Bijlage 3 Statuten ISOB 2020_.pdf
Tekst van het document
Stoktstraat 2 5961 TN Horst
info@novitas.nl www.novitas.nl
Tel. 077 - 3971515
KvK nummer 75429063 IBAN NL60 RABO 0147 2076 30
AFSCHRIFT
23535.01 / AB
STATUTENWIJZIGING INTERGEMEENTELIJKE STICHTING OPENBAAR BASISONDERWIJS ___ Op eenendertig december tweeduizend twintig komt bij mij, mr. Annemarie Jacqueline ____________________________ Pauline Beijers-Willems, notaris in Horst aan de Maas: _________________ mevrouw Catharina Hermina Maria Droesen, geboren op zes maart _ negentienhonderdtweeënzestig te Horst, werkzaam bij Novitas Notariaat en woonplaats kiezend op het adres Stoktstraat 2 in Horst, handelend als schriftelijk gevolmachtigde van __ de stichting: Intergemeentelijke Stichting Openbaar Basisonderwijs. Deze heeft als zetel Castricum. Het adres is Sokkerwei 2, 1901 KZ Castricum. Het inschrijfnummer bij de __________________________________________ Kamer van Koophandel is 37083568 ___________________ Van de volmacht blijkt uit notulen die aan deze akte zijn gehecht. ___________________ De voormelde stichting wordt hierna ook genoemd: de stichting. ____________________________ De aanwezige persoon verklaart vooraf het volgende. ______________________________________________________________ INLEIDING ___________________ 1. De stichting werd opgericht bij akte verleden op twee februari ____ negentienhonderdnegenennegentig voor mr. R.A. Westen, notaris te Beverwijk. ______ 2. De statuten werden voor het laatst gewijzigd bij akte verleden op eenendertig __ december tweeduizend twaalf voor mr. A.J.P.
Beijers-Willems, notaris te Horst aan ____________________________________________________________ de Maas. _ 3. In de vergadering van het college van bestuur van de stichting, heeft het bestuur op __ drieëntwintig juni tweeduizend twintig besloten tot wijziging van de statuten. Bij het besluit werd aan de aanwezige persoon volmacht gegeven voor de uitvoering van het _________________________________________________ besluit zorg te dragen. ___ Deze statutenwijziging vindt plaats omdat het gemeenschappelijk orgaan (ISOB________________________________________________ raad) wordt opgeheven. _______ Volgens de nog geldende statuten was voor het besluit tot statutenwijziging ______ goedkeuring vereist van de raad van toezicht. De goedkeuring is verleend op drieëntwintig juni tweeduizend twintig, waarvan blijkt uit een aan deze akte te hechten ______________________________________________________________ bijlage. 4. De statutenwijziging is ook onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraden __ van de gemeenten waar ISOB-scholen zijn gevestigd. Dit zijn de hierna te noemen __________________________________________________________ gemeenten. _____ De gemeenteraden hebben hun goedkeuring verleend op de hierna te noemen _____________________________________________________________ datums: _____ de gemeenteraad van Alkaar op twaalf december tweeduizend negentien.
