Bijlage 3a Landelijk Gebied Zuid-Ecodorp Bergen.pdf
Tekst van het document
Gebouwen en landgebruik zijn niet alleen minder vervuilend of energiebelastend, maar kunnen een neutrale of zelfs positieve invloed hebben op de CO2- en energiebalans en duurzame grondstofkringlopen. Dit komt terug in zowel de processen van bouw en aanleg, in de gebruikte materialen en grondstoffen, als in de energiehuishouding van de gebouwen en gronden tijdens gebruik. 2. Duurzaam ondernemen Ecodorp Bergen geeft invulling aan de people-planet-profit-balans, door als gemeenschap wonen, werken en zorg voor de leefomgeving niet van elkaar afgescheiden te zien, maar juist de ecologische, sociale en economische aspecten te integreren. Naast zelfvoorziening in energie, water en voedsel, wordt er kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid ontwikkeld en een kleinschalig natuurkampeerterrein gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
37
3. Energiebesparing Ecodorp Bergen draagt als nieuw project actief bij aan de gemeentelijke doelstelling voor energiebesparing door in het ontwerp, de bouw, de aanleg en de levensstijl rekening te houden met besparing en duurzame alternatieven. Zie punten 1 en 4. 4. Duurzame energie Ecodorp Bergen wil optimaal gebruik maken van het opwekken van zonne-energie, vooral passief (warmwater en verwarming), om daarmee te voorzien in haar eigen energiebehoefte en bij te dragen aan de energiedoelstellingen binnen de gemeente. Ze zoekt hierin samenwerking met professionele partners, zoals Stichting Bergen Energie. Ook is er aandacht voor energiewinning uit biomassa, bijvoorbeeld door het gebruik van hout als hernieuwbare brandstof, en het telen van biomassa voor biogas en het duurzaam instandhouden van de bodemvruchtbaarheid. 5. Duurzame mobiliteit In Ecodorp Bergen zijn wonen, werken en sociale activiteiten geïntegreerd. Daardoor wordt de noodzaak van woon-werk-verkeer en overig autogebruik sterk verminderd. Door de zelfvoorziening in voedsel wordt bovendien het aantal hiervoor benodigde transport-kilometers zo goed als geëlimineerd. Daarnaast vraagt Ecodorp Bergen van bewoners en bezoekers om het autogebruik terug te dringen. Gedeeld autobezit, carpoolen en gebruik van duurzaam vervoer als fiets en OV worden actief gestimuleerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
38
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
39
Hoofdstuk 4
Milieu- en andere omgevingsaspecten
Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
4.1
Archeologie
Aanleiding en doel De toenemende bedreiging van het archeologische erfgoed in heel Europa, niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, gaf aanleiding voor het in 1992 door de Europese lidstaten ondertekende Verdrag van Valletta. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta genoemd. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Onderzoek Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart geldt voor de gronden dat archeologisch onderzoek nodig is bij ruimtelijke ingrepen groter dan 2.500 m2 én dieper dan 0,40 meter. Onderstaand een weergave van de archeologische beleidskaart.
Figuur 4.1. Archeologische beleidskaart In totaal mag er 2.000m2 aan bebouwing gebouwd worden. Voor een deel van deze bebouwing wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. In totaliteit wordt circa 1850 m2 aan nieuwe bebouwing opgericht. Deze zal globaal gezien worden gebouwd in het op de foto hieronder weergegeven omkaderde deel. Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
40
Figuur 4.2. Grove weergave bebouwingsgebied Dit terrein is nu nog grotendeels voorzien van betonplaten en verharding. Deze zullen worden verwijderd en vervolgens zal op deze gronden worden gebouwd. Ten behoeve van deze woningen wordt niet dieper dan 0,40 meter gegraven en de totale oppervlakte daarvan komt ook niet boven de 2.500 m2 uit. Er is geen nader onderzoek naar archeologie nodig. Wel wordt de borging voor eventuele archeologische waarden geregeld door een archeologische dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 aan het gehele plangebied toe te kennen met de bijbehorende regels.
4.2
Cultuurhistorie
Aanleiding en doel Modernisering Monumentenwet (MoMo)/Wijziging Bro Per 1 januari 2012 is de wijziging van het Bro in werking getreden die een verplichting inhoudt om in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Wat zijn cultuurhistorische waarden? De Memorie van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening zegt met betrekking tot artikel 3.1.6 het volgende: "Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken".
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
41
Het begrip cultuurhistorie heeft drie aspecten: 1.
2.
3.
Historische (stede)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg; bijvoorbeeld kastelen, kerken, oude boerderijen of landhuizen, maar ook stedenbouwkundige elementen als beschermde stads- of dorpsgezichten; Archeologie; sporen en vondsten van menselijk handelen in het verleden in de bodem zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Een verzamelterm hiervoor is 'archeologische waarden'. Alle archeologische waarden bij elkaar zijn het 'bodemarchief'. Deze sporen kunnen zich ook onder water bevinden zoals bijvoorbeeld verdronken nederzettingen of scheepswrakken; Cultuurlandschap/historische geografie: alle landschappelijke elementen die het gevolg zijn van menselijk handelen in het verleden, bijvoorbeeld verkavelingspatronen, pestbosjes, landgoederenzones of ontginningsassen.
