CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Advies Cie mer

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;3.756 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies over het MER in het kort De gemeente Bergen (L) wil in 2030 voorzien in de eigen energiebehoefte. Voor de helft daarvan wordt grootschalige opwekking van duurzame energie in Energielandgoed Wells Meer mogelijk gemaakt. Voordat de gemeente besluit over het benodigde bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen zijn de milieugevolgen in een milieueffectrapport (MER) onderzocht.1 De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd het MER te beoordelen. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER? Mogelijke locaties voor grootschalige energieopwekking zijn eerder onderzocht in het MER voor de Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer2. Gekozen is voor de locatie Wells Meer. In dit MER zijn drie modellen3 onderzocht met verschillende energiemixen van wind, zon en biomassa (model Productiegericht, Ingepast en Innovatief). Voor geluid scoort model Ingepast het gunstigst, voor landschap scoren de modellen Ingepast en Innovatief het beste. De gevolgen voor natuur en veiligheid zijn in de drie modellen als gelijk beoordeeld. Het model Productiegericht heeft de hoogste energieopbrengst. Gelet op de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA), inspraakreacties en de milieugevolgen van de modellen, is uit de drie modellen vervolgens een voorkeursmodel (VKM) samengesteld. Het VKM bestaat uit vier windturbines en 264 ha zonnevelden. Biomassa wordt niet meer voorzien binnen het plangebied, vanwege de beperkte mogelijkheden om door gebruik met reststromen of teelt van biomassa significant bij te dragen aan de gemeentelijke doelstelling. Het VKM heeft voor de meeste milieuaspecten neutrale of positieve gevolgen. Voor natuur, archeologie en verkeer zijn de gevolgen licht negatief en voor geluid en slagschaduw negatief. In de Goudgroene natuurzone (Natuurnetwerk Nederland) en Zilvergroene natuurzone treedt oppervlakteverlies op.

Om geluid- en slagschaduwhinder op woningen te beperken is een stilstandsregeling nodig. Vervolgens onderzoekt het MER binnen het VKM drie varianten voor wind (een lijnopstelling en twee clusteropstellingen). Voor zon is één variant uitgewerkt met een mix van vier verschillende typen opstellingen. Het MER maakt geen keuze voor een van de varianten voor wind, maar laat de bandbreedte aan effecten zien. Het voorontwerp-bestemmingsplan gaat uit van de variant grote clusteropstelling voor wind en diverse opstellingen voor zon. Het MER laat zien dat de doelstelling van de gemeente voor grootschalige duurzame energieopwekking ruim gehaald wordt met zon. In het MER zijn ook op hoofdlijnen de gevolgen van de aanleg van twee mogelijke kabeltracé’s beschreven voor een aansluiting op het hoogspanningsnet in Venray.

1

De Commissie m.e.r. heeft ontvangen het Milieueffectrapport Energielandgoed Wells Meer van 31 augustus 2020 en het voorontwerp van het bestemmingsplan Energielandgoed van 24 april 2020.

2

Meer informatie hierover vindt u in het grijze tekstkader op de volgende pagina van dit advies.

3

Het MER gebruikt het woord ‘model’ en niet ‘alternatief’. In dit advies wordt daarom ook van ‘model’ gesproken.

-1-

Wat is het advies van de Commissie? Het MER bevat veel waardevolle informatie en is gestoeld op goed onderzoek. Het rapport beschrijft helder en gestructureerd wat de milieugevolgen zijn van diverse energiemixen van wind, zon en biomassa. Het onderzoek naar effecten van geluid, slagschaduw en veiligheid is goed uitgevoerd. Voor het energielandgoed is een gedegen ruimtelijke visie opgesteld. Door een compacte energiemix is ook ruimte voor recreatie, natuur, landbouw en bedrijvigheid en een effectieve landschappelijke inkadering. Over de verstoring van de radar van defensie is nog nader onderzoek nodig4. De Commissie merkt op dat hoewel ook de informatie over natuur veelomvattend is en degelijk opgezet, het natuuronderzoek ten tijde van het opstellen van het MER nog niet was afgerond. Daarom is nu nog niet zeker dat het plan aan de natuurwetgeving voldoet. De opmerkingen van de Commissie over natuur hebben met name betrekking op af te ronden onderzoeken. De Commissie constateert dat het rapport ook op andere punten nog niet compleet is. Wat naast een beschrijving van de gevolgen van het plan voor de defensieradar en op beschermde natuurgebieden en soorten nog ontbreekt, is het volgende: •

