Memo_beantwoording raadsvragen_VVD_Facetplan.pdf
Tekst van het document
Ambtelijke reactie technische vraag datum
:
16 april 2025
van
:
Team Plannen & Projecten
aan
:
Fractie VVD
onderwerp
:
Facetbestemmingsplan Recreatie
Geachte fractie, Naar aanleiding van de ARC d.d. 10 april 2025 inzake de vaststelling van het Facetbestemmingsplan Recreatie heeft u een aantal technische vragen gesteld. Hieronder treft u de beantwoording van de technische vragen aan.
U stelt, dat een verbod op uitbreiding van recreatieparken niet strijdig is met de Europese Dienstenrichtlijn, met als reden aantasting van de leefbaarheid in de kernen. Echter, volgens het STEC-onderzoek dd 28/2/2024, is de leefbaarheid in Bergen in algemene zin (zeer) goed. Kunt u hierop reageren? Op grond van het facetbestemmingsplan worden de mogelijkheden voor het oprichten van nieuwe recreatieparken of het vergroten van bestaande recreatieparken beperkt. De essentie van de Dienstenrichtlijn is het waarborgen van een vrij verkeer van diensten tussen de Europese Lidstaten. Dit betekent dat er in beginsel geen vestigingsbeperkingen opgelegd mogen worden, omdat die strijdig zijn met het Europees uitgangspunt van een vrije interne markt en vrijheid van vestiging van dienstverrichters. Alleen onder strikte voorwaarden, “dwingende redenen van algemeen belang” zoals die zijn opgenomen in de Dienstenrichtlijn, kunnen vestigingsbeperkingen worden verbonden aan een recreatiepark. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2062) blijkt dat de bescherming van het stedelijke en rurale milieu tot de dwingende reden van algemeen belang behoren. Het uitbreiden van vakantiehuisjes op recreatieterreinen brengt een ongewenste verstening van het kwetsbare landelijk gebied met zich mee.
Tevens heeft in de afgelopen jaren een flinke afname aan diversiteit in het recreatieaanbod plaatsgevonden. Traditionele campings verdwijnen en maken plaats voor een monotoon aanbod van recreatieparken met vakantiehuisjes. Dit maakt dat een verschraling van het aanbod optreedt. De verhouding tussen de gewone campings en de recreatieparken is daarmee uit balans gebracht. Monotone recreatieparken zijn steeds dominanter aanwezig in het toeristisch aanbod van de gemeente. In het verlengde van de uitspraak van de Raad van State wordt om deze redenen aan de Dienstenrichtlijn voldaan. De conclusies uit het STEC-onderzoek over de leefbaarheid staan los van deze afwegingen.
Wat zijn de bezwaren bij verdichting op bestaande parken? Welke winst valt er te behalen, wanneer wij parken verbieden meer huisjes neer te zetten bij een gelijkblijvend grondoppervlak? Het facetbestemmingsplan beoogt met name de verstening van recreatieterreinen (veelal in het kwetsbare buitengebied) tegen te gaan door onder andere het aantal huisjes te beperken. Door meer permanente huisjes te bouwen wordt het recreatieterrein voller bebouwd en wordt het monotone aanbod aan vakantiehuisjes tevens vergroot. Dit gaat vaak ten koste van kampeerterreinen en camperplaatsen.
Daarnaast is er onduidelijkheid over de bestemming van de percelen in de definitie van recreatiepark. In de toelichting staat: “Hierbij wordt nadrukkelijk opgemerkt dat het facetbestemmingsplan geen betrekking heeft op recreatiewoningen op woonbestemmingen of hotels en pensions op hotel- of horecabestemmingen. Het betreft uitsluitend de recreatieparken”. Maar volgens de portefeuillehouder kunnen dit ook woonerven zijn, waarbij de opmerking, dat 3 of meer recreatiewoningen op een particulier erf niet (veel) voorkomen in onze gemeente. Wat is de juiste versie? Het is bij een facetplan van belang om een generieke regel op te stellen die geldt voor alle verschillende bestemmingsplannen binnen de gemeente. Gezien de verschillende bestemmingsplannen met daarin ook verschillende manieren van het bestemmen van ‘recreatieparken’, is het lastig om de recreatiebestemming als definitie voor een ‘recreatiepark’ aan te houden. Om deze reden is voor de definitie het aantal aanwezige recreatiewoningen op een perceel aangehouden. In het ontwerp facetplan was dit aantal vastgesteld op 2 of meer recreatiewoningen op een erf. In een ingekomen zienswijze is als reactie hierop aangegeven dat er ook woonpercelen zijn met 2 recreatiewoningen en deze daarmee dus ook als ‘recreatiepark’ worden gezien. Dit is uiteraard niet de bedoeling.
Om deze reden is het aantal verhoogd naar 3 of meer recreatiewoningen, aangezien het niet waarschijnlijk is dat er woonpercelen zijn met 3 of meer recreatiewoningen. Het aantal van 3 of meer is ook passend, omdat dit meer neigt naar een bedrijfsmatige exploitatie (recreatiepark).
-2-