Bijlage 6 - Ecologische quickscan.pdf
Tekst van het document
G&G-advies QS2018-42
Het Plein te Bergen
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Het Plein te Bergen Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
L. Hartog
2018
Opdrachtgever Bot Bouw
G&G-advies QS2018-42
Versie Concept Eindrapport
Datum 7 april 2018
Gecontroleerd door: R. de Beer
De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Het Plein te Bergen
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 6
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode
7
2.1
Soorten .................................................................................................................... 7
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 8
Beschermde soorten Wnb
9
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 11 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 11 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 12 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 12 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 12 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 13 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 13 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 15
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 16
Effectbeoordeling en maatregelen
17
4.1
Vogels..................................................................................................................... 17
4.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 18
4.3
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 19
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
20
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 20
5.2
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 21
5.3
Weidevogelgebieden ............................................................................................. 21
5.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 22
5.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 22
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 22
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
4
6
Conclusies
23
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................23
6.2
Overige natuurwetgeving ......................................................................................24
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................24
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur ..................................................24
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
26
8
Bijlagen
27
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen Het Plein in het centrum van Bergen, gemeente Bergen, Provincie Noord-Holland her in te richten. Dit plan valt juridisch onder ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van ‘Bot Bouw’ heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
Ligging van het onderzoeksgebied opgedeeld in 4 delen met aanduiding van de in de tekst gebuikte toponiemen.
Breelaan
Jan Oldenburglaan
De Broek en Bakema flat
Het Plein
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
6
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied maakt onderdeel uit van het centrum van Bergen. Het is omgeven door dichte bebouwing van het dorp. Het plangebied is omwille van de grootte verdeeld in vier delen met vergelijkbare bebouwing.
1.4
Werkzaamheden Er zullen diverse panden gesloopt worden en voor de herontwikkeling van Het Plein zal een ondergrondse stallinggarage, winkels en appartementen gerealiseerd worden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem sloop van gebouwen en het kappen van enkele bomen.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
2
7
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 27 maart 2018 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar).
Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
8
Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)), zie: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
3
9
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen In deze paragraaf word het plangebied gesplitst in vier delen (zie Figuur 1. Per deel wordt een korte beschrijving gegeven. ♣ Jan Oldenburglaan Het pand aan de Jan Oldenburglaan 2 is een bedrijfspand van Hofstede opticien. Het gebouw is opgebouwd uit baksteen en heeft een puntdak bedekt met oranje dakpannen. Enkele dakpannen liggen scheef en er zijn ruimtes onder dakpannen waargenomen. Er is een kleine dakkapel aan de westkant, hier zijn loodslappen aan de buitenkant bevestigd. Er zijn ruimtes te zien onder dit lood. Bij schoorstenen en dakramen aan de oostkant op het dak is dit ook het geval. Aan beide kopse kanten is de dakrand afgewerkt met hout. Hier zijn gaten en spleten waargenomen tussen de stenen muur en de houtbetimmering. Aan de lange zijdes zijn dakgoten aanwezig. Boven de etalageruit is een korte overkapping.
De opticien aan de Jan Oldenburglaan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
10
Aan de achterzijde is nog een laag schuurtje aanwezig, ook met stenen muren en een dakpannen dak. Naast het gebouw aan de westkant zijn enkele struiken en Klimop aanwezig. Aan de voorkant van het gebouw is een boom aanwezig. Er zijn geen opvallende diepe gaten en of spleten waarneembaar in deze boom. ♣ Breelaan Restaurant ‘Julie’s’ is een relatief hoog gebouw met witte betonstenen muren. Er zijn twee etages exclusief begane grond. Aan de oostzijde is een balkon en een dakterras aanwezig. Het hoge puntdak is bedekt met oranje dakpannen. Verder zijn een terras en een serre aangebouwd. Er zijn ruimtes onder dakpannen waargenomen. Onder aanwezige loodslabben langs dakramen zijn ook ruimtes. Daarnaast zijn kieren aanwezig tussen dakpannen en de houtbetimmering aan beide kopse kanten van het gebouw.
Restaurant Julie’s aan de Breelaan.
