CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

1.2.2 Ecologisch onderzoek

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Lindenlaan 4-4A te Bergen;5.106 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Flora- en fauna-inspectie op de Lindenlaan 4-4a te Bergen (L)

In opdracht van: ir. R.M.C. Leunissen 10 augustus 2020 ir. C. de Koning, P.J.C.A. Op het Veld en ir. J.P.M. Hovens

Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl

Flora- en fauna-inspectie op de Lindenlaan 4-4a te Bergen (L) Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:

ir. R.M.C. Leunissen ir. C. de Koning/ir. J.P.M. Hovens ir. C. de Koning en P.J.C.A. Op het Veld

Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet invulling aan de participatiewet.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

1

Inhoud 1.

Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 3 2. De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 3. Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4. Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied ..........................................................................................................

6 4.2 Beschermde planten en dieren ................................................................................................. 6 5. Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 11 6. Conclusies ..................................................................................................................................... 12 Literatuur ............................................................................................................................................... 13 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 14

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

2

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Beusmans & Jansen begeleidt de sloop van bedrijfsbebouwing en bestemmingswijziging van de bedrijfswoning aan de Lindenlaan 4-4a in Bergen (L) en heeft namens ir. R.M.C. Leunissen ecologisch adviesbureau Faunaconsult B.V. opdracht gegeven op deze locatie een flora- en faunainspectie uit te voeren. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project.

1.2

Doel en status van dit document

Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de veldinventarisatie weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies weer.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

3

2.

De Wet natuurbescherming

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.

De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

4

3.

Werkwijze

3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De aanwezige bedrijfsgebouwen (nr. 4a) worden geheel gesloopt. Hierna krijgt dit deel van het plangebied een maatschappelijke bestemming en wordt er een woonzorgcomplex gerealiseerd (het exacte ontwerp is nog niet voorhanden). De voormalige bedrijfswoning krijgt de bestemming ‘wonen’. De huidige achtertuin wordt over de gehele lengte doorgetrokken (zie figuur 3.1). De grote zomereiken op de grens van het plangebied worden behouden. De overige vegetatie wordt waar nodig verwijderd.

Figuur 3.1. De voorgenomen situatie. Bron: Beusmans & Jansen.

3.2

Werkwijze flora- en fauna-inspectie

Op 16 juli 2020 heeft Faunaconsult het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Daartoe werd de te slopen bebouwing in het plangebied van binnen en buiten volledig geïnspecteerd met behulp van een zaklamp, ladder en boomcamera. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen. Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

5

4.

Aanwezige beschermde planten en dieren

4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied bevindt zich in Bergen, binnen de bebouwde kom. Ten westen van het plangebied bevinden zicht akkers en weilanden, en ten oosten ligt de bebouwde kom (woningen en winkelcentrum) van Bergen. Het plangebied zelf (zie figuur 4.1) bestaat uit een voormalige bedrijfswoning en nog in gebruik zijnde bedrijfsgebouwen. Omdat de woning niet wordt gewijzigd, valt deze buiten het feitelijke plangebied. In het plangebied komen soorten voor als paardenbloem, zachte ooievaarsbek, Canadese fijnstraal, esdoorn, melganzenvoet, laurierkers, grote weegbree, hazelaar, hulst, zomereik, duizendblad, witte klaver, vogelmuur, smalle weegbree, es, lijsterkers, Spaanse aak, grote brandnetel, kornoelje, vlier, koolzaad, hondsdraf en fluitenkruid.

3 2

1

Figuur 4.1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd). De getallen geven de verschillende loodsen aan. Bron: Google Maps.

