderzocht in hoeverre een aanvullende zienswijzemogelijkheid op de kadernota eraan kan bijdragen dat gemeenteraden daadwerkelijk meer grip krijgen en houden op het in een gemeenschappelijke regeling gevoerde bestuur. Formeel hoeft de gemeenteraad namelijk niets met de kadernota te doen, anders dan deze voor kennisgeving aan te nemen. Wenst de raad hierover te debatteren en erop te reageren, dan dient de raad dit tijdig te doen. Als de ontwerpbegroting immers al is toegezonden, dan heeft het reageren op de kadernota namelijk weinig zin meer.
Nu de praktijk bij de deelnemende gemeenschappelijke regelingen is, dat de kadernota gelijktijdig met de ontwerpbegroting wordt toegezonden, is zowel door de gemeenschappelijke regelingen als door de aanwezige raads- en collegeleden tijdens de informatiesessies geconcludeerd dat het creëren van een aanvullende zienswijzemogelijkheid op de kadernota niet leidt tot meer grip. Wel wordt in overweging meegegeven om de ontwerpbegroting te vergezellen van een korte oplegnotitie waarin de hoofdpunten van de financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar zijn opgenomen. Over de band van de zienswijze op de ontwerpbegroting kan de visie van de raden dan worden opgehaald over de hoofdlijnen van de kadernota. Zienswijze op jaarrekening Onderzocht is tevens of een aanvullende zienswijzemogelijkheid op het concept van de jaarrekening bijdraagt aan het creëren van meer grip op het in een gemeenschappelijke regeling gevoerde bestuur. Ook hier is geconcludeerd dat in het gezamenlijke traject geen uniforme zienswijzebepaling wordt voorgesteld. De jaarrekening ziet namelijk op al gedane uitgaven voor al gemaakte keuzes. Een extra zienswijzemogelijkheid op de jaarrekening, draagt zodoende in de basis niet direct bij aan de mogelijkheid van de Pagina
38/58
raden om hun kaderstellende rol te kunnen pakken. Sturing aan de voorkant van de beleidscyclus kan met een zienswijzemogelijkheid op de jaarrekening dus niet worden gecreëerd. Bij het voorgaande merken wij nog op dat een zienswijzemogelijkheid op de jaarrekening in de basis uiteraard wel mogelijk is. Wij geven echter mee dat de door ons voorgestelde wijzigingen zijn gedaan vanuit de gedachte dat de wijzigingen daadwerkelijk en effectief zouden moeten bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de raden bij het in een gemeenschappelijke regeling gevoerde bestuur. De democratische invloed wordt naar onze mening niet doelmatig (efficiënt) vergroot met het creëren van een zienswijzemogelijkheid op de concept jaarrekening. Deze visie werd gedeeld tijdens de informatiesessies met de colleges, raden, griffiers en coördinerend juristen.
Democratische invloed
Doelmatigheid (efficiency)
Ad hoc zienswijze Thans wordt aldus voorgesteld om de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op besluiten alleen toe te passen op het vaststellen van strategische meerjarenplannen en de opheffing van de regeling. Dit laat echter onverlet dat het hoe dan ook mogelijk is dat raden af hoc om een zienswijze wordt gevraagd. Daarvoor is geen aparte regeling in uw gemeenschappelijke regelingen zelf nodig, omdat een dergelijke optie tot het indienen van een zienswijze onvoldoende concreet kan worden vormgegeven. Wij kunnen ons voorstellen dat ad hoc om zienswijzen wordt gevraagd als er tussentijds sprake is van een belangrijke beleidswijziging die buiten de afgesproken kaders valt. Burgerparticipatie De mogelijkheid van burgerparticipatie wordt in de nu voorliggende voorstellen belegd bij de reguliere procedures van de colleges en raden zelf. Om te waarborgen dat de inhoud van een inspraakreactie ook daadwerkelijk bij de gemeenschappelijke regeling landt, bevelen wij aan om de werkafspraak te maken dat – indien er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van inspraak – de raden en/of colleges dan wel verplicht zijn om het bestuur van de gemeenschappelijke regeling onverwijld op de hoogte te stellen van de uitkomsten van de inspraakprocedures.
Wij merken op deze plek op dat wij het niet passend achten om deze werkafspraak in de tekst van de gemeenschappelijke regelingen zelf vast te leggen, omdat een gemeenschappelijke regeling strikt genomen geen verplichtingen voor de raden en colleges kan vastleggen. Pagina
39/58
VI.