Onderzoek Voor de inpoldering bevonden zich op de plek van het voormalig mobiliteitscomplex twee eilandjes: het “Miene Bos” en “Joffrou Horstkamp”. Deze eilandjes met opgaande begroeiing, alsmede de kommen “Die Crofte” en “Hillecum”, zijn na de inpoldering zichtbaar gebleven in het landschap. Dat verklaart ook de iets hogere ligging ten opzichte van de omgeving. Na de inpoldering heeft het gebied een agrarische functie gekregen. Ergens tussen 1811 en 1830 wordt Boerderij de Vogelkooi gebouwde. De eveneens voor het vliegveld gesloopte boerderij van J. van Wonderen stond er in 1879 en die van Apeldoorn in 1899. Pas na 1923 verschenen de boerderijen van Blokker, Dekker en Bruin en Schoen. In 1937 werd in het landsbelang besloten in de Bergermeerpolder een vliegveld aan te leggen vanwege de toenemende bedreiging vanuit Duitsland. Bij de aanleg van het vliegveld moeten 6 boerderijen worden gesloopt, waaronder de voornaamste, meest historische boerderij in de Bergermeer van P. Konijn. De boerderij van H. Blokker, Groeneweg 8, kan blijven staan. De boerderij staat dan aan de oostzijde van de smalle toegangsweg naar het terrein. In 1939 werd het vliegveld opgeleverd en werd na een kort gebruik veroverd door de Duitsers in mei 1940. Dit is een historisch gegeven omdat op 10 mei om 4 uur in de ochtend hier samen met Schiphol de eerste luchtaanvallen van de tweede oorlog plaats vonden.
Op plein 3 vond de vernietiging van een belangrijk deel van de Nederlandse luchtvloot plaats, 12 toen moderne fokkers G1 werden grotendeels vernietigd en er werd aanzienlijk schade aangericht aan de hangars. De Duitsers hebben het vliegveld in gebruik genomen en zwaar gecamoufleerd. Er werd een commando bunker gebouwd die nu nog intact is. Hierna een weergave van deze bunker.
Figuur 4.3. Foto op het terrein aanwezige bunker
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
42
In mei 1944 hebben de geallieerden een succesvolle aanval gedaan en werd uiteindelijk het vliegveld geheel onklaar gemaakt door de Duitsers. Daarna vonden tot juni 1945 voedsel-droppings plaats. Na de oorlog heeft het vliegveld geen functie meer gehad als vliegveld. Begin jaren 50 werd hier een mobilisatie complex gebouwd voor opslag van munitie en voertuigen in het kader van de koude oorlog. Dit heeft tot 2004 gefunctioneerd. Op 30 mei 2013 heeft Ecodorp Bergen het terrein gekocht en werd de transitie van oorlog naar vrede daadwerkelijk ingezet. Het terrein vertelt een verhaal, een verhaal over lokale en wereld geschiedenis. Ook vanuit de Structuurvisie wordt het MOB-complex als cultuurhistorisch waardevol beschouwd. De voormalige bunker blijft behouden. Ook wordt bij de inrichting van het gebied rekening gehouden met de landschappelijke waarde van oude slotenpatronen, zichtlijnen en patronen van voor de inpoldering.
De Egmonder- en Bergermeer voor de droogmaking in de jaren 1562-1564. De Egmondermeer behoorde aan de graaf (heer) van Egmond. Octrooi van de bedijking is niet gevonden. De bedijking begon in 1555, voltooid in 1574. Cat. Perfect Gemeten nr. 37. Toegeschreven aan Lourens Pietersz.
Uitsnede uit kaart van Metius, Adriaan Anthonisz 1568. De drooggemaakte Bergermeer bedijking voltooid 1564. De Bergermeer was grotendeels eigendom van de Heren van Bergen. Figuur 4.4. weergave van de Bergermeerpolder voor en na de droogmaking
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
43
4.3
Externe veiligheid
Aanleiding en doel Bij het transport, de opslag en bij het be- en verwerken in bedrijven van gevaarlijke stoffen, maar ook nabij luchthavens bestaat de kans op ongevallen waarbij slachtoffers vallen die niet bij de activiteit betrokken zijn. Personen die in bedrijven werken worden door de wetgeving rond arbeidsomstandigheden beschermd. Personen die zich buiten (extern) de bedrijfsgrens bevinden worden beschermd door wet- en regelgeving voor externe veiligheid. De vuurwerkramp in Enschede van mei 2000 heeft geresulteerd in een formalisering en deels aanscherping van wet- en regelgeving om het risico van dergelijke ongevallen te beperken. Het doel van de toets op externe veiligheidsaspecten rond ruimtelijke plannen is na te gaan welke risico's de voorgenomen ontwikkelingen met zich brengen. Dit om de mogelijkheid te bieden een externe veiligheidssituatie te creëren die voldoet aan de behoeften. Daartoe kan het ruimtelijk initiatief of specifieke wijze worden ingevuld en kunnen eventuele aanvullende maatregelen worden getroffen. Het externe veiligheidsonderzoek richt zich eerst op het plaatsgebonden risico. Dit geeft een beeld van de ruimtelijke verdeling van de hoogte van de risico's rond een bron. Vervolgens wordt nagegaan wat de hoogte van het groepsrisico is. Dit geeft inzicht in de aantallen personen die bij een ongeval kunnen worden betrokken.