Naast Julie’s staat een lage snackbar. Dit gebouwtje heeft een plat dak, en een korte overkapping aan drie zijdes. ♣ De Broek en Bakemaflat Deze flat heeft twee woonetages met balkons aan de zuidzijde en een galerij met betonnen vloer aan de noordzijde. Deels bevinden zicht winkels onder de etages en een ander gedeelte is open (een poort). De muren zijn van steen en de platte daken hebben schoorstenen. Enkele schoorstenen zijn afgedekt met gaas, waarschijnlijk om het broeden van vogels te weren. In de houtafwerking langs het dak aan de noordzijde zijn gaten waargenomen. Ook tussen de stenen muur en het hout zijn (grote) gaten zichtbaar. Daarnaast zijn
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
11
Deel van de Broek en Bakemaflat.
aan de kopse kant (west) twee spouwgaten en kieren langs de dakranden te zien. ♣ Het Plein Het overige gedeelte van het plangebied bestaat uit aaneengesloten lage winkeltjes met platte daken. Aan de noordzijde zijn veel gaten gezien in de houtbetimmering langs de dakrand. Aan de zuidzijde (voorzijde winkels) is een lage overkapping voor alle winkels. Deels loopt de overkapping nog naar een restaurant dichterbij de weg. Hier is een ‘open’ buitenterras aanwezig. Op de oostzijde is een dakterras aanwezig met een grote parasol. In de grote kastanjebomen op Het Plein zijn geen gaten of spleten waargenomen maar vanaf de grond is het lastig te beoordelen of er gaten hogerop in de stam aanwezig zijn.
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten Aangetroffen soorten Rond het plangebied is in het verleden Blauw guichelheil, Dennenorchis, Groot spiegelklokje, Rozenkransje, Stofzaad en Wilde ridderspoor waargenomen (NDFF 2008-2018). Potentie plangebied De in het verleden aangetroffen soorten komen voor in bossen en langs zomen in de duinen nabij Bergen. In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Er is geen biotoop aanwezig binnen het plangebied voor eerder genoemde soorten
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
12
3.2.2
Vissen Omdat geen water in het plangebied aanwezig is, kunnen geen (beschermde) vissoorten voorkomen.
3.2.3
Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied, de soort werd op meerdere plaatsen nabij het plangebied vastgesteld (NDFF 2008-2018). De Rugstreeppad is een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. Het gebied levert ook geen geschikt landbiotoop. -Rugstreeppad Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het niet te verwachten dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. Het plangebied is teveel geïsoleerd door dichte bebouwing en de soort moet teveel zeer ongunstig biotoop passeren om het plangebied te bereiken.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Koolmees (cat. 5), Kauw en Zilvermeeuw. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het groen naast de hofstede opticien kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning en Heggemus. Het is mogelijk dat in de bebouwing soorten broeden als Kauw, Spreeuw (cat. 5) of Zilvermeeuw. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen (NDFF 2008-2018).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
13 In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden enkele waarnemingen van Huismussen (cat. 2) gedaan (NDFF 2008-2018). De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan. In en rond het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding aan het gebied. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bebouwing rond het Plein Huismus en/of Gierzwaluw broed(en)t. Deze soorten kunnen toegang verkrijgen tot geschikte holtes vanwege de waargenomen gaten en spleten. Huismus kan broeden onderdakpannen en/of loodslabben, voedselresten nabij winkels en horeca kunnen het plangebied geschikter maken voor de Huismus. De Gierzwaluw kan broeden onder pannen maar kan ook gebruik maken van kieren tussen houtbetimmering en stenen muren om bij hun broedplaats te komen.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (NDFF 20082018). Rond het plangebied zijn in het verleden Boommarter, Eekhoorn en Bunzing waargenomen (NDFF 2008-2018). Deze soorten zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in NoordHolland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied is niet geschikt voor Boommarter, Eekhoorn en Bunzign. De benodigde levensvoorwaarden en dekking zijn afwezig.
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in de omgeving van het plangebied een aantal soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2008-2018). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse veermuis,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
14
Franjestaart, Grootoorvleermuis, Laatvlieger en Watervleermuis. Van de laatste drie soorten gaat het om winterverblijven. Van de andere gaat het meestal om foeragerende exemplaren. Potentie verblijfplaatsen Precieze locaties van verblijfplaatsen zijn alleen vast te stellen met gericht nachtelijk onderzoek tenzij uit te sluiten is dat potentie hiervoor aanwezig is. De waargenomen spleten tussen de muren en daken geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Daarnaast geven spouwgaten en gaten in houtbetimmering mogelijk toegang voor vleermuizen. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat de kastanjebomen geschikte gaten als (tijdelijke) verblijfplaats boom bewonende soorten zoals Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis, grootoorvleermuis of Rosse vleermuis heeft. Potentie foerageergebied Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaarse) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
Gat tussen houtbetimmering en stenen muur.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
3.2.7
15
Overige fauna Aangetroffen soorten Rond het plangebied is een enkele waarneming van Hazelworm en Bruine eikenpage bekend (NDFF 2008-2018). Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Kierentussen houtbetimmering en stenen muur geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
16
3.3
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur) nee nee ja
Potentieel aanwezig binnen het plangebied nee nee nee
ja
ja
ja
ja*
nee
nee
nee ja ? nee
ja ja nee nee
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
4
17
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Koolmees), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen.
Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
18
Soorten met jaarrond beschermde nesten Bij de sloop of de renovatie van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van de Huismus of Gierzwaluw beschadigd of vernield kunnen worden. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort(en). Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.
4.2
Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop of de renovatie van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort(en). Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als de aanwezige grote kastanjeboom moeten worden gekapt kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen worden beschadigd of vernield van boom bewonende vleermuizen. Het is dan ook noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Als verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
4.3
19
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om vleermuizen, Huismus en Gierzwaluw. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.
Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.
Soort/Soortgroep
Aantal bezoeken
Optimale periode
Vogels Huismus Gierzwaluw Vleermuizen
april – half mei juni - half juli
2 3 Aantal bezoeken
Gebiedsfunctie
Periode
Alle soorten
winterverblijf
december februari
1
Alle soorten
vliegroutes, foerageergebied
april - november
2*
Kraam/zomerverblijf
Paarverblijven en zwermen
beide 2
Gewone dwergvleermuis
half mei - half juli
augustus-oktober
Ruige dwergvleermuis
(juni - half juli-nvt)
augustus - oktober
Laatvlieger
juni - half juli
nvt
Gewone grootoorvleermuis
juni - half juli
april - half mei & half augustus oktober
Meervleermuis
half mei - juli
augustus - oktober
Rosse vleermuis
juni - half juli
half juni - half juli
Watervleermuis
juni - half juli
augustus - oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
20
5
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op circa 300 meter afstand van de twee meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Het Noordhollands Duinreservaat en de Schoorlse Duinen, zie Figuur 2.
Ligging van het plangebied (rood omrand) ten opzichte van Natura-2000 (rood gevuld).
Gezien de grote afstand, de sterke afscherming door dichte bebouwing en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve effecten verwacht van de plannen, zoals geluid, trillingen of licht. Er hoeft daarnaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
21 Omdat reeds bebouwing aanwezig is met gasaansluitingen en emissie van stikstof, wordt niet verwacht dat de nieuwbouw zal leiden tot meldings- of vergunningplichtige extra depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden. Het wordt aanbevolen een vooroverleg te organiseren met het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten) over de wenselijkheid van een nadere ‘aerius-berekening’ waarbij deze effecten nader gekwantificeerd worden.
5.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 3). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 3). Ook de bescherming van gebieden als weidevogelleefgebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden.
Ligging van het plangebied (rood omrand) ten opzichte van beschermde Weidevogelleefgebieden en het NNN-netwerk (EHS in legenda).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
22
5.4
Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Het wordt aanbevolen een vooroverleg te organiseren met het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten) over de wenselijkheid van een ‘Aerius-berekening’ waarbij effecten op stikstofuitstoot en –depositie nader gekwantificeerd worden. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is verder op voorhand uit te sluiten dat gebiedsbeschermende bepalingen van belang zijn bij uitvoer van dit project.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
6
23
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en Gierzwaluw. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).
Worden tijdens vervolgonderzoek dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
24
6.2
Overige natuurwetgeving Het wordt aanbevolen een vooroverleg te organiseren met het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten) over de wenselijkheid van een ‘Aerius-berekening’ waarbij effecten op stikstofuitstoot en –depositie nader gekwantificeerd worden. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is verder op voorhand uit te sluiten dat gebiedsbeschermende bepalingen van belang zijn bij uitvoer van dit project.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in de stad versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: ♣ Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; ♣ Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; ♣ Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Dergelijke maatregelen bevorderen de leefbaarheid van een woonwijk aanzienlijk. Ook dragen deze maatregelen sterk bij aan
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
25 een versnelling van het natuurlijk evenwicht in een nieuwbouwsituatie. Dit kan typische problemen als muggen- en vliegenoverlast of muizenplagen van nieuwbouwprojecten voorkomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
26
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.
MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
27
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Tabel 1. Vrijstellingen voor ontheffingsaanvragen voor soorten per provincie. + = vrijgesteld; rood = niet vrijgesteld. DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZL
ZH
Aardmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bosmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bunzing
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Zoogdieren
Eekhoorn
+1
Egel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Haas
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Hermelijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Huisspitsmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Konijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ondergrondse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ree
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Rosse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Steenmarter
+2
Tweekleurige bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Veldmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Vos
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wezel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wild zwijn Woelrat
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bruine kikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone pad
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Amfibieën en Reptielen
Hazelworm Kleine watersalamander
+3 +
+
+
+
+
Levendbarende hagedis
+ +4
Meerkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bastaardkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
♣ Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats betrokken als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings- of vergunning plichtig zijn.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd.
Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Zie Bijlage 1.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.3
Zie Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 4 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Het Plein te Bergen
Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: ♣ Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. ♣ Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning.
De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-42
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl