Bijlage 1 Motivering, regels en verbeelding Ceresweg 4
Tekst van het document
De stikstoftoename als gevolg van deze betonwagen wordt echter gemitigeerd omdat deze uitgevoerd gaat worden door een emissieloze betonmixer. In de gebruiksfase treedt geen wijziging op, omdat het aantal woningen in het plangebied niet toeneemt. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Soortenbescherming In de huidige situatie bestaat de beoogde locatie van de landelijke kapschuur uit een braakliggend stuk agrarische grond (kadastraal perceel 592), dat regelmatig wordt gemaaid. Gezien het huidige gebruik met relatief kort gehouden begroeiing, kan gesteld worden dat ter plaatse geen beschermde soorten aanwezig zijn waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Er gelden zodoende geen belemmeringen vanuit de Omgevingswet. Vanwege de bestaande situatie, alsmede de toekomstige inrichting, wordt het uitvoeren van een veldonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het verder onderzoeken van aanwezige flora- en fauna wordt in dit kader namelijk niet effectief bevonden. Er bevinden zich ook geen bomen en struiken in het plangebied die gerooid moeten worden. Verder geldt voor alle soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, een zogenaamde 'algemene zorgplicht'.
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden, zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. In het kader van de Omgevingswet zijn er, met inachtneming van de zorgplicht en broed- en nestperiode, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
32
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.8.2
Doorvertaling planvoornemen
Archeologie Op de verbeelding van het tijdelijke omgevingsplan is het plangebied voorzien van een archeologische gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 5'. Uit de bijbehorende juridische regels blijkt dat er geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden in het plangebied, omdat de nieuwe landelijke kapschuur een bouwwerk betreft met een bruto oppervlakte van minder dan 400 m² die ruimschoots kleiner is dan 2.500 m², waarbij de verstoringsdiepte meer dan 40 cm onder maaiveld mag zijn. Cultuurhistorie Het plangebied betreft braakliggende bouwgrond. Raadpleging van de kaarten met cultuurhistorische en landschappelijke waarden leert dat er geen te beschermen cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden voor in het plangebied in het plangebied voorkomen. Er is daarmee als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake van aantasting van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 4.8.3
Conclusie
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
33
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
4.9
Leidingen
4.9.1
Regelgeving
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.9.2
Doorvertaling planvoornemen
In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het TAM-omgevingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
4.10
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.10.1 Regelgeving Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd. Voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.
4.10.2 Doorvertaling planvoornemen De voorliggende ontwikkeling maakt in planologische zin geen extra woningen mogelijk. Gelet hierop is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
34
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
4.11
m.e.r.-beoordeling
4.11.1 Regelgeving De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, zijn artikel 16.36, lid 3 en 4 en artikel 16.43 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde m.e.r.-beoordeling 2 mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-m.e.r. en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-m.e.r. nodig en er wordt geen MER gemaakt. Project m.e.r.-beoordeling Uit artikel 16.43, vierde lid aanhef en onder b blijkt bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een onderdeel van een omgevingsplan als een te nemen besluit voor een project wordt aangemerkt. In het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, en b. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Plan m.e.r.-beoordeling Er zijn 3 situaties waarin een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde kan komen: 1.
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-m.e.r.plichtig. In dit geval moet een plan-m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r.-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft. b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. 3. Als bij de voorbereiding van het plan op grond van artikel 16.53c van de Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt. 4.11.2 Doorvertaling planvoornemen Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow.
Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) en heeft gezien de aard en beperkte omvang geen betrekking op een stedelijk ontwikkelingsproject. Het betreft alleen het verplaatsen van een al bestaande onbenutte bouwmogelijkheid voor een bijgebouw uit het tijdelijke omgevingsplan naar een locatie nabij een bestaande woning. Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 4 Aspecten fysiek leefomgeving en milieu van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
35
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht. Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Woningbouw op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan gemeente Bergen (L) wordt het als hoofdstuk 22L toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) gelezen te worden. In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.
5.2
Opbouw van de regels
In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Hoofdstuk 2: Regels over functies Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan (in ieder geval onder de motorkap) nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan voor het buitengebied en het hiervan afgeleide handboek voor TAM-omgevingsplannen. Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten De regels voor de gebiedsaanwijzingen die betrekking hebben op de kaart met cultuurhistorische waarden (inclusief de bijbehorende tabellen), de kaart met landschappelijke waarden en de gebiedsaanwijzingen op het gebied van archeologie (= voormalige archeologische dubbelbestemmingen).