_________ de gemeenteraad van Uitgeest op dertig januari tweeduizend twintig. __________ de gemeenteraad van Bergen op dertig januari tweeduizend twintig. ___________ de gemeenteraad van Heiloo op drie februari tweeduizend twintig. de gemeenteraad van Castricum op tweeëntwintig oktober tweeduizend twintig. _______________________ De stukken waaruit dit blijkt zijn aan deze akte gehecht. ____ 5. Het besluit tot statutenwijziging werd overeenkomstig de statutaire voorschriften _______ (artikel 14) genomen. De notulen van dit besluit zijn aan deze akte gehecht. ____________________________________________________ STATUTENWIJZIGING _____ Ter uitvoering van het besluit worden de statuten geheel gewijzigd en luiden zij met
2
________________________ ingang van één januari tweeduizend eenentwintig als volgt: __________________________________________________________________ NAAM ________________________________________________________________ Artikel 1 De stichting draagt de naam: Intergemeentelijke Stichting Openbaar Basisonderwijs, ___________________________________________________________ afgekort ISOB. ______________________________________________________ BEGRIPSBEPALING ________________________________________________________________ Artikel 2 ________________________________________ In deze statuten wordt verstaan onder: ________ a. gemeente: de gemeenten Castricum, Bergen, Heiloo, Alkmaar en Uitgeest; __ b. gemeenteraden: de gemeenteraden van gemeenten waar ISOB-scholen gevestigd ________________________________________________________________ zijn; c. scholen: de openbare scholen voor openbaar primair onderwijs die onder het bestuur _____________________________________________ van de stichting ressorteren; ________________ d. stichting: Intergemeentelijke Stichting Openbaar Basisonderwijs; _____________________________________ e. WPO: de Wet op het primair onderwijs _______________________ f. GMR: de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad; ______________________ g. college van bestuur: het bevoegd gezag van de stichting; ______________________ h.
raad van toezicht: intern toezichthouder van de stichting. ____________________________________________________ ZETEL EN TIJDSDUUR ________________________________________________________________ Artikel 3 __________________________ 1 De stichting is gevestigd in de gemeente Castricum. _______ 2 De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd. De stichting dient conform het _____ bepaalde in artikel 48 lid 12 van de WPO minimaal voor vijf jaar in het leven te _____________________________________________________ worden geroepen. __________________________________________________________________ DOEL ________________________________________________________________ Artikel 4 _ 1 Het doel van de stichting is het in stand houden van openbare scholen voor primair __ onderwijs als bedoeld in artikel 48 van de WPO. Om haar doel te bereiken kan de ___________ stichting gebruik maken van alle middelen die daaraan dienstbaar zijn.
______ 2 Het openbaar onderwijs dat wordt verzorgd door de door de stichting in stand ___ gehouden openbare scholen draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met ____ aandacht voor de kernwaarden van het openbaar onderwijs, zijnde: ieder kind is welkom, iedereen is benoembaar, aandacht voor normen en waarden die leven in de ___________ Nederlandse samenleving, met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid hiervan, democratische waarden en normen binnen de samenleving _________ met aandacht voor burgerschap, aandacht voor levensbeschouwelijke en godsdienstige waarden en respectvolle omgang ten aanzien van de verscheidenheid ________________________________________________ binnen de samenleving. _____ 3 Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van ________________________________________ godsdienst of levensbeschouwing. _____ 4 Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of ___________________________________________________ levensbeschouwing. ___ 5 De stichting heeft tevens aandacht voor overig algemeen toegankelijk onderwijs. ____________________________________________________________ VERMOGEN ________________________________________________________________ Artikel 5 Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd
3
___________________________________________________________________ door: ______________________________________________________ a. rijksbekostiging; ____________________ b. vergoedingen voor de door de stichting verleende diensten; ____________________________________________ c. subsidies, giften en donaties; _____ d. hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat ___________ erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van ____________________________________________________ boedelbeschrijving; __________________________________ e. hetgeen op andere wijze verkregen wordt. _____ COLLEGE VAN BESTUUR; SAMENSTELLING, BENOEMING, SCHORSING EN ______________________________________ ONTSLAG, BELET EN ONTSTENTENIS ________________________________________________________________ Artikel 6 1 De stichting wordt bestuurd door een college van bestuur, bestaande uit een door de _____ raad van toezicht te bepalen aantal van ten hoogste twee natuurlijke personen. __ 2 De leden van het college van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht conform het bepaalde in artikel 17c lid 3 van de WPO. De raad van toezicht benoemt _ de voorzitter van het college van bestuur.
