CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

1 B BP Toelichting ELWM

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;28.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ontwerpbestemmingsplan | Toelichting

Energielandgoed Wells Meer

Gemeente Bergen

Datum: 30 september 2020 Projectnummer: 190144 ID: NL.IMRO.0893.BP20005ELWMWEL-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doelstelling Plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 5 6

2

Het plan

7

2.1 2.2

Huidige situatie plangebied Planbeschrijving

7 10

3

Beleid en regelgeving

19

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

19 28 41 44

4

Milieu- en omgevingsaspecten

53

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Milieueffectrapportage Bodem Natuur Bedrijven en milieuzonering Geluid Gezondheid Slagschaduw Geur Luchtkwaliteit Water Archeologie Cultuurhistorie Externe veiligheid Verkeer en parkeren

53 56 57 61 64 64 65 66 67 68 70 75 78 81

5

Wijze van bestemmen

83

5.1 5.2 5.3

Algemeen Methodiek Bestemmingen

83 83 85

6

Uitvoerbaarheid

89

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

89 89

Bijlagen          

Bijlage 1: Masterplan Energielandgoed Wells Meer Bijlage 2: Milieueffectrapportage Bijlage 3: Gebiedsvisie Bijlage 4: Aerius-berekening gebruiksfase 1 Bijlage 5: Aerius-berekening gebruiksfase 2 Bijlage 6: Aerius-berekening aanlegfase Bijlage 7: Geuronderzoek Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 10: Nota inspraak en overleg

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling De gemeente Bergen heeft de ambitie om in 2030 als eerste gemeente in Limburg energieonafhankelijk te zijn. Het voornemen is om met de realisatie van Energielandgoed Wells Meer een grote bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van deze ambitie. Dit Energielandgoed betreft een gebied van circa 400 hectare, waar duurzame energie wordt opgewekt met zonnepanelen en windturbines. Daarnaast is hier plaats voor andere functies, zoals een bezoekerscentrum, een bedrijfsverzamelgebouw en natuurontwikkeling. Op 17 december 2019 heeft de raad van de gemeente Bergen het masterplan Ener1 gielandgoed Wells Meer vastgesteld, waarin op hoofdlijnen het ontwerp voor het Energielandgoed en de businesscase is bepaald. Het masterplan is als bijlage aan het plan toegevoegd. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan overwegend een agrarische bestemming. Het Energielandgoed kan hierbinnen niet worden gerealiseerd. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling en maakt daarmee de ontwikkeling mogelijk.

1.2

Plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van Well. Het Wellsmeer is gelegen tussen Nationaal Park De Maasduinen aan de westzijde en de Duitse grens aan de oostzijde. Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.

1

Masterplan Energielandgoed Wells Meer, H+N+S Landschapsarchitecten, 6 november 2019 3

Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding planlocatie (rode lijn), bron: pdokviewer.pdok.nl

Globale ligging plangebied (rode lijn), bron: pdokviewer.pdok.nl

4

1.3

Geldend bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’, dat op 12 november 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen ‘Natuur’, ‘Agrarisch met Waarden’, ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Water’, ‘Bos’ en ‘Verkeer’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 4’, ‘Waarde - Archeologie 5’ en ‘Waterstaat - Beschermingszone waterkering’. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ met aanduiding plangebied (rode lijn), Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Het Energielandgoed is niet mogelijk binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

5

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft het plan, waarbij wordt ingegaan op de bestaande situatie, de planbeschrijving en de historie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (Hoofdstuk 5), de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6) en de maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 7).

6

2

Het plan

2.1

Huidige situatie plangebied

2.1.1

ruimtelijke structuur Landschap Het plangebied bestond oorspronkelijk uit natte woeste gronden, die in de wintermaanden blank stonden en in de zomermaanden hoofdzakelijk gebruikt werden als graasgebied voor vee. Het was verder een leeg en onbewoond gebied. In het gebied lag een eendenkooi die toebehoorde aan het kasteel van Well en langs en dwars door het gebied liepen twee (onverharde) wegen naar Weeze en Kevelaer (respectievelijk de huidige Wezerweg langs de westgrens van het plangebied en de zandweg Kevelaarsedijk (langs de Laarakker richting Meersenhof)). e

In de twintiger jaren van de 20 eeuw werd het gebied aan beide zijden van de landsgrens ontgonnen. Aan de Duitse kant gebeurde dat min of meer in brede slagen haaks op de grens, aan de Nederlandse zijde in wat grotere blokken. Pal aan de grens werden schuren en een woning gebouwd (Elisenhof). Het gebied werd ontwaterd door langs de zuidwestzijde de Molenbeek te graven en enkele sloten daar haaks op aan te sluiten. Het gebied waterde vanaf dat moment naar het westen toe af. Na de Tweede Wereldoorlog werd aan de zuidoostkant van het plangebied Tuindorp ontwikkeld. In het gebied kwamen enkele nieuwe wegen om de landbouwpercelen beter te ontsluiten, waaronder de Veenweg, die tevens een ontsluitingsweg voor Tuindorp vormt. Het plangebied zelf is zeer open van karakter. Het heeft een zeer grote schaal en maat en is rationeel verkaveld in twee hoofdrichtingen: min of meer haaks op en min of meer parallel aan de rug van de Maasduinen ten zuidwesten van het plangebied. Het gebied is relatief vlak en ligt min of meer in een kom. Parallel aan de grens ligt een hoge rug aan de noordoostrand van het plangebied. Ten zuidwesten en aan de noordwestzijde liggen nog hogere ruggen, die onderdeel uitmaken van de Maasduinen. De ruggen zijn beplant met bos en bakenen het plangebied zeer duidelijk af.

Alleen het gedeelte tussen de Elisenhof en de Meersenhof en de oostgrens van het plangebied zijn open. Langs een deel van de wegen liggen smalle houtsingels of bosjes. De onverharde Kevelaarsedijk heeft een volgroeide laanbeplanting.

