CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

1 B BP Toelichting ELWM

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;28.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

58

houd van de nestlocatie mogelijk is en voldoende foerageergebied wordt gecreeerd, waardoor negatieve effecten op deze soort zijn uit te sluiten. In het voorliggende plan is geregeld dat de schuur behouden kan blijven.  Jaarrond beschermde nesten en eekhoorn: Tijdens het eerste bezoek in maart zijn in totaal 21 (oude) nesten gelokaliseerd die mogelijk behoorden tot vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is. Van deze nesten waren 11 nesten waarschijnlijk van een buizerd, en 3 mogelijk van een boomvalk. Tijdens het vervolgonderzoek is bij vijf nesten daadwerkelijk broedactiviteit vastgesteld: 3x buizerd, 1x havik en 1x torenvalk. Daarnaast bevinden zich in het woonhuis op Wellsmeer 1a minimaal vijf nesten van huismus (figuur 1.3). De overige eerder aangetroffen nesten zijn in 2020 dus niet in gebruik. De meeste nesten bevinden zich aan de rand van het plangebied. In de bosschages en bomenlanen rondom de woning en schuren van Wellsmeer 1a bevinden zich een actief nest van buizerd en torenvalk en een niet bewoond roofvogelnest. Gedurende de drie bezoeken aan het plangebied zijn geen potentiele broedlocaties voor eekhoorn vastgesteld.  Das: In het plangebied bevinden zich meerdere (dassen)burchten. Alle dassenactiviteit concentreert zich in het zuidwesten van het plangebied, in het noordwesten van het plangebied is geen dassenactiviteit aangetroffen.

De gebruiksstatus van de burchten is gebaseerd op sporenonderzoek, zoals haren, nestmateriaal, mestputjes en pootafdrukken. Op dit moment loopt een aanvullend onderzoek met behulp van cameravallen om te bepalen wat de precieze huidige functie van deze burchten is (kraamburcht, bijburcht, vluchtpijp). Hiermee is ook meer duidelijkheid te verkrijgen over de populatiegrootte van dassen in het gebied. Het gebruik en de functie van een dassenburcht kan van jaar tot jaar en zelfs binnen een jaar wijzigen. Los van de huidige status kunnen alle aangetroffen burchten dus gezien worden als vaste rust- en verblijfsplaats. Deze zijn beschermd conform artikel 3.10 lid 1 van de Wnb. Aantasting of verstoring van de burcht is derhalve een overtreding van dit artikel en ontheffingsplichtig. Binnen de directe omgeving zijn voor zover bekend geen alternatieve verblijfplaatsen aanwezig. De akkers in het plangebied vormen geschikt foerageergebied voor het bulkvoedsel (wormen en emelten) van de das. Voor een groot deel van de voedselvoorziening zijn zij dus afhankelijk van het plangebied. Na afronding van de werkzaamheden zal naar verwachting het plangebied weer geschikt leefgebied vormen voor de das. Tijdens de werkzaamheden zullen zij waarschijnlijk hun voedsel deels op andere plekken in de omgeving zoeken.

Om hierbij te assisteren kan in de omgeving van de burcht gefaseerd gewerkt worden om te voorkomen dat grote stukken foerageergebied tegelijk niet beschikbaar zijn. Werkzaamheden die invloed hebben op de directe omgeving van de burchten en werkzaamheden die invloed hebben op de habitat van de dassen (zoals grondwerkzaamheden) moeten zoveel mogelijk uitgevoerd worden in de minst kwetsbare periode (buiten de voortplantingstijd) tussen juli en november. Werkzaamheden binnen 200 meter van een burcht kunnen effect hebben op de functionaliteit van een burcht. Dit is onder andere afhankelijk

59

van het tijdstip van uitvoeren, het soort werkzaamheden en de actuele status van de burcht. Het is aan te raden om een dassenexpert in te schakelen om randvoorwaarden voor uitvoering van de werkzaamheden te bespreken wanneer werkzaamheden binnen een straal van 200 meter rond een burcht te verwachten zijn. Deze randvoorwaarden kunnen in algemene zin van tevoren worden opgesteld voor een eventuele ontheffingsaanvraag.  Nachtzwaluw: Op drie locaties in het plangebied van Energielandgoed Wells Meer zijn kleine opname-apparaatjes (AudioMoth) geplaatst om activiteit van nachtzwaluw vast te stellen. De opnames van de noordwestelijke en noordoostelijke locatie zijn geanalyseerd en daarop is geen zang en/of roepactiviteit van nachtzwaluw vastgesteld. De opnames van de zuidelijke locatie dienen nog geanalyseerd te worden. Begin juli staat nog een bezoek aan het plangebied gepland om visuele waarnemingen van nachtzwaluwen te verrichten. pm nader onderzoek soortenbescherming vleermuizen, das, nachtzwaluw en steenuil (in uitvoering) Stikstofonderzoek Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Natura 2000gebied de ‘Maasduinen’ ligt aangrenzend aan het plangebied. Daarnaast ligt Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen op circa 5,5 km van het plangebied.

In Natura 2000gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. De stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase van het voorliggende plan is berekend met gebruik van het programma Aerius. In bijlage 4, 5 en 6 zijn de AERIUS-berekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase opgenomen. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van maximaal 30.000 vervoersbewegingen van personenauto’s óf 10.000 vervoersbewegingen van bussen als gevolg van de realisatie van het Energielandgoed. Dit is gewaarborgd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Door de vaststelling van het Bestemmingsplan t.b.v. het Energielandgoed Wells Meer, zal er in het gebied geen bemesting meer plaatsvinden. In eerste instantie maakt de realisatie van het Energielandgoed het bemesten van de gronden fysiek onmogelijk, daarnaast resulteren de opgenomen bestemmingen dat bemesting niet meer is toegestaan. De aanleg en de exploitatie van het Energielandgoed Wells Meer kunnen worden gesaldeerd tegen het saldo aan stikstofdepositie dat wordt gecreëerd door het stoppen van deze bemesting. 4.3.3

Conclusie Pm

60

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie moet vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. 4.4.2

Toetsing Het plangebied is in de huidige situatie te definiëren als een rustig buitengebied. Er is maar beperkt sprake van functiemenging, waardoor niet kan worden gesproken van een gemengd gebied. Dit betekent dat geen afstandsstap terug kan worden gedaan. In het plangebied worden geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel worden verschillende functies mogelijk gemaakt die milieuhinder kunnen geven:  zonnepark;  windturbines;  bedrijfsverzamelgebouw;  bezoekerscentrum. Getoetst moet worden of het Energielandgoed invloed uitoefent op het woon- en leefklimaat van in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies (i.c. woningen). Zonnepark Een zonnepark vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in de termen van milieuzonering. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van ruimtelijk relevante milieuaspecten, waardoor het aanhouden van een afstand niet noodzakelijk is.