Een navolgbare onderbouwing van de wijze waarop de drie modellen tot het voorkeursmodel hebben geleid en tot de varianten daarbinnen, waarmee ook voor een breed publiek inzichtelijk wordt hoe keuzes zijn gemaakt;

•

Een onderbouwing van de score van de effecten van zonnevelden op de bodem, de wijze waarop de effecten van de zonnevelden worden gemonitord, gelet op de onzekerheden daarover, en eventuele maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te herstellen;

•

De effecten op het landschap vanuit Duitsland gezien, om een volledig beeld van het plan te geven gezien de ligging van het plan nabij de grens;

•

Een beschrijving op hoofdlijnen van mogelijke milieueffecten van het tracé voor de netaansluiting ter plaatse van de doorkruising van de Maas.

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer zodat het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen volwaardig kan worden meegewogen. De gemeente heeft de procedure zo ingericht, dat het advies van de Commissie tezamen met de ontwerpbesluiten ter inzage wordt gelegd. Nu zijn dus nog geen (ontwerp-)bestemmingsplan en/of (ontwerp-)omgevingsvergunningen beschikbaar. De gemeente zal bij de besluitvorming daarom zelf moeten nagaan of het MER en de besluiten een op een op elkaar aansluiten.5 In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten over verhoging van het grondwaterpeil en het monitoren van de effecten op de bodem. Deze zijn bedoeld om bij te dragen aan de kwaliteit van de (vervolg)besluitvorming.

4

Dit kan gevolgen hebben voor het formaat van de windturbine en daarmee onder meer voor de energieopbrengst.

5

Het MER moet de milieugevolgen beschrijven uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Dit blijkt nog niet uit het voorontwerp van het plan. Zo horen het aanpassen van de Molenbeek en bedrijfsverzamelgebouwen (niet beperkt tot opslag/kantoor) volgens het MER niet tot het voornemen. Ook is niet aangegeven of – en zo ja hoe bijvoorbeeld de in het MER onderzochte cumulatieve effecten (geluid, slagschaduw) van de windturbines in Duitsland en plan Wells Meer worden verwerkt en bezoekersaantallen waar het MER vanuit gaat beperkt worden.

-2-

Achtergrond Om het energielandgoed mogelijk te maken is allereerst een locatiekeuze gemaakt in de Structuurvisie Wells Meer. De Commissie m.e.r. heeft in november 2018 over het MER voor de Structuurvisie geadviseerd onder projectnummer 3342. Voor sommige activiteiten en besluiten is het verplicht om een MER op te stellen. In dit geval gaat het om het oprichten van een windturbinepark (categorie D22.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) en een zonnepanelenpark (mogelijk categorie D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) voor een bestemmingsplan en omgevingsvergunningen. Omdat voor het plan tevens een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, is een gecombineerd plan/project-MER opgesteld. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten. Dat doet de initiatiefnemer. In haar advies gaat ze niet in op onvolkomenheden die volgens haar niet relevant zijn voor het besluit. Verschillende bevoegde gezagen besluiten over het Energielandgoed Wells Meer. De gemeenteraad van Bergen besluit over het bestemmingsplan en het college van B&W van Bergen over de omgevingsvergunningen.