7

Kaart landschappelijke beleving, bron: Masterplan Wells Meer Verbindingen Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Wezerweg. Dit is een verbindingsweg tussen de N271 en Duitsland. De enige weg die door het plangebied loopt is de Veenweg, welke Tuindorp met de Wezerweg verbind. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan Nationaal Park De Maasduinen. De Maasduinen vormt de langste rivierduinengordel van Nederland en is ter hoogte van het plangebied aangewezen als Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Molenbeek ligt aan de zuidzijde van het plangebied. De watergangen in het plangebied wateren af op deze beek, welke zelf uitmondt in de Maas. Functionele Structuur Woningen zijn in het plangebied voornamelijk aan de Wezerweg gelegen, daarnaast is één woning aan de Veenweg gesitueerd. Midden in het plangebied ligt één agrarisch bedrijf met twee bouwpercelen. Het plangebied is grotendeels in gebruik voor de landbouw, waaronder de teelt van graszoden en akkerbouw.

8

Het plangebied gezien vanaf de Wezerweg, met aan de horizon de bossen van de Maasduinen aan de zuidzijde van het plangebied, bron: Google Streetview.

Het plangebied gezien vanaf de Wezerweg, met aan de horizon de bospercelen en houtwallen langs de Duitse grens, bron: Google Streetview.

Impressie plangebied vanaf het zand- en fietspad langs de Molenbeek, bron: Google Streetview.

9

Impressie plangebied gezien vanaf de Veenweg, bron: Google Streetview.

2.2

Planbeschrijving

2.2.1

Aanleiding en locatiekeuze In het kader van het programma VerduurSAMEN2030 heeft de gemeente Bergen de doelstelling om in 2030 via kleinschalige opwekking en innovatie, besparing en grootschalige opwekking net zo veel energie op te wekken als in de gemeente wordt verbruikt (1,74 PJ). Minimaal 50% van deze opgave moet ingevuld worden door grootschalige opwekking buiten de kernen. De gemeente heeft het voornemen om hiervoor Energielandgoed Wells Meer te realiseren. Een groot deel van de gemeente bestaat uit kwetsbare landschappen of gebieden met hoge natuurwaarden (het Maasdal en Nationaal Park de Maasduinen). Tussen de Maasduinen en de Duitse grens liggen enkele grootschalige ontginningslandschappen, waar wel mogelijkheden liggen voor grootschalige opwekking. In het MER bij de Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer zijn hier drie potentiele locaties beoordeeld op hun geschiktheid voor het grootschalig opwekken van duurzame energie. Op basis van dit milieueffectrapport is de keuze gemaakt om het Wells Meer aan te wijzen als locatie voor het Energielandgoed. De keuze is gebaseerd op vier onderscheidende aspecten: de opwekking van duurzame energie, de impact op het ruimtegebruik, de impact op de leefomgeving en de impact op het landschap.

Wells Meer is de enige locatie waar de opgave voor de opwekking van duurzame energie gerealiseerd kan worden en de enige locatie die geen (sterk) negatieve score heeft op de impact op ruimtegebruik, leefomgeving en landschap. In de omgeving van het plangebied liggen direct over de grens in Duitsland windparken en ten zuiden de vergistingsinstallatie van Ecofuels. Hier sluit het Energielandgoed functioneel bij aan.

10

Beoordeelde potentiële locaties voor opwekking van duurzame energie, bron: Masterplan Energielandgoed Wells Meer 2.2.2

Inrichtingsplan De keuzes voor het ruimtelijk ontwerp voor het Energielandgoed zijn gemaakt in het Masterplan Wells Meer (zie bijlage 1). Bij de inrichting van het landgoed is uitgegaan van de heldere ruimtelijke structuur die vaak bij landgoederen aanwezig is. Door te werken met structurerende assen, lange zichtlijnen en een helder stramien ontstaat een bepaalde monumentaliteit, passend bij de grote schaal en maat van het gebied. Dit landschappelijk raamwerk biedt het kader voor de ontwikkelvelden voor duurzame energieopwekking. Het Energielandgoed krijgt een nieuwe hoofdas die het gebied ontsluit en waaraan alle centrale functies zijn gelegen. Deze ‘Energieboulevard’ vormt een belangrijk structurerend element van het Energielandgoed. Haaks op de Energieboulevard, in noordzuidrichting wordt een groene zone aangelegd: het ‘ZonnePark’. Deze zone vormt een robuuste groene structuur in het landgoed. Het Zonnepark wordt extensief benut voor de opwekking van energie, zodat er ook ruimte is voor ecologie en recreatie. Het gebied rondom de voormalige eendenkooi, langs de Wezerweg, is onderdeel van het ZonnePark en wordt gevrijwaard van intensieve energieopwekking. Zo wordt de impact van de ontwikkeling op de bestaande woningen aan de Wezerweg beperkt.

Centraal in het Energielandgoed worden een bezoekerscentrum met daarnaast een innovatiecentrum met ruimte voor een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige energie-gerelateerde bedrijvigheid gerealiseerd. Precies op deze plek stonden vroeger de villa en agrarische opstallen van het historische landgoed Wells Meer.

11

Het landgoed krijgt een beperkte ruimtelijke geleding met nieuwe beplantingsstructuren (lanen en houtwallen). Die leiden tot meer diepte in het beeld, kaderen het zicht op de zonnevelden en windturbines in en hebben tevens ecologische betekenis. De kavels daarbinnen zijn voldoende groot om de kenmerkende openheid van het gebied te behouden. Met het plaatsen van de beplantingsstructuren, wordt rekening gehouden met de beleving van het gebied vanaf de verschillende (doorgaande) routes en vanuit de bestaande woningen en bedrijven. In de noordflank is meer ruimte voor nieuwe houtwallen en bosontwikkeling. Deze landschappelijk hoger gelegen rug wordt hiermee ruimtelijk zichtbaar gemaakt en er ontstaat een groene omkadering van het landgoed. De Veenweg loopt onopvallend door het landgoed en doorsnijdt de zonnevelden. Vanaf deze weg zijn de velden zo optimaal te beleven.

Ruimtelijke hoofdstructuur Energielandgoed, bron: Masterplan Wells Meer 2.2.3 2.2.3.1

Programma Zonne-energie Zonne-energie vormt de belangrijkste vorm van duurzame energieopwekking binnen het Energielandgoed. In het plangebied wordt onderscheidt gemaakt tussen gebieden waar ‘zonnevelden’ mogelijk worden gemaakt en gebieden waar een ‘zonnepark’ wordt mogelijk gemaakt. Daarnaast is er een innovatieve zone rondom de Energieboulevard.