Indien het college van bestuur slechts uit ___________________ een persoon bestaat, is deze persoon automatisch voorzitter 3 Het college van bestuur kan onderling vaststellen welk lid met welke taak meer in het _________ bijzonder zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke ____ verantwoordelijkheid van alle leden van het college van bestuur voor het gehele ______________________________________________________ bestuur onverlet. _____ 4 Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt, onverminderd het in de _ volgende leden bepaalde, gelet op diverse facetten die de aandacht van het college ___________ van bestuur vragen waarbij het college van bestuur in ieder geval wordt _____ samengesteld op basis van algemene bestuurlijke kwaliteiten, affiniteit met de ________ doelstelling van de stichting en met een spreiding van deskundigheden en _____ achtergronden. De aandachtspunten met betrekking tot de van een lid van het _ college van bestuur gevraagde deskundigheid en achtergrond worden in algemene _ zin vastgesteld door de raad van toezicht in een profielschets. De raad van toezicht _ kan - indien overgegaan moet worden tot de vervulling van een vacature - besluiten ____ tot een aanvulling dan wel een nadere detaillering van de vereiste kwaliteiten en _____________ eigenschappen voor de betreffende zetel in het college van bestuur.
5 Een lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad _______________ van toezicht met inachtneming van het bepaalde in de collectieve arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO-PO). De schorsing van een lid ____ van het college van bestuur vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie ________ maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of ___ handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden ___ worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de _ schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in __ een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan _______ aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een ___________________________________________________________ raadsman. _ 6 De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ____ ontslaan. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de raad van toezicht te verantwoorden. Daarbij kan hij
4
____________________________________ zich doen bijstaan door een raadsman. _ 7 Leden van het college van bestuur worden benoemd voor een periode gelijk aan de __ duur van hun arbeidsovereenkomst binnen de kaders van de vigerende collectieve ____________________ arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO-PO). ______________________________ 8 Een lid van het college van bestuur defungeert: ________________________________________________ a. door zijn overlijden; _________________________________ b. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); ___________________________________ c. door zijn ontslag door de rechtbank; ___________________ d. door zijn ontslag verleend door de raad van toezicht, en ______________ e. door het verstrijken van de duur van zijn arbeidsovereenkomst. _____ 9 In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallig college van _ bestuur behoudt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van het _ college van bestuur wordt het college van bestuur waargenomen door één persoon ___ die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen.
Gaat de raad van ____ toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het __________ college van bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de ___ voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting ___ statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt _________________________________________________________ aangewezen. _____ 10 De raad van toezicht is belast met het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden, _____ bezoldiging en kostenvergoedingen van de leden van het college van bestuur. ________________________ COLLEGE VAN BESTUUR; TAAK EN BEVOEGDHEDEN ________________________________________________________________ Artikel 7 _ 1 Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling _ van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang ___________________________________________________ van de samenleving. 2 Het college van bestuur heeft al die taken en bevoegdheden die niet bij of krachtens _________________________________ deze statuten aan anderen zijn toegekend. ____ 3 Het college van bestuur maakt jaarlijks, in overleg met de raad van toezicht, een _______ begroting op.
Na goedkeuring door de raad van toezicht wordt de begroting ___ vastgesteld door het college van bestuur. Een afschrift van de begroting wordt ter _____________________________ informatie toegezonden aan de gemeenteraden. _ 4 Het college van bestuur formuleert concrete doelstellingen van de scholen die door _ de stichting in stand worden gehouden, daarbij rekening houdend met de belangen _ van hen die bij die scholen zijn betrokken en rekening houdend met de eisen die de ____ samenleving aan onderwijs stelt. Het college van bestuur legt in het jaarverslag ____ verantwoording af over de mate waarin de vastgestelde missie en doelstellingen ______________________________________________________ worden gehaald. ___ 5 Het college van bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen, ____________ daaronder met name ook begrepen het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en _ tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk __ schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling _______ voor een schuld van een ander verbindt. De in dit lid bedoelde besluiten zijn ____________________ onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht.