61

De beoogde zonnestroominstallatie gaat zorgen voor 271 MWp, waardoor de installatie geschaard kan worden onder de categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen 10-100 MVA. De grootste afstand voor wat betreft geluid richting gevoelige functies is 50 meter. Aangezien nog niet bekend is op welke locatie het onderstation gerealiseerd moeten worden, wordt dit met het voorliggende plan nog niet mogelijk gemaakt. Hiervoor zal een aparte procedure gevolgd worden, waarbij ook getoetst wordt aan bedrijven en milieuzonering. Gezien de omvang van het plangebied (4 ha) is er voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de benodigde richtafstanden tot omliggende objecten. De locatie van het onderstation staat de uitvoerbaarheid van het project daarom niet in de weg. De realisatie van transformatoren is wel mogelijk binnen het Energielandgoed. In het voorliggende plan is geregeld dat binnen 50 meter afstand van gevoelige functies geen transformatoren gerealiseerd mogen worden. Op deze wijze is gewaarborgd dat dat wordt voldaan aan de richtafstand en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies in en rondom het plangebied. Windturbines Voor windturbines met een wiekdiameter van 50 meter geldt op basis van de publicatie bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 300 meter voor geluid en 50 meter voor gevaar.

De rotordiameter van de windmolens in het voorliggende plan wordt maximaal 170 meter. Dit betekent dat de afstanden uit de VNG-publicatie niet zonder meer aangehouden kunnen worden, maar deze geven wel een indicatie. De bedrijfswoning aan de Veenweg 4 in Well (gevoelige functie) ligt op circa 250 meter afstand van de zuidoostelijke windmolen. In het kader van het voorliggende plan is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in paragraaf 4.4.3. Geconcludeerd wordt dat de geluidniveaus bij woningen van derden voldoen aan de norm indien mitigerende maatregelen worden genomen. Aan de richtafstand met betrekking tot gevaar wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van de omliggende gevoelige objecten. In paragraaf 4.13 komt dit aspect uitgebreider aan de orde en wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bedrijfsverzamelgebouw In het bedrijfsverzamelgebouw zijn aan het energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesector toegestaan. Dit betekent dat het gebouw een kantoorfunctie kan krijgen of dat er bedrijvigheid is toegestaan. Voor kantoren geldt een richtafstand van 10 meter voor geluid. Voor bedrijvigheid geldt een richtafstand van maximaal 300 meter (indien een bedrijf met milieucategorie 4.2 wordt gerealiseerd).

De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 700 meter (Wezerweg 16a). Aan de richtafstanden voor kantoren en bedrijvigheid wordt hiermee ruimschoots voldaan.

62

Bezoekerscentrum Een bezoekerscentrum kan worden geschaard onder categorie ‘bibliotheken, musea, ateliers, e.d.’. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 580 meter van het bezoekerscentrum (Wezerweg 16a). Aan de richtafstand wordt hiermee ruimschoots voldaan, waardoor gesteld kan worden dat het bezoekerscentrum geen negatief effect zal hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. 4.4.3

Akoestisch onderzoek industrielawaai In een akoestisch onderzoek industrielawaai (zie bijlage 7 van het MER (bijlage 2)) is de geluidbelasting van de windturbines bij omliggende woningen berekend. Dit is gedaan voor het voorkeursmodel uit de milieueffectrapportage (waaronder 1 opstelling voor de zonnepanelen en de drie mogelijk opstellingen van windturbines). Met het voorliggende plan wordt windturbineopstelling B mogelijk gemaakt. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van windturbines met een hoge geluiduitstraling. De geluidniveaus bij de woningen van derden voldoen in alle alternatieven aan de norm Lden=47 dB en Lnight=41 dB, mits er (met bijv. de beschouwde luide windturbines) in bepaalde perioden de instellingen van de turbines worden gewijzigd, zogenaamde mitigerende maatregelen. Met deze instellingen worden de geluidbronsterkten van de turbine gereduceerd. De geluidvoorzieningen gaan enigszins ten koste van de energieproductie. Verder zijn de akoestische effecten beneden de norm bepaald. Het aantal (ernstig) gehinderden binnenshuis neemt door de realisatie van Energielandgoed Wells Meer toe van 1 - 2 gehinderden in de referentiesituatie tot maximaal 4 - 5 gehinderden bij realisatie van windturbineopstellingen A en B.

Het feit dat het aantal gehinderden toeneemt wordt in dit geval aanvaardbaar geacht, omdat de verslechteringen in omgevingskwaliteit het gevolg is van de keuze om op grootschalige wijze in het gebied windenergie op te wekken. Het algemene belang dat daarmee is gemoeid, weegt in dit geval zwaarder dan de beperkte toename van het aantal gehinderden. Cumulatie van windturbinegeluid met de nabijgelegen windturbines in Duitsland is inzichtelijk gemaakt. Ook cumulatie met andersoortige geluidbronnen (hier relevant: wegverkeer) is inzichtelijk gemaakt. Daarbij is ook de aantrekkende werking van het bezoekerscentrum beschouwd.

4.4.4

Conclusie In het kader van de omgevingsvergunning zal worden geregeld dat de benodigde mitigerende maatregelen voor akoestiek bij de windmolens worden toegepast. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

63

4.5

Geluid

4.5.1

Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek.