4.2

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren De bedrijfsloodsen zijn van binnen en buiten geïnspecteerd. Loods 1 (zie figuur 4.1 en grote foto voorzijde rapport) heeft een dak van damwandplaten. De onderste 70 cm van de gevels zijn stenen spouwmuren, waarop damwandplaten zijn geplaatst (zie figuur 4.2.1). De damwand wandbekleding sluit overal nauw op de gevel aan en de ruimte onder de ‘golven’ van het dak zijn afgedicht. Vleermuizen kunnen hier geen toegang vinden tot de achterliggende spouw. Loods 2 (zie figuur 4.1 en kleine foto linksboven voorzijde rapport) heeft een cementhoudend golfplaten dak en een deel van deze loods is voorzien van spouwmuren. Van het van spouw voorziene deel sluiten de golfplaten nauw aan (zie figuur 4.2.2); vleermuizen kunnen dus nergens de spouw in. De ‘golven’ onder de golfplaten zijn aan de noordoostzijde niet toegankelijk, omdat er zich direct aansluitend naast het golfplaten dak een plat dak bevindt. Vleermuizen kunnen dus niet van onderaf aanvliegen en roofdieren als katten kunnen vleermuizen op het plat dak opwachten. Aan de Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

6

zuidwestzijde is het dak enkelwandig, zodat er geen holten zijn waarin vleermuizen kunnen wegkruipen. Het noordwestelijk deel van het dak bevat wel isolatieplaten aan de onderzijde, maar de ruimte onder elke ‘golf’ heeft een te tochtig klimaat voor vleermuizen. Bovendien bieden de gladde isolatieplaten vleermuizen geen houvast. Loods 3 (zie figuur 4.1) is geheel enkelwandig en daardoor ongeschikt als vleermuisverblijf. Gaten en kieren zijn afwezig. Aan de binnenzijde zijn dan ook geen vleermuizen of hun uitwerpselen waargenomen. De binnenzijde van zowel loods 1 en 2 worden dagelijks intensief gebruikt en worden gesloten met grote garagedeuren. Buiten werktijd is er daarom geen toegang tot de binnenzijde voor vleermuizen (of kleine, grondgebonden zoogdieren). Er zijn ook geen holle bomen aanwezig in het plangebied. Echte vleermuisverblijven zijn in het plangebied dus afwezig. Het is wel mogelijk dat de laanbomen aan de Lindenlaan en/of de zomereiken in het plangebied fungeren als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Vaste vliegroutes van vleermuizen worden onder de Wet natuurbescherming als vaste voortplantings- of rustplaatsen gezien. Een aantal vleermuissoorten is daarom in tabel 4.2 opgenomen.

Figuur 4.2.1. In loods 1 zijn geen openingen aanwezig anders dan de open stootvoegen op kniehoogte (te laag voor vleermuizen). Deze zijn afgedicht met roostertjes, waardoor ook kleine, grondgebonden zoogdieren niet de spouw in kunnen.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

7

Figuur 4.2.2. Het golfplaten dak sluit overal nauw aan op de kopse gevels. Vleermuizen kunnen hier niet onder kruipen, om de achterliggende spouw te bereiken.

De bosachtige noordzijde van het plangebied ligt op een verhoging. Hierin zijn geen dassenpijpen, prenten, -snuitputjes etc. waargenomen. Ook holle bomen en eekhoornnesten zijn afwezig. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Vogels Tijdens het veldbezoek werden putter, winterkoning, koolmees, boomkruiper, groene specht en Vlaamse gaai waargenomen. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) waren er in 2013 in het meest zuidelijk gelegen kilometerhok (het plangebied ligt in twee kilometerhokken) territoria van steenuil (3) en torenvalk (1) aanwezig in het kilometerhok van het plangebied. Uit de veldinspectie blijkt echter dat deze soorten met zekerheid geen nest hebben in het plangebied. Bij loods 1 (figuur 4.1) is de ruimte onder de ‘golven’ van de damwand dakplaten afgedicht. Ook overige kieren en gaten zijn afwezig. Dit gebouw is dus niet geschikt voor vogelnesten. Bij loods 2 zijn de ruimtes onder de golfplaten open. De oostzijde van dit dak is niet geschikt voor vogels, omdat deze ruimte gemakkelijk bereikbaar zijn voor predatoren zoals katten. Alleen het noordelijke deel is geschikt voor soorten als huismus en steenuil.