5
___ Voorts heeft het college van bestuur voorafgaande goedkeuring van de raad van _________________ toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: __ a. het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten ___ welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer _ bedraagt dan een door de raad van toezicht vastgesteld en aan het college van _________________________________________ bestuur meegedeeld bedrag; b. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers _______________________________ tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek; ____ c. ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk ____________________________ aantal werknemers in dienst van de stichting; _______________ d. een aanvraag tot faillissement of van surséance van betaling; _ e. (het doen van een voorstel tot) opheffing of afsplitsing van (een deel van) door ________________________________ de stichting in stand gehouden scholen; ______ f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere _______ rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende ______________ betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen; _______________ g. het vaststellen of wijzigen van het strategisch meerjarenplan.
____ 7 Tegen de achtergrond van in het college van bestuur benodigde deskundigheid ____ draagt ieder lid van het college van bestuur zorg voor voortdurende persoonlijke __ ontwikkeling. Het functioneren van het college van bestuur wordt periodiek door de ____________________________________________ raad van toezicht beoordeeld. 8 Het bestuur vormt tevens het bestuur van de stichting: Stichting Freinetschool Heiloo, _____________________________________________ statutair gevestigd te Heiloo. _____________________________________ COLLEGE VAN BESTUUR; WERKWIJZE ________________________________________________________________ Artikel 8 __ 1 In de vergaderingen van het college van bestuur heeft ieder lid van het college van _ bestuur één stem. Alle besluiten van het college van bestuur worden genomen met ________________________ volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 2 In het geval de stemmen staken brengt het college van bestuur de raad van toezicht ____ hiervan onverwijld schriftelijk op de hoogte. Binnen drie weken na ontvangst van deze schriftelijke mededeling overlegt de voorzitter van de raad van toezicht met het _ college van bestuur over het voorgenomen besluit. Na dit overleg neemt het college ___ van bestuur alsnog een besluit. Indien dan alsnog de stemmen staken, beslist de _________________________________________________ stem van de voorzitter.
__ 3 Het college van bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden van het college van bestuur in de gelegenheid worden gesteld _ hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming ___ verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het _ aantal leden van het college van bestuur zich vóór het voorstel heeft verklaard. Van __________ elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de ____ eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering _______________________________________________________ wordt vermeld. 4 Elk lid van het college van bestuur, alsmede de gehele raad van toezicht, is bevoegd __________________ een vergadering van het college van bestuur bijeen te roepen. _ 5 De vergaderingen van het college van bestuur zijn openbaar voor zover het college _ van bestuur niet - gemotiveerd per agendapunt - beslist dat openbaarheid tegen het 6
6
_ belang van de stichting is of een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen ____________________________________________________________ oplevert. _____ 6 Van het verhandelde in de vergaderingen van het college van bestuur worden ____ notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De _ notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door _______________________________ de voorzitter van de vergadering ondertekend. __ 7 Het college van bestuur regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de _ wijze van vergaderen en de wijze van besluitvorming. Het reglement dient vooraf te _____________________________ worden goedgekeurd door de raad van toezicht. _________________________________________________ VERTEGENWOORDIGING ________________________________________________________________ Artikel 9 __ 1 Het college van bestuur alsmede ieder lid van het college van bestuur afzonderlijk ______ vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de WPO niet anders voortvloeit. 2 Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van volmacht aan derden, om ___________ de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
______________________________________________ TOEZICHT OP HET BESTUUR _______________________________________________________________ Artikel 10 1 De gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van _ bestuur of functioneren in strijd met de WPO bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden overeenkomstig het bepaalde in ____________________________________________ artikel 48 lid 11 van de WPO. _ 2 De raad van toezicht houdt toezicht op het college van bestuur. Dit geschiedt op de __________ wijze en binnen de kaders als omschreven in deze statuten en de WPO. _ 3 De raad van toezicht is in ieder geval belast met de taken als omschreven in artikel _____________________________________________________ 17c van de WPO. ____________________________________________________ RAAD VAN TOEZICHT _______________________________________________________________ Artikel 11 _ 1 Het toezicht op het beleid van het college van bestuur en op de algemene gang van _ zaken in de stichting is opgedragen aan de raad van toezicht. De raad van toezicht bestaat uit vijf of zeven natuurlijke personen. De raad van toezicht bepaalt uit hoeveel _______________________________________ leden de raad van toezicht bestaat. _____ 2 De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraden.