4.5.2

Toetsing In het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel wordt in het plangebied een nieuwe weg aangelegd: de Energieboulevard. Getoetst moet worden of als gevolg van deze weg de geluidbelasting bij omliggende woningen acceptabel blijft. De Energieboulevard vormt voor langzaam verkeer een verbinding tussen de Wezerweg en de Veenweg. Aan de Energieboulevard komen het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw te liggen. Deze zijn voor gemotoriseerd verkeer alleen bereikbaar vanaf de Veenweg. Indien de Energieboulevard een 60 km/h weg wordt, krijgt deze een onderzoekszone van 250 m. De exacte locatie waarop de Energieboulevard aansluit op de Veenweg is nog niet bekend. In de planopzet is er voldoende ruimte om ervoor te zorgen dat de weg op meer dan 250 meter van omliggende woningen komt te liggen en/ of te garanderen dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat bij deze woningen.

4.5.3

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6

Gezondheid

4.6.1

Algemeen Wanneer windturbines en zonnepanelen in bewoonde gebieden worden geplaatst, kunnen omwonenden hinder ondervinden van de effecten van windturbines op de omgeving. Voor slagschaduw en geluid gelden in Nederland normstellingen. Daarnaast zijn (wetenschappelijke) studies gedaan naar mogelijke andere gezondheidseffecten. Het gaat hierbij om laagfrequent geluid, elektromagnetische velden, trillingen en fijnstof bij windturbines en elektromagnetische velden en reflectie van zonlicht bij zonnevelden.

64

4.6.2

Toetsing In bijlage 5 van het MER (zie bijlage 2) is een overzicht van de (wetenschappelijke) studies opgenomen. Geconcludeerd wordt dat hieruit volgt dat er voor deze windturbine effecten en effecten van zonnepanelen geen reden is om aan te nemen dat er negatieve gezondheidseffecten optreden.

4.6.3

Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Slagschaduw

4.7.1

Algemeen Schaduweffecten van een draaiende windturbine kunnen hinder veroorzaken bij mensen. De maximale flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Bekend is dat flikkerfrequenties onder 2,5 Hz niet schadelijk zijn (veroorzaken niet potentieel epileptische aanvallen bij daarvoor gevoelige personen). Flikkerfrequenties tussen 2,5 Hz en 14 Hz kunnen als erg storend worden ervaren. Deze frequenties worden in de praktijk door gangbare windturbines niet bereikt. Een groter verschil tussen licht en donker (meer contrast) wordt als hinderlijker ervaren. Verder speelt de blootstellingsduur een grote rol bij de beleving. In artikel 3.14 onder 4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt verwezen naar de bij de ministeriële regeling te stellen maatregelen. In deze regeling is in artikel 3.12 voorgeschreven dat een turbine is voorzien van een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de turbine en de woning minder bedraagt dan twaalf maal de rotordiameter en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten slagschaduw kan optreden

4.7.2

Toetsing In een onderzoek naar slagschaduw (zie bijlage 7 van het MER (bijlage 2)) zijn de slagschaduweffecten inzichtelijk gemaakt van het voorkeursmodel (waaronder 3 mogelijke opstellingen voor windturbines). Bij enkele rekenpunten treedt voor de verschillende windturbineopstellingen meer dan 6u per jaar aan slagschaduw op. Daarbij is normoverschrijding mogelijk. De hinderduren van maatgevende turbine(s) worden weggenomen tot binnen de normstelling door een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine(s) afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten. De slagschaduwduur ter plaatse van gevoelige gebouwen bedraagt met stilstandsvoorziening dan minder dan gemiddeld 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag.

65

Cumulatie van slagschaduw met de nabijgelegen windturbines in Duitsland is in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt. Hierbij is de nietgemitigeerde situatie inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er in een niet-gemitigeerde situatie de kans bestaat dat de norm uit het activiteitenbesluit wordt overschreden. Artikel 3.12.2 van het activiteitenbesluit geeft in deze gevallen de mogelijkheid om bij vergunningverlening maatwerk toe te passen, waardoor aan norm voldaan zal worden. Dit wordt middels een voorschrift in de vergunning geborgd. 4.7.3

Conclusie Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8

Geur

4.8.1

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij vormt in eerste instantie het wettelijk kader voor de beoordeling van geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een inrichting ten behoeve van een veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van (geprojecteerde) veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft op twee wijzen betrekking op ruimtelijke procedures. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

4.8.2

Toetsing In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen en worden geen veehouderijen toegelaten. De woning Wellsmeer 1a zal worden geamoveerd en van de overige geurgevoelige objecten in het plangebied blijft de bestemming ongewijzigd. In de energieboulevard wordt een bezoekerscentrum toegelaten en bedrijven waarvan de gebouwen een geurgevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij kunnen zijn. In een geuronderzoek (zie bijlage 3) is onderzocht of deze geurgevoelige objecten geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen, of dat omliggende veehouderijen in hun belangen kunnen worden geschaad door de realisatie van deze nieuwe geurgevoelige objecten. Hierin wordt het volgende geconcludeerd:  de huidige geurbelasting ter plaatse van de geurgevoelige objecten leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan is in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.  de Energieboulevard is geprojecteerd op een afstand van meer dan 1500 meter van bouwblokken van veehouderijbedrijven. In de omgeving bevinden zich geen pelsdierhouderijen. Aan de ‘vaste afstandsnormen bij en krachtens artikel 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij is ruim voldaan.

66

 het plangebied is omringd door bestaande geurgevoelige objecten (burgerwoningen) met een geurblastingstingsnorm van 3,0 [OUE/m3]. Reeds hierdoor kan geconcludeerd dat omliggende veehouderijen door de voorgenomen splitsing niet in hun belangen worden geschaad. 4.8.3

Conclusie Geurhinder veroorzaakt door tot veehouderij behorende dierverblijven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een plan om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwali3 teit (een toename van maximaal 1,2 µg/m voor zowel NO2 als PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.