Voor de vergunning en de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is de provincie Limburg bevoegd gezag en voor een eventuele vergunning op grond van de Waterwet is het Waterschap Limburg bevoegd gezag. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3392 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Bron: figuur 17.9 VKM, blz. 301 van het MER (uit Masterplan Energielandgoed Wells Meer, H+N+S)

-3-

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluiten van de gemeenteraad en het college van B&W van Bergen. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan die niet in een tekstkader staan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Onderbouwing keuze VKM en varianten De aanpak om tot het VKM te komen is zorgvuldig opgezet. Het MER beschrijft dat de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA), inspraakreacties en de milieugevolgen van de drie modellen tot het VKM hebben geleid. De milieugevolgen van de drie modellen zijn goed in beeld gebracht6 (met uitzondering van hetgeen hierover in dit advies is opgemerkt). In hoofdstuk 16 van het MER is vervolgens weliswaar aangegeven welke kaders hebben geleid tot het VKM, maar voor de Commissie is niet duidelijk hoe daaruit het VKM is gevormd d.w.z. op welke wijze zijn de posities van de zonnepanelen en windturbines tot stand zijn gekomen. De Commissie kan vervolgens niet volgen hoe de keuze voor de varianten binnen het VKM tot stand is gekomen. De varianten binnen het VKM wijken fors af van het gekozen model. De keuze voor de varianten zou bijvoorbeeld navolgbaar gemaakt kunnen worden als de effecten van de varianten binnen het VKM, inclusief de energieopbrengst, in relatie tot de drie onderzochte modellen opgenomen zouden worden7. Daarmee zou ook de keuze voor de in het voorontwerp van het bestemmingsplan opgenomen variant transparant worden. Uit het MER blijkt bovendien dat de doelstelling van 0,87 PJ per jaar grootschalige duurzame energieopwekking ruim gehaald wordt met alleen zon of met een energiemix van wind en minder zon8.

Onduidelijk is waarom ervoor gekozen is om in de varianten van het VKM een aanzienlijk hogere elektriciteitsproductie dan de doelstelling mogelijk te maken, nu ook gekozen kan worden voor een energiemix met een elektriciteitsproductie die voldoet aan de doelstelling maar wellicht minder nadelige milieugevolgen heeft9. Ook uit de samenvatting van het MER volgt niet welke keuzes zijn gemaakt om vanuit de drie modellen tot een VKM en vervolgens tot varianten binnen het VKM te komen. Dit zou bijvoorbeeld inzichtelijk gemaakt kunnen worden in een stroomschema, zodat dit ook voor een breed publiek in een oogopslag helder wordt. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te onderbouwen welke keuzes zijn gemaakt om tot een VKM (inclusief varianten) te komen.

6

Zie het overzicht op blz. 263-264 van het MER.

7

Deze methode is gevolgd voor landschap.

8

0.87 PJ = 242 GWh. In het VKM wordt 261 GWh opgewekt met zon (zie tabel 17.74, blz. 353 van het MER). Met wind wordt 58-88 GWh opgewekt. Tabel 17.74 van het MER gaat uit van ‘realistische kenmerken’ t.a.v. de energieopbrengsten van de zonneparken. Met de energiemix van het VKM wordt ca. 45% meer energie opgewekt dan de doelstelling.

9

Zie in dit verband bijvoorbeeld par. 2.2.3 in verband met de gevolgen voor de das.

-4-

Beschouw daarbij ook de te verwachten energieopbrengst in relatie tot de doelstellingen. Neem deze onderbouwing op in een nieuwe samenvatting.

Natuur Het MER gaat uitgebreid in op de gevolgen van het plan voor de natuur. In dat verband is van belang dat de gemeente heeft aangegeven dat de volgende onderzoeken nog lopen: •

de wijze waarop per saldo een toename van stikstofdepositie voorkomen zal worden;

•

de gevolgen voor de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone10 na compensatie (of eventueel herbegrenzing);

•

het gebruik van het plangebied door beschermde soorten, en te treffen maatregelen om voor deze soorten belangrijke functies van het plangebied als voortplantings-, foerageer- en/of rustgebied te behouden.

In dit advies gaat de Commissie in op de nog te ondernemen stappen om over de natuurinformatie te beschikken die nodig is voor de besluitvorming over het plan.