12

Afbeelding met ligging zonnevelden, zonnepark en innovatieve zone Zonnevelden In bovenstaande afbeelding zijn de verschillende opstellingen van de zonnevelden weergegeven die in het voorliggende plan worden mogelijk gemaakt. Om voldoende balans in de energieopwekking gedurende de dag te realiseren en daarmee de piekbelasting op het netwerk te verminderen, worden zowel oost-westals zuid-georiënteerde opstellingen toegepast. Om de doelstelling te kunnen halen is het nodig om intensieve zonnevelden aan te leggen, met een hoge dichtheid aan panelen. De zonnevelden zijn niet openbaar toegankelijk en worden afgesloten door middel van haha’s of hekwerken die worden aangekleed met begroeiing. In onderstaande tabellen zijn de uitgangspunten voor de zonnevelden weergegeven. 1. Velden oost-west in het midden van het plangebied

2. Velden oost-west in het noorden van het plangebied

13

3. Reguliere zuid-opstelling

Zonnepark In het ‘zonnepark’ is gekozen voor een extensieve opstelling van de zonnepanelen. Hierdoor is meervoudig ruimtegebruik mogelijk, zoals een combinatie met natuurontwikkeling, recreatie of landbouw. In onderstaande tabel zijn de uitgangspunten voor het zonnepark weergegeven.

Innovatieve zone Rondom de energieboulevard kunnen in de innovatieve zone testvelden worden gerealiseerd. De toegestane bouwhoogte is hier hoger dan in andere delen van het Energielandgoed, om ook proeven met hooggelegen zonnepanelen mogelijk te maken. In onderstaande tabel zijn de uitgangspunten voor de innovatieve zone weergegeven.

2.2.3.2

Windenergie In het plangebied wordt de plaatsing van vier windturbines mogelijk gemaakt. De windturbines worden opgesteld in een vierkant, rondom de hoofdas van het landgoed. De tiphoogte van de windmolens wordt maximaal 250 meter. Plaatsing van windturbines heeft een positief effect op de balans in de energiewinning en betekent dat er minder areaal zonnevelden in een minder hoge dichtheid en intensiteit nodig is om de doelstelling te halen. Dit levert ruimte op voor een goede inpassing van de duurzame energieopwekking en het invullen van andere gebiedsdoelen. De landschappelijke effecten van de windturbines worden, gezien de positie van de turbines in Duitsland die het beeld al sterk bepalen, als aanvaardbaar beschouwd. Bovendien sluit plaatsing van windturbines, naast zonne-energie, aan bij de ambitie om een Energielandgoed te realiseren met een mix aan energiebronnen.

14

2.2.3.3

Energieboulevard Naast de testvelden voor zonne-energie worden op de Energieboulevard een bezoekerscentrum en duurzame bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Bezoekerscentrum Er wordt een bezoekerscentrum gerealiseerd waar recreanten in het landgoed meer informatie over het Energielandgoed tot zich kunnen nemen, maar waar ook lezingen en dergelijke kunnen worden gehouden. Het bezoekerscentrum krijgt een maximale 2 oppervlakte van 1300 m en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Daarnaast is het mogelijk om een horecagelegenheid bij het bezoekerscentrum te realiseren. Duurzame bedrijvigheid Naast het bezoekerscentrum wordt de ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Dit betekent dat er ruimte wordt gegeven aan bedrijven die de voorkeur geven om kantoor te houden bij een energielandgoed zoals Wells Meer. Er worden alleen lichte vormen van bedrijvigheid toegestaan, zoals kantoren en opslagloodsen. De maximale bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen wordt 10 meter.

2.2.3.4

Wonen In het plangebied liggen verschillende bestaande woningen. De woningen aan de Wezerweg liggen langs de rand van het Energielandgoed. De woonbestemmingen van deze woningen zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De woningen op het adres Wezerweg 16a en de Veenweg 2 liggen midden in het Energielandgoed en worden ingepast. Aan de Wellsmeer 1a is een agrarisch bouwvlak met bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning aanwezig. Deze blijft niet behouden en de aanwezige bebouwing wordt gesloopt.

15

2.2.3.5

Natuurontwikkeling en water In het gebied rondom de Molenbeek is in het Energielandgoed ruimte voor natuurontwikkeling. Het is de bedoeling dat dit een natte natuurzone wordt, waar geen zonnepanelen, windturbines of andere bouwwerken worden gerealiseerd. Voor dit gebied zal in samenwerking met het waterschap een inrichtingsplan worden opgesteld. Het watersysteem in het Energielandgoed wordt robuuster gemaakt, om wateroverlast verder benedenstrooms te voorkomen. Het is de bedoeling om water langer vast te houden in het gebied, onder andere door het ontwikkelen van de natte natuurzone. De afwatering van het gebied wordt in overleg met het Waterschap op de nieuwe verkaveling aangepast.

2.2.4

Landschappelijk raamwerk Bij het vormgeven van de ruimtelijke hoofdstructuur voor het landgoed in het Masterplan Wells Meer, is rekening gehouden met de landschappelijke kenmerken van het omliggende gebied. Gekozen is voor een robuuste en heldere ruimtelijke structuur, passend bij de grote maat en schaal van het gebied. In het Masterplan is het landschappelijk raamwerk verder uitgewerkt en zijn per onderdeel ontwerpprincipes geformuleerd als kader voor de verschillende onderdelen van het programma die binnen het landgoed worden gerealiseerd. Op deze wijze wordt gezorgd voor een landschappelijke inpassing van de verschillende onderdelen in de omgeving. De huidige grootschalige landbouwenclave wordt binnen heldere, logische grenzen ontwikkeld naar een grootschalig samenhangend en herkenbaar energielandschap. Deze transformatie naar een energielandgoed met veel aandacht voor ontwikkelen van natuur- en recreatieve waarden past goed in het omliggende landschap. Er is een heideherstelprogramma in uitvoering waarbij diverse heidegebieden door middel van heideverbindingszones met elkaar worden verbonden. Eén van deze verbindingszones loopt langs het projectgebied Wells Meer. Een energielandgoed van dit formaat is een ingrijpende verandering in het landschap, er wordt als het ware een nieuwe ontginningslaag aan het bestaande landschap toegevoegd.

