Zaffier Was-wordt lijst_1.pdf
Tekst van het document
Zaffier - was wordt lijst
Geldend van 17-05-2022 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-04-2022 Intitulé Gemeenschappelijke regeling Zaffier De colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heiloo, Dijk en Waard en Uitgeest, OVERWEGENDE DAT Genoemde gemeenten de mogelijkheden willen optimaliseren om mensen naar vermogen deel te laten nemen in de samenleving en perspectief te bieden op deelname Genoemde gemeenten daartoe de Participatiewet gezamenlijk willen uitvoeren met behulp van één regionale uitvoeringsorganisatie en daartoe afspraken hebben gemaakt zoals vastgelegd in het Eindrapport Bouwen aan Zaffier d.d. … de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Heiloo, Dijk en Waard de bestaande Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Noord Kennemerland 2015 daartoe willen wijzigen, en de gemeente Uitgeest wil deelnemen aan de te wijzigen regeling
Gemeenschappelijke regeling Zaffier De colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heiloo, Dijk en Waard en Uitgeest, OVERWEGENDE DAT Genoemde gemeenten de mogelijkheden willen optimaliseren om mensen naar vermogen deel te laten nemen in de samenleving en perspectief te bieden op deelname Genoemde gemeenten daartoe de Participatiewet gezamenlijk willen uitvoeren met behulp van één regionale uitvoeringsorganisatie en daartoe afspraken hebben gemaakt zoals vastgelegd in het Eindrapport Bouwen aan Zaffier 2021 BESLUITEN De Gemeenschappelijke regeling Zaffier met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen waardoor de tekst luidt als volgt:
BESLUITEN de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Noord Kennemerland 2015 per 1 januari 2022 inhoudelijk en in naam te wijzigen en opnieuw vast te stellen, c.q. per 1 januari 2022 deel te nemen aan de aldus inhoudelijk en in naam te wijzigen en opnieuw vast te stellen Regeling Werkvoorzieningsschap Noord Kennemerland 2015 overeenkomstig onderstaande tekst Artikel 1 Begripsbepalingen Geen sub artikel o Artikel 15 Verantwoording en informatieplicht Geen sub artikel 13
Artikel 1 Begripsbepalingen o. Deelnemer(s): een (de) aan deze regeling deelnemende gemeente(n) Artikel 15 Verantwoording en informatieplicht Relatie Bestuur - Raden 13. Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig
hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (Dagelijks Bestuur, Algemeen Bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden (en staten) en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door Dagelijks Bestuur of voorzitter dan wordt het Algemeen Bestuur vooraf geïnformeerd. Artikel 21 Kadernota 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur voor 1 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders naar voren brengen. 3. Het algemeen bestuur stelt de kadernota vóór 15 maart vast. 4. Het algemeen bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. 5. Het dagelijks bestuur zendt het besluit en de kadernota aan de raden, binnen twee weken na de vaststelling als bedoeld in het derde lid.
Artikel 21a Kadernota 1. Het Dagelijks Bestuur biedt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de begroting wordt vastgesteld, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden kunnen bij het Dagelijks Bestuur uiterlijk 1 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders naar voren brengen. 3. Het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de algemene financiële en beleidsmatige kaders schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het Algemeen Bestuur stelt de kadernota vóór 15 maart vast. 5. Het Algemeen Bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. 6. Het Dagelijks Bestuur zendt het besluit en de kadernota aan de raden, binnen
twee weken na de vaststelling als bedoeld in het vierde lid. Artikel 22 Begroting en jaarrekening 1. Het Dagelijks Bestuur zendt uiterlijk 15 april voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient de conceptbegroting met toelichting en een meerjarenraming met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren, en uiterlijk 15 april volgende op het jaar waarop ze betrekking heeft, de conceptjaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De conceptbegroting en de conceptjaarrekening worden door de zorg van de colleges van de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betalen van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de ter inzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen 25 juni hun zienswijzen over de conceptbegroting en hun zienswijzen over de conceptjaarrekening naar voren brengen bij het bestuur van Zaffier 4. Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de raden en aan Gedeputeerde Staten. 5.
Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de raden en aan Gedeputeerde Staten. 6. De vaststelling van de jaarrekening strekt het Dagelijks Bestuur en de daartoe aangewezen functionaris tot decharge, behoudens later in rechte gebleken vastheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 7. Het bepaalde in dit artikel is mede van
Artikel 22 Begroting en jaarrekening 1. Het Dagelijks Bestuur zendt uiterlijk 15 april voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient de conceptbegroting met toelichting en een meerjarenraming met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren voor zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het Dagelijks Bestuur zendt gelijktijdig met de conceptbegroting de conceptjaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De conceptbegroting en de conceptjaarrekening worden door de zorg van de colleges van de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betalen van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de ter inzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen uiterlijk 25 juni hun zienswijzen over de conceptbegroting en de concept bestemming van het rekeningresultaat naar voren brengen bij het Dagelijks Bestuur van Zaffier. 4. Het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5.
Het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan
toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
verbindt 6. Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de raden en aan Gedeputeerde Staten. 7. Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de raden en aan Gedeputeerde Staten. 8. De vaststelling van de jaarrekening strekt het Dagelijks Bestuur en de daartoe aangewezen functionaris tot decharge, behoudens later in rechte gebleken vastheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 9. Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Artikel 25 Batige en nadelige saldi 1. Mocht enig jaar een batig saldo opleveren dan wordt over de eventuele aanwending daarvan, passend bij het in de Wet bepaalde, beslist door het Algemeen Bestuur.
Artikel 25 Batige en nadelige saldi 1. Mocht enig jaar een batig saldo opleveren dan wordt over de eventuele aanwending daarvan, passend bij het in de Wet bepaalde, beslist door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van Artikel 22.
Artikel 26 Archief 1. Het bestuur van deze regeling is verplicht de onder haar rustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur vast te stellen verordening draagt het Dagelijks Bestuur zorg voor de archiefbescheiden, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te
Artikel 26 Archief 1. Het bestuur van deze regeling is verplicht de onder haar rustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur vast te stellen verordening draagt het Dagelijks Bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995. 3. De directeur/secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van
brengen archiefbescheiden wijst het Dagelijks Bestuur een archiefbewaarplaats aan. 4. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het Dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 of nadien gewijzigd, de archivaris belast. Met betrekking tot dit toezicht bevat de verordening bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. 5. De archivaris wordt door het Dagelijks Bestuur aangewezen, geschorst en ontslagen. 6. Bij opheffing van de regeling worden alle bescheiden, die niet voor vernietiging in aanmerking komen, naar de aan te wijzen archiefbewaarplaats overgebracht.
de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 4. Voor de bewaring van de op over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar als archiefbewaarplaats aangewezen. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het Dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 of nadien gewijzigd, de archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar belast. Met betrekking tot dit toezicht bevat de verordening bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. 6. De archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het Dagelijks Bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het Dagelijks Bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het Algemeen Bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 8.
De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 9. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 8, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. 10. Bij opheffing van de regeling worden alle bescheiden, die niet voor
vernietiging in aanmerking komen, naar de aangewezen archiefbewaarplaats overgebracht. Artikel 28 Uittreding 1.Een gemeente kan, na verkregen toestemming van de gemeenteraad, uittreden door toezending van de daartoe strekkende besluiten van haar organen.
Artikel 28 Uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk.
3.Het Algemeen Bestuur stelt tenminste 3 maanden vóór het tijdstip van uittreding de financiële en andere gevolgen van de uittreding voor de betrokken gemeente vast, waaronder in ieder geval de gevolgen voor het personeel, contracten, huisvesting en investeringen evenals de uittreedsom.
2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het Algemeen Bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het Algemeen Bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wenst terug te nemen.