2.2.1

Gevolgen voor Natura 2000-gebied Maasduinen In het MER wordt terecht aangegeven dat een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase11 en de gebruiksfase voorkomen moet worden vanwege de nabijheid van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebied Maasduinen. Daarbij zal worden gebruikgemaakt van saldering met stikstof-emitterende activiteiten op de landbouwgronden in het plangebied. Daarnaast zullen maatregelen worden getroffen om een toename van stikstofdepositie als gevolg van onder meer het extra verkeer van het plan te voorkomen12. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, in een passende beoordeling13 te onderbouwen dat het plan per saldo niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie. Voor het overige is de Commissie van mening dat in het MER aannemelijk is gemaakt dat het plan geen negatieve gevolgen heeft het Natura 2000-gebied mits (tijdelijke) verlaging van het grondwaterpeil14 voorkomen (of nader beoordeeld) wordt, en onder voorbehoud dat het nog niet afgeronde veldonderzoek naar de Nachtzwaluw geen (te mitigeren) significante effecten laat zien15. Volledigheidshalve adviseert de Commissie om in de passende beoordeling ook in

10

Deze zones zijn aangewezen vanwege aanwezige natuurwaarden. De Goudgroene zone maakt onderdeel uit van Natuur

11

Zoals ook in het MER gememoreerd dienen ook de aanlegwerkzaamheden hierbij te worden betrokken.

12

De Commissie merkt op dat in het voorontwerp van het bestemmingsplan geen beperkingen zijn gesteld aan het aantal

Netwerk Nederland.

bezoekers van het gebied, de parkeergelegenheid, de aanleg van wegen, het maximale oppervlak bedrijvigheid en het agrarisch (mede)grondgebruik. 13

Indien na afronding van de lopende studies en planuitwerking wordt vastgesteld dat er geen kans bestaat op significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, dan kan ’passende beoordeling’ in dit advies ook worden gelezen als ‘oriëntatiefase habitattoets’ (voortoets).

14

Een grondwaterpeilverlaging is nodig bij de aanleg van windturbines (zie blz. 174, 176 van het MER) en eventueel zonnepanelen (zie blz. 180 van het MER).

15

Deze soort broedt in het Natura 2000-gebied maar kan tot enkele kilometers afstand voedsel zoeken (vooral nachtvlinders). Er bestaat het risico dat deze vogels in aanvaring komen met een windturbine en/of geconfronteerd worden met een

-5-

te gaan op (het voorkomen van) optische verstoring en licht- en geluidsverstoring (als gevolg van windturbines en een mogelijke ontoelaatbare verstoring door een toename van bezoekers) van de daarvoor gevoelige soorten met een instandhoudingsdoelstelling. Ook het kabeltracé zal in de passende beoordeling nader beschouwd moeten worden. De Commissie adviseert om zo nodig in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, in een passende beoordeling te onderbouwen dat belangrijke nadelige gevolgen voor de Nachtzwaluw, van grondwaterpeilverlaging, en door licht- en geluidverstoring voorkomen kunnen worden. Aanvullend op de in het MER genoemde maatregelen beveelt de Commissie aan om een verhoging van het grondwaterpeil te verkennen. Dit kan het herstel en bufferende vermogen16 van verdrogingsgevoelige habitats bevorderen, waardoor het plan een positieve bijdrage kan hebben op de natuurkwaliteit van Natura 2000-gebied Maasduinen.

2.2.2

Gevolgen voor overige beschermde gebieden Het MER beschrijft dat een kleine oppervlakte van ca. 0,2 hectare van de Goudgroene natuurzone (NNN) wordt aangetast en dat daarnaast (niet gekwantificeerd) oppervlakteverlies van de Zilvergroene natuurzone te verwachten is. Een compensatie- of herbegrenzingplan conform de eisen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de beleidsregel Natuurcompensatie ontbreekt echter nog. Dat geldt ook voor de onderbouwing van de conclusie dat aantasting van de Goudgroene natuurzone en Zilvergroene natuurzone niet kan worden vermeden, en compensatie of herbegrenzing dus nodig is. De gemeente heeft mondeling aangegeven dat ze voornemens is om een royale ‘overwaarde’ te creëren door een belangrijke oppervlakte van de zilvergroene natuurzone (en eventueel de bronsgroene landschapszone) toe te voegen aan de goudgroene natuurzone. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, in een aanvulling op het MER: •

de maatregelen om de provinciaal beschermde natuurgebieden te versterken nader uit te werken in een ‘NNN-toets’ inclusief de daarbij passende natuurbeheertypen17. Deze informatie kan ook worden benut om de conclusie in het MER te onderbouwen dat het plan leidt tot een plus op de natuur;

•

te onderbouwen dat de Wet Natuurbescherming en de provinciale natuurbeschermingsregels voor de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone niet aan het plan in de weg staan.

