is 2021-10-01 beantwoording SV fractie GroenLinks inzake vergunning Heringalaan.pdf
Tekst van het document
ALG 51
Groen Links fractie, gemeente Bergen
Beantwoording schriftelijke vragen vergunning Heringalaan
uitgaand Domein Team Contactpersoon Telefoonnummer Bijlage(n)
: : : : :
Ruimtelijke Ontwikkeling Plannen en Projecten Team Plannen en Projecten
Onderwerp
: Beantwoording schriftelijke vragen vergunning Heringalaan
-
Ons kenmerk Zaaknummer Uw brief van Uw kenmerk Verzenddatum
: 21uit02369 : : 22 juli 2021 : :
Geachte mevrouw Groen-Bruschke, Op 22 juli jongstleden stelde u schriftelijke vragen aan ons college met betrekking tot de ontwerp-omgevingsvergunning voor bouw van een woning aan de Dr. Heringalaan in Schoorl. Onderstaand treft u onze beantwoording van uw vragen. Inleiding Inleidend stelt u het volgende: “Op 16 juli is het besluit van het college gepubliceerd op officiëlebekendmakingen.nl Ontwerpbesluit omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan op de percelen D886, D887 en D1844 (Dr. Heringalaan) in Schoorl. Vanwege het mandaat door de raad gegeven op de lijst van verklaring van geen bedenkingen tot elf woningen in het buitengebied, heeft het college gemeend vergunning hiervoor te mogen afgeven. Dit is door de raad gemandateerd om sneller woningen te kunnen bouwen waaraan zoveel behoefte is bij vele inwoners en sluit aan bij de Omgevingsverordening van de provincie. Nu wordt de mandaterend gebruikt voor een enkele woning in de prijscategorie waar nu net geen tekort aan is binnen onze gemeente.” Vervolgens stelt u een dertiental vragen. Hieronder worden deze vragen beantwoord. Vragen 1) Wanneer werd het college bekend met deze plannen? Antwoord: in november 2020 is ambtelijk gesproken met de initiatiefnemer van het plan. Vervolgens heeft deze in december 2020 een principeverzoek ingediend.
2) Waarom is er geen participatie geweest voor dit besluit is genomen? Antwoord: het nieuwe participatiebeleid was op moment van participatie over dit plan nog niet van toepassing. De oude verordening uit 2006 is daarom het kader. Dat kader is laatstelijk gewijzigd op 12 mei 2011. Toen heeft uw raad voor het eerst categorieën van gevallen vastgesteld waarvoor geen verklaring van bedenkingen van de gemeenteraad benodigd was bij verlening van een omgevingsvergunning waarbij op basis van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Uw raad heeft toen gelijk
bezoek: Jan Ligthartstraat 4 Alkmaar www.bergen-nh.nl
correspondentie: Postbus 175, 1860 AD Bergen info@bergen-nh.nl
Tel. (072) 888 00 00
bepaald dat voor deze gevallen geen inspraak was vereist. Deze ontwikkeling valt gezien haar grootte al sinds 2011 onder die categorieën van gevallen. Het betreft daarnaast een relatief kleinschalige ontwikkeling op een relatief solitaire locatie, vandaar dat geen afzonderlijk participatietraject is gevolgd. Wel heeft de initiatiefnemer contact gehad met omwonenden en zijn er als gevolg van gesprekken met de eigenaar van een nabijgelegen woning wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het oorspronkelijke plan. 3) Is Landschap Noord-Holland -eigenaar van het Bosje van Verweij- hierin gekend? Antwoord: nee, op dit moment (nog) niet. Het perceel van de initiatiefnemer grenst slechts voor enkele meters aan het eigendom van Landschap Noord-Holland. Het overige deel is eigendom van de gemeente. Bovendien worden de natuur- en ecologische belangen van het Bosje van Verweij niet geschaad als gevolg van dit plan, zo blijkt uit het ecologisch onderzoek dat bij de aanvraag is ingediend. 4) Zijn omwonenden op de hoogte gebracht van dit plan? Antwoord: ja, de initiatiefnemer heeft contact gehad met omwonenden. 5) Waarom een plan in de zomervakantie ter inzage leggen? Was het niet beter te wachten tot na de zomervakantie? Antwoord: de aanvraag was rijp voor besluitvorming vóór de zomervakantie.
Ook in relatie tot de beslistermijn die geldt, heeft het college daarom besloten om het plan nog vóór de zomervakantie ter inzage te leggen. Wachten tot na de zomervakantie was niet nodig en zou bovendien extra tijd van de beslistermijn in beslag nemen. 6) Er komt een woning met bestemming W -2 in categorie C (tot 200m2) Hoeveel vergunde bebouwing staat er nu op dit perceel dat gesloopt moet worden? Is dit meer dan de 500m2 die nu wordt toegestaan? Antwoord: ja, het betreft ruim 700m² aan huidige bebouwing. Overigens is het zo dat de hoeveelheid bijgebouwen geen 300m² betreft maar circa 250m². In totaal is dus beoogd om circa 450m² aan bebouwing terug te plaatsen. 7) Er zijn bijgebouwen toegestaan tot 300m2 omdat hier een hobbyboer gaat wonen. In de onderbouwing staat: er komen paarden en vee. Welk vee wordt hier bedoeld? Antwoord: op dit moment is dat nog niet concreet duidelijk. Wel is duidelijk dat het hooguit om enkele dieren gaat, mede met als doel de natuurlijke begrazing van de agrarische percelen. 8) Welk bewijs is hier dat het werkelijk een hobbyboer betreft? Antwoord: uit de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag blijkt dit. De eigenaar is boerenzoon en zal enkele dieren gaan houden, mede ten behoeve van natuurlijke begrazing van de agrarische percelen (zie ook het antwoord op vraag 7).
