1. Raadsbesluit Vaststelling Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 def
Tekst van het document
Besluit van de gemeenteraad
Onderwerp Besluit van de raad van de gemeente Bergen (L) tot vaststelling van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022
De raad van de gemeente Bergen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 april 2022; gelet op: de artikelen 147, 149, 149a en 154 van de Gemeentewet; artikel 8 van de Woningwet; de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988; artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; de artikelen 10.23, eerste lid, 10.24, tweede lid, 10.25, 10.26, eerste lid, en 10.32a van de Wet milieubeheer; de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer; artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2.1, 2.2 en 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022
Pagina 1 van 42
VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING (VFL) Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Afdeling 1. Inleidende bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1:2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel 1:3 Doelen van de verordening 1.
2.
3.
Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De toepassing van deze verordening is verder gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Afdeling 2. Proces Artikel 1:4 Beslistermijn
1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het bevoegd gezag kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5:1 of artikel 7:1.
Artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen 1. 2.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. b.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is
Pagina 2 van 42
2.
vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden.
Artikel 1:8 Geldingsduur 1. 2.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:9 Weigeringsgronden 1.
2. 3.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Naast deze weigeringsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden.
Afdeling 3. Advisering Artikel 1:10 De advisering door de welstandscommissie
1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Dorp, Stad en Land, die 2. 3.
personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
Artikel 1:11 Samenstelling van de welstandscommissie 1. 2. 3. 4. 5.
De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie leden, die allen deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn, tenzij sprake is van gemandateerde behandeling als bedoeld in het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie conform bijlage 2 van deze verordening. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. Een van de leden van de welstandscommissie fungeert tevens als secretaris.
Artikel 1:12 Benoeming en zittingsduur
1. De voorzitter en leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van Dorp, Stad en Land benoemd en ontslagen door het college.
Pagina 3 van 42
2. Het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie dat als bijlage 2 van deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in het voorgaande, nadere benoemingsprocedures.
3. De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de benoemingstermijn hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.
4. Het gemeentebestuur kan een tijdelijk voorziening treffen in het belang van de continuïteit van de samenstelling van de commissie. Artikel 1:13 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 1:14 Termijn van advisering 1.
2.
3.
De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. De welstandscommissie brengt het advies, over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. Het college kan in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1:15 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.
2.
3.
4.
De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De datum van de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot nietopenbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Er is spreekrecht.
Artikel 1:16 Afdoening onder verantwoordelijkheid
1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 1:11, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over
Pagina 4 van 42
bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 1:17 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Pagina 5 van 42
Hoofdstuk 2: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 1. Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. 2.
Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.
Afdeling 2. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 2:2 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. 2.
Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 2:3 Voornemen tot aanwijzing 1.
2.
Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 2:4 Advies gemeentelijke adviescommissie 1.
2. 3.
Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.
Artikel 2:5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. 2.
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
Artikel 2:6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. 2.
De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Pagina 6 van 42
Artikel 2:7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument
2. 3.
aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2:4 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2:2, eerste lid. Artikel 2:6 is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
Artikel 2:8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. 2. 3.
Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Afdeling 3. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 2:9 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. 2. 3. 4. 5.
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
2.
3.
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Afdeling 4. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 2:11 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Pagina 7 van 42
1.
2.
3. 4.
5.
6.
Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Dit artikel is niet van toepassing op: a.
door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2:12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.
2.
3.
Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:11, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 2:11, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Afdeling 5. Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel 2:13 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1.
2. 3.
Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 2:14 Nummering objecten 1. 2. 3.
Het college stelt de lig- en standplaatsen vast. Het college kent nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen.
Pagina 8 van 42
4. 5.
De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, niet zijnde verblijfsobjecten, dan wel op afgebakende terreinen worden toegepast. Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 2:15 Nadere regels 1.
2.
Het college kan nadere regels stellen over het proces en de wijze van: a. naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken; b. naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; c. nummering van verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen en afgebakende terreinen; d. opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. De nadere regels zijn niet strijdig met het Convenant inzake postcodes.
Pagina 9 van 42
Hoofdstuk 3: Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Afdeling 1. Bodem Artikel 3:1 Bodemonderzoek 1.