Om een efficiënte invulling met zonnepanelen mogelijk te maken is gekozen om de ontsluitings- en kavelstructuur van het gebied aan te passen zodat er veel puur zuid en puur oost-west opstellingen gemaakt kunnen worden, zonder al te veel overhoeken en ruimteverlies aan de randen. Ook voor de ruimtelijke beleving is dit beter omdat zo rommelige rafelranden worden voorkomen. De openheid van de jonge ontginning wordt zoveel als mogelijk gehandhaafd door een lage plaatsing van de zonnepanelen en een zorgvuldige omgang met grenzen zoals hekwerken. De meeste zonnepanelen hebben een maximale nokhoogte van 1,60 ten opzichte van het maaiveld, onder ooghoogte. Waar hekwerken staan worden die zo geplaatst (bijvoorbeeld in combinatie met een greppel) waardoor de hekwerken optisch lager lijken en je er vanaf de wandelpaden, fietspaden, de nieuwe boulevard, de Veenweg en de Wezerweg overheen kijkt. Deze wegen en paden liggen ook iets hoger dan het maaiveld waardoor dit effect versterkt wordt.

16

Waardevolle landschapselementen, zoals de bossen langs de randen, de voormalige eendenkooi in het centrale middengebied, de laan van de Kevelaarsdijk en enkele houtsingels zijn binnen de nieuwe verkaveling opgenomen. De aanhechting op de omgeving wordt versterkt door op strategische plekken bos toe te voegen. Om een te grootschalige monotoon zonneveld te voorkomen worden er enkele nieuwe structurerende houtwallen en singels aangelegd. Deze zorgen ook voor goede ecologische verbindingen door het gebied en hebben een recreatieve functie. Tussen deze beplantingen door, en vanaf de randen van het plangebied blijven karakteristieke vergezichten en de relatief grote schaal, de openheid van dit gebied beleefbaar. 2.2.5

Verkeer en parkeren Het Energielandgoed wordt beperkt toegankelijk voor autoverkeer. Alleen de Energieboulevard is bereikbaar voor auto’s richting het bezoekers- en innovatiecentrum (bestemmingsverkeer) en voor het benodigde onderhoud en beheer van het Energielandgoed. De Energieboulevard wordt vormgegeven als fietsstraat waar de auto te gast is. De aansluiting is voorzien vanaf de Veenweg en wordt verkeerskundig en zorgvuldig uitgewerkt. Langzaam verkeer zal direct vanaf de Wezerweg toegang hebben tot het plangebied. Bij het bezoekers- en innovatiecentrum wordt in de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen voorzien.

2.2.6

Netaansluiting De energie die opgewekt wordt in het energielandgoed moet worden getransporteerd naar het nationale elektriciteitsnet. Om het landgoed aan te kunnen sluiten op dit net, hebben de gemeente Bergen en netbeheerders Enexis en TenneT op 9 september 2019 een intentieovereenkomst getekend over het tijdig aansluiten van het Energielandgoed op het elektriciteitsnet. Daarnaast heeft de gemeente inmiddels bij Enexis een offerte opgevraagd voor de nieuwe elektriciteitsaansluiting. De realisatie van het kabeltracé en het transformatorstation maken geen onderdeel uit van het voorliggende plan. In de volgende afbeelding zijn twee tracés opgenomen waarlangs een kabel kan worden aangelegd om de in het Energielandgoed opgewekte stroom het plangebied uit te krijgen. De verdere detaillering van de aansluiting op het elektriciteitsnet zal in een later stadium plaatsvinden.

17

Mogelijke kabeltracés netaansluiting, bron: Milieueffectrapport Energielandgoed Wells Meer

18

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie Algemeen Het ontwerp van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft tot en met 30 september 2019 ter inzage gelegen. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Duurzaam economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio’s; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3 Afwentelen wordt voorkomen. Toetsing Voor het voorliggende plan zijn prioriteit 1 en 4 van toepassing. Prioriteit 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Per prioriteit heeft het Rijk verschillende beleidskeuzes gemaakt.

Voor dit plan is beleidskeuze 1.4 relevant: “We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies. Voor de inpassing op land van de opgave voor duurzame energie worden regionale energiestrategieën opgesteld.” Het Rijk heeft bij de inpassing van duurzame energie voorkeur voor grootschalige clustering, vanwege het verminderen van de ruimtelijke afwenteling en de kostenreductie. Bewoners moeten goed betrokken worden, invloed hebben op het gebruik en waar mogelijk meeprofiteren van de opbrengsten. Verder moet aandacht worden besteed aan natuurinclusief ontwerp en beheer.

19

Voor mogelijke locaties voor realisatie van zonnepanelen is in de NOVI de volgende voorkeursvolgorde opgenomen: 1 zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen; 2 onbenutte terreinen in bebouwd gebied; 3 landeljik gebied: slimme functiecombinaties, bij voorkeur op gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur. Het voorliggende plan maakt de realisatie van een grootschalig energie landgoed mogelijk. Hiermee wordt aangesloten bij de voorkeur van het Rijk voor grootschalige clustering en wordt de ruimtelijke afwenteling verminderd. In het Masterplan Wells Meer wordt door middel van een landschappelijk raamwerk gewaarborgd dat bij het ontwerp van het Energielandgoed aandacht is voor natuur en landschap. Bewoners zijn vanaf het begin van het planproces betrokken bij de plannen (zie paragraaf 6.2). Met het mogelijk maken van zonnepanelen op voormalige landbouwgrond, worden de zonnepanelen gerealiseerd op een locatie die vanuit het Rijk de minste voorkeur heeft. Landbouwgebieden zijn echter bij uitstek gebieden waar grootschalige clustering mogelijk is, een andere ambitie van het Rijk. Daarnaast volgt uit het MER bij de Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer dat het Wells Meer meest geschikte locatie voor een energielandgoed is in de gemeente Bergen.

Hierin zijn de volgende vier aspecten meegenomen: de opwekking van duurzame energie, de impact op het ruimtegebruik, de impact op de leefomgeving en de impact op het landschap (zie paragraaf 2.2.1). Tot slot wordt binnen een groot deel van het plangebied ingezet op een extensieve opstelling van zonnepanelen, waardoor meervoudig ruimtegebruik in combinatie met natuur en landbouw hier mogelijk blijft. Prioriteit 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Nederland gaat voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van de landschappelijke kwaliteiten. Het Rijk heeft de beleidskeuze gemaakt dat er een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk moet worden gemaakt. Dit betekent onder andere dat vruchtbare landbouwgronden of gebieden met hoge landschappelijke of natuurlijke waarden niet worden bebouwd of vol gelegd met zonnepanelen. In sommige gevallen kan een transformatie van het landelijk gebied nodig zijn. Dit gaat alleen in combinatie met gebiedsprocessen waar in overleg met betrokken partijen nieuwe afspraken worden gemaakt over de indeling en combinatie van functies in het landelijk gebied.