9) Is het college zich ervan bewust dat elke eigenaar van agrarische grond met daarop een vergunde schuur (en wat is verrommeld)-plus gelegen is langs de kernen, nu een aanvraag kan doen om er een landhuis op te plaatsen? Ook als er geen bouwvlak in het bestemmingsplan is ingetekend? Antwoord: deze suggestie onderschrijft ons college niet. Het is zeker niet zo dat elke eigenaar van een perceel aan een dorpskern aanspraak kan maken op woningbouw. Per geval moet worden bekeken en beoordeeld wat de plaatselijke situatie is en of er (zoals in dit geval) sprake kan zijn van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van een plan. Overigens is in de Structuurvisie Landelijk Gebied ook aangegeven dat er ruimte kan zijn voor extra woningbouw aan de dorpsranden als daarmee de ruimtelijke kwaliteit kan worden
2
verbeterd. Naar het oordeel van het college is dat bij dit plan het geval, maar dat betekent niet dat hiermee een onvoorwaardelijk precedent is geschapen voor andere locaties. 10) Op welke manier wordt er aan de kernkwaliteiten voldaan die in de voorwaarden staan van Bijzonder Provinciaal Landschap? De gronden zijn agrarisch in gebruik en zullen agrarisch in gebruik blijven, maar dan door een ‘ hobbyboer’. Kunt u hierover meer toelichten dan nu in het bestemmingsplan staat? Antwoord: in de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag is dit uitgewerkt. Aan het overgrote deel van de inrichting en het gebruik van het gebied wijzigt niets. Hiermee is dus ook geen sprake van enige aantasting van de kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Voor het overige is er sprake van sanering van vervallen, voormalige agrarische schuren, waarvoor minder bebouwing, van betere kwaliteit, wordt teruggebouwd. Hiermee is dus eveneens geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap. 11) Waarom heeft het college – ondank het mandaat van elf woningen in het buitengebied- de raad niet geïnformeerd over deze plannen? Het hele gebeid is uiten-te-na besproken bij vaststelling van de RES maar deze mogelijkheid op deze gronden is nooit genoemd. Antwoord: er is nog geen definitief besluit genomen.
De gemeenteraad wordt, op zeer uitzonderlijke gevallen na, niet geïnformeerd over de tervisielegging van plannen en vergunningen. Over het uiteindelijke besluit zullen wij u te zijner tijd via de raadsnieuwsbrief, zoals wel te doen gebruikelijk is, informeren. 12) Volgens de stukken is dit geen stedelijke ontwikkeling en is voldoen aan de Ladder van duurzame verstedelijking niet nodig. Maar als de bebouwing toeneemt of gelijk blijft, is het wel een stedelijke ontwikkeling. Ook omdat er geen bouwvlak is ingetekend. Kan hierop een toelichting worden gegeven? Antwoord: wat hier wordt bedoeld, is dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat pas sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening, als er sprake is van bouw van méér dan 11 woningen op een locatie waar eerder geen stedelijke functie was toegestaan. In dit geval is echter sprake van bouw van 1 woning en is er dus geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dus ook dat de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet hoeft te worden doorlopen: deze moet alleen worden doorlopen als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
13) Later in het stuk wordt gesproken dat een vormvrije M.E.R.beoordeling verplicht is omdat het een ‘stedelijk ontwikkelingsproject is.’ Wat is het verschil? Eerste wordt het geen stedelijke ontwikkeling genoemd, en dan weer wel. Antwoord: in het Besluit-m.e.r. en aanverwante milieuwetgeving wordt de term ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ gebruikt. Dit is een ander kader en een andere grondslag dan de term ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ zoals die in het Besluit ruimtelijke ordening voorkomt, namelijk de gevolgen van stedelijke ontwikkelingsprojecten voor het milieu. Aan een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is in de milieuwetgeving een drempelwaarde gekoppeld waarbij een Milieueffectrapportage nodig is. In dit geval wordt deze drempelwaarde bij lange na niet gehaald, dus kan worden volstaan met een vormvrije M.E.R.-beoordeling.
3
Tot slot Wij gaan ervan uit dat uw vragen hiermee zijn beantwoord. Hebt u nog vragen? Neemt u dan contact op met Team Plannen en Projecten via telefoonnummer 072 – 888 0000. Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van Bergen,
mr. M.N. (Martijn) Schroor secretaris 1
L.Hj. (Lars) Voskuil burgemeester
4