BUCH was-wordt lijst_2.pdf
Tekst van het document
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
Overzicht gewijzigde artikelen Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH (was-wordt lijst) Tabel 1: Overzicht van de wijzigingen in verband met gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en het overnemen van een standaard-archiefbepaling op voorstel van de archiefinspecteurs in Noord-Holland Noord. Tabel 2 bladzijde 10 (geel): Zijn ‘technische’ wijzigingen. Dit zijn wijzigingen die los staan van de gewijzigde Wgr, maar meegenomen zijn in een juridische check op de GR Werkorganisatie BUCH. Huidige tekst
Tekst na wijziging
Hfst. 5 – artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten
Hfst. 5 – artikel 14 Informatieplicht van bestuur aan raden
1. Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt. 2. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 3. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet. 5. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.
1. Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt. 2. Het bestuur verstrekt de raden de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de verstrekkingen van de inlichtingen geldt dat a. Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; b. Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; c. Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges. Artikel 15 Informatie- en verantwoordingsplichten van bestuur aan colleges 1. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde
1
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. Hfst. 6 - artikel 18 Kadernota
Hfst. 6 - artikel 19 Kadernota 1. Het bestuur biedt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan de behandeling van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raad voor zienswijze. 2. De raden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het bestuur. 3. Het bestuur stelt de raden voorafgaand aan het vaststellen van de kadernota schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Het bestuur zendt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan de behandeling van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raad.
Hfst. 6 - artikel 19 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting
Hfst. 6 - artikel 20 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur biedt uiterlijk 15 april de ontwerpbegroting aan de raden aan voor zienswijze. 2. De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen (digitaal) verkrijgbaar gesteld, zodra zij aan de raden zijn aangeboden. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 3. De raden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerpbegroting aan het bestuur. 4. Het bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het bestuur zendt de begroting voor 15 september van het jaar
1. Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. 2. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste tien weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 3. De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen (digitaal) verkrijgbaar gesteld. 4. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze
2
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 8. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van: a. die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van de gemeenten. b. die wijzigingen van de begroting waarbij een positieve wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van gemeenten. c. wijzigingen van de begroting die voortvloeien vanuit maatwerkafspraken met de deelnemende gemeenten. d. wijzigingen die voortvloeien vanuit autonome ontwikkelingen zoals cao afspraken, stijging van premiepercentages, stijging van verzekeringspremies. 9. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden.
voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 6. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van: a. die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van de gemeenten. b. die wijzigingen van de begroting waarbij een positieve wijziging wordt aangebracht in de bijdragen van gemeenten. c. wijzigingen van de begroting die voortvloeien vanuit maatwerkafspraken met de deelnemende gemeenten. d. wijzigingen die voortvloeien vanuit autonome ontwikkelingen zoals cao afspraken, stijging van premiepercentages, stijging van verzekeringspremies. 7. Het bepaalde in het vierde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 15 september hoeft plaats te vinden.
Hfst. 6 - artikel 20 Jaarrekening
Hfst. 6 - artikel 21 Jaarrekening
1. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening voorzien van een controleverklaring aan de raden. De raden kunnen bij het bestuur van de werkorganisatie hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. 3. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de
1. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het bestuur biedt uiterlijk 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening voorzien van een controleverklaring aan de raden. De raden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken bij het bestuur. 3. De raden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het bestuur.
3
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
4. Het bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Geen.
Hfst. 7 - artikel 26 Evaluatie 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen van de colleges wordt aangenomen. 2. Het bestuur zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de colleges, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de gemeenten tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het bestuur deze in een voorstel of hieraan vervolg wordt gegeven en hoe dit vervolg er dan uit ziet. 6. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode.
4
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
Hfst. 7 - artikel 25 Uittreding
Hfst.7 - artikel 27 Uittreding
1. Iedere deelnemer kan besluiten tot uittreden. Een besluit tot uittreding kan niet eerder worden genomen dan vier jaar na inwerkingtreding van deze regeling. 2. Een uittredingsbesluit wordt van kracht twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Dit geldt niet wanneer de deelnemers hierover andere afspraken maken. 3. Alvorens een deelnemer tot een besluit tot uittreding komt, wordt over het voornemen daartoe eerst overleg met de andere deelnemers gevoerd. 4. In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden. 5. Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht aan het bestuur. 6. De uittredende deelnemer betaalt de kosten die de uittreding met zich meebrengt. De uittredingssom wordt middels een bindend advies vastgesteld door een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen die wordt aangewezen door het bestuur. Het bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding. 7. Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de werkorganisatie. 8. Van elk definitief besluit tot uittreding wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemers en gedeputeerde staten.
1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een gemeente kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de gemeente slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle gemeenten uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel vier van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een gemeente aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende gemeente en het bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept-uittredingsregeling overeen, welke door de gemeenten wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende gemeente en die van de achterblijvende gemeenten op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen.
In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende gemeente. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken
5
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 6. Indien het bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de gemeente de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de werkorganisatie redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de gemeenten een voorstel tot opheffing van de werkorganisatie als bedoeld in artikel 28 van deze regeling. 7. Het bestuur van de werkorganisatie en de uittredende gemeente zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor de werkorganisatie en de uittredende gemeente zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende gemeente de reële schade van de werkorganisatie én de overblijvende gemeenten dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit deze regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9.