Als er sprake is van groepsrisico, als een ongeval tot meer dan 10 dodelijke slachtoffers kan leiden, moeten risicogegevens worden verzameld, moet een advies over het voorgenomen initiatief aan de regionale brandweer worden gevraagd en is de initiatiefnemer verplicht de veranderingen in het groepsrisico door de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden. Onderzoek Het Besluit richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het Bevi staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Deze inrichtingen brengen risico's met zich mee voor de in de omgeving aanwezige risicogevoelige objecten. Een ecologisch dorp zoals Ecodorp Bergen is niet aan te merken als een zogeheten Bevi-inrichting. Daarentegen is het wel aan te merken als een 'kwetsbaar gebied' vanwege de te realiseren woningen, zodat wel beoordeeld dient te worden of zich in of nabij het plangebied geen Bevi-inrichtingen bevinden die van (belemmerende) invloed kunnen zijn op de planvorming. Om deze beoordeling te maken is getoetst aan de risicokaart van Nederland en dan specifiek ingezoomd op het plangebied en omgeving. Op deze kaart zijn de diverse Beviinrichtingen weergegeven. Hierna de weergave van deze kaart.
Figuur 4.5. Weergave risicokaart
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
44
Op een afstand van circa 300 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich een hogedrukgasleiding. Het betreft een aardgasleiding en onderstaand de bijbehorende rapportage en gegevens van de leiding.
Tabel 4.1. Details buisleiding Het betreft een aardgasleiding met een diameter van 12,75 inch en een maximale werkdruk van 101,00 bar. Wat betekent deze buisleiding voor het plangebied, daartoe eerst de hierna weergegeven tabel.
Tabel 4.2. Inventarisatieafstanden buisleiding Een leiding met een diameter van 12 inch heeft een zogeheten Invloedsgebied van 180 meter bij een maximale werkdruk van 80,0 bar. Bij benadering heeft deze leiding bij een werkdruk van 100,00 bar een Invloedsgebied van circa 200 meter. De afstand van het plangebied en dan toegespitst op het gebied waar de woningen zijn geprojecteerd liggen op een grotere afstand als die van het Invloedsgebied, nader onderzoek naar externe veiligheid is niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
45
4.4
Bodemkwaliteit
Aanleiding en doel De mens gebruikt de bodem op vele manier, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit ook in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat de mens al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft hij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan.
Onderzoek In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied is. Tevens dient, op basis van de Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht), bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een rapportage van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek toegevoegd te worden. Voor verkennend bodemonderzoek op een locatie wordt de norm NEN 5740 gehanteerd (onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek). De bodemonderzoeksplicht geldt alleen voor bouwwerken waarvoor: een reguliere omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist; waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (twee of meer uren per dag) mensen zullen verblijven; die de grond raken; waarvan het bestaande gebruik wijzigt (interne verbouwing van niet-verblijfsruimte naar verblijfsruimte); die niet naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk genoemd in het Besluit bouwwerken; waarvan geen reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten aanwezig zijn; die geen tijdelijk bouwwerk betreffen waarbij uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is. Ter plaatse worden woningen gebouwd ten behoeve van het Ecodorp. Deze zijn aan te merken als verblijfsruimten waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen kunnen verblijven. Er is bodemonderzoek nodig.
Door onderzoeksbureau Tauw is in 2008 onderzoek uitgevoerd. Het betrof hier een verkennend, aanvullend en nader onderzoek. De gehele onderzoeksrapportage is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Op basis van dit onderzoek door Tauw is een nader onderzoek uitgevoerd die betrekking heeft op de mogelijke aanwezigheid van niet-ontplofte bommen in de ondergrond. Tevens is als gevolg van het onderzoek door Tauw een nader saneringsonderzoek voorgesteld en inmiddels zijn daartoe de stappen ondernomen die moeten leiden tot de gewenste sanering op die locaties waar dat noodzakelijk is.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
46
Explosievenonderzoek Het explosievenonderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau T&A Survey. De gehele onderzoekrapportage daarvan is als bijlage 3 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Nader onderzoek naar explosieven heeft uitgewezen dat in de eerste halve meter van de bovenlaag geen explosieven aanwezig zijn. Saneringsopgave Al naar gelang de bodemkwaliteit en de toepassing van agrarische activiteit zullen gepaste saneringsmaatregelen worden genomen. Deze zijn beschreven in het saneringsplan dat in februari 2015 is ingediend bij de provincie (zie bijlage 4) . Asbestonderzoek Door onderzoeksbureau Koenders & Partners is medio 2014 een nader asbestonderzoek uitgevoerd naar een mogelijk aantal verdachte locaties. Het gehele onderzoeksrapport is als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het onderzoeksbureau tot de volgende conclusies en aanbevelingen gekomen, waarbij voor en weergave van de genoemde locaties wordt verwezen naar de volledige bijlage.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
47
4.5
Waterhuishouding
Aanleiding en doel In de loop van de tijd hebben ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland veel ruimte aan water en/of waterberginglocaties onttrokken. Aan het begin van de 21e is geconstateerd dat ruimtelijke ontwikkelingen de ruimte voor water niet verder zou mogen beperken. Juist meer ruimte voor water is nodig om klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling op te vangen. Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Bij het opstellen van de watertoets is de waterbeheerder betrokken. Onderzoek Op 26 september 2014 is via het instrument www.dewatertoets.nl de zogeheten watertoets uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde watertoets is duidelijk geworden dat het plangebied van Ecodorp Bergen zich bevindt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en dat voor het project de zogeheten 'korte procedure' van toepassing is. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. Deze maatregelen zijn opgenomen in het adviesdocument van de watertoets. Het adviesdocument is als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Voor het bestemmingsplan kan worden volstaan met het opnemen van de standaard adviezen in de toelichting van het bestemmingsplan.
