CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

2022.2118 Toelichting Elsteren 2 te Well 2024-05-06

Gemeenteraad 9 juli 2024, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Elsteren 2 in Well;13.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.1.9

Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken. Pluimvee- en varkenshouderijen

28

In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen. Binnen 1 kilometer is één varkenshouderij gelegen aan de Geijsterseweg 19 te Wanssum. Er zijn geen pluimveebedrijven binnen deze afstand gelegen vanaf het plangebied. Voor de varkenshouderij aan de Geijsterseweg 19 te Wanssum geldt een minimale afstand van 129 meter. Het plangebied is gelegen op ca. 900 meter vanaf de varkenshouderij. Hierdoor vormt het aspect endotoxine geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rondom geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Binnen de beoogde ontwikkeling worden drie burgerwoningen toegestaan.

Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzichte van het plangebied. Er zijn binnen van het plangebied 2 kilometer geen geitenhouderijen gesitueerd. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.2

Water Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming. Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ‘ruimte maken voor water’. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.

5.2.1

Beleidskader

Waterschap beleid: Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027: - Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van

29

-

-

-

stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving. Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn: - Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land; - Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten; - Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud; - Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.

Keur 2019 Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.

30

Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 22.910 m². Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag. Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). De wettelijke basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is vastgelegd in drie wetten. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm artikel 10.33).

Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. De Waterwet is sinds 2009 in werking getreden en beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Vanuit de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m² kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel. Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd.

De doelstellingen voor de komende planperiode zijn:

31

1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: - Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen - Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat de riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen.

Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. - Het afvoeren van rioolvreemd water (Rioolvreemd water is water van een andere herkomst dan dat in dit type riool voor hoort te komen, zoals drainagewater en grondwater in een vuilwaterriool of vuilwater in een hemelwaterriool.

Ook intredend oppervlaktewater via overstorten valt onder rioolvreemd water) dient zoveel mogelijk voorkomen te worden daar dit ten koste gaat van de werking van de riolering en zuivering. Alleen indien op grond van klachten foutieve aansluitingen worden vermoed, wordt dit onderzocht. Het preventief opsporen van foutieve aansluitingen zonder dat daar aanwijzingen voor zijn, beschouwt de gemeente niet als doelmatig.

32

Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: - Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; - Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; - In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht.

Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; - Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; - Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; - Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. - In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken. Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: - Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water.

Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn.

33

-

-

Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn.

De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast. Bestemmingsplanfase Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.

5.2.2

Huidige waterhuishoudkundige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied is sprake van bestaande bebouwing en verhardingen, zie figuur 13. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, kassen en paardenstal. Naast de bebouwing is er aan de voorzijde van het perceel een verharde oprit aanwezig en is

34

een gedeelte van de tuin verhard. In totaal bedraagt de hoeveelheid verharding en bebouwing circa 6360 m2.

Figuur 13: Bestaande verharding binnen het plangebied

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden. Het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’. Een deel van het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’, zie figuur 4. Deze dubbelbestemmingen worden in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Onderhavige ontwikkeling is voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij hebben aangeven geen belemmeringen te zien ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. In het kader van het gemeentelijk vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan nogmaals voorgelegd aan Rijkswaterstaat en het waterschap. Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie wordt het hemelwater van het glasdek opgevangen. Via een buizensysteem wordt het hemelwater onder de kas geïnfiltreerd in de bodem. Er wordt niet rechtstreeks geloosd op oppervlaktewater. Het condenswater uit de

35

condensgootjes loopt ook rechtstreeks de bodem in. Achter het bedrijf liep in het verleden een sloot. Deze is gedempt. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit In de huidige situatie wordt afvalwater geloosd op het riool. Er zijn geen aanwijzingen die erop wijzen dat er sprake is van een slechte waterkwaliteit. Aanwezig oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte Grondwaterstand De gemiddelde grootste grondwaterdiepten voor het besluitgebied variëren tussen 154 en 254 cm diepte. De gemiddelde kleinste grondwaterdiepten variëren tussen 94 en 241 cm diepte.

Figuur 14 grondwaterstanden

36

Maailveldhoogte Het plangebied is deels gelegen op een donk, en deels op een oude rivierbedding echter is het hele perceel min of meer geëgaliseerd op een hoogte van ongeveer 13,5 meter, en daarmee een halve meter verhoogd ten opzichte van het perceel ten de noord-, en zuidoosten (zie figuur 15).