4.9.2

Toetsing Met het voorliggende plan wordt een energielandgoed mogelijk gemaakt, waarbinnen onder andere een zonnepark, windmolens, een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw kunnen worden gerealiseerd. Met het plan wordt geen biomassacentrale mogelijk gemaakt, dit in afwijking van de uitgangspunten uit het MER. Er is geen sprake van een ‘gevoelige bestemming’ in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw (kleinschalige bedrijvigheid) hebben een verkeersaantrekkende werking (zie hoofdstuk 4.14) en kunnen hierdoor een negatief effect hebben op luchtkwaliteit. In paragraaf 15.3 van het milieueffectrapport (zie bijlage 2) is getoetst of de toename van het aantal verkeersbewegingen in betekenende mate van invloed is op luchtkwaliteit. Hierin wordt geconcludeerd dat de

67

verkeersbewegingen van het bezoekerscentrum en de kleinschalige bedrijvigheid niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 15,2 van het milieueffectrapport is de huidige achtergrondconcentratie in het plangebied bepaald op basis van de grootschalige concentratie kaarten van RIVM (zie bijlage 2). De achtergrondconcentratie van fijnstof in Energielandgoed Wells Meer 3 is minder dan 18 µg/m in 2019. De achtergrondconcentratie van zeer fijnstof (PM2,5) 3 logt tussen 10 en 12 µg/m in 2018. De achtergrondconcentratie van stikstof (NO 2) in 3 Energielandgoed Wells Meer ligt tussen de 10 en 15 µg/m in 2019. In de huidige situatie wordt derhalve ruim voldaan aan de grenswaarden. 4.9.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10

Water

4.10.1

Wettelijke kaders Algemeen Op het gebied van het water gelden diverse beleidsstukken en wetten. In de milieueffectrapportage is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de relevante wetgeving op Europees, nationaal, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau (zie bijlage 2, hoofdstuk 11). Watertoets Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgedwongen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.10.2

Toetsing In het kader van het milieueffectrapport is het effect van het voorkeursmodel op de waterhuishouding beoordeeld (zie bijlage 2, hoofdstuk 11):  Zonne-energie: Bij de realisatie van zonne-energie conform het VKM wordt de waterhuishouding beïnvloed door een veranderende verspreiding van neerslag over de bodem. Door de overdekking die de zonnepanelen vormen zal neerslag geconcentreerder op de bepaalde plekken terechtkomen waar mogelijk uitloging plaats zal vinden. De hemelwaterafvoer, of het borgingsvermogen wordt hierdoor niet beïnvloed omdat voldoende infiltratiemogelijkheden in de grond aanwezig blijft. Omdat er ruimte tussen de panelen vrij gehouden wordt, en de rijen op voldoende afstand van elkaar staan worden er geen negatieve effecten verwacht. Door gebruik te maken van niet-

68

uitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en wordt ook een verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. Het effect op het aspect waterhuishouding (waterkwaliteit en -kwantiteit) door de realisatie van zonne-energie conform het VKM, wordt beoordeeld als neutraal (effectbeoordeling: 0 ) en is weergegeven in Tabel 1.20. De opstellingsvormen van de zonnevelden zijn hierin niet onderscheidend.  Aanpassing Molenbeek: Het uitgangspunt in het VKM is om de waterkwaliteit van de Molenbeek te verbeteren en tevens de hoge piekafvoeren in de winter te kunnen opvangen en meer water vast te houden voor droge zomers. Hiervoor is al een mogelijke invulling van het toekomstige watersysteem beoordeeld. Het effect op het aspect waterhuishouding (waterkwaliteit en -kwantiteit) door de realisatie de Molenbeek conform het VKM, wordt beoordeeld als positief (effectbeoordeling: + )  Windmolens: Bij de realisatie van vier windturbines conform het VKM wordt de waterhuishouding beïnvloed door de windturbine fundaties. Tijdens de aanleg van de fundaties is bemaling nodig wat een effect zal hebben op grondwaterstanden. Informatie over de aard en omvang van de bemaling dient te worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling van eventuele effecten. Uitspoelen van stoffen, en daarmee veranderingen van de grondwaterkwaliteit, wordt niet verwacht.

Tijdens de operationele fase, dus als de windturbines in werking zijn, is er geen effect op het grondwater. Na afsluiting van het bouwproces zal de normale grondwaterstand weer hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet binnen de verwachting liggen. Door gebruik te maken van nietuitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. De fundaties, en bijbehorende kraanopstelplaatsen en toegangswegen, vergroot2 ten het verharde oppervlak in het plangebied naar schatting met circa 10.528 m (inkoopstations niet meegenomen). Door een toenemend verhard oppervlak stroomt hemelwater sneller af. De daadwerkelijke effecten en de noodzaak en hoeveelheid van de benodigde berging dient in overleg met het waterschap en de gemeente bepaald te worden. Voor de instandhouding van een goede waterkwaliteit, grondgebruik en een veilige afwatering speelt het oppervlaktewater een cruciale rol. De minimale afstand van de windturbines tot een primaire watergang in het VKM is circa 25 meter. Hiermee blijven de fundaties (bij een straal van 15 meter) buiten de beschermingszone van 5 meter en kan worden geconcludeerd dat de windturbines (zeer) weinig effect hebben op de watergangen in het plangebied.

De realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum zijn niet meegenomen in de milieueffectrapportage. Het verhard oppervlak zal hierdoor toenemen. Ook de zonnepanelen zorgen voor een toename van het verhard oppervlak.