Onderstaand een weergave van de standaard wateradviezen waarmee de initiatiefnemer rekening dient te houden met de verdere uitwerking van het plan. Wateradvies korte procedure Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Herbestemmen MOB-complex Bergen tot Ecodorp in het kader van de watertoets. In dit advies staan de maatregelen die Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de door de aanvrager/initiatiefnemer ingevoerde gegevens heeft het Hoogheemraadschap een aantal opmerkingen en aspecten die zij graag in de uitwerking van het plan verwerkt willen zien. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheerplan) zijn de programma's en beheertaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing.
Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Verharding en compenserende maatregelen Er is geen sprake van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
48
Beheer en onderhoud waterlopen Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden. Waterkwaliteit en riolering Binnen het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de ambitie van het hoogheemraadschap om 100% van het hemelwater van nieuwe oppervlakken te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Er is binnen het plan geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd.
Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat voor de nieuwe ontwikkeling geadviseerd wordt om een gescheiden stelsel aan te leggen. Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. De gedane watertoets kent niet als keuzemogelijkheid om aan te geven dat het vuile water via een ecologisch buffersysteem gezuiverd wordt. Ecodorp Bergen is voornemens om een eigen systeem aan te leggen dat geheel is afgekoppeld van het reguliere rioolsysteem. De bewoners van het Ecodorp streven ernaar hun afvalwaterstromen op het terrein te zuiveren. Zij maken gebruik van composttoiletten. Het grijze afvalwater wordt middels een helofytenfilter gezuiverd en het effluent infiltreert op een geschikte locatie op het terrein. Voor bezoekers staan naast composttoiletten ook spoeltoiletten ter beschikking. Deze zijn aangesloten op het rioleringsstelsel. Hoewel het Hoogheemraadschap dus als advies meegeeft om een gescheiden stelsel aan te leggen is dit niet geheel overeenkomstig de te realiseren systematiek. Door de gekozen wijze van rioleren van Ecodorp Bergen wordt het rioolstelsel in zijn geheel niet belast.
4.6
Ecologie
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Normstelling en beleid Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
49
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natuurnetwerk Nederland (NNN); b. Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Natura 2000-gebieden De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
50
ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek soortenbescherming Door onderzoeksbureau Bureau IJsvogeltje is een quickscan flora- en fauna uitgevoerd op het terrein. Het gehele onderzoeksrapport, bekend onder de gegevens 'onderzoek Natuurwaarden terrein Ecodorp Bergen', d.d. 26 april 2016, is als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Hierna volgen de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van het uitgevoerd onderzoek. Flora De Rechte driehoeksvaren Gymnocarpium robertianum en Tongvaren Asplenium scolopendrium scolopendrium zijn beschermd. Dit betekent dat er maatregelen moeten worden getroffen om het voortbestaan van de soort te garanderen of dat er ontheffing moet worden aangevraagd. De varens zijn gevonden in de kolken op het terrein die gevoed worden met regenwater. Aanbevolen wordt om enkele van deze kolken met omringend beton te behouden. Dit waarborgt het voortbestaan van de soort. Indien deze maatregelen worden nageleefd, hoeft geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Worden deze kolken niet behouden, dan zal ontheffing moeten worden aangevraagd. Vleermuizen De beperkte kap van bomen kan van invloed zijn op de functionele leefomgeving van de aanwezige vleermuizen. De werkzaamheden moeten gefaseerd in tijd en ruimte uitgevoerd worden, rekening houdend met de seizoensactiviteit van de vleermuis. Mogelijk moet er gecompenseerd worden voor het verlies aan functionaliteit of moeten er maatregelen worden genomen om de functionaliteit te waarborgen; dit wil zeggen dat de vliegroutes behouden of hersteld moeten worden. Dit betreft maatwerk en hierbij moet een deskundige op het gebied van vleermuizen worden ingeschakeld.
