Bijlage 1.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1.
Ha Jan,
Bedankt voor je email en je grote betrokkenheid bij dit dossier. De onderstaande reactie heb ik opgesteld op basis van de informatie aangeleverd vanuit de organisatie, daar moet ik als bestuurder op kunnen vertrouwen en dat doe ik ook. Ik heb eerder aangegeven dat we hier een open rechtsvraag te pakken hebben waar – zoals ook te lezen in het stuk door jou doorgestuurd – verschillend over wordt gedacht. Ik ga niet op voorhand stellen dat je absoluut ongelijk hebt, want de rechtspraak moet zich hier nog over uitlaten, maar het hiervoor beschreven vertrouwen in onze organisatie, de geraadpleegde juristen en de VNG maakt dat ik voldoende vertrouwen heb om dit voorstel – waarvan de uitwerking volgens mij in het gehele raad wordt omarmd – ter vaststelling doe voorleggen.
De doelgroepen verordening Het Besluit ruimtelijke ordening stelt gemeenten (via artikel 3.1.2, eerste lid) instaat ten behoeve van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan regels op te nemen met betrekking tot sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur of sociale koopwoningen. Voor het opstellen van die regels in een bestemmingsplan is het noodzakelijk (zo valt af te leiden uit de begripsomschrijving in artikel 1.1.1, eerste lid onder d, e en j) dat een verordening wordt opgesteld waarin een doelgroep (of meerdere doelgroepen) worden aangewezen en waarin een tijdvak wordt vastgesteld voor hoelang ingebruikname van de woningen voor de beschreven doelgroep verzekerd moet zijn. Over de, engheid van de, invulling van die doelgroep worden verder door het Besluit ruimtelijke ordening geen regels gesteld waarmee die vrijheid bij de gemeente is gelaten.
De regelgevende bevoegdheid van de gemeenten In algemene zin wordt de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ingekaderd tussen de juridische boven- en ondergrens. De bovengrens wordt gevormd door hogere regelgeving zoals internationale verdragen, de grondwet, wetten in formele zin, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en provinciale regelgeving. De bovengrens geldt zolang en voor zover de motieven van de twee soorten regelgeving gelijk zijn. Wanneer dit het geval is de lagere regelgeving onverbindend. Zie in dit geval een, redelijk bekende, uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7934 – de ‘Bierfiets uitspraak’). In die rechtsgang stond de vraag centraal of de regels die de gemeente Amsterdam had gesteld over het fietsen met een bierfiets niet onverbindend waren nu zij iets regelde wat ook de Wegenverkeerswet regelt. De rechtbank kwam tot het oordeel dat nu Amsterdam de regels had gesteld vanuit het motief ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en niet vanuit verkeersmotieven zoals die ten grondslag liggen aan de Wvw de van strijdigheid geen sprake is. (Zie r.o. 2.1. tot 2.11).
Toepassing
Aan de doelgroepen verordening van de gemeente Bergen ligt een ander motief ten grondslag dan de Huisvestingswet 2014. Als motivatie geldt (onder meer) een zorgvuldig ruimte gebruik en het tegen gaan van, uit het oogpunt van leefbaarheid onaanvaardbare, leegstand. Dat motief stamt vanuit de gedachte dat wanneer, zoals in de MvT bij de Grondexploitatiewet is gesteld, deze voornoemde woningbouw categorieën onvoldoende van de grond komen als het aan de markt wordt overgelaten en daarvanuit gemeentelijke sturing noodzakelijk is om te voorkomen dat wordt gebouwd aan die woningen waarvoor geen behoefte is en die niet bijdragen aan het oplossen van de woningschaarste in de gemeente die leidt tot de daling in het voorzieningen niveau. Dit motief sluit teven aan bij het amendement Lenards c.s. (Kamerstukken II 2005/06, 30218, 19) die ter grondslag ligt aan het opstellen van artikel 3.1.2, eerste lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Dat gemeentelijke regelgeving vanuit dit soort ruimtelijke motieven regels kan scheppen ook als over dit onderwerp ook regels zijn gesteld in de Huisvestingswet 2014 wordt bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:967).
Nu sprake is van een ander motief als basis voor de te stellen regels is geen sprake van doorkruising van de juridische bovengrens en daarmee staat de Huisvestingswet 2014 niet in de weg aan vaststelling van de doelgroepen verordening.
Hieronder wordt nog kort per (relevant) artikel aangegeven wat de wettelijke basis voor het artikel is in combinatie met een antwoord op een eventuele strijdigheidsvraag.
- Artikel 2 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder d van het Besluit ruimtelijke ordening.
- Artikel 3 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder j van het Besluit ruimtelijke ordening.
- Artikel 4 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder e van het Besluit ruimtelijke ordening, geen strijdigheid met de Huisvestingswet 2014 omdat sprake is van een ander motief (zie tevens hieronder meer uitgebreid bij artikel 6).
- Artikel 5 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder d, e en j van het Besluit ruimtelijke ordening.
- Artikel 6 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder e van het Besluit ruimtelijke ordening, geen strijdigheid met de Huisvestingswet 2014 omdat sprake is van een ander motief. Hoewel de koptekst van dit artikel mogelijk verwarrend functioneert wordt slechts aangegeven – in lijn tekst van het voornoemde artikel in het Bro regels gesteld over voor welke doelgroep de instandhouding voor de ingebruikname moet worden verzekerd. Om te ruimte te creëren voor de