69

Watertoets In het kader van de watertoets is voor het voorliggende plan een toelichting op de wa8 tertoets opgesteld. Hierin is een concept waterparagraaf opgenomen, waarin de invloed op het grondwater, het watersysteem, vuil- en hemelwater en waterveiligheid zijn besproken. Bij het watersysteem komen onder andere de watersysteemontwikkeling en de gevolgen van het dempen van watergangen, de aanleg van zonnepanelen en de toename van het verhardoppervlak aan bod. Daarbij worden noodzakelijke maatregelen genoemd, zoals de compensatie van de toename van het verhard oppervlak. Het waterschap is betrokken in de voorfase van het Masterplan Energielandgoed Wells Meer. Het waterschap heeft de watertoets beoordeeld en is hiermee akkoord. 4.10.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.11

Archeologie

4.11.1

Algemeen In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

4.11.2

Toetsing In het kader van het milieueffectrapport (zie bijlage 2, hoofdstuk 10) is het effect van de realisatie van de zonnepanelen en de windturbines op archeologie onderzocht. Hierin is getoetst aan het huidige beleid en regelgeving. Geconstateerd wordt dat er in het plangebied op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het vigerende bestemmingsplan gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig zijn. Voor deze gebieden is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die:  dieper reiken dan 0,4 meter onder het maaiveld; en 2 2  groter zijn dan 250 m (hoge verwachtingswaarden), of 2.500 m (middelhoge verwachtingswaarden). Beleidsregel 6 van de Nota Archeologiebeleid Bergen geeft aan dat: indien in één plangebied meerdere verwachtingswaarden voorkomen, dan geldt de hoogste waarde (en dus de kleinste ondergrens). Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied. Het gebied met hoge verwachtingswaarden betreft minder dan 10% van het plange2 bied van Energielandgoed Wells Meer. Daarom wordt de ondergrens van 2.500 m ,

8

Toelichting op de watertoets Energielandgoed Wells Meer, Bergen, Anteagroup, kenmerk:

0450732.100, 9 juli 2020 70

behorende bij de middelhoge verwachtingswaarde, gehanteerd als grenswaarde voor archeologisch onderzoek. Vervolgens zijn de oppervlaktes van de ingrepen dieper dan 0,4 m van de verschillende onderdelen uit het plan berekend. Geconcludeerd wordt dat met de zonnepanelen 2 de drempelwaarde van 2.500 m wordt overschreden. De windturbines worden gerealiseerd buiten het gebied met een middelhoge of hoge verwachtingswaarde, met uitzondering van de meest noordoostelijke windturbine. In de milieueffectrapportage is het effect van de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw, het bezoekerscentrum en de aanpassing van de Molenbeek niet meegenomen. In het voorliggende bestemmingsplan is de mogelijk locatie voor het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum aangeduid. Deze worden niet gerealiseerd binnen een gebied met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. De aanpassing van de Molenbeek wordt deels voorzien in een zone met een hoge archeologische verwachting. Bij beide ontwikkelingen zijn ingrepen in de grond dieper dan 0,4 meter noodzakelijk. Met de verschillende ontwikkelingen die in het plangebied worden mogelijk gemaakt, 2 wordt de drempelwaarde van 2.500 m overschreden. Dit betekent dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.11.3

Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch en cultuurhistorisch bureauon9 derzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn vuursteenvindplaatsen bekend uit het mesolithicum en grafheuvels uit de bronstijd. De exacte omvang en ligging hiervan is echter niet bekend. Tevens is bekend dat in het plangebied een eendenkooi heeft gelegen, waarvan het exacte karakter niet helemaal duidelijk is, alsmede een Wehrmachtshuisje uit de Tweede Wereldoorlog. Bodemopbouw en bodemverstorende ingrepen Het plangebied maakt deel uit van een terrasvlakte die is bedekt met dekzand. In het noordoostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied is het dekzand opgestoven tot ruggen en welvingen. Langs de zuidwest- en noordwestgrens van het plangebied zijn rivierduinen aanwezig, die vermoedelijk vanaf de late middeleeuwen plaatselijk zijn gereactiveerd (stuifzanden). Het zuidelijke deel van het plangebied wordt doorsneden door een restgeul uit vermoedelijk het Allerødinterstadiaal. In de restgeul en in de lagere delen van het landschap heeft zich veen gevormd, dat inmiddels door de ontwatering en ontginning grotendeels is verdwenen.

9

Gemeente Bergen, Plangebied Energielandgoed Wells Meer, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, BAAC, kenmerk: V-20.0111, juni 2020 71

In het dekzand heeft zich een veldpodzol gevormd, terwijl in het stuifzand sprake is van duinvaaggronden. Mogelijk kan onder het stuifzand nog een veldpodzol aanwezig zijn. In de restgeul is sprake van een gooreerdgrond. Naar verwachting is derhalve in het grootste deel van het plangebied sprake van een circa 30 cm dikke bouwvoor. Plaatselijk is door egalisatie en verploeging een heterogene laag ontstaan, waardoor onder de bouwvoor een maximaal 30 cm dikke menglaag aanwezig is. Deze zones zijn op basis van een bureauonderzoek niet te begrenzen. Er zijn een aantal zones waar mogelijk ontgrondingen of ander groot grondverzet (motorcrossbaan) hebben plaatsgevonden. Specifieke archeologische verwachting In het bureauonderzoek is een specifieke archeologische verwachting opgesteld (zie volgende afbeelding). Aan de hogere landschappelijke gebieden is een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische waarden uit het laat-paleolithicummesolithicum (vuursteenvindplaatsen) tot en met de ijzertijd. Voor de zone langs de restgeul (buffer 200 m) geldt voor deze periode een hoge verwachting, waarbij voor de restgeul zelf een specifieke verwachting voor aan natte context gerelateerde vindplaatsen geldt (afvaldumps, rituele depositie etc.). Voor de lagere delen van het landschap geldt een lage verwachting.

Voor de Romeinse tijd tot en met de volle middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een lage verwachting. Voor de eendenkooi, de mogelijke locatie van de watermolen en de Molenbeek geldt een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen-nieuwe tijd B. In het gebied kunnen de resten van bebouwing, beschoeiingen, duikers etc. aanwezig zijn. Tot slot geldt voor de zone rond het Wehrmachtshuisje een hoge verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Daarbij moet gedacht worden aan schuilloopgraven, zoeklichtopstellingen), (kabel)sleuven, greppels en asen afvalkuilen.