Door bureau Endemica is in 2017 een inventarisatie gedaan naar het voorkomen van vleermuizen in het plangebied. Het onderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting op dit bestemmingsplan bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat er vier soorten vleermuizen in het plangebied voorkomen, te weten de Gewoneen Ruige dwergvleermuis, de Rosse vleermuis en de Laatvlieger. In de nazomer zijn ook de Gewone grootoorvleermuis en Kleine dwergvleermuis foeragerend aangetroffen. In het najaar zijn de Meervleermuis en Watervleermuis passerend waargenomen. Zowel de Watervleermuis als de Ruige dwergvleermuis overwinteren op het terrein van Ecodorp Bergen. De bomen op het terrein van Ecodorp bieden in ieder geval plaats aan een zomerverblijfplaats van de Rosse vleermuis. Vermoedelijk gaat het om een kleine groep mannetjes die hier verblijven. Daarnaast zorgen de bomen voor een belangrijk foerageergebied (voedselaanbod in vorm van insecten en luwte), mede dankzij het grotendeels ontbreken van verlichting op het terrein, voor diverse soorten vleermuizen. Een deel van de bomen heeft ook een functie voor behoud van het gunstige overwinteringsklimaat in de bunker voor Watervleermuizen.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
51
De kap van de bomen op het terrein van Ecodorp leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Op het moment dat er bomen gekapt gaan worden is het noodzakelijk om voorafgaand aan de kap een ontheffingsvraag van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de Regionale Uitvoeringsdienst NoordHolland Noord. Broedvogels Alle broedvogels zijn in de Wet natuurbescherming beschermd. Dit betekent dat er in het broedseizoen geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die de functionaliteit van hun leefomgeving aantast. Tussen 15 maart en 15 juli mag er dus niet worden gekapt. De kap van bomen heeft invloed op de voortplantings- en vaste rust- en verblijfsplaats van de buizerd. Nader onderzoek moet uitwijzen of een dergelijke plek daadwerkelijk op het terrein aanwezig is. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Een buizerd-expert wordt geraadpleegd welke maatregelen genomen moeten worden om de negatieve effecten teniet te doen. Onderzoek Gebiedsbescherming Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het plangebied zelf maakt geen onderdeel uit van het NNN, het omliggende gebied wel.
Hoewel er – anders dan bij Natura2000 gebieden- bij NNN geen sprake is van externe werking op grond van de Wet natuurbescherming, is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel relevant of er negatieve effecten op het NNN te verwachten zijn als gevolg van de ontwikkelingen. De locatie grenst aan NNN. De licht- en geluiduitstraling van het Ecodorp is gelet op de geplande functies beperkt zodat negatieve effecten niet worden verwacht. Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied Noordhollands Duinreservaat ligt op circa 1,8 kilometer van het plangebied. Hierdoor zijn effecten als licht- of geluidhinder uit te sluiten. Het natuurgebied is echter wel stikstofgevoelig. In bijlage 9 is het onderzoek naar stikstofdepositie opgenomen. In het onderzoek en dde in dat kader uitgevoerde aeriusberekeningen, wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid – Ecodorp’ niet leidt tot een depositietoename op verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000. De berekende depositie bedraagt zowel tijdens de realisatiefase als tijdens de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
Om juridisch-planologisch te borgen dat in geen geval sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, is in het bestemmingsplan een regeling opgenomen (algemene gebruiksregel) waarmee een depositiebijdrage wordt uitgesloten. Kap van bomen Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt voor het kappen van bomen een herplantplicht of indien herplant niet mogelijk is een verplichting tot compensatie. De bebouwing op het oostelijk deel moet aan het zicht onttrokken worden. Hier is enige ruimte om de kap van bomen op het westelijk deel te compenseren. Bovendien heeft de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) aangegeven dat indien het inrichtingsplan voor het westelijk deel wordt uitgevoerd zoals beschreven (zie ook bijlage 1 bij de planregels), de herplantplicht niet van toepassing is omdat de werkzaamheden gezien kunnen worden als onderhoud.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
52
4.7
Milieuhinder
Aanleiding en doel Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren indien aan de orde. Onderzoek Om een afweging te maken is het van belang te kijken welke objecten en functies zich in de nabijheid bevinden van het plangebied. Daartoe onderstaande weergave van de verbeelding van het vastgestelde bestemmingsplan Landelijk Gebied Zuid.
Figuur 4.6 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Landelijk Gebied Zuid Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
53
Ten noorden en ten noordoosten van het plangebied bevinden zich op meer dan 200 meter afstand een aantal (bedrijfs)woningen. Binnen Ecodorp Bergen worden ook een aantal woningen gebouwd. Vanuit Bedrijven en Milieuzonering geldt voor het ecodorp geen hindernormafstand voor woningen. Hoewel er kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, is de afstand tot woningen van derden zodanig dat hinder ter plaatse van die woningen niet aan de orde is. Verder worden er evenementen gehouden, deze evenementen leiden echter niet tot onaanvaardbare hinder ten opzichte van de te bouwen woningen, zie paragraaf 4.6. Woningen zijn niet milieuhinderlijk. Op circa 270 meter afstand richting het oosten bevindt zich nog een agrarisch bedrijf. De afstand van de locatie waar binnen het ecodorp woningen gebouwd worden tot dit agrarisch bedrijf is voldoende groot, er geldt geen belemmering voor het agrarisch bedrijf als gevolg van de komst van Ecodorp Bergen.