4.Van ieder bericht van uitreding door één of meerdere gemeenten wordt onmiddellijk kennis gegeven aan de colleges, alsmede aan gedeputeerde staten.
3. Het Dagelijks Bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten.
2.Het Algemeen Bestuur bepaalt het tijdstip waarop de uittreding ingaat, met dien verstande dat dit tijdstip niet kan zijn gelegen op een datum later dan 3 jaar na de dag waarop het besluit, bedoeld in het 1ste lid, genomen is.
4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de concept-uittredingsregeling
worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de conceptuittredingsregeling. 6. Indien het Algemeen Bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling Zaffier redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Zaffier als bedoeld in artikel 31 van deze regeling. 7. Het bestuur van Zaffier en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8.
Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de
schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12.
Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale
personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 23 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15.
Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste tot en met tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur gezamenlijk om
een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het Algemeen Bestuur stelt de conceptuittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Geen artikel
Artikel 30 Evaluatie gemeenschappelijke regeling 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het Dagelijks Bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het Dagelijks Bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en
binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het Dagelijks Bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 6. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode. Artikel 31 Overgangsrecht 1. Deze gewijzigde regeling treedt in werking op 1 januari 2022, met dien verstande dat gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 1 april 2022 de werking van deze regeling uitsluitend ziet op: o het samenstellen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 7 en 12. o de voorbereiding en inrichting van de organisatie alsmede de overgang van personeel. Indien het Gemeenteblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 december 2021, treedt het in werking op de dag na bekendmaking en werkt het terug tot en met 1 januari 2022. 2. Gedurende de periode als genoemd in het eerste lid blijven de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap Noord Kennemerland hun functie vervullen. 3.
De verordeningen en regelingen en de (onder)mandaatbesluiten zoals vastgesteld en genomen door het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur, onderscheidelijk de directie van het Werkvoorzieningschap Noord Kennemerland blijven van kracht tot dat het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van Zaffier, onderscheidenlijk de directie besluit deze verordeningen en regelingen en de
Artikel 32 Overgangsrecht 1. De verordeningen en regelingen en de (onder)mandaatbesluiten zoals vastgesteld en genomen door het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk de directie van het Werkvoorzieningsschap Noord Kennemerland blijven van kracht tot dat het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van Zaffier, onderscheidenlijk de directie besluit deze verordeningen en regelingen en de (onder)mandaatbesluiten in te trekken of te wijzigen. 2. De voor de deelnemers geldende gemeentelijke voorschriften en beleidsregels betreffende de bij deze regeling gedelegeerde bevoegdheden, gelegen op het werkgebied van de bedrijfsvoeringsorganisatie Halte werk en van de werkorganisatie BUCH behouden hun rechtskracht, totdat het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van Zaffier, deze voorschriften wijzigt of intrekt.
(onder)mandaatbesluiten in te trekken of te wijzigen. 4. De op de dag, voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze gewijzigde regeling, voor de deelnemers geldende gemeentelijke voorschriften en beleidsregels betreffende de bij deze regeling gedelegeerde bevoegdheden, gelegen op het werkgebied van de bedrijfsvoeringsorganisatie Halte werk en van de werkorganisatie BUCH behouden hun rechtskracht, totdat het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van Zaffier, deze voorschriften wijzigt of intrekt. Artikel 32 Duur en inwerkingtreding 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. Besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing, dan wel besluiten tot toetreding en uittreding treden in werking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze besluiten zijn bekend gemaakt, tenzij in het betreffende besluit anders is bepaald. 3. De gemeente Alkmaar draagt zorg voor publicatie in het Gemeenteblad, alsmede voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten.
Artikel 33 Duur en inwerkingtreding 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. Besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing, dan wel besluiten tot toetreding en uittreding treden in werking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze besluiten zijn bekend gemaakt, tenzij in het betreffende besluit anders is bepaald. 3. De gemeente Alkmaar draagt zorg voor publicatie in het Gemeenteblad.