WIJZIGINGEN WEGENS DE WET ELEKTRONISCHE PUBLICATIES
Voorts leidt ook de inwerkingtreding van de Wet elektronische publicaties (hierna: "WEP") ertoe dat de tekst van de gemeenschappelijke regelingen moet worden aangepast. Deze wet verplicht de gemeenschappelijke regelingen sinds 1 juli 2021 om alle officiële publicaties online te zetten via de website officielebekendmakingen.nl. Meer concreet is met de inwerkingtreding van de WEP het volgende gewijzigd: -
-
-
Vervallen toezending Gedeputeerde Staten: Als gevolg van de inwerkingtreding van de WEP hoeft de (wijziging van de) regeling niet meer te worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Gemeente van de plaats van vestiging moet wijzigingen bekendmaken in eigen Gemeenteblad: daarnaast moet de gemeente van de plaats van vestiging de gemeenschappelijke regeling bekendmaken in het eigen Gemeenteblad, en; Centraal elektronisch register van gemeenschappelijke regelingen: Ten derde is het gemeentelijke register voor gemeenschappelijke regelingen komen te vervallen. Dit register is vervangen door een landelijk door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij te houden register.
De voornoemde wijzigingen zijn bij vrijwel alle regelingen nog niet doorgevoerd in de teksten, waardoor wij bij wijze van extra dienstverlening voorstellen om die in het huidige wijzigingsvoorstel mee te nemen. Concreet betekent dit dat wij de oude bekendmakingsregelingen zullen schrappen en daarvoor in de plaats het volgende tekstvoorstel voorstellen: Tekstvoorstel: 1.
"Het college van de gemeente (…) maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door (….) uitgegeven Gemeenteblad.
2.
Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet."
VII.
ARCHIEFBEPALINGEN
Tot slot doen wij op deze plek voorstel voor een wijziging van de archiefbepalingen van uw gemeenschappelijke regelingen. Wij begrepen namelijk dat de provincie Limburg er bij een groot aantal regelingen op heeft aangedrongen om de archiefbepalingen aan te scherpen. Wij stellen daarvoor de volgende standaardregeling voor.
Pagina
40/58
Ten aanzien van deze standaardbepaling merken wij op dat deze is afgestemd met deskundigen op het gebied van archivering, waaronder de heren Geert Luijkx en Ingmar Koch, gemeentearchivaris, waterschapsarchivaris en Rijksarchivaris. De instemmingsbrief is als bijlage 7 bij dit memo gehecht: 1.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.
2.
De directeur/secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3.
Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
4.
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van (…).
5.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van (…).
6.
De archivaris brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
7.
Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het openbaar lichaam.
VIII. VOORSTEL VOOR IMPLEMENTATIEPROCES In dit memo hebben wij een voorstel gedaan voor de wijziging van uw gemeenschappelijke regelingen. Het proces om te komen tot de daadwerkelijke implementatie van de wetswijziging is daarmee begonnen. In de onderstaande tabel is het volledige implementatieproces weergegeven. Met inachtneming van het voorgaande ziet het implementatieproces er als volgt uit (zie volgende pagina). De reeds doorlopen stappen zijn daarbij in groen aangegeven.
Pagina
41/58
Schema implementatieproces Processtap
Wat?
27 september 2022 15 oktober 2022 3 november 2022 November-december 2022
Startbijeenkomst indien gewenst: leveren input Sessie griffiers Opstellen memo met wijzigingsmogelijkheden en voorstel voor implementatie Sessie 2: GR'en in Venlo Informatiesessies raden, colleges, PS, GS, AB en DB in Maasbracht en SittardGeleen Informatiesessie gemeentejuristen Uiterlijke datum aanleveren Wordbestanden GR'en en leveren input voor maatwerk t.a.v. voorgestelde wijzigingen Sessie 2 griffiers Opstellen concrete tekstvoorstellen per categorie GR Sessie 3: GR'en in Venlo – individuele 15 minuten gesprekken via MS Teams - Afstemming raadsgriffiers en gemeentesecretarissen i.v.m. planning zienswijze- en toestemmingsprocedures - voorbereiding oplegnotities voor besluitvorming Start van het formele wijzigingsproces: Instemming dagelijkse en algemene besturen Zienswijzeprocedure: het advies is om de zienswijzetermijn in ieder geval deels buiten het zomerreces te laten vallen Extra digitale raadssessies tijdens de zienswijzeprocedure voor het stellen van technische vragen Toestemming raden Inwerkingtreding gewijzigde gemeenschappelijke regelingen
17 januari 2023 30 januari en 1 februari 2023
28 februari 2023 15 februari 2023
6 maart 2023 Februari-maart 2023 18 april 2023 April/mei 2023
Mei – juli 2023
September-oktober 2023
18 en 20 september 2023
Januari – mei 2024 1 juli 2024
Pagina
42/58
1. Bijlage 1: Afwijkende bepalingen veiligheidsregio’s Hieronder worden alleen bepalingen opgenomen die afwijken. Is hier niets opgenomen dan gelden de standaardbepalingen uit het memo. "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de artikelen 8 en 9 van de Wet veiligheidsregio’s.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
3.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
NB.1 De overige artikelen rond uittreding blijven onverkort van kracht. NB. 2 In het tweede lid is de zinsnede " of de wet tot een andere datum dwingt" opgenomen. Een dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een gemeentelijke herindeling. Zienswijzemogelijkheid bij opheffing van de regeling "De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde in artikel 8 en 9 van de Wet veiligheidsregio’s. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemers gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen."