De ruimtes onder de ‘golven’ van de dakbedekking zijn echter met een boomcamera geïnspecteerd en hierin werd geen nestmateriaal, eieren, veren of andere sporen waargenomen. Door het gebrek aan geschikte holtes en andere nestgelegenheid is de bebouwing in het plangebied ongeschikt voor soorten als huismus en gierzwaluw. Aan de noordwestzijde van loods 2 bevindt zich een rotte deur, die toegang geeft tot een kleine opslag. Hierin werd een boerenzwaluwnest waargenomen, met sporen van oude boerenzwaluwnesten (zie figuur 4.2.3). In Limburg hebben boerenzwaluwen een jaarrond beschermd nest (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). De binnenzijden van loods 1 en 2 worden dagelijks intensief gebruikt en daarna

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

8

gesloten met grote garagedeuren. Buiten werktijd is er daarom geen toegang tot de binnenzijde voor vogels. Vogelnesten zijn aan de binnenzijde afwezig.

Figuur 4.2.3. In de inpandige opslagruimte aan de noordwestzijde van loods 2 bevond zich tijdens het veldbezoek een boerenzwaluwnest.

Loods 3 is geheel enkelwandig en altijd afgesloten. Hierin zijn geen vogelnesten waargenomen. Waarschijnlijk broeden er in het broedseizoen wel algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de opgaande vegetatie in het plangebied. Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). De Provincie Limburg heeft de kilometerhokken waarin het plangebied zich bevindt in 2005 en 2012 geïnventariseerd (zie www.natuurgegevensprovincielimburg.nl). In beide kilometerhokken werden geen planten waargenomen, die onder de Wnb zijn beschermd. Het plangebied zelf is hierbij onvolledig onderzocht. Amfibieën en andere soorten De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten. Wateren die als voortplantingshabitat voor amfibieën kunnen dienen, komen echter niet in het plangebied voor. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen in het plangebied hebben.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen

9

Tabel 4.2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Vogels Internationaal Nederlandse naam en wetenschappelijke naam met jaarrond beschermde beschermd nest soorten X Boerenzwaluw (Hirundo rustica) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)

Overige beschermde soorten

X X X X X

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 10

5.

Mogelijke effecten

- Bij de sloopwerkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - De laanbomen aan de Lindenlaan en/of de zomereiken in het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Doordat deze bomen worden behouden, worden eventuele vliegroutes en foerageergebieden niet aangetast. Het plaatsen van vleermuisonvriendelijke buitenverlichting nabij deze bomen kan echter wel een belangrijke verstoring voor vleermuizen opleveren. - Als de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels in (en rond) het plangebied worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - In de meest zuidelijk gelegen loods bevindt zich een boerenzwaluwnest. Indien deze in het broedseizoen wordt gesloopt, kan dit leiden tot sterfte van jonge boerenzwaluwen en/of hun eieren. Jaarrond leidt de sloop van de loods tot het vernietigen van een jaarrond beschermde vogelnest. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.1.

Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Soort

Beschermingsregime Wnb

Algemene in het plangebied broedende vogels Boerenzwaluw

Vogels

Vleermuizen Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Vogels met jaarrond beschermd nest Internationaal beschermde soorten Overige soorten

Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X

X X

X X

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 11

6.

Conclusies

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen De laanbomen aan de Lindenlaan (buiten het plangebied) en/of de zomereiken in het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Vleermuizen, hun vaste vliegroutes en foerageergebieden zijn onder de Wet natuurbescherming beschermd (internationaal beschermde soorten). Doordat de bomen (lindes en eiken) blijven gehandhaafd, is er geen aantasting van eventueel aanwezige vliegroutes of foerageergebieden.

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de varkensstal te slopen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Boerenzwaluw In loods 2 (zie figuur 4.1) bevindt één boerenzwaluwnest. Boerenzwaluwnesten zijn in de provincie Limburg jaarrond beschermd. Voor de sloop van loods 2 dient dus een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Om deze ontheffing te kunnen krijgen is er een activiteitenplan nodig, waarin o.a. wordt aangegeven hoe mitigatie, compensatie en aangepaste werkwijze voor de boerenzwaluw zal worden ingevuld.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 12

Literatuur • • • •

•

Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Provincie Limburg. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Responce of bats to light with different spectra: lightshy and agile bat-presenceis affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/een-vleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 13

Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig

de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 14

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).

Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich

te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 15

Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.

Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling

vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 16

-

-

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Flora- en fauna-inspectie Lindenlaan 4-4a te Bergen 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10287958/1