36
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Hoofdstuk 5: Overgangsregels In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht. Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat.
Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing. Verbeelding De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
5.3
Werkingsbereik/ toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22L wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22L van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).
5.4
Functies
Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven. Daarnaast zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Artikel 4 Agrarisch met waarden De voormalige locatie met daarop de onbenutte mogelijkheid voor realisatie van een landbouwschuur houdt deze bestaande agrarische functie. Alleen de aanduiding van de landbouwschuur ter plaatse komt te vervallen. Artikel 5 Tuin De gronden aan de westzijde van het plangebied zijn voorzien van deze functie. Deze functie is 1-op1 overgenomen uit het geldende ruimtelijke plan. Daarnaast is aan de noordoostzijde van het woonperceel een deel van de functie 'Wonen' vervallen. Dit deel is even groot is als het deel dat er aan de zuidzijde bijkomt. Omdat dit deel in de praktijk wel in gebruik is als tuin, heeft het ook deze functie gekregen.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
37
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Artikel 6 Wonen Binnen deze functie is één grondgebonden woning toegestaan. Aanvullend op de bestaande bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken, wordt ook de landelijke kapschuur mogelijk gemaakt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 10' (zie artikel 6.4.2 onderdeel b 'bijbehorende bouwwerken onder g). Dit dus in ruil voor het laten vervallen van de mogelijkheid om een landbouwschuur te realiseren binnen de agrarische functie. Bouwmogelijkheden Gebouwen moeten worden opgericht in het aangegeven bouwvlak. De maximum bouwhoogte van het hoofdgebouw is aangegeven op de verbeelding. Ten behoeve van de woonfunctie mogen op de percelen, naast hoofdgebouwen, tevens aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd. Omdat de percelen in omvang kunnen variëren wordt de oppervlakte van aan- en uitbouwen gerelateerd aan het oppervlak van het perceel. Erfafscheidingen Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Voor het overige zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m.
38
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het TAM-omgevingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast is een overeenkomst afgesloten waarin de afwikkeling van eventuele verzoeken tot nadeelcompensatie is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het TAM-omgevingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.
6.2
Inspraak
Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van woensdag 15 oktober t/m dinsdag 25 november 2025 (gedurende 6 weken) ter inzage gelegen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend. Wel is er op 15 oktober 2025 een informele reactie met vragen van de provincie Limburg ontvangen op het gebied van stikstof, ecologie en landschap. Deze vragen zijn beantwoord en hebben geleid tot ambtshalve wijzigingen in subparagraaf 3.2.2 'Omgevingsverordening Limburg', paragraaf 4.6 'Waterhuishouding' en paragraaf 4.7 'Ecologie'.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
39
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
40
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Bijlagen bij motivering
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
41
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Bijlage 1
42
Topotijdreis Ceresweg 4
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Ceresweg 4 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22L]) van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L.). Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22L] van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L.). In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22L.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22L.]’ gelezen worden.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
43
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende bepalingen
Toepassingsbereik
Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3. 1.2
Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat (vangnetbepaling)
De regels in afdeling 22.2 van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.3
Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01.
44
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 van toepassing verklaring Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan. 2.2
aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.97 gehanteerd; 2.3 plan het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4] met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01 van de gemeente Bergen (L.) 2.4 TAM-omgevingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 2.5 omgevingsplan gemeente Bergen (L) omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; 2.6 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 aangebouwd bijbehorend bouwwerk een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 2.9 aan-huis-verbonden bedrijf het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.