2.
3.
4.
5.
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 3.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 3:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsgunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 3:3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Artikel 3:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze afdeling wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Pagina 10 van 42
Artikel 3:5 Vangnet archeologie 1.
2.
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Afdeling 2. Afvoer hemelwater en grondwater Artikel 3:6 Lozingsverbod grondwater 1. 2.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater is het verboden grondwater te lozen op het openbaar riool, de openbare weg of in de openbare ruimte. Het college kan een ontheffing verlenen voor afwijken van het verbod, als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van grondwater kan worden gevergd.
Artikel 3:7 Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater 1. 2. 3. 4.
5.
Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is afvloeiend hemelwater te lozen op het openbaar riool. Het college houdt bij het aanwijzen van de gebieden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en het basisrioleringsplan. Het verbod als gevolg van de gebiedsaanwijzing treedt in werking 6 maanden na de bekendmaking ervan. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 3:8 Lozingsverbod hemelwater op het openbaar riool – nieuwbouw en aanwijzingsgebieden 1.
2. 3. 4. 5. 6.
Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater is het bij nieuw verhard oppervlak, nieuwe bouwwerken en in daartoe aangewezen gebieden als bedoeld in artikel 3:7, niet toegestaan afvloeiend hemelwater direct of indirect te lozen op het openbaar riool, tenzij een voorziening voor hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen voor hemelwaterberging. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 is 60 liter per m 2 verhard oppervlak. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 48 uur weer voor 90% beschikbaar is. Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt hergebruikt, geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting als bedoeld in dit artikel, als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Pagina 11 van 42
Afdeling 3. Rioolaansluiting Artikel 3:9 Specifieke zorgplicht 1.
2.
Degene die een particulier riool op een openbaar riool aansluit of wijzigt, waarbij sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de gezondheid en/of de doelmatige werking van het openbaar riool, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel verzanding wordt voorkomen; en b. de doelmatige werking van de rioolaansluitleiding, naburige aansluitingen en de voorzieningen voor het beheer van afvalwater worden beschermd.
Artikel 3:10 Verbod op de totstandbrenging, wijziging of beëindiging van een rioolaansluiting 1. 2.
3.
Het is niet toegestaan een aansluiting op het openbare riool tot stand te brengen, te wijzigen of te beëindigen. Het verbod in het eerste lid geldt niet als: a. er is voldaan aan de meldplicht bedoeld in artikel 3:11 van deze afdeling, en b. er wordt voldaan aan de eisen als bedoeld in artikel 3:12 van deze afdeling, en c. er geen sprake is van een situatie waarin aansluiting of wijziging van aansluiting bezwaarlijk is, zoals omschreven in artikel 3:13 van deze afdeling. Het college bericht de melder uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van de melding of voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:11 Melding rioolaansluiting 1. 2.
De melding als bedoeld in artikel 3:10 wordt schriftelijk of digitaal met behulp van een daartoe bestemd formulier ingediend bij de gemeente Bergen (L). De melding dient uiterlijk 6 weken voor uitvoering gedaan te worden.
Artikel 3:12 Eisen totstandbrenging, wijziging en beëindiging rioolaansluitleiding 1.
2. 3.
4. 5. 6.
Met het oog op de doelmatige werking van het openbaar riool ligt de binnen-onderkant van de rioolaansluitleiding ter plaatse van de perceelsgrens minimaal hoger dan de bovenkant van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus een afschot van 1:100 over de afstand tussen het openbaar riool en de perceelsgrens. Indien de bovenzijde/opening van enig lozingstoestel lager is gelegen dan 300 mm boven de kruin van de weg, mag alleen aangesloten worden via een rioolwaterpomp voorzien van terugslagklep. De diameter van de rioolaansluitleiding is kleiner dan of gelijk aan 125 mm, tenzij: a. de noodzaak van een grotere diameter is aangetoond met een rioleringsberekening; en b. het openbaar riool ter plaatse van de rioolaansluitleiding over voldoende capaciteit beschikt om het te lozen afvalwater te kunnen afvoeren. De rioolaansluitleiding heeft een voldoende sterkteklasse. Rioolaansluitleidingen worden uitgevoerd in de kleuren: a. groen als het een leiding voor hemelwater betreft; of b. grijs als het een leiding voor afvalwater betreft. Uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte ten behoeve van de totstandbrenging, wijziging en beëindiging van een rioolaansluitleiding, inclusief de aansluiting op het openbaar riool vindt uitsluitend plaats door of namens de gemeente.