__________ Benoeming geschiedt met inachtneming van een profielschets waarin de _ noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van __________________________________ de raad van toezicht worden beschreven. ___________________ De profielschets wordt voor advies voorgelegd aan de GMR. _______ 3 De GMR wordt door de raad van toezicht uitgenodigd om voor een zetel een ____________________________________________ bindende voordracht te doen. 4 De raad van toezicht doet aan de gemeenteraden een voordracht voor de benoeming ____________________________________ van de leden van de raad van toezicht. 5 De oudergeleding van de GMR wordt door de raad van toezicht uitgenodigd om voor _ twee zetels in de raad van toezicht – in het geval de raad van toezicht uit vijf of zes __ leden bestaat – een bindende voordracht te doen. Bestaat de raad van toezicht uit _ zeven leden dan doet de oudergeleding van de GMR een bindende voordracht voor ____ drie leden. De in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel genoemde voordrachten
7
________________ worden voorbereid door een benoemingsadviescommissie. In de _____ benoemingsadviescommissie hebben in elk geval twee leden van de raad van toezicht en twee leden van de oudergeleding van de GMR, zitting. De werkwijze van ___ deze benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te _______________________________________ stellen reglement nader uitgewerkt. ___ De voordracht wordt opgemaakt met inachtneming van het profiel bedoeld in het ____ tweede lid van dit artikel. Een op voordracht van de oudergeleding van de GMR benoemd lid van de raad van toezicht vervult zijn taak zonder last of ruggespraak en _ onafhankelijk van bij de stichting dan wel haar instellingen betrokken deelbelangen. _ 6 De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. __ Aftreden geschiedt volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van __ aftreden. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk _ herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk. De in een tussentijdse vacature benoemde neemt op het rooster de plaats in van degene in wiens vacature _____________________________________________________ hij werd benoemd. ___________________ 7 De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
8 Eventuele bezoldiging van leden van de raad van toezicht en onkostenvergoedingen _ aan leden van het college van bestuur en de raad van toezicht geschieden op basis _ van een door de raad van toezicht vastgesteld - en op hoofdlijnen in het jaarverslag _______ openbaar gemaakt - reglement. Jaarlijks wordt door het college van bestuur _ uitdrukkelijk in de jaarrekening vermeld welke bedragen op grond van deze regeling _______________________________________________________ zijn uitgegeven. _ 9 Het college van bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening __ van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid __ van de raad alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van de stichting die deze mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen _ nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting; het/de door de raad van toezicht aangewezen lid/leden van de raad ______ heeft te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten en ____________________________________________________________ terreinen. __ 10 De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van ________________________ zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen.
________________________________ 11 Een lid van de raad van toezicht defungeert: ________________________________________________ a. door zijn overlijden; _________________________________ b. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); ________ c. door het verstrijken van de termijn vermeld in het rooster van aftreden; _______________________ d. door zijn ontslag verleend door de gemeenteraden; ____________________________ e door zijn ontslag verleend door de rechtbank; _______________________________ f. door veroordeling voor een strafbaar feit; __ g. door zijn ontslag hem verleend door de raad van toezicht bij besluit genomen met algemene stemmen van in functie zijnde leden van de raad van toezicht met ________________ uitzondering van het betrokken lid van de raad van toezicht. 12 In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallige raad van toezicht ___ houdt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van _ toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van _____ de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door de
8
____ gemeenteraden is of wordt aangewezen. De gemeenteraden dienen zo spoedig __ mogelijk nadat deze situatie is ontstaan hiervan schriftelijk op de hoogte te worden _ gesteld. De wijze waarop de gemeenteraden op de hoogte worden gesteld dient bij _________________________________________ reglement te worden vastgesteld. __ Gaan de gemeenteraden niet binnen twee weken nadat de gemeenteraden van de ____ gemelde situatie op de hoogte zijn gesteld tot een zodanige aanwijzing over dan _____ wordt de raad van toezicht waargenomen door de persoon die daartoe door de ___ voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting ___ statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt _________________________________________________________ aangewezen. _ 13 Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden _______________________________________ en het belang van de samenleving. __ 14 Conform de code voor goed bestuur als bedoeld in artikel 171 WPO heeft de raad _________________ van toezicht een klankbordfunctie naar het college van bestuur.