2.2.3

Beschermde soorten De Commissie adviseert om na afronding van het ecologisch veldonderzoek te onderbouwen dat de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten in het plangebied niet

verminderd voedselaanbod door aanleg van het zonneveld. In beide gevallen zijn mitigerende maatregelen nodig waarbij vaak gewerkt wordt met de expert-inschatting dat foeragerende nachtzwaluwen niet nabij rotorblad-hoogte vliegen. 16

Hydrologisch herstelbeheer heeft als positief effect dat meer weerstand krijgen (beter gebufferd zijn) tegen de vermestende en verzurende werking van stikstofdepositie

17

https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/

-6-

in het geding komt. Naast de al in het MER geadviseerde mitigerende maatregelen (onder andere voor het behoud van de Steenuil) adviseert de Commissie om met name in te gaan op: •

vleermuizen: in het MER is gemotiveerd dat de windturbines ondanks een relatief hoog aantal slachtoffers per turbine geen negatief effect hebben op de lokale populatie van de in het gebied voorkomende soorten vleermuizen. De Commissie adviseert dit op grond van het in 2020 uitgevoerde veldonderzoek nader te onderbouwen. Houd daarbij rekening met eventuele cumulatieve sterfte18.

•

dassen: in de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende bezette dassenburchten aanwezig die mogelijk niet kunnen voortbestaan als de foerageerfunctie van het plangebied zou wegvallen.

De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming: •

op basis van het uitgevoerde veldonderzoek te onderbouwen dat de lokale vleermuizenen dassenpopulatie zich op een gunstig niveau kan handhaven;

•

de gevolgen voor vleermuizen en dassen te monitoren en eventuele aanvullende maatregelen te beschrijven.

Invloed van zonnevelden op de bodem Het MER geeft op basis van literatuurstudie aan dat de effecten die zonnevelden kunnen hebben op de bodemkwaliteit (onder meer op de organische stofbalans, de bodembiodiversiteit en de vegetatie) onzeker zijn en dat de effecten onder meer afhangen van de opstelling van de zonnepanelen en het eerdere grondgebruik. Mogelijk is bijvoorbeeld de das afhankelijk van het voedselaanbod in dit gebied. De effecten op de bodem van de in het plangebied beoogde zonnevelden worden in het MER in de verschillend uitvoeringsalternatieven als ‘neutraal’ respectievelijk ‘positief’ beoordeeld. De tekst geeft aan dat het hier om een ‘worst-case’ gaat. Onduidelijk is of en zo ja, welke maatregelen zijn voorzien waardoor aannemelijk is dat de zonnevelden overall een neutraal dan wel positief effect hebben op de bodemkwaliteit, en waarin de alternatieven op dit punt verschillen. Gezien de onzekerheden, beveelt de Commissie aan de effecten op de bodem te monitoren en aanvullende maatregelen te beschrijven die genomen kunnen worden mocht er sprake zijn van negatieve effecten. De Commissie adviseert voor de besluitvorming, in een aanvulling op het MER: •

de scores neutraal en positief nader te onderbouwen;

•

de (effecten van) mitigerende maatregelen te beschrijven.

Landschap Voor wind zijn goede visualisaties opgesteld vanuit meerdere standpunten, voor verschillende afstanden en vanaf ooghoogte. De standpunten zijn gekozen aan de hand van plekken waar de meeste mensen verblijven, recreëren en wonen dus waar ook de meeste waarnemingen plaatsvinden. Er zijn echter geen posities gekozen in Duitsland. Gezien de

18

Door de cumulatieve sterfte binnen de netwerkpopulatie (in de regel een ‘catchment-area in een straal van 30-40 km rond het windpark te bepalen en af te zetten tegen de 1%-mortaliteitsnorm).