Artikel 3:13 Situaties waarin rioolaansluiting of wijziging van rioolaansluiting bezwaarlijk is
Pagina 12 van 42
1. 2.
Een aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting kan vanwege technische, juridische of milieu-hygiënische redenen bezwaarlijk zijn. Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien: a. de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning of een ontheffing benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan; b. het openbaar riool ter plaatse van de rioolaansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen afvalwater te kunnen afvoeren; c. de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van de openbare riolering en/of de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) belemmert.
Artikel 3:14 Kosten en uitvoeren van rioolaansluiting 1. 2. 3. 4.
Het college stelt de kosten van de aanleg van de rioolaansluitleiding inclusief aansluitpunt vast op basis van de door het college geraamde werkelijke kosten. De totstandbrenging, wijziging en beëindiging van een rioolaansluitleiding, inclusief de aansluiting op het openbaar riool, vindt uitsluitend plaats door of namens de gemeente. De gemeente kan niet worden gehouden tot feitelijke uitvoering over te gaan, voordat de verschuldigde kosten uit lid 1 door de rechthebbende aan de gemeente zijn voldaan. Indien de kosten voor de aanleg van het openbaar riool, het aansluiten op het openbaar riool en de aanleg of wijziging van de rioolaansluitleiding reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, worden er geen kosten in rekening gebracht.
Artikel 3:15 Eigendom, beheer en onderhoud rioolaansluitleiding 1. 2. 3. 4.
De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom en de daarmee verbonden verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluitleiding. Een ontstoppingsstuk bevindt zich op particulier terrein binnen 0,5 meter van de perceelsgrens. Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk of rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 meter binnen de perceelsgrens van rechthebbende c.q. perceeleigenaar. Beheer, onderhoud en inspectie van een ontstoppingsstuk is de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar.
Artikel 3:16 Hardheidsclausule Indien een strikte toepassing van deze afdeling zou leiden tot een beslissing met onvoorziene en onredelijke gevolgen, dan kan het college in bijzondere gevallen van het gestelde in deze afdeling afwijken.
Afdeling 4. Grafkelders en grafbedekkingen Artikel 3:17 Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden.
Pagina 13 van 42
Artikel 3:18 Vergunning grafbedekking 1. 2. 3. 4. 5.
Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college. De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. Het college kan ontheffing verlenen van de door hen vastgestelde nadere regels. Het college kan de vergunning weigeren indien: a. niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid; b. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; d. de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.
Artikel 3:19 Onderhoud door de gemeente Het college voorziet in het schoonhouden van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen. Artikel 3:20 Onderhoud door rechthebbende of gebruiker 1. 2. 3.
4.
5.
Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker. De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.
Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden.
Artikel 3:21 Niet-blijvende grafbeplanting Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder. Artikel 3:22 Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn 1. 2.
De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden
Pagina 14 van 42
3.
verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is.
Pagina 15 van 42
Hoofdstuk 4: Milieubelastende activiteiten Afdeling 1. Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 4:1 Aanwijzing van de inzameldienst 1. 2. 3.
Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.
Artikel 4:2 Regulering van andere inzamelaars 1.
2.
Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. Het college kan aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, voorschriften verbinden en beperkingen stellen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 4:3 Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 4:4 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid; of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4:3. Artikel 4:5 Gescheiden afvalinzameling 1.
2.
Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: - groente-, fruit- en tuinafval; - klein chemisch afval; - glas; - oud papier en karton; - kunststof-, metalen – en drankverpakkingen; - textiel; - afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; - bouw- en sloopafval; - verduurzaamd hout; - grof tuinafval; - asbest en asbesthoudend afval; - grof huishoudelijk afval; - schone grond; - huishoudelijk restafval; - autobanden;
Pagina 16 van 42
-
herbruikbare huisraad; oud ijzer en metalen; gebruikte disposable babyluiers; vloerbedekking; bitumenhoudend afval; droge matrassen; harde kunststoffen.