72

Gespecificeerde archeologische verwachting, bron: archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek Advies vervolgonderzoek In het algemeen wordt geadviseerd om de werkzaamheden te beperken tot het gebied met een lage verwachting. In dit gebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Ook bij bodemverstoringen ondieper dan 30 cm –mv wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

73

Indien de bodem in het gebied met een (middel)hoge verwachting voor de steentijdijzertijd dieper dan 30 cm –mv (normale ploegdiepte) wordt verstoord, wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de mate van intactheid van de bodem om de archeologische verwachting nader te kunnen specificeren. De eisen waaraan het booronderzoek dient te voldoen, dienen te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). In de gebieden met een hoge verwachting voor de late middeleeuwen-nieuwe tijd (inclusief de Tweede Wereldoorlog) vormt een booronderzoek geen zinvol onderzoek. Er is immers geen onderscheid te maken tussen (sub)recente bodemverstoringen en de aanwezige archeologische sporen. Derhalve wordt bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv in deze gebieden geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek. Voorafgaand aan dit onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen vastgelegd te worden in een door het bevoegd goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Binnen het plangebied hebben beschietingen en bombardementen plaatsgevonden. Het is derhalve belangrijk om te vermelden dat binnen het gehele plangebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van al dan niet verschoten munitieartikelen.

Mochten in de gebieden met een (middel)hoge verwachting OCEopsporingswerkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem wordt geroerd, zoals het benaderen van vastgestelde afwijkingen in detectiedata, dan wordt aanbevolen deze werkzaamheden op archeologische wijze te begeleiden. Bij de benadering (het opsporen van metaalresten door er naar te gaan graven) bestaat namelijk een aanzienlijke kans dat aanwezige archeologische resten worden verstoord. Voor deze werkzaamheden wordt dan een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleufonderzoek (variant archeologische begeleiding), met een mogelijke doorstart naar opgraving aanbevolen. 4.11.4

Regeling in bestemmingsplan In het voorliggende bestemmingsplan is op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek een regeling opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden:  Ter plaatse van de gebieden met een hoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’ opgenomen. Archeologisch onder2 zoek is noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 250 m en dieper reiken dan 40 cm. De locaties waar de verwachting op vindplaatsen voor de steentijd- ijzertijd en de late middeleeuwen – nieuwe tijd hoog zijn, zijn specifiek aangeduid. Archeolo2 gische onderzoek is hier noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 25 m .  Ter plaatse van de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middelhoog’ opgenomen. Archeolo2 gisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 2500 m en dieper reiken dan 40 cm. De locaties waar de verwachting op vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog hoog is zijn specifiek aangeduid. Archeologische onderzoek is hier 2 noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 250 m .

74

4.11.5

Conclusie In het voorliggende plan zijn de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarden voor het plangebied beschermd middels de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoog’ en ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. Op deze wijze is gewaarborgd dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet kunnen worden geschaad.

4.12

Cultuurhistorie

4.12.1

Algemeen Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf worden de verschillende cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied benoemd en wordt besproken op welke wijze met de cultuurhistorische waarden wordt omgegaan.

4.12.2

Toetsing In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg opgenomen. Hieruit blijkt dat alleen op de grens van het plangebied en er net buiten cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een weg ouder dan 1806 (de Kevelaarsedijk) en direct ten oosten van het plangebied liggen een oude kamp (cultuurlandschap) en oude houtwallen op akkergrenzen.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg met globale aanduiding plangebied (rode lijn)

75

In het Masterplan Wells Meer zijn de cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied geïnventariseerd. Dit zijn de Elizenhof, de eendenkooi, de slagbomen bij de entrees van het landgoed, de voormalige arbeiderswoningen, de Kevelaarsedijk, het Wehrmachtsstation en oude houtwallen en bospercelen. Deze zijn aangegeven in de volgende afbeelding. Deze cultuurhistorische elementen worden behouden en geïntegreerd in het Energielandgoed. Op de locatie waar vroeger de villa en opstallen van het oude landgoed Wellsch stonden is het nieuwe bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw gepland. Hiermee wordt deze locatie opnieuw het hart van het landgoed.

Schema cultuurhistorie, bron: Masterplan Wells Meer De cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in de gemeente Bergen zijn weergegeven in de Kaart Cultuurhistorische Waarden bij het bestemmingsplan Buitengebied 2018. Deze kaart is overgenomen uit het Landschapsplan van de gemeente Bergen. In paragraaf 3.4.5 is het voorliggende plan getoetst aan het Landschapsplan. Hierin is geconcludeerd dat de meeste landschapselementen behouden blijven. Enkele landschapselementen zullen verdwijnen, maar in het plangebied vindt hier ruimschoots compensatie voor plaats door de aanleg van nieuwe landschapselementen. De cultuurhistorische waarden van het wehrmachtsstation zijn in het voorliggende plan beschermd. Het wehrmachtsstation heeft in het plan de aanduiding ‘karakteristiek’ gekregen. Beschermd stads- en dorpsgezicht Volgens de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) wordt vanaf een afstand van 1.800 meter het contrast tussen een windturbine en een beschermde dorpsgezicht af-

76

gezwakt. Deze afstand is geen voorgeschreven norm, maar moet worden beschouwd als zone waarbinnen verder onderzoek wordt geadviseerd. Daarom wordt voor het criterium cultuurhistorie deze afstand gehanteerd voor de beoordeling van de effecten van windenergie op beschermde gezichten. In het kader van het milieueffectrapport (zie bijlage 2, hoofdstuk 10) is het mogelijke effect van het plan op omliggende stads- en dorpsgezichten en rijksmonumenten beoordeeld. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen beschermde dorps- en stadsgezichten aanwezig. Het dichtstbijzijnde beschermde dorp of stadsgezicht is gelegen nabij Helenaveen op circa 20 kilometer afstand en ligt dus ruim buiten de door RCE geadviseerde contour van 1.800 meter. Er zijn bovendien geen cultuurhistorische monumenten in het plangebied aanwezig. 4.12.3