_________________________________________ RAAD VAN TOEZICHT WERKWIJZE _______________________________________________________________ Artikel 12 1 In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten ____ worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij _____________________________ staking van stemmen is het voorstel verworpen. ____ 2 De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan _____ genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het ________ voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt ______ mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de _________________________________ notulen van die vergadering wordt vermeld. 3 Elk lid van de raad van toezicht is bevoegd een vergadering van de raad van toezicht ______________________________________________________ bijeen te roepen. ________ 4 De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt _____ schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te _______ behandelen onderwerpen.
In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de _ voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig _ uur. De vergaderingen worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, bij voorkeur in de gemeenten waar de scholen staan, te bepalen door degene die de vergadering _____ bijeenriep, dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het _______ hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige ____ besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden vóór het tijdstip van de ______ vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 5 Een lid van de raad van toezicht kan zich door een ander lid van de raad van toezicht ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen. Eén lid van de raad van toezicht ___________________ kan slechts één medelid ter vergadering vertegenwoordigen. ___ 6 De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht; bij zijn afwezigheid _________________________________ voorziet de vergadering zelf in haar leiding. __ 7 De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden ______ gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen,
9
___________________________ stemmingen over personen schriftelijk geschieden. 8 Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming krachtens artikel 12 lid 7 is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van _ een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd ____________________________________________________________ voorstel. _ 9 Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen ____ gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen _____ worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door de _________________________________ voorzitter van de vergadering ondertekend. ____ 10 De raad van toezicht regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de _________________________ wijze van vergaderen en de wijze van besluitvorming. ______________________________________________ BOEKJAAR, JAARSTUKKEN _______________________________________________________________ Artikel 13 ____________________________ 1 Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar.
________ 2 Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, _ behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden door de raad ______ van toezicht op grond van bijzondere omstandigheden, maakt het college van _______________ bestuur een jaarrekening en een jaarverslag op over dat boekjaar. a. Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met ________ bepaalde in artikel 7.4 (doelstellingen) en legt het college van bestuur verantwoording af over het bepaalde in artikel 4.2 en 4.3 (specifieke kenmerken openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs). Na de goedkeuring door de raad van toezicht wordt het jaarverslag vastgesteld door het college van bestuur. Het _____ jaarverslag wordt ter informatie aan de gemeenteraden toegezonden. Het __________________________________ jaarverslag wordt openbaar gemaakt. b. Bij het opmaken van de jaarrekening houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 6.10 en 11.8 (bezoldiging en onkostenvergoeding college __ van bestuur en leden raad van toezicht). Na de goedkeuring door de raad van ______ toezicht wordt de jaarrekening vastgesteld door het college van bestuur.
______ Het college van bestuur zendt binnen twee weken na vaststelling van de _________________ jaarrekening een afschrift daarvan aan de gemeenteraden ___ 3 De jaarrekening wordt ondertekend door ieder lid van het college van bestuur en ieder lid van de raad van toezicht. Indien de ondertekening van één of meer van hen __ ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt krachtens art. _____________________________________ 2:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. __ 4 De raad van toezicht draagt jaarlijks het college van bestuur op de jaarrekening te ___ doen onderzoeken door een door de raad van toezicht aangewezen certificerend __________________________________________________________ accountant. ____________________________________________________ STATUTENWIJZIGING _______________________________________________________________ Artikel 14 _________ 1 Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van _ toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de goedkeuring ________________________________________________ van de gemeenteraden. __ 2 Het besluit van het college van bestuur tot statutenwijziging wordt genomen in een
10
voltallige vergadering van het college van bestuur. Is de vergadering van het college _ van bestuur waarin een besluit tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan zal een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee ____ en niet later dan vier weken na de bedoelde vergadering, waarin het besluit kan __________________________ worden genomen, ongeacht het aantal aanwezigen. ____ 3 Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks steeds te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van ___ het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten ___________________________________________________ minste twee weken. ____ 4 Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is ______ opgemaakt. Elk lid van het college van bestuur is bevoegd deze akte te doen ____________________________________________________________ verlijden.