Artikel 4:6 Gescheiden aanbieding 1.
2.
Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 4:5, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 4:3. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4:7 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 4:8 Wijze en plaats van aanbieding 1.
2. 3.
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 4:7, buiten een perceel te laten staan. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.
Afdeling 2. Bedrijfsafvalstoffen Artikel 4:9 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 4:1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten verschuldigde heffing is voldaan. Artikel 4:10 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 4:9 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 4:3, achter te laten. Artikel 4:11 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1. 2.
Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 4:9 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.
Afdeling 3. Zwerfafval en overige Artikel 4:12 Dumpingsverbod
Pagina 17 van 42
1.
2.
3.
Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
Artikel 4:13 Zwerfafval in de openbare ruimte 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 4:14 Ongeadresseerd drukwerk Een huis-aan-huisblad of ongeadresseerd reclamedrukwerk mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel 4:15 Zwerfafval rondom inrichtingen 1.
2. 3.
Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen, die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd, binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 4:16 Afval en verontreiniging op de weg 1. 2.
Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.
Pagina 18 van 42
Artikel 4:17 Geen opslag van afval in de open lucht 1.
2.
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 1 van dit hoofdstuk aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Artikel 4:18 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel 4:19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. 2.
3. 4. 5. 6.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft: a. verbranding van snoeihout; b. verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is; c. kampvuren; d. Sint Maartensvuren; Mits voldaan wordt aan door het college vast te stellen nadere regels.
Afdeling 4. Geluid en verlichting Artikel 4:20 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.
2.
3. 4. 5.
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor: a. de zaterdag, de zondag, de maandag en de dinsdag tijdens de jaarlijkse carnaval; b. de zaterdag, de zondag en de maandag tijdens de jaarlijkse kermis (conform het gemeentelijke reguliere kermisschema); c. Koningsdag; d. nacht van oud- op Nieuwjaar. Voor de kermisdagen geldt dat de vrijstelling slechts van toepassing is op de inrichtingen in het kermisvierende dorp. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ niet voor de in het eerste lid genoemde dagen. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen of op de grens van geluidsgevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
In afwijking van het vierde lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
Pagina 19 van 42
6. 7. 8.
De geluidsnorm genoemd in het vierde en vijfde lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Bedrijfsduurcorrectie wordt buiten beschouwing gelaten. Op de dagen bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd. In afwijking van het vorige lid dient op Nieuwjaarsdag het ten gehore brengen van extra muziek uiterlijk om 4.00 uur te worden beëindigd.
Artikel 4:21 Melding incidentele festiviteiten 1.
Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘horeca met muziek’ twaalf keer, ‘’overige horeca’ vijf keer en ‘overige bedrijven’ twee keer per kalenderjaar toegestaan incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Een inrichting mag één van het aantal in het eerste lid toegestane dagen gebruiken voor een festiviteit op het buitenterrein van de inrichting. 3. Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ toegestaan om per kalenderjaar tijdens twaalf incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van activiteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een de melding. 5. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.
De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 8. In afwijking van het zevende lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 9. De geluidsnorm genoemd in het zevende en achtste lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 10. Op de dagen waarvoor kennisgeving is gedaan zoals beschreven in het vierde en vijfde lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd. 11. In afwijking van het tiende lid dient het ten gehore brengen van extra muziek op een buitenterrein te allen tijde uiterlijk om 1.00 uur te zijn beëindigd. 12.
De geluidsnorm, bedoeld in het zevende lis, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 13. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren besloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4:22 Overige geluidhinder 1. 2. 3.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Limburg.
Afdeling 5. Crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden Artikel 4:23 Crossterreinen
Pagina 20 van 42
1.
2.
3.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. 2.
3.
4.
5.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het verbod is voorts niet van toepassing: a.
op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 6. Asverstrooiing Artikel 4:25 Verboden plaatsen 1. 2.
Incidentele asverstrooiing is verboden op verharde delen van de weg. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat ook op andere plaatsen incidentele asverstrooiing plaatsvindt.