Figuur 15: uitsnede hoogtekaart

5.2.3

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie en waterbergingsopgave Beschrijving plan De beoogde situatie ziet toe op het amoveren van ca. 5500 m² bedrijfsbebouwing. Op een deel van de vrijkomende grond worden twee woningen gebouwd, en wordt de huidige bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Per saldo zal het verhard oppervlak afnemen. Het hemelwater afkomstig van bebouwing en verharding binnen het plangebied zal binnen het plangebied worden opgevangen en verwerkt. Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing significant afneemt zijn er vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen geen verdere maatregelen noodzakelijk. De nieuwe woningen worden aangesloten op de reeds aanwezige riolering. Via deze riolering zal het afvalwater worden afgevoerd. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater

37

In de huidige situatie wordt het hemelwatger afkomstig van de kassen, onder de kassen, in de bodem geïnfiltreed. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af aangezien er ca. 5000 m² bedrijfsbebouwing wordt geamoveerd. Daarnaast worden er twee nieuwe woningen gerealiseerd. Deze nieuwe woningen wateren af op eigen terrein. De afname van bebouwing heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. Er is namelijk meer ruimte om water direct te laten infiltreren in de grond. Conform de bodemdoorlatendheidskaart van het waterschap Limburg heeft het grootste gedeelte van de bodem binnen het plangebied een zeer goede bodemdoorlaatbaarheid waardoor het water goed kan infiltreren (figuur 16). In de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen die erop toeziet dat een bui van 60 mm binnen het plangebied moet worden verwerkt. In het kader van de omgevingsvergunning bouwen zal nader moeten worden onderzocht of een extra voorzieningen voor het infiltreren van hemelwater moet worden aangelegd.

Figuur 16: Uitsnede kaart bodemdoorlatendheid

Afvalwater In totaal zijn er in de beoogde situatie binnen het plangebied 3 woningen aanwezig. Deze woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke

38

rioleringssysteem. Voor het aansluiten van de twee nieuwe woningen zullen twee nieuwe aansluitingen moeten worden gemaakt. Een gemiddeld huishouden van 4 personen verbruikt circa 170 m3 water per jaar. Uitgaande van bewoning door een gezin van 4 personen zal de hoeveelheid afvalwater, afkomstig van het plangebied toenemen met 340 m3. Naar alle verwachting is het bestaande rioleringsstelsel in staat deze hoeveelheid afvalwater zonder problemen te verwerken. Grondwater Het grondwater zit zodanig diep dat dit geen belemmering vormt voor het plan. Gezien de kleinschalige ontwikkeling en het feit dat er bebouwing wordt geamoveerd is er meer ruimte om water op te vangen en te bergen. Dit heeft tevens een gelijkblijvend dan wel positief effect op het grondwater. Als de nieuwe woningen worden voorzien van een kelder kan dit wel invloed hebben op het grondwater. In het kader van de bouwvergunning moet dit nader inzichtelijk worden gemaakt

Waterkwaliteit & beheer Aangezien de hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied afneemt vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van de bergingscapaciteit van het rivierbed van de Maas. Onderhavige ontwikkeling is tevens voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij geven aan geen belemmeringen te zien ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. In het kader van het gemeentelijk vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan nogmaals voorgelegd aan Rijkswaterstaat.

5.2.4

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd.

39

De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied betreft ‘de Maasduinen’. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 975 meter ten oosten van het plangebied. Daarnaast is op een afstand van circa 3,5 kilometer ten westen van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Boschhuizerbergen’ gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator is de stikstofdepositie voor de beoogde ontwikkeling door een in kaart worden gebracht. Voor de volledige rapportage van de AERIUS berekening zie bijlage V.

Uit de AERIUS berekeningen volgt dat geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt als gevolg van het plan. Hiermee vormt stikstof geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan Elsteren 2 te Well.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op 1 juni 2023 is door Exlan een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage VI. Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van

40

beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Indien de paardenbox gesloopt wordt, dient deze bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het plangebied gelegen binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (5) en hoge archeologische verwachting (4) (figuur 17).

Figuur 17: Archeologische beleidskaart Bergen. Plangebied rood omcirkeld

41

Beleidslijn in de zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaatsvinden. Voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde geldt: • Middelhoge archeologische verwachting (5): Onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2500 m²; • Hoge archeologische verwachting (4): Onderzoekplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Op 31 augustus 2023 is het archeologisch onderzoek opgeleverd voor het plangebied (bijlage VII). Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge bruine enkeerdgronden in het plangebied zijn aangetroffen. Er zijn met uitzondering van boring 2 geen resten van een E- en/of B(C)-horizont waargenomen in de boringen.

Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie en/of opname in het bovenliggend dek door diepploegen in het (sub)recente verleden of als gevolg van teeltwerkzaamheden in de tuinbouwkas. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor de perioden (mesolithicum – nieuwe tijd) (middel)hoog. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf 40 cm – beneden maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd indien graafwerkzaamheden dieper dan dit niveau plaatsvinden. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Bergen). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Bergen), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden. Advies gemeente Bergen: ‘Het plangebied kent een dubbelbestemming waarde archeologie.

In dit geval een hoge archeologische waarde met een ondergrens onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 0,4 m1. (zie figuur 17).

42

We achten de kans dat door de uitgevoerde werkzaamheden het archeologisch sporenniveau is aangetast vrij groot. Dit zou getoetst kunnen worden op basis van het graven van archeologische profielputjes (uit te voeren door een archeologisch bureau), maar dat lijkt ons hier, gezien het planvoornemen, overbodig. Omdat ‘slechts’ een deel van de gronden in het plangebied (binnen de kas, ca 4.500 m²) op deze wijze is bewerkt, vinden wij het wel belangrijk om de dubbelbestemming binnen het plangebied te handhaven. Er is verder geen nader (gravend) onderzoek noodzakelijk. Dit betekent wat betreft het verlenen van een omgevingsvergunning geen (aanvullende) eisen ten aanzien van archeologie worden gesteld. Mochten er tijdens de graafwerkzaamheden voor de sloop en bouw tóch archeologische sporen en/of vondsten worden gedaan, dan dienen deze direct gemeld te worden bij de beleidsmedewerker belast met archeologie.

Indien echter de voorkeur ernaar uitgaat om de dubbelbestemming archeologie op basis van een onderbouwd archeologisch onderzoek door een gecertificeerd archeologisch bureau (voorgoed) te laten ‘afvoeren’, dan wordt geadviseerd hiervoor een veldonderzoek middels machinaal gegraven profielputjes te laten uitvoeren om te verifiëren of het archeologisch sporenniveau inderdaad ernstig is aangetast of zelfs volledig is verdwenen.’ In onderhavig bestemmingsplan blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen. Op deze wijze zijn de mogelijk aanwezige archeologische waarden voldoende geborgd.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Op de kaart behorende bij het Landschapsplan zijn in de nabijheid van het plangebied echter wel een aantal aanduidingen opgenomen (figuur 18).

43

Figuur 18: Cultuurhistorische/ landschappelijke waardenkaart gemeente Bergen

Conform de kaart behorende bij het Landschapsplan is in de nabijheid een belangrijke solitaire boom gelegen ten zuidoosten van het plangebied (groene ster). Verder is de bomenrij aan Elsteren een belangrijk landschappelijk element (groene streepjes). Tenslotte is ten zuiden van het plangebied een natuurterrein gesitueerd (lichtgeel). De beoogde ontwikkeling zal rekening houden met deze landschapselementen. Er zijn verder geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen en de omschakeling van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning. Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) kan bij de toevoeging van een vrijstaande woning in het buitengebied uitgegaan worden van maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent in totaal dat er binnen het plangebied maximaal 8,2 * 3 = 24,6 ≈ 25 motorvoertuigbewegingen per dag plaatsvinden. De bestaande infrastructuur in de omgeving en ter plaatse van het plangebied is in staat deit aantal verkeersbewegingen te verwerken. Daarnaast wordt tevens het

44

agrarische bedrijf ter plaatse definitief gestaakt waardoor deze (meer zwaardere) vervoersbewegingen vervallen.

5.6.2

Parkeren Parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Conform de Nota parkeernormen Bergen, vastgesteld op 25 april 2023, geldt dat bij de toevoeging van een vrijstaande woning in het buitengebied uitgegaan moet worden van 2,4 parkeerplaatsen. In totaal moet derhalve worden voorzien in 7,2 (afgerond 7) parkeerplaatsen. Het plangebied is voldoende groot om deze parkeerplaatsen op eigen grond te realiseren. In de landschappelijke inpassing (bijlage I) zijn de parkeerplaatsen weergegeven.

45

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen onderhavige ontwikkeling is sprake van een bouwplan. Een exploitatieplan is echter niet noodzakelijk aangezien de initiatiefnemer over voldoende middelen beschikt om de ontwikkeling mogelijk te maken en een planschadeovereenkomst wordt afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemers.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving middels een omgevingsdialoog. Een verslag van de omgevingsdialoog is in bijlage VIII opgenomen. Het bestemmingsplan ‘Elsteren 2 te Well’ is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn is één zienswijze ingediend. Voor de inhoud van de zienswijze en de reactie op de zienswijze wordt verwezen naar de Nota van zienswijzen in bijlage IX Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14248186/1