Onderzoek Resultaten Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch en cultuurhistorisch bureauon10 derzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. In het plangebied zijn diverse historisch-geografische waarden aanwezig:  contrast tussen het overwegend open voormalige veengebied (ontginning) en de beboste duinen;  Veener of Spaanse Ley met singel en grenspalen als grensaanduiding;  voormalige eendenkooi als gesloten eenheid (houtwal) in een open landschap;  rechte ontginningspatroon van wegen (al dan niet met flankerende lanen) en waterlopen (waaronder de Molenbeek) met een noordwest-zuidoostelijke en noordoost-zuidwestelijke oriëntatie;  verspreide bebouwing (woningen en schuren) met de hoofdboerderij in Duitsland (voor circa de Tweede Wereldoorlog);  Wehrmachtshuisje als bijzonder relict uit de Tweede Wereldoorlog;  groenelementen, zoals houtwallen, singels, bosjes, solitaire bomen en boomgroepen. De afzonderlijke elementen hebben niet een zeer bijzondere cultuurhistorische waarde. Als geheel vormen ze de ruimtelijke structuur van het gebied en geven inzicht in de ontwikkeling van het cultuurlandschap.

Om de aantasting van de cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk te beperken wordt geadviseerd de ontwikkeling van het gebied in te passen in de huidige structuur met de noordwest-zuidoost en zuidwestnoordoost georiënteerde wegen en waterlopen en de aanwezige cultuurhistorische elementen zoveel mogelijk te respecteren. Hierbij kan bijvoorbeeld voor de realisatie van bebouwing gebruik gemaakt worden van de oude boerderij- en schuurlocaties. Voorts wordt geadviseerd, mocht het ‘Wehrmachtshuisje’ ten behoeve van de werkzaamheden worden aangepast of afgebroken, ter plaatse een bouwhistorisch onderzoek uit te voeren door of onder begeleiding van een specialist Tweede Wereldoorlog.

10

Gemeente Bergen, Plangebied Energielandgoed Wells Meer, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, BAAC, kenmerk: V-20.0111, juni 2020 77

Verwerking in bestemmingsplan Zoals beschreven in paragraaf 3.4.5 is ervoor gekozen om de ontsluitings- en kavelstructuur van het plangebied aan te passen. Daarnaast is in deze paragraaf geconcludeerd dat in de plannen rekening is gehouden met de aanwezige landschapselementen in het plangebied, maar dat ervoor gekozen is om twee landschapselementen te verwijderen. Het Wehrmachtshuisje zal niet worden aangepast of afgebroken. In het voorliggende plan is de regeling ter bescherming van de (cultuurhistorisch) waardevolle landschapselementen overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2018. Daarnaast zijn de cultuurhistorische waarden van het Wehrmachtshuisje beschermd middels de aanduiding ‘karakteristiek’. 4.12.4

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.13

Externe veiligheid

4.13.1

Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.

Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Windturbines In de milieueffectrapportage is een overzicht opgenomen van de relevante regelgeving voor windturbines in Nederland (zie bijlage 2, paragraaf 14.1.1). Hierbij kan getoetst worden aan de normen voor het IPR en MR die Rijkswaterstaat hanteert. IPR staat voor Individueel Passanten Risico en geeft de overlijdenskans per

78

passant per jaar aan. Het MR staat voor Maatschappelijk Risico en is een maat voor het verwachte aantal doden per jaar, als het product van het verwachte aantal slachtoffers per passage en het aantal passages per jaar. 4.13.2

Toetsing Toevoegen (beperkt) kwetsbare objecten In het plangebied worden een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt. Dit zijn beperkt kwetsbare objecten.

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (meest noordelijke rode lijn), inrichtingen met gevaarlijke stoffen (rode driehoeken) en de transportroute over de Maas (zwarte lijn) en de transportroute over de N271 en N270 (meest zuidelijke rode lijnen), bron: www.risicokaart.nl

De risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven op bovenstaande kaart. Uit de gegevens van de digitale risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de PR-contour of het invloedsgebied van de omliggende risicobronnen ligt. Verder worden binnen het plangebied geen kwetsbare functies mogelijk gemaakt. Toevoegen risicobronnen In het plangebied wordt de realisatie van vier windmolens mogelijk gemaakt. In de milieueffectrapportage is het effect van deze windmolens met betrekking tot het aspect externe veiligheid onderzocht (zie bijlage 2, paragraaf 17.11.2.)

79

Voor veiligheid van windturbines geldt: -5  de PR10 contour van de windturbine mag niet over kwetsbare objecten liggen; -6  de PR10 contour van de windturbine mag niet over beperkt kwetsbare objecten liggen. -6 Voor windturbines geldt dat er geen kwetsbare objecten binnen de PR10 contour en -5 geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR10 contour mogen liggen. Geconcludeerd wordt dat dit in het bestemmingsplan gewaarborgd moet worden. -5

In de huidige situatie liggen er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR10 -6 en PR10 contour van de windmolens, met uitzondering van de bedrijfswoning op adres Wellsmeer 1a. Deze bedrijfswoning is in het voorliggende plan wegbestemd en zal worden gesloopt. Zoals al genoemd zijjn de enige nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten die met het voorliggende plan worden mogelijk gemaakt een bedrijfsverzamelgebouw en een bezoekerscentrum. In het bestemmingsplan is geregeld dat (beperkt) kwetsbare objecten niet binnen een afstand van 250 meter van de windturbines mogen worden gerealiseerd. Plaatsing van windturbines nabij infrastructurele objecten is alleen mogelijk wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid bestaat. In de milieueffectrapportage wordt geconcludeerd dat er geen rijkswegen of wegen van nationaal formaat aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied. Ook zijn er geen provinciale wegen aanwezig nabij het plangebied. De N271 ligt ver buiten de risicocontouren (voldoet aan de toetsafstand). Binnen het voorliggende plan is geregeld dat wegen niet zijn toegestaan binnen de rotordiameter van een windmolen. Rotoroverslag bij nieuwe wegen is hierdoor niet mogelijk. Er is bovendien geen sprake van rotoroverslag over de Veenweg of andere bestaande lokale wegen.

Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval is in de milieueffectrapportage gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte. Voor alle varianten van het VKM kunnen binnen de tiphoogte van de windturbines fietsers en wandelaars aanwezig zijn. De windturbines draaien over de Energieboulevard. Hierdoor kunnen passanten die onbeschermd zijn (zoals fietsers en voetgangers) mogelijk worden geraakt door ijsafval. Dit effect is als negatief (-) beoordeeld. Er bestaan systemen die voorkomen dat er ijsaangroei kan optreden (verwarmen van de bladen) en ijsdetectiesysteem om het werpen van ijs te voorkomen. Ook kan er door ijsafval schade aan (geparkeerde) auto’s, voertuigen of zonnevelden optreden, dit is weliswaar een aandachtspunt maar geen risico voor personen. Binnen de tiphoogte van de windturbines (zowel lijnopstelling als clusteropstelling) kunnen zonnevelden en mogelijk parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aangeraden wordt om in dergelijks situaties, om schade door ijsworp te voorkomen, om hier actief rekening mee te houden. Dit kan door toepassing van een ijsdetectiesysteem om het werpen van ijs te voorkomen.

In het geval dat er ook binnen een halve rotordiameter plus circa 11 meter zonnevelden aanwezig zijn, dan wordt aangeraden om ook nog een ijsprotocol opstellen om ook ijsafval (glijden vanaf rotor) te minimaliseren.

80

Naast de windturbines worden geen nieuwe risicobronnen in het plangebied mogelijk gemaakt. 4.13.3

Conclusie In het voorliggende plan is geregeld dat geen (beperkt)kwetsbare objecten binnen een afstand van 250 meter van de windturbines mogen worden gerealiseerd. Hiermee is -5 -6 gewaarborgd dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR10 en PR10 contour van de windmolens worden gerealiseerd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.14

Verkeer en parkeren

4.14.1

Verkeer In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht als een energielandgoed, welke via de Energieboulevard wordt ontsloten op de Wezerweg en de Veenweg. Het toekomstige bezoekerscentrum en innovatiecentrum (waaronder een bedrijfsverzamelgebouw) hebben een verkeersaantrekkende werking. Als gevolg van de zonnepanelen en windmolens zal geen sprake zijn van een significante verkeersaantrekkende werking. Het gebied zal alleen incidenteel worden bezocht in het kader van onderhoudswerkzaamheden. Door de realisatie van het bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw zal het aantal verkeersbewegingen naar het plangebied toenemen. De Wezerweg wordt op dit moment al als een drukke weg ervaren door omwonenden. In een verkeersonderzoek dat is opgenomen als bijlage 10 bij het MER (zie bijlage 2 van deze toelichting) is onderbouwd wat de invloed van het bezoekerscentrum zal zijn op de verkeerssituatie op de Wezerweg en Veenweg. Uit dit onderzoek volgen de volgende conclusies:  De Wezerweg is een 60 km/h weg met een theoretische restcapaciteit van circa 2.000 motorvoertuigen per etmaal. Dit betekent dat bij benadering dagelijks 1.000 motorvoertuigen het bezoekers- /innovatiecentrum kunnen bezoeken (1.000 ritten heen en 1.000 ritten terug), zonder dat doorstromingsproblemen ontstaan of de verkeersveiligheid in het geding komt.

 Verwacht wordt dat de toename van het verkeer door het Energielandgoed (veel) lager is dan 1.000 bezoekende motorvoertuigen per dag. Daarmee zal de doorstroming op de Wezerweg en de Veenweg niet in het geding komen.  Recent uitgevoerde snelheidsmetingen laten zien dat de V85 57 km/h bedraagt. Daarmee wordt aangetoond dat gemiddeld 85% van de bestuurders de maximum toegestane snelheid van 60 km/h niet overschrijdt. Een toename van de verkeersintensiteiten zullen niet leiden tot hoger gereden snelheden, mogelijk nemen deze door de toenemende verkeersintensiteiten juist af.  De verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid van het bezoekersverkeer van het bezoekers-/innovatiecentrum van Wells Meer op de Wezerweg zullen geen belemmering vormen voor de doorstroming en verkeersveiligheid.

81

In de regels van het voorliggende plan is opgenomen dat het energielandgoed jaarlijks door maximaal 15.000 auto’s bezocht mag worden (30.000 motorvoertuigbewegingen). Dit betekent dat het daadwerkelijk aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal ruim onder de gestelde theoretische restcapaciteit van de Wezerweg van 2.000 motorvoertuigbewegingen zal liggen en dat het verkeer op een veilige wijze kan worden afgewikkeld op het bestaande wegennet. 4.14.2

Parkeren Voor het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw is het belangrijk dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. In het verkeersonderzoek (zie bijlage 10 van bijlage 2 van deze toelichting) is een inschatting gemaakt van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Geschat wordt dat ongeveer 258 parkeerplaatsen nodig zijn, waarbij vermeld is dat dit een grove inschatting is en deze geldt voor recreatiegebieden. Het parkeren zal plaatsvinden in de directe omgeving van het toekomstige bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw. Hier is voldoende ruimte beschikbaar voor de realisatie van deze parkeerplaatsen.

82

5 5.1

Wijze van bestemmen Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0893.BP20005ELWMWEL-ON01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Wanneer het GML-bestand analoog wordt afgedrukt (op papier), betreft dit één verbeelding/plankaart. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2

Methodiek

5.2.1

Verbeelding In het GML-bestand hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als 'verklaringen' aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2

Regels De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:  Hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.  Hoofdstuk 2 (artikelen 3 tot en met 12) bevat de bestemmingen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook een regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Ook zijn in dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.  Hoofdstuk 3 (artikelen 13 tot en met 20) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.  Hoofdstuk 4 (artikelen 21 en 22) bevat de overgangs- en slotregel.

83

Regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);  specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);  afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);  wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld. Bouwregels De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel zijn. Zoals bijvoorbeeld de bouwhoogtes. Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'. Specifieke gebruiksregels Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is. Afwijken van de gebruiksregels Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9614437/1