Een tweede beleidskeuze van het Rijk is om de unieke landschappelijke kwaliteiten te versterken en beschermen en ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied landschapskwaliteit toevoegen. Aan de locatiekeuze voor het Energielandgoed ligt een uitgebreide afweging ten grondslag. In paragraaf 2.2.1 is beschreven dat uit het milieueffectrapport volgt dit de enige locatie binnen de gemeente Bergen is waar de opgave voor de opwekking van duurzame energie gerealiseerd kan worden en de enige locatie die geen (sterk) negatieve score heeft op de impact op ruimtegebruik, leefomgeving en landschap. Dit be-

20

tekent dat voor dit gebied de keuze is gemaakt voor een transformatie van het landelijk gebied, om te kunnen voorzien in de benodigde hoeveelheid duurzame energie om de gemeente Bergen energieneutraal te kunnen maken. Partijen die betrokken zijn bij het gebied zijn vanaf het begin van het planproces betrokken (zie paragraaf 6.2). In het Masterplan Wells Meer wordt door middel van een landschappelijk raamwerk gewaarborgd dat bij het ontwerp van het Energielandgoed aandacht is voor landschappelijke kwaliteit. De clustering zorgt er verder voor dat in andere delen van het landelijk gebied minder duurzame energie opgewekt zal hoeven te worden en wordt daardoor een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteit in de overige delen van de gemeente Bergen. 3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om kaders te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans natuurnetwerk Nederland, NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk.

In de SVIR is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: a het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; b het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; c het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De 13 nationale belangen zijn: 1 Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1) 2 Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2) 3 Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3) 4 Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4)

21

5 Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5) 6 Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6) 7 Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7) 8 Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8) 9 Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9) 10 Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10) 11 Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11) 12 Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12) 13 Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13) Toetsing Het voorliggende plan raakt twee nationale belangen: nationaal belang 11 en 12. nationaal belang 11 Het plangebied maakt onderdeel uit van de EHS (thans het NNN).

In het Besluit algemene regels omgevingsrecht (Barro) is vastgelegd dat doorwerking plaatsvindt op provinciaal niveau. Dit maakt het een provinciaal belang. Dit belang wordt getoetst in paragraaf 4.3. nationaal belang 12 Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van de defensieradar van Volkel. In verband hiermee zijn ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van windturbines. De bouwbeperkingen binnen het radarverstoringsgebied zijn vastgelegd in het Barro en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In artikel 2.4 van de Rarro zijn de radarverstoringsgebieden beschreven, waarvoor op basis van artikel 2.6.9 van het Barro bouwhoogte-beperkingen gelden in verband met radarverstoring. Tezamen met de artikelen 2.5 en 2.6 geeft dit artikel het regime om te beoordelen of er sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de werking van de radar. Het doel van dit regime is om zeker te stellen dat de defensieradars een goed beeld van het luchtruim en van wat daar vliegt behouden en dat dit beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten.

22

Uitsnede kaart 6:radarstations van het Rarro met globale begrenzing plangebied (rode lijn), bron: ruimtelijkeplannen.nl

Dit bestemmingplan voorziet in de bouw van windturbines met een tiphoogte van 250 meter. Aan de westzijde van het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van voor windturbines van 90 meter t.o.v. NAP. Aan de oostzijde van het plangebied (ter plaatse van de toekomstige windturbines) geldt een maximale bouwhoogte van 114 m volgens het Rarro. Het voorliggende plan voldoet hiermee niet aan de voorwaarden uit het Rarro. In het bestemmingsplan is echter een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine alleen kan worden verleend onder voorwaarde dat minimaal 10 weken voorafgaand aan de start van de bouw van de windturbine een positief advies wordt verkregen van het Ministerie van Defensie. Een positief advies wordt verleend zodra vaststaat dat de turbine niet leidt tot onaanvaardbare radarverstoring. Op deze wijze is gewaarborgd dat de defensieradars niet worden verstoord door de windturbines. Het plan is hierdoor niet in strijd met het rijksbeleid met betrekking tot radarstations. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening. Onder meer door 23

een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een Energielandgoed mogelijk gemaakt.

Binnen dit landgoed wordt de realisatie van een zonnepark, windturbines, een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt. Een zonnepark en windturbines 2 worden op basis van jurisprudentie niet aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het doorlopen van de ladder is voor de zonneparken en windturbines om deze reden niet noodzakelijk. Tevens blijkt uit jurisprudentie dat bij een voorziening die voor algemeen gebruik is, de actuele regionale behoefte niet aangetoond kan worden. Een dergelijke ontwikkeling heeft namelijk geen regionaal gebonden verzorgingsgebied. De afstand tot aan de gebruikers is niet of nauwelijks relevant, omdat de stroom aan het algemene net wordt geleverd. De Energieboulevard (bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw) dient wel te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk is. Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor het zonnepark en de windturbines worden aangetoond dat er behoefte bestaat aan de nieuwe functie en dat er geen alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn.

behoefte zonnepark en windturbines Uit rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid volgt dat er de komende decennia een streven is naar duurzamere energieopwekking. In het Klimaatakkoord heeft het rijk in 2019 afgesproken dat de CO2-uitstoot in 2030 de helft lager moet zijn dan in 1990. De provincie Limburg heeft in de Omgevingsvisie de ambitie opgenomen om het aandeel duurzaam opgewekte energie uit bronnen die hernieuwbaar zijn te laten toenemen tot 14% in 2020. 2

Uitspraak van 25 april 2018 Rechtbank Overijssel ECLI:NL:RBOVE:2018:1387 Uitspraak van 4 mei 2016 Raad van State ECLI:NL:RVS:2016:1208 Uitspraak van 16 maart 2016 Raad van State ECLI:NL:RVS:2016:709 Uitspraak van 23 januari 2019 Raad van State ECLI:NL:RVS:2019:178 24