-7-

grensoverschrijdende effecten, zijn om een volledig beeld te geven van de zichtbaarheid ook een of meerdere punten vanuit Duitsland noodzakelijk19. Voor de zonneparken zijn geen visualisaties op ooghoogte gemaakt, maar is het gehele energielandgoed gevisualiseerd in vogelvluchtperspectieven. Deze beelden laten de oppervlakte aan zonnevelden binnen het plangebied goed zien. Ook wordt zichtbaar dat het deel dat grenst aan Duitsland bijna helemaal wordt voorzien van zonnevelden, met een smalle houtwal als overgang naar het open landschap aan de Duitse zijde. Naast de overzichtsperspectieven is het belangrijk ook enkele 3D-visualisaties te maken vanuit Duitsland20. Op die manier wordt de wijze van landschappelijke inpassing en de werking daarvan helemaal duidelijk. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, visualisaties van de windturbines en 3D-visualisaties van de zonnevelden/parken vanuit posities in Duitsland toe te voegen. Hiermee kan ook het beeld vanuit Duitsland meegewogen worden.

Netaansluiting Het MER onderzoekt twee mogelijke ondergrondse kabeltracé’s op hoofdlijnen21. Tracé één volgt de bestaande wegenstructuur en tracé twee doorkruist waardevol natuurgebied, waaronder het Natura 2000-gebied22. Beide tracé’s doorkruisen de Maas. Over het te volgen tracé is nog geen keuze gemaakt. De Commissie merkt op dat de milieugevolgen van beide tracé’s per aspect zijn weergegeven in het MER, maar niet die van het kruisen van de Maas. Deze kruising van de Maas kan veel milieugevolgen hebben, afhankelijk van de wijze waarop de Maas wordt gekruist. Mogelijk kan de kabel in of direct langs de brug van de N270 worden gemonteerd met waarschijnlijk geen of geringe milieueffecten, maar in geval van een ondergrondse kruising onder de Maas zullen mogelijke gevolgen voor de structuur van de ondergrond en op archeologische waarden onderzocht moeten worden. In geval de kruising via bovengrondse masten plaatsvindt, zijn milieueffecten op onder andere vogels en landschappelijke waarden niet uit te sluiten. De Commissie begrijpt dat in deze fase nog niet duidelijk is welk tracé gekozen wordt23 en niet op detailniveau de gevolgen van de aanleg bekend kunnen zijn, maar voor een aansluiting in Venray zal het kabeltracé in ieder geval de Maas doorkruisen.

Vanwege mogelijke grote milieugevolgen daarvan is het nodig dat het MER (op hoofdlijnen) een compleet beeld geeft van de totale gevolgen van het plan.

19

Deze visualisaties kunnen worden gemaakt vanuit recreatieve paden of hoofdwegen bijvoorbeeld de L486 en vanuit woonbebouwing bijvoorbeeld Am Bruch. Maak ook een visualisatie waarbij de bestaande Duitse turbines en de nieuwe turbines zichtbaar zijn.

20

Deze visualisaties kunnen worden gemaakt vanuit recreatieve paden of hoofdwegen bijvoorbeeld de L486 en vanuit woonbebouwing bijvoorbeeld Am Bruch.

21

Benodigde transformatorstations lijken voorzien te zijn in het plangebied, zie artikel 5.1.1 sub i van de planvoorschriften van het voorontwerp bestemmingsplan.

22

Als voor tracé twee gekozen wordt, zullen ook deze gevolgen van de aanleg in een passende beoordeling onderzocht moeten worden, zoals de gevolgen van een eventuele grondwaterverlaging voor de aanleg, en mitigerende maatregelen in beeld gebracht worden.

23

Uit mondelinge toelichting van de gemeente blijkt dat er nog een derde tracé in onderzoek is.

-8-

De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, op hoofdlijnen de milieugevolgen van een kruising van het kabeltracé door de Maas te beschrijven.

-9-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9609879/1