het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 2.10 aan-huis-verbonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend; 2.11 afhankelijke woonruimte een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is; 2.12 agrarisch bedrijf een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 2.13 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden);
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
45
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.14 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden); 2.15 archeologisch onderzoek een onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een certificaat ex artikel 5.1 van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA). Een archeologisch onderzoek is slechts afgerond zodra een archeologisch rapport ter goedkeuring aan de gemeente kan worden overlegd. 2.16 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2.17 bebouwingspercentage een op de verbeelding of in de regels aangeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd door gebouwen en overkappingen; 2.18 bed & breakfast het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies met ontbijt, in het hoofdgebouw of in één van de bestaande bijbehorende bouwwerken; 2.19 bedrijf elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze regels
eveneens als bedrijf aangemerkt; 2.20 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten; 2.21 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de functie, noodzakelijk is; 2.22 beeldbepalende (monumentale) boom een uit stedenbouwkundig, landschappelijk, cultuurhistorisch, natuurlijk of ecologisch oogpunt belangrijke boom. Een meestal solitaire, goed geproportioneerde boom (soms in semi-bosverband of op een erf), met een leeftijd van vaak meer dan 100 jaar en een grote omvang; daardoor visueel zeer opvallend; 2.23 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
2.24 bijbehorend bouwwerk een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 2.25 bijbehorende voorziening zaken ter ondersteuning van een adequate bedrijfsvoering, zoals een mestbe- en verwerkingsinstallatie voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, luchtwassers, wasplaatsen, weg- en waterbouwkundige voorzieningen danwel energievoorzieningen;
46
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.26 bijzondere huisvesting huisvesting in een woning zonder dat sprake is van een regulier huishouden, zoals kamerverhuur, huisvesting van seizoensarbeiders en bijzondere woonvormen voor mensen met sociale, lichamelijke of geestelijke beperkingen waarvoor de woningen beschikken over speciale voorzieningen danwel waarbij de bewoners professionele ondersteuning kunnen krijgen om zelfstandig te kunnen wonen; 2.27 bos een grondoppervlakte waarvan bomen en houtachtige struiken de belangrijkste structuur uitmaken, waartoe een eigen flora en fauna behoort, en die verder als levensgemeenschap gekarakteriseerd wordt door bestendigheid, wederzijdse beïnvloeding en inwerking op de omgeving; 2.28 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.29 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 2.30 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd en dat een oppervlakte beslaat van meer dan 50 % van het grondvlak van het hoofdgebouw, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 2.31 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is
toegelaten; 2.32 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 2.33 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 2.34 bouwwerk een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van functie hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; 2.35 bouwwerk, geen gebouw zijnde een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is 2.36 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan: a. de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving; b. de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarden.
2.37 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
47
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.38 energieopwekking voor eigen gebruik het opwekken van duurzame energie teneinde (geheel of gedeeltelijk) te kunnen voorzien in het energieverbruik van de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten van het ter plaatste gevestigde huishouden c.q. bedrijf; 2.39 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het TAM-omgevingsplan deze inrichting niet verbiedt; 2.40 erf- en terreinafscheiding met een open constructie (niet zijnde gaasnet hekwerk) een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft; 2.41 extensief recreatief medegebruik recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, zoals wandelen, vissen en fietsen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, bankjes, of een loopbrug; 2.42 gebouw een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.43 geomorfologische waarden landschappelijke waarden, die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis van de grond en die herkenbaar zijn in het bodemreliëf; 2.44 groenvoorziening ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden
begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren; 2.45 herbouw het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was; 2.46 hoofdgebouw een gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is. 2.47 huishouden een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; 2.48 hydrologisch neutrale ontwikkeling een ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie.
Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt; 2.49 inrichting een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer; 2.50 inrichtingsplan een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden;
48
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.51 kampeermiddel een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, een chalet of een trekkershut, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 2.52 kampeerterrein een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen; 2.53 kunstwerk een overig bouwwerk ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; 2.54 kwaliteitscommissie de commissie (of diens opvolger) belast met de advisering van het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van (bouw-)activiteiten en compensatie- maatregelen. Een en ander zoals vastgelegd in de 'Verordening Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Bergen (L)' 2.55 landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.
De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk gevel deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen; 2.56 landschappelijke inpassing inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen; 2.57 locatiegrens de grens van een locatievlak; 2.58 locatievlak een geometrisch bepaald vlak die is aangewezen voor een gebruiksdoel; 2.59 mestbassin een reservoir of een aarden put bekleed met folie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest; 2.60 mestbewerking de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding; 2.61 mestverwerking de behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten; 2.62 milieucategorie een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 2 bij deze regels
opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten. 2.63 natuurlijke waarden waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied; 2.64 natuurgebied een gebied met opvallende eigenschappen als het gaat om flora, fauna, geologische of landschappelijke gesteldheid, zoals tot uiting komt in een grote uitgestrektheid of biodiversiteit. Voorbeelden zijn beschermde landschappen en nationale parken;
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
49
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.65 nieuwbouw het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan geen bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was; 2.66 nutsvoorziening een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport, de telecommunicatie, het transport van drinkwater en afvalwater en daarmee vergelijkbare voorzieningen, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuis en een verdeelstation; 2.67 ondergeschikte detailhandel detailhandel die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie; 2.68 ondergeschikte horeca horeca die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie; 2.69 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden; 2.70 onderkomens voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf; 2.71 opslag het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter
plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel; 2.72 oude akkers agrarische gronden, tenminste sedert de middeleeuwen in gebruik als akker, zowel in combinatie als grote velden of als kleinere kampen; altijd gelegen op de drogere en van nature meest voedselrijke grond; 2.73 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 2.74 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal 3 wanden waarvan maximaal 1 eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport; 2.75 paardenbak een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden; 2.76 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 2.77 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg; b. voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'peil': de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zoals aangegeven door middel van de aanduiding 'peil'; c. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; d.