De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende gemeente naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende gemeente in de algemene reserve van de werkorganisatie op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve
6
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de gemeente, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende gemeente. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende gemeente kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende gemeente voor de duur van maximaal 5 jaar.
Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende gemeente kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 18 van deze regeling, voor rekening van de uittredende gemeente bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van de werkorganisatie bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten
7
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste tot en met tiende lid, vragen de uittredende gemeente en het bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende gemeente. 16. Het bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal gemeenten hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende gemeente gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende gemeente te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Hfst. 8 - artikel 27 Archief
Hfst.8 - artikel 29 Archiefzorg
1. Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995. 2. Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, stelt het bestuur een regeling vast, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg, komen ten laste van de werkorganisatie. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen
Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie. Artikel 30 Archiefbeheer 1. De directeur van het bestuur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie, die nog
8
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan. 5. De secretaris van het bestuur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. 6. Ten aanzien van de in het vorige lid genoemde archiefbescheiden, is, onder de bevelen van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht bevat de regeling bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. 7. De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 8. In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van een van de gemeenten aanwijzen als archivaris van de werkorganisatie. 9. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten.
niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de werkorganisatie. Artikel 31 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 32 Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 33 Verantwoording 1. De archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de werkorganisatie, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan de colleges over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van de werkorganisatie. Artikel 34 Terbeschikkingstelling 1. De gemeenten stellen aan het bestuur de archiefbescheiden beschikbaar die nodig zijn voor de uitvoering van de opgedragen taken. 2.
De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van
9
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden geregeld. Artikel 35 Beheer archiefbescheiden opgedragen taken 1. De gemeenten besteden het beheer van de archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt als gevolg van de opgedragen taken, uit aan de werkorganisatie. 2. Voor de uitvoering van het beheer zoals bepaald in het vorige lid, dragen de gemeenten de bevoegdheden voortvloeiende uit de Archiefwet, Archiefbesluit en Archiefregeling over aan het bestuur.
Overige tekstuele en technische wijzigingen Huidige tekst
Tekst na wijziging
Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd,
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd;
Overwegende dat samenwerking middels een volledige ambtelijke krachtenbundeling de beste bijdrage kan leveren aan de complexe uitdagingen waar de BUCH-gemeenten voor staan, omdat de ambtelijke fusieorganisatie gezien haar omvang krachtig is, efficiënt kan werken en aantrekkelijk is door innovatieve dienstverlening en als werkgever;
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;
Gelet op de toestemming van de gemeenteraden van Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
gezien de toestemming van de gemeenteraden van Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
gelet op de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de overgangstermijn op grond waarvan de bestaande gemeenschappelijke regelingen voor 1 juli 2024 aan de gewijzigde wet moeten zijn aangepast;
10
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995; Besluiten de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:
overwegende dat samenwerking middels een volledige ambtelijke krachtenbundeling de beste bijdrage kan leveren aan de complexe uitdagingen waar de BUCH-gemeenten voor staan, omdat de ambtelijke fusieorganisatie gezien haar omvang krachtig is, efficiënt kan werken en aantrekkelijk is door innovatieve dienstverlening en als werkgever;
Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH besluiten: Artikel 2 lid 3 De werkorganisatie is juridisch gevestigd te Uitgeest
Artikel 2 lid 3 De werkorganisatie is formeel gevestigd te Uitgeest
Artikel 11a Raad van Secretarissen
Artikel 11a Raad van Secretarissen
1. De werkorganisatie kent een onbezoldigde raad van secretarissen, bestaande uit de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten. 2. De raad van secretarissen is een adviesraad die adviserend is aan de algemeen directeur en het bestuur van de werkorganisatie.
1. De werkorganisatie kent een onbezoldigde raad van secretarissen, bestaande uit de gemeentesecretarissen van de gemeenten. 2. De raad van secretarissen is een adviesraad die adviserend is aan de algemeen directeur en het bestuur.
Artikel 12 Personeel 1. Het bestuur regelt de rechtspositie van het personeel en neemt daartoe de benodigde besluiten. 2. Bij de regeling van de rechtspositie van het personeel wordt tot het moment dat de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties van kracht wordt, de CAR UWO gehanteerd. Daarna wordt de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties gehanteerd. 3. Het bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de algemeen directeur.
Artikel 12 Personeel 1. Het bestuur is belast met het in dienst nemen van, schorsen en ontslaan van het personeel. 2. Het bestuur regelt de rechtspositie van het personeel en neemt daartoe de benodigde besluiten. 3. Voor de rechtspositie van het personeel wordt de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties gehanteerd. 4. Het bestuur kan de in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de algemeen directeur.
Artikel 29 Klachtenregeling 1. Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over
Artikel 36 Klachtenregeling 1. Overeenkomstig titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van een
11
Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
gedragingen van een bestuursorgaan van de werkorganisatie. 2. Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast.
bestuursorgaan van de werkorganisatie. 2. Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast. 3. De Nationale ombudsman is, onverminderd het bepaalde in artikel 1a, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klaagschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
12