Pagina
43/58
2. Bijlage 2: Afwijkende bepalingen GGD Hieronder worden alleen bepalingen opgenomen die afwijken. Is hier niets opgenomen dan gelden de standaardbepalingen uit het memo. "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 14 van de Wet publieke gezondheid.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
3.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
NB. De overige artikelen rond uittreding blijven onverkort van kracht. Zienswijzemogelijkheid bij opheffing van de regeling "De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemers gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen."
Pagina
44/58
3. Bijlage 3: Afwijkende bepalingen Omgevingsdiensten Hieronder worden alleen bepalingen opgenomen die afwijken. Is hier niets opgenomen dan gelden de standaardbepalingen uit het memo. Actieve informatieplicht "Het dagelijks bestuur | algemeen bestuur | de voorzitter geeft de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van Limburg schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."
Zienswijzemogelijkheid voorafgaand aan het vaststellen van strategische meerjarenplannen "Het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten onderscheidenlijk provinciale staten van Limburg gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen."
Begroting "Artikel (…) Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de colleges en raden onderscheidenlijk aan gedeputeerde staten en provinciale staten. 2.
De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.
De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
4.
Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en provinciale staten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5.
Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
6.
Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Pagina
45/58
7.
Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de gemeenten en aan provinciale staten, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
8.
Het bepaalde in het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het derde en het zesde lid genoemde termijn, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Optioneel: 9. Het achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers.
Artikel (…) Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 217 van de Provinciewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 58b van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum toe aan de raden en provinciale staten. 2.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voorts aan de raden en provinciale staten.
Optioneel: 3. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer."
Uittreding "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten of het college van gedeputeerde staten van een deelnemende provincie kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
3.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden
Pagina
46/58
voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
NB. 1 De overige artikelen rond uittreding blijven onverkort van kracht. NB. 2 We gaan er hierbij vanuit dat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt. Zienswijzemogelijkheid bij opheffing van de regeling "De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden onderscheidenlijk provinciale staten van de deelnemers gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen."
Pagina
47/58
4. Bijlage 4: Afwijkende bepalingen gemeenschappelijk orgaan Hieronder worden alleen bepalingen opgenomen die afwijken. Is hier niets opgenomen dan gelden de standaardbepalingen uit het memo. Actieve informatieplicht "Het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."
Zienswijzemogelijkheid voorafgaand aan het vaststellen van strategische meerjarenplannen "Het gemeenschappelijk orgaan besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het gemeenschappelijk orgaan naar voren te brengen."
Begroting "Artikel (…) Begroting 1. Het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze door het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld toe aan de colleges en raden. 2.
De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.
De raden kunnen bij het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.
4.
Het gemeenschappelijk orgaan stelt de raden van de gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5.
Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
6.
Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 34, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum zendt het gemeenschappelijk orgaan de begroting aan gedeputeerde staten.
7.
Nadat de begroting is vastgesteld zendt het gemeenschappelijk orgaan de begroting aan de raden van de gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
Pagina
48/58
8.
Het bepaalde in het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het derde en het zesde lid genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Optioneel: 9. Het achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers.
Artikel (…) Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van het orgaan wordt door het gemeenschappelijk orgaan over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het gemeenschappelijk orgaan de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum toe aan de raden. 2.
Het gemeenschappelijk orgaan zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 34, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden.
Optioneel: 3. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het gemeenschappelijk orgaan ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer." Uittreding "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het gemeenschappelijk orgaan. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.
3.
Het gemeenschappelijk orgaan inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het gemeenschappelijk orgaan vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het gemeenschappelijk orgaan het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Pagina
49/58
Artikel (…) 1.
Procedure en inhoud van het uittredingsplan
Het in artikel (…), derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
2.
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het gemeenschappelijk orgaan een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het gemeenschappelijk orgaan het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
3.
Het gemeenschappelijk orgaan wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het gemeenschappelijk orgaan de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het gemeenschappelijk orgaan, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het gemeenschappelijk orgaan van de uittredende deelnemer.
4.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel [voorgaande artikel] in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5-10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5.
Het gemeenschappelijk orgaan gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het gemeenschappelijk orgaan onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het gemeenschappelijk orgaan van het besluit tot uittreding van de deelnemer."
Evaluatie "De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het gemeenschappelijk orgaan daartoe besluit. Het gemeenschappelijk orgaan zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen."
Pagina
50/58
5. Bijlage 5: Afwijkende bepalingen BsGW Hieronder worden alleen bepalingen opgenomen die afwijken. Is hier niets opgenomen dan gelden de standaardbepalingen uit het memo. Actieve informatieplicht "Het dagelijks bestuur | algemeen bestuur | voorzitter geeft de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."