voor stacaravans: de bovenzijde van de begane grondvloer. 2.78 permanente bewoning bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;
50
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.79 recreatiewoning een gebouw of gedeelte van een gebouw dat periodiek dient als recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben; 2.80 reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat nu of op redelijke termijn voldoende werk en inkomen kan opleveren voor één volwaardige arbeidskracht die in duurzaam hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden; 2.81 ruimtelijke kwaliteitsverbetering verbetering van de kwaliteit van het buitengebied als tegenprestatie voor een ruimtelijke ontwikkeling, die verder gaat dan een landschappelijke inpassing van die ruimtelijke ontwikkeling, door het treffen van fysieke maatregelen die de stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden van het buitengebied versterken, waaronder de aanleg van natuur, de aanleg of het herstel van landschapselementen, de renovatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, de sloop van bebouwing en het verwijderen van verharding; 2.82 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 2.83 stacaravan een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken; 2.84 standplaats onder een standplaats wordt verstaan: vaste standplaats: een plaats die op een vaste dag in de week, vaste dagen in de week, of de gehele week zijn aangewezen voor het innemen gedurende het hele jaar. De frequentie van het aantal dagen in de week is ondergeschikt, maar kent wel een minimum van één volledige dag. incidentele standplaats: een plaats op een locatie die voor een vooraf bepaalde duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar op één of meerdere dagen, maximaal 6 aaneengesloten, in de week wordt ingenomen.
2.85 stedenbouwkundig beeld het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte; 2.86 stedenbouwkundige waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw); 2.87 teeltondersteunende voorzieningen voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan; 2.88 tuin niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen;
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
51
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
2.89 veehouderij een inrichting bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; 2.90 voorgevel a. de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw; b. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel: de naar de weg gekeerde gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 2.91 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs de voorgevel van het hoofdgebouw; 2.92 waterbassin een voorziening, al dan niet een bouwwerk zijnde, ten behoeve van de opslag of buffering van water; 2.93 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten; 2.94 wonen het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden; 2.95 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 2.96 woonunit een geprefabriceerd, demontabel en/of relatief eenvoudig te verwijderen gebouw, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht (met de basisvoorzieningen) ten dienste van woonverblijf; 2.97 woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst
op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
52
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Artikel 3 3.1
Meet- en rekenbepalingen
Meetbepalingen
in aanvulling op en, indien van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Bergen, gelden de meetbepalingen van Artikel 3: 3.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 3.3 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.4 bouwhoogte van een windmolen horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de ‘straal’ (=diameter x 0,5) van de rotor. verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte. Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein. 3.5 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3.6 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.7 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.8 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren). 3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 3.10 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.11 ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. locatiegrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
53
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1
Specifieke regels over functies
Agrarisch met waarden
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden. 4.2
Functieomschrijving
4.2.1
Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden heeft de volgende functies: a. behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden; b. de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen, waarbij geldt dat veehouderijen uitsluitend zijn toegestaan op locaties zoals vermeld in bijlage 1; c. agrarisch grondgebruik; d. beweiden van grasland; e. extensief (dag)recreatief medegebruik; f. groenvoorzieningen en water; g. paden en wegen; h. waterhuishoudkundige voorzieningen; i. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden, zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 4 opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de bijlagen 5 en 6 opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden (geomorfologie), waarbij het bepaalde in artikel 13 van toepassing is; j. behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 7 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, waarbij het bepaalde in artikel 14 van toepassing is. 4.3
Gebruiksactiviteit
4.3.1
Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die: a. niet ten dienste staat van de in artikel 4.2.1 genoemde functies van de gronden; en b. niet in overeenstemming is met de in artikel 4.3.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 4.3.2
Teeltondersteunende voorzieningen
Teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn, zijn buiten het bouwvlak toegestaan. 4.4
Bouwactiviteit
4.4.1
Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2.