4.8
Geluid
Aanleiding en doel Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Op Europees niveau is het voornaamste doel op het gebied van geluidshinder dat niemand wordt blootgesteld aan geluidsniveaus die zijn of haar gezondheid en de kwaliteit van zijn of haar bestaan in gevaar brengen. Voor de bestrijding van geluidshinder kunnen verschillende soorten maatregelen worden getroffen: bestrijding van geluid aan de bron, bijvoorbeeld stillere auto's, stillere wegdekken, het verkeersluw maken van straten, het zachter zetten van de stereo, het dempen van de piano. Maatregelen tussen bron en ontvanger; bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm of -wal of een betere muurisolatie tussen woningen. Maatregelen aan de kant van de ontvanger; meestal gaat het dan om het aanbrengen van (extra) geluidsisolatie aan de woning en het rekening houden met geluidsnormeringseisen bij het ontwerpen van woningen.
Het doel van het akoestisch onderzoek bij ruimtelijke plannen is het voorkomen van geluidshinder bij geluidsgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) door het aanhouden van voldoende afstand ten opzichte van geluidsproducenten (industrie, railverkeer etc.) of het treffen van andere maatregelen. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van railen wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het eventuele akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
54
Onderzoek In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Uitzondering hierop zijn wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt en wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied. Ter plaatse bedraagt de snelheid van de Groeneweg 60 km/uur en is er sprake van een geluidszone als gevolg van wegverkeerslawaai. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor enkel- en tweestrookswegen 250 m. Deze zone, gerekend vanuit de as van de weg, moet aan weerszijden van de weg in acht worden genomen. Op onderstaande luchtfoto is weergave gedaan van deze geluidszone (250 meter) van de weg ten opzichte van het plangebied (zie gele lijn).
Figuur 4.7 Ligging Geluidszone
Figuur 4.8. Inrichting terrein Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
55
Een deel van het plangebied waar de woningen gebouwd gaan worden liggen net binnen deze geluidszone. De afstand van deze woningen tot aan de (doorgaande) weg bedraagt daarbij circa 240 meter. Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten of het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor woningen binnen een zone 48 dB als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel (Wet geluidhinder 2006). Bij het voorbereiden van een plan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op grond behorende bij een eerdergenoemde zone, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen. Indien de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te boven gaat, kunnen, mits gemotiveerd, burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen (artikel 83 van de Wet geluidhinder). Met behulp van de Standaard Rekenmethode 1 (SRM1) is bepaald wat de verwachte geluidsbelasting is voor deze woningen. Aangezien er geen concrete verkeersgegevens bekend zijn is een aanname gedaan. De weg lijkt vooral bestemd te zijn voor bestemmingsverkeer in het buitengebied en de daarbij behorende functies.
Aangezien de Groeneweg als een zeer rustige weg is te beschouwen, kennelijk slechts bedoeld voor bestemmingsverkeer, is uitgegaan van 500 motorvoertuigen per etmaal en een afstand van de voorgevel van de nieuwe woningen tot de as van de weg van 240 meter en een snelheid ter plaatse van 60 km/uur. Dit levert op basis van het rekenmodel het volgende beeld op.
Tabel 4.3. Geluidsberekening Vanuit de Wet geluidhinder is er geen sprake van een belemmering als de gevelbelasting op de gevel niet meer dan 48 dB bedraagt.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
56
Op basis van het akoestisch rekenmodel SRM1, en uitgegaan van een verkeersintensiteit van 500 motorvoertuigen/etmaal bedraagt de geluidsbelasting op de gevel na aftrek van de correctiefactor van 5 dB op basis van artikel 110 van de Wet geluidhinder circa 27 dB (Lden – 5 dB) en voldoet daarmee ruimschoots aan de Wet geluidhinder. Naar verwachting is de verkeersintensiteit van 500 motorvoertuigen in werkelijkheid nog lager, aangezien de Groeneweg vooral bedoeld lijkt te zijn voor bestemmingsverkeer. Geluid bij evenementen Door Ecodorp Bergen wordt voorzien in het houden van diverse evenementen. Het merendeel van deze evenementen heeft een zeer kleinschalig karakter. Deze evenementen zullen geen gebruik gaan maken van (harde) muziek. Bij grotere evenementen kan het zijn dat er gebruik wordt gemaakt van muziek, alleen zal dit niet zo zijn als bij bijvoorbeeld grote live-concerten in de openlucht. Er moet meer gedacht worden aan muziek waarbij lichte versterkers aanwezig zullen zijn. Gezien de omvang van de beoogde bezoekers bij evenementen (maximaal 350 bezoekers bij grotere evenementen) zal ook geen zware muziekinstallatie noodzakelijk zijn. De evenementen zijn daarmee ruimtelijk aanvaardbaar. In de regels van het bestemmingsplan staat ook genoemd welke categorie evenementen zijn toegestaan. Uitsluitend evenementen in de categorie 1 zijn toegestaan.