__ 5 De leden van het college van bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de ____ wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te _________ leggen op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden ______________________________________________________ handelsregister. ___________________________________________ ONTBINDING EN VEREFFENING _______________________________________________________________ Artikel 15 _______ 1 Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot _____ ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de ______ gemeenteraden. Het bepaalde in artikel 14 lid 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing op een besluit van het college van bestuur tot ontbinding van de stichting. ____ 2 Voorts zijn de gemeenteraden, in geval van ernstige taakverwaarlozing door het _ college van bestuur of functioneren in strijd met de WPO als bedoeld in artikel 48 lid ___________________ 11 van de WPO, bevoegd zo nodig de stichting te ontbinden. _______ 3 Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de _____________________________________________________ vereffening belast.
_ 4 De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in ____________ het op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden ______________________________________________________ handelsregister. _____ 5 De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast na ____________________________________ verrekening van de overheidsbijdragen. 6 Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van _ haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze ____ statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar __ uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden "in ___________________________________________________________ liquidatie". ___________ 7 Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige __ gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door de wet bepaalde ___ termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het in lid 5 van het ______________________________________ voorgaande artikel vermelde register.
11
______________________________ JURIDISCHE FUSIE EN JURIDISCHE SPLITSING _______________________________________________________________ Artikel 16 ____ 1 Het college van bestuur is bevoegd te besluiten tot juridische fusie en juridische splitsing van de stichting. Een dergelijk besluit is onderworpen aan de voorafgaande ___________________ goedkeuring van de raad van toezicht en de gemeenteraden. 2 Het bepaalde in artikel 14 lid 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing op besluiten ____________________________ van het college van bestuur tot fusie en splitsing. _______________________________________ OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN _______________________________________________________________ Artikel 17 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 11 van deze statuten zijn de huidige leden van ________________ de raad van toezicht benoemd op voordracht van de ISOB-raad. ___ 2 De raad van toezicht maakt het aftreden zichtbaar in het rooster zoals bedoeld in _______________________________________ artikel 11, zesde lid van de statuten. 3 In alle gevallen waarin de bepalingen van deze statuten in strijd blijken te zijn met de _________________________________________________ wet, prevaleert de wet. 4 In alle gevallen de stichting betreffende waarin deze statuten niet voorzien, beslist het ___________________________________________________ college van bestuur.
_____________________________________________________ EINDE VAN DE AKTE _______________________________________ Als notaris verklaar ik nog het volgende. Wij ondertekenen deze akte in de gemeente Horst aan de Maas. Dit doen wij op de datum __________________________________________ die in het begin van deze akte staat. ________________________ Ik heb de identiteit van de aanwezige persoon vastgesteld. ____ De aanwezige persoon heeft op tijd voor het ondertekenen een ontwerp van de akte ______________________________________________________________ ontvangen. __ Ik heb de inhoud van deze akte aan haar verteld. Ook gaf ik een toelichting. Zij kent de _______________________________ gevolgen die voor haar uit deze akte voortvloeien. De aanwezige persoon vindt het goed dat ik de akte niet volledig voorlees. Daarom heb ik _____________________________________________ de akte gedeeltelijk voorgelezen. _____ Meteen na de gedeeltelijke voorlezing hebben de aanwezige persoon en ik de akte ____________________________________________________________ ondertekend. Volgt ondertekening. UITGEGEVEN VOOR AFSCHRIFT
Dit afschrift is geen afschrift als bedoeld in artikel 49 van de Wet op het notarisambt.