54
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
4.4.2
Beoordelingsregels
a Bouwwerken buiten het bouwvlak - gebouwen Gebouwen zijn niet toegestaan. b Bouwwerken buiten het bouwvlak - bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden zijn niet toegestaan; b. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak; c. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen of hekwerken bedraagt 1,5 m met dien verstande dat erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie; d. de maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m. 4.4.3
Afwijken van de beoordelingsregels
a Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen a. Het bevoegde gezag is bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 b onder b teneinde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, in de zin van bouwwerken, buiten het bouwvlak op te richten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. er is aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren binnen het bouwvlak'; 2. de voorzieningen uitsluitend aanwezig zijn zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden; 3. de landschappelijke waarden, met name in de zin van de karakteristieke openheid van agrarisch gebied met weinig bebouwing, niet onevenredig mogen worden aangetast; 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing; 5. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond; 6. de maximum bouwhoogte van boogkassen bedraagt 4 m. b. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit Omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt die voor het bevoegd gezag noodzakelijk zijn om de beoordeling aan de voorwaarden van lid a te kunnen doen. 4.4.4
Maatwerkvoorschriften
Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van: a. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit; b. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; c. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; d. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing; e. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
55
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
4.5
Omgevingsplanactiviteit
4.5.1 Paardenbakken a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak; b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan; 2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; 3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied; 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing; 5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen: de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m; afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie. 4.6
Aanlegactiviteit
4.6.1
Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten buiten het bouwvlak uit te (laten) voeren: a. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen; b. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m2 per agrarisch bedrijfsperceel; c. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwerken; d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de grond. e. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen; f. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging. 4.6.2
Uitzondering vergunningplicht
Het in 4.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden: a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd. 4.6.3
Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: a. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied; b. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn; c. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 7 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden.
56
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Artikel 5 5.1
Tuin
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin. 5.2
Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin heeft de volgende functies: a. beplanting zoals gras, bloemen, struiken en bomen; b. paden en verhardingen; c. parkeervoorzieningen; d. vijvers en sloten. 5.3
Gebruiksactiviteit
5.3.1
Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die: a. niet ten dienste staat van de in artikel 5.2 genoemde functies van de gronden; 5.4
Bouwactiviteit
5.4.1
Algemeen
Gebouwen en overige bouwwerken zijn niet toegestaan.
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
57
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
Artikel 6 6.1
Wonen
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 6.2
Functieomschrijving
6.2.1
Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 2 bij deze regels is gevoegd, met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk; c. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk; d. erven en tuinen; e. groenvoorzieningen en water; f. paden en wegen; g. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 4 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de in de bijlagen 5 en 6 bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden (geomorfologie). 6.2.2
Nadere detaillering
a Aantal woningen en soort woningen Per locatievlak dat is aangewezen als wonen is maximaal één woning toegestaan. 6.3
Gebruiksactiviteit
6.3.1
Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die: a. niet ten dienste staat van de in artikel 6.2.1 genoemde functies van de gronden; en b. niet in overeenstemming is met de in artikel 6.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 6.4
Bouwactiviteit
6.4.1
Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 6.2.
58
"TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]" (vastgesteld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4]
6.4.2
Beoordelingsregels
a Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. indien binnen een locatievlak een bouwvlak aanwezig is, mogen woningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de inhoud van een woning, exclusief bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval die bestaande vergunde inhoud als maximum geldt; c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt de inhoudslimiet van 800 m 3 niet voor langgevelboerderijen en voor cultuurhistorisch en/ of architectonisch waardevolle bebouwing die qua bouwmassa één geheel vormt met het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bedrijfsruimten bij de woning mogen worden getrokken, waarbij het aantal woningen gelijk dient te blijven; d. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6,5 m; e. de bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m; f. bij aangrenzende locatievlakken die zijn aangewezen als 'Wonen' dient de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 m te bedragen; g. de woning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°; h. in geval van herbouw dient het aantal woningen gelijk te blijven en dient de woning op de bestaande locatie binnen het locatievlak te worden terug gebouwd; i.