Ecodorp Bergen zal zelf toezien op het voorkomen van evenementen met een zware 'muziek-overlast' en geeft aan dat zij ervoor open staat om geluidsmetingen uit te laten voeren indien er evenementen zijn. Ook zijn evenementen waarbij versterkte muziek wordt toegepast niet toegestaan in het broedseizoen zoals die in de Wet natuurbescherming wordt genoemd. Hierdoor worden omliggende natuurgebieden ontzien. Ter vergelijking is nog gekeken naar bijvoorbeeld een 'vaste kermis'. Op basis van de VNG-Reeks 'Bedrijven en Milieuzonering' heeft een vaste kermis (die zich kenmerkt door veel en harde muziek) een normafstand van 300 meter voor het aspect geluid in het omgevingstype 'rustig buitengebied'. De afstand van het terrein waar binnen het plangebied van Ecodorp Bergen evenementen kunnen worden gehouden tot aan woningen van derden (in dit geval woningen buiten het plangebied) bedraagt reeds meer dan 300 meter en zou derhalve al niet tot geluidsoverlast moeten leiden. De evenementen die zullen plaatsvinden bij Ecodorp Bergen zijn niet te vergelijken met een activiteit als een 'vaste kermis', geluidsoverlast valt niet te verwachten.
4.9
Luchtkwaliteit
Aanleiding en doel Een gezonde buitenlucht is belangrijk voor de maatschappij. Tot op Europees niveau spant men zich daarom in om de luchtkwaliteit op orde te krijgen door middel van regels en normen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Een groot aantal bouwprojecten, zoals wegverbredingen en de aanleg van bedrijventerreinen en nieuwbouwwijken, lagen en liggen daarom soms nog steeds stil. Doordat in overschrijdingsgebieden soms ook gewenste of noodzakelijke plannen en projecten worden stilgelegd, ontstond een discussie om gewenste en soms noodzakelijke plannen toch doorgang te kunnen laten vinden. Dat heeft geresulteerd in nieuwe regels voor luchtkwaliteit. Het doel van het luchtkwaliteitonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht.
Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
57
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Onderzoek Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Projecten die 'niet in betekende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-nibm zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm. Met de inwerkingtreding van de NSL op 1 augustus 2009 geldt de volgende bovengrens om als NIBMproject te worden aangemerkt: de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg.
Het op te stellen bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een Ecodorp met een beperkt aantal woningen en een educatief centrum en is qua omvang en verkeersaantrekkende werking kleinschaliger dan de bouw van 1500 woningen aan één ontsluitingsweg. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.
4.10
Verkeer en parkeren
Algemeen Nieuwe functies betekenen meestal ook dat er sprake is of zal zijn van een toename van verkeersbewegingen, alsmede ontstaat er een parkeerbehoefte. Uitgangspunt is dat nieuwe functies geen onevenredige extra hinder veroorzaken voor reeds aanwezige functies in de omgeving. Onderzoek Bewoners gebruiken zoveel mogelijk collectieve vervoermiddelen. Door de samenvoeging van wonen en werken in de gemeenschap zal het aantal reisbewegingen van de bewoners drastisch verminderen, verwacht wordt dat er maximaal 15 auto's min of meer permanent aanwezig zullen zijn ten behoeve van de bewoners van het ecodorp. Door het stimuleren en faciliteren van o.a. vervoer per fiets, openbaar vervoer en andere collectieve vormen van vervoer, zal de (auto)verkeer aantrekkende werking van de activiteiten in het ecodorp drastisch worden beperkt. Daarbij is het ook zo dat vele voorzieningen (zoals scholen, winkels en station) binnen fietsafstand zijn gelegen. Ook bezoekers zal worden verzocht zoveel mogelijk met het openbaar vervoer en de fiets te komen om zo hun bijdrage te leveren aan de energiedoelstelling van ecodorp. Vanuit Ecodorp Bergen is voorzien in de aanleg van 50 parkeerplaatsen bij de entree. Deze zijn bestemd voor bewoners en bezoekers (ook voor de bezoekers van de camping). Geparkeerde voertuigen zijn aan het zicht onttrokken door de opgaande begroeiing.
Het terrein is voldoende groot om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Ook de aan- en afvoerwegen zullen als gevolg van deze verkeersstroom niet dichtslibben. Ook niet bij evenementen, immers ook het merendeel van de evenementen vindt plaats gedurende een hele dag, zodat bezoekers gespreid zullen komen. Ook bezoekers van evenementen wordt verzocht om te komen met het openbaar vervoer en de fiets.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
58
Voor 'normale' projecten kan de parkeerbehoefte in beeld worden gebracht aan de hand van planologische kengetallen die landelijk worden gebruikt overeenkomstig de kengetallen uit de CROWnormering. Een voorziening als Ecodorp Bergen is daar niet mee te vergelijken. Ter vergelijking, 25 vrijstaande woningen in het buitengebied van de gemeente Bergen leveren dan reeds een parkeerbehoefte op van gemiddeld genomen van 65 parkeerplaatsen. Uitgangspunt binnen Ecodorp Bergen is het zoveel als mogelijk vermijden van auto's vanuit de filosofie van het Ecodorp. Ook bij evenementen e.d. zal een ieder verzocht worden zoveel mogelijk met alternatieve vormen van vervoer te komen om de autodruk en parkeerdruk zo laag mogelijk te houden. Het voorstel hierin is ook dat het parkeren gemonitord zal worden gedurende de eerste periode dat het Ecodorp 'operationeel is'.
4.11
Mer-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 2000 woningen (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat o.a. uit de realisatie van maximaal 25 nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling' noodzakelijk is.
Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken en beschrijving van de verschillende milieuaspecten zoals in de paragrafen van voorliggend hoofdstuk zijn opgenomen. Voor voorgenomen plan is dan ook geen mer-procedure of merbeoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
59
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1. besluit ruimtelijke ordening en inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan 'Landelijk Gebied Zuid - Ecodorp Bergen' en de daarop betrekking hebbende stukken lagen vanaf 2 juli 2015 4 weken ter inzage voor inspraak. Tevens is het plan toegezonden aan de diverse overlegpartners. In bijlage 10 is een overzicht opgenomen van de ingekomen reacties en tot welke aanpassingen deze geleid hebben.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten waardoor het gemeentelijk kostenverhaal is gewaarborgd.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
60
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
61
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch kan worden vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, en door het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, zoals deze per 1 oktober 2012 in werking is getreden. De verbeelding dient in samenhang met de planregels te worden gelezen. In de Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro) met bijbehorend Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van gemeenten, provincies en het rijk. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (hierna Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP2012 zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (hierna IMRO2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (hierna STRI2012) normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. Conform Wro en Bro wordt een bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting in digitale geautoriseerde bronbestanden vastgelegd en in die vorm vastgesteld.
Daarnaast kent de Wro een papieren versie van (hetzelfde) bestemmingsplan. Indien de inhoud van digitale stukken tot een andere uitleg leidt dan de stukken op papier, dan is de digitale inhoud beslissend. Het bestemmingsplan is daarmee een digitaal juridisch authentiek document. De informatie die is vastgelegd in het plan moet in elektronische vorm volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Dit wordt de digitale verbeelding genoemd. De SVBP2012 geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. De standaard heeft geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Er worden geen normen gesteld omtrent de vormgeving en inrichting van de analoge weergave van het bestemmingsplan. De SVBP2012 heeft ook geen betrekking op de totstandkoming van de inhoud van een bestemmingsplan. Dit is de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag. In de SVBP2012 is wel aangegeven hoe de inhoud van een bestemmingsplan digitaal moet worden weergegeven. De SVBP2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. De verbeelding en planregels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.
6.2
Toelichting op de toelichting
De informatie die is vastgelegd in het plan moet in elektronische vorm volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Dit wordt de digitale verbeelding genoemd. De digitale verbeelding is de verbeelding van het bestemmingsplan in een interactieve raadpleegomgeving, waarin alle relevante bestemmingsplaninformatie wordt getoond: de combinatie van (plan)kaart en regels met de toelichting.
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
62
Een raadpleger van het bestemmingsplan moet alle relevante bestemmingsplaninformatie op eenvoudige wijze voor ogen kunnen krijgen. De relevante bestemmingsplaninformatie heeft betrekking op de bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen met bijbehorende regels in het bestemmingsplan. Voor zowel bestemmingen als aanduidingen geldt, dat deze zonder interactie zichtbaar moeten zijn in de digitale verbeelding. Uit interactie met de digitale verbeelding blijkt dan de inhoud van de bestemming en/of aanduiding.
6.3
Toelichting op de planregels
De inrichting van de planregels is deels voorgeschreven door de SVBP2012. Een aantal planregels is zelfs geheel voorgeschreven: het overgangsrecht, de anti-dubbeltelregel en de slotregel. De regels zijn standaard ingedeeld in vier hoofdstukken. Bij elke planregel (elk artikel) wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Toelichting Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie. Artikel 2 Wijze van meten Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 t/m 9 De bestemmingen De meeste bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: 1. een bestemmingsomschrijving; 2. bouwregels; 3. nadere eisen; 4. afwijking van de bouwregels; 5. specifieke gebruiksregels; 6. afwijking van de gebruiksregels; 7. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. wijzigingsbevoegdheid. De volgende bestemmingen/artikelen komen voor: Artikel 3 Agrarisch – Natuur Artikel 4 Bos Artikel 5 Groen Artikel 6 Maatschappelijk Artikel 7 Natuur Artikel 8 Verkeer Artikel 9 Wonen Artikel 10 Waarde – Archeologie 4
Rho adviseurs voor leefruimte
050304.20190396
63
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 10 Antidubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 11 Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot overschrijding van bouwgrenzen. Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een gebruiksregel opgenomen die regelt dat de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied niet mag toenemen. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn de afwijkingsregels opgenomen voor het bouwen. Artikel 14 Algemene wijzigingsregels Dit artikel betreft alle wijzigingsbevoegdheden opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. Artikel 15 Overige regels Indien verwezen wordt naar andere (wettelijke) regelingen dan is in dit artikel bepaald dat deze dienen te worden gelezen als op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 16 Overgangsrecht In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan; Artikel 17 Slotregel Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.