In de concept Regionale Energie Strategie regio Noord- en Midden Limburg is uitgewerkt dat de RES-regio Noord- en Midden Limburg onder andere wil bijdragen aan het behalen van de ambities van het Rijk en de Provincie door het grootschalig opwekken van 1.200 GWh duurzame energie. Het project Energielandgoed Wells Meer is opgenomen in de RES om deze doelstelling te kunnen behalen. Gemeentelijk is er de ambitie om in 2030 energieonafhankelijk te zijn. In de ‘Energievisie gemeente Bergen’ is uitgewerkt hoe zij deze ambitie wil realiseren. In de energievisie is gekeken naar het energieverbruik in de gemeente Bergen. Volgens gegevens van de provincie Limburg (Energiedashboard Limburg 2012) is het energieverbruik 1,74 PJ per jaar. De gemeente zet in op 20% besparing, 30% opwekking van duurzame energie uit kleinschalige projecten en 50% grootschalig opwekken van duurzame energie. Gezien voorgaande is er behoefte aanwezig voor grootschalige opwekking van duurzame energie in de gemeente Bergen. Met het Energielandgoed wordt voorzien in deze behoefte. Volgens de huidige berekeningen kan met het Energielandgoed 1,053 PJ (omgerekend 293 Gwh) energie worden opgewekt. De exacte hoeveelheid opgewekte energie in het Energielandgoed zal bekend zijn als de windturbines en de zonnepanelen daadwerkelijk besteld zijn en mede afhankelijk zijn van de stand van de techniek op dat moment.

alternatieve locaties zonnepark en windturbines Om de doelstelling van de gemeente Bergen om in 2030 energieonafhankelijk te zijn te kunnen behalen, is grootschalige opwekking van duurzame energie noodzakelijk. Voor de realisatie van een grootschalig zonnepark en windturbines is binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte. In de Beleidsnota Windenergie heeft de gemeente Bergen onderzocht wat geschikte locaties binnen de gemeente zijn voor deze grootschalige opwekking zijn in de vorm van een energielandgoed. Hieruit zijn drie geschikte locaties naar voren gekomen. In het MER van de Structuurvisie Wells Meer zijn deze locaties beoordeeld en is gebleken dat de keuze gezien de impact op energieopbrengst, ruimtegebruik, leefomgeving en landschap valt op het Wells Meer (zie paragraaf 2.2.1). toets ladder duurzame verstedelijking Energieboulevard Naast de genoemde energievoorzieningen op het gebied van wind- en zonne-energie voorziet het Energielandgoed Wells Meer in een zogenoemde Energieboulevard. Binnen de Energieboulevard wordt ruimte geboden voor de realisatie van een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw. Het bezoekerscentrum richt zich op recreatieve en educatieve voorzieningen met ondergeschikte horecafunctie en krijgt een 2 maximale oppervlakte van 1.300 m .

In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat het bedrijfsverzamelgebouw enkel huisvestingsmogelijkheden biedt voor aan het energielandgoed verbonden bedrijven die gerelateerd zijn aan de duurzame energiesector. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert voor het bepalen of voor ontwikkelingen op het gebied van onder meer bedrijvigheid, educatie en recreatie sprake is van een stedelijke ontwikkeling in beginsel een ondergrens van een bruto-

25

2

vloeroppervlakte van 500 m . Aangezien het bezoekerscentrum en het bedrijfsverza2 melgebouw groter zullen worden dan 500 m dient verondersteld te worden dat de ontwikkelingen moeten worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat de behoefte van de ontwikkelingen moet worden aangetoond en dat moet worden gemotiveerd of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied is voorzien. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie. In voorliggende situatie geldt dat de energieboulevard een belangrijk onderdeel is van het totale concept van het energielandgoed. Dit komt ook tot uiting in de kenmerken van het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw, waarbinnen nadrukkelijk een koppeling wordt gelegd met de energievoorzieningen op het gebied van wind- en zonneenergie. Dit maakt dat de toekomstige bezoekers en gebruikers van de energieboulevard ook een connectie zullen hebben met het totale concept van het energielandgoed. Het energielandgoed zal een doelgroep aanspreken, waarvan de herkomst niet direct is te definiëren en geografisch is af te bakenen.

In het masterplan van het energielandgoed wordt ook aangegeven dat ingezet wordt op een verdere marketing en branding, zodat de landelijke zichtbaarheid en bekendheid van het concept wordt vergroot en potentiële gebruikers en bezoekers bekend worden met en geïnteresseerd raken in de ontwikkeling. In feite heeft de voorgenomen ontwikkeling dan ook een (inter)nationaal verzorgingsgebied. De behoefte van de ontwikkeling wordt voornamelijk bepaald door de balans tussen vraag en aanbod. Geconstateerd kan worden dat het beoogde eindconcept van het energielandgoed bijzonder en uniek te noemen is en dat dergelijke concepten niet in grote getalen voorhanden zijn. Het aanbod is dan ook beperkt te noemen. Daarbij komt dat het bedrijfsverzamelgebouw niet tot nauwelijks tot effecten zal leiden op bestaand bedrijfsvastgoed, aangezien de profilering van het bedrijfsverzamelgebouw expliciet gekoppeld is aan bedrijven die aan het energielandgoed verbonden zijn en die gerelateerd zijn aan de duurzame energiesector. Bovendien geldt dat een belangrijk doel van het energielandgoed is dat een plek wordt gecreëerd waar innovatie, educatie en recreatie samenkomen. Het realiseren van de energieboulevard als onderdeel van het energielandgoed is dan ook noodzakelijk om het beoogde eindprofiel van het energielandgoed te kunnen realiseren.

Zonder deze functies is het niet mogelijk ter plaatse het beoogde doel te bereiken. Vanuit de vraagzijde geldt dat de ontwikkeling van de energieboulevard als onderdeel van het energielandgoed inspeelt op diverse ontwikkelingen en trends in onze samenleving en economie. Zo zien we dat aspecten als beleving en ontmoeten een belangrijke rol spelen in de samenleving. Enerzijds heeft de consument het steeds drukker, anderzijds krijgt onze vrijetijd een steeds grotere waarde. De grotere waarde van onze vrijetijdsbestedingen komt onder andere tot uiting in de zoektocht naar het opdoen van nieuwe ervaringen en het hebben van een rijk, divers sociaal leven met ontspanningsmomenten. De niet-materiële aspecten van spullen kennen daarbij een grotere waarde voor de consument. Vanuit het beleven en het ontmoeten zien we dan ook dat functies op het gebied van vrijetijd een vlucht krijgen binnen de Nederlandse econo-

26

3

mie. Vernieuwing en beleving is volgens de Rabobank van belang binnen de dagrecreatieve sector. De consument is ook bereid te betalen voor concepten met een unieke beleving. Ook combinaties van deze functies komen daarbij voor. Daarbij komt het voor dat de losse functies in elkaar overlopen en vervagen (‘blurring’). Ze komen vaker in Nederland voor. Zo ontstaan nieuwe concepten en nieuwe omgevingen, waarbij combinaties van bijvoorbeeld wonen, werken en ontspannen worden gelegd. De energieboulevard is een goed voorbeeld van een plek waar nieuwe unieke vrijetijdservaringen kunnen worden opgedaan en waarbij combinaties worden gelegd van vormen van werken en ontspannen. Deze combinatie maakt dat ook dat innovaties en ontwikkelingen op het gebied van duurzame energievoorzieningen tastbaar, waarneembaar en beleefbaar worden voor de bezoeker. Dit in een tijd waarin geldt dat het thema duurzaamheid een steeds grotere en belangrijkere rol in onze economie en samenleving speelt, mede ingezet door het gesloten Klimaatakkoord. In het Klimaat4 akkoord is bijvoorbeeld opgenomen dat consumenten pas overgaan tot duurzaamheidsinvesteringen indien zij perspectief zien en hiervoor over voldoende informatie beschikken. Het opdoen van kennis en ervaring rondom dit thema door middel van een bezoek aan het energielandgoed en de energieboulevard sluit aan bij deze maatschappelijke ontwikkelingen.

Ook vanuit economisch perspectief sluit het concept van de energieboulevard goed aan bij verschillende trends en ontwikkelingen. Ook hier geldt dat de grotere rol van duurzaamheid in onze economie en samenleving zich ook uit in gelieerde bedrijvigheid en de nut en noodzaak om verdere innovaties op dit gebied uit te rollen en te onderzoeken. In het energielandgoed is hier nadrukkelijk ruimte voor, bijvoorbeeld door middel van testvelden. Door in de nabijheid van de energievoorzieningen ook ruimte te bieden voor bedrijfsaccommodaties voor aan het energielandgoed verbonden bedrijven die gerelateerd zijn aan de duurzame energiesector in een bedrijfsverzamelgebouw, worden theorie en praktijk letterlijk op nabije afstand bijeengebracht. Daarnaast zorgt het bedrijfsverzamelgebouw voor een clustering van verschillende bedrijven in eenzelfde branche. Deze bedrijven profiteren niet alleen van de nabijheid van de energievoorzieningen in het veld, maar ook van elkaars nabijheid. Kennis en ervaringen kunnen gemakkelijk gedeeld worden en nieuwe samenwerkingen worden gestimuleerd en bevorderd. Zo ontstaan synergievoordelen en kennis-spillovers waardoor een positieve bijdrage wordt geleverd aan de innovatiedoelstellingen van het energielandgoed.

Dit tezamen maakt dat geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling van de Energieboulevard voorziet in een uniek concept dat aansluit op verschillende ontwikkelingen vanuit onze economie en samenleving. Daarom wordt geconstateerd dat voorliggende ontwikkeling voorziet in een behoefte. Gelet op de feitelijke en juridischplanologische kenmerken van de energieboulevard wordt geconstateerd dat deze behoefte niet binnen het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Vanwege de nauwe verwantschap van de energieboulevard met de energievoorzieningen en andere elementen uit het totale concept van het energielandgoed is de realisatie van de Energieboulevard binnen het bestaand stedelijk ge3

https://www.rabobank.nl/bedrijven/cijfers-en-trends/horeca-en-recreatie

4

https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord 27

bied niet mogelijk. Daarbij komt dat de ontwikkeling van het energielandgoed met bijbehorende Energieboulevard reeds jaren onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. De buiten bestaand stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar wordt geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het zonnepark en de windturbines voorzien in een behoefte en dat de realisatie binnen bestaand stedelijk gebied niet mogelijk is. Daarnaast is de ladder voor duurzame verstedelijking voor de Energieboulevard positief doorlopen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en de ladder van duurzame verstedelijking wordt de ontwikkeling daarom haalbaar geacht. 3.1.4

Conclusie rijksbeleid Het voorliggende plan sluit aan op en draagt bij aan de ambities van het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014), met bijbehorend plan-MER, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. Verder staat in het POL kwaliteit centraal.

Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto "meer stad, meer land", het bieden van ruimte voor verwevenheid in functies, in kwaliteitsbewustzijn en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame ver-

28

stedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. In het POL 2014 is het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Toetsing Raadpleging van het POL 2014 (zie daarvoor navolgende afbeelding) toont aan dat het plangebied deels is aangewezen als ‘Buitengebied’, ‘Goudgroene natuurzone’, Zilvergroene natuurzone’ en ‘Bronsgroene landschapszone’. Daarnaast is in het kader van het voorliggende plan het beleid met betrekking tot energie en duurzaamheid, windturbines, het regionaal watersysteem, de vrijetijdseconomie, dynamische voorraadbeheer en kantoren en bedrijventerreinen relevant.

Uitsnede kaart 1 zonering Limburg POL 2014 met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl

Buitengebied In het POL wordt het buitengebied gedefinieerd als alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter, met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een energielandgoed. Energiewinning is een functie die past binnen het brede scala aan functies die binnen het buitengebied aanwezig zijn.

29

Goudgroene natuurzone De goudgroene natuurzone omvat bestaande bos- en natuurgebieden, gebieden die de komende jaren zullen worden omgevormd tot natuurgebied en een klein areaal landbouwgebieden waarin sprake is van agrarisch natuurbeheer (volledig omsloten door Natura2000-gebieden). Maar de zone omvat ook andere gebieden: wegen die door het gebied lopen en verspreide bebouwing, vaak agrarische bedrijven (de zgn. bouwblokken) of kloosters. Dat heeft alles te maken met het feit dat de POL-kaart niet de precisie heeft van een bestemmingsplan. Zilvergroene natuurzone In de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur centraal. Het ontwikkelen van projecten zal gestimuleerd en ondersteund worden via gebiedsontwikkelingen en uitnodigingsplanologie. De verbetering van de ecologische waarde van natuurbeken gebeurt in beekherstel-projecten, aanpak van verdroging in de buurt van natte natuurparels gebeurt via GGOR-maatregelen. Binnen de zilvergroene natuurzone wordt tevens ingezet op behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden als onderdeel van de landschappelijke waarden. Bronsgroene landschapszone In de Bronsgroene landschapszone is het beleid erop gericht om de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven.

Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’). Dat begint met goede afspraken over wonen, detailhandel, bedrijventerreinen e.d. in het kader van de regionale visies (dynamisch voorraadbeheer). Daarbij worden algemene kwaliteitsprincipes zoals de Ladder van duurzame verstedelijking en hergebruik van leegstaande (cultuurhistorische) gebouwen toegepast. In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels opgenomen ten aanzien van ontwikkelingen in deze gebieden. In paragraaf 3.2.2 wordt hier verder op ingegaan. Energie en duurzaamheid De Limburgse ambitie is een schone, betaalbare en leveringszekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en aanpak van het klimaatprobleem. De provincie sluit hiertoe aan bij de nationale doelstellingen voor de energietransitie. De inzet is om het aandeel duurzaam opgewekte energie uit bronnen die hernieuwbaar zijn te laten toenemen tot 14% in 2020. Omdat de opgave groot een uitdagend is, wordt op voorhand geen mogelijkheid, optie of gebied uitgesloten. Gelet op de opgave acht de provincie een brede en grootschalige toepassing van beschikbare technieken noodzakelijk met de gelijktijdige ontwikkeling van nieuwe technieken.

Daarbij geldt als voorwaarde dat de bestaande leveringszekerheid geborgd blijft, de omgevingskwaliteit de aandacht heeft, kosten acceptabel zijn en de maatregelen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. De opgaven en aanpak moeten worden uitgewerkt in regionale energievisies (zie paragraaf 3.3.3).

30

Windturbines Voor windturbineopstellingen met een masthoogte van boven de 25 meter heeft de provincie een aanpak die bestaat uit een combinatie van een realisatiestrategie en een plaatsingsvisie.

Uitsnede kaart 5 windenergie van het POL 2014 met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl

 Realisatiestrategie De provincie streeft naar het maximaliseren van het maatschappelijk effect van windenergie door participatie van belanghebbenden in het planproces en de realisatie van windturbines. Burgers, grondeigenaren en ondernemers die nabij windturbines wonen of ondernemen zullen in staat worden gesteld te profiteren van de opbrengsten. De wijze waarop dit gebeurt is maatwerk en afhankelijk van de lokale wensen en de financiële ruimte van het windpark. De invulling van dit profijtbeginsel zal beschreven worden in een profijtplan dat door de initiatiefnemers in overleg met de stakeholders zal worden opgesteld. Gemeenten nemen het voortouw om te komen tot ruimtelijke plannen (bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan) die de plaatsing van windturbines mogelijk maken. Er wordt hierbij rekening gehouden met bestaande initiatieven of initiële projectideeën. Met stakeholders worden afspraken vastgelegd over de rolverdeling en prestaties.  Plaatsingsvisie Een aantal typen gebieden leent zich het best voor de nieuwe generatie windturbines. Er wordt gestimuleerd dat nieuwe ontwikkelingen met name plaatsvinden in deze voorkeursgebieden:  grootschalige landschappen in de jonge Peelontginningen van Midden- en Noord-Limburg;  gebieden aan de provinciegrens waar reeds turbines staan opgesteld;

31

 grotere industrieterreinen en ontwikkelingsgebieden voor veehouderij en glastuinbouw;  daar waar clusters van ten minste 6 turbines kunnen worden opgesteld. Een landschapsontwerp maakt onderdeel uit van de plaatsingsvisie om een goede kwalitatieve inpassing te borgen. Concentratie van windturbines is hierbij van belang om de impact van turbines op het landschap te beperken. Dit is op Limburgs schaalniveau te bereiken door concentratie in de genoemde voorkeursgebieden en op regionale schaal door de voorwaarde dat projecten tenminste een omvang hebben van drie turbines. Bij de planning of de bouw van turbines worden vooraf afspraken vastgelegd over de sloop van de turbines. Zolang de met het Rijk overeengekomen taakstelling nog niet is gerealiseerd, zijn ook projecten kleiner dan drie turbines mogelijk, waarbij de provincie ervan uitgaat dat deze lokaal gedragen worden. Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, Natura 2000 - gebieden en het winterbed zijn uitgesloten van plaatsing van windturbines. Deze gebieden liggen niet binnen het plangebied. Voor het Energielandgoed is gekozen voor een locatie buiten de door de provincie aangewezen voorkeursgebieden. Aan deze locatiekeuze ligt echter wel een zorgvuldige afweging ten grondslag, welke in het MER bij de structuurvisie is beoordeeld (zie paragraaf 2.2.1).

Van de potentiele locaties binnen de gemeente Bergen voor de grootschalige opwekking van duurzame energie, blijkt Wells Meer het meest geschikt te zijn gezien de impact op energieopbrengst, ruimtegebruik, leefomgeving en landschap. Het plangebied ligt bovendien niet in een gebied waar de plaatsing van windturbines op basis van de verordening is uitgesloten (Nationaal Landschap ZuidLimburg, Natura 2000 - gebieden en het winterbed). Regionaal watersysteem

Uitsnede kaart 9 regionaal watersysteem van het POL 2014 met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl

32

De opgave is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. De provincie streeft naar ontwikkeling, herstel en behoud van de kwaliteit van de natuurbeken en natte natuurgebieden binnen het provinciaal natuurnetwerk. De beekdalen vervullen in de aanpak een cruciale functie als strategische waterberging, welke niet aangetast mag worden. De functie strategische waterberging betekent dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand moet blijven en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt. In het plangebied liggen een zone natuurbeek en het bijbehorende beekdal (de Molenbeek). Daarnaast liggen er twee beken met een algemene ecologische functie. De bescherming van de beekdalen ten behoeve van de functie strategische waterberging is in de Omgevingsverordening geregeld doordat deze gebieden zijn aangewezen als goud- en zilvergroene natuurzones en de bronsgroene landschapszones. In paragraaf 3.2.2 wordt hier verder op ingegaan. Vrijetijdseconomie Limburg kent een groot aanbod aan recreatieve voorzieningen, maar het is een voortdurende opgave om de voorzieningen af te stemmen op de veranderende vraag van de consument en nieuwe doelgroepen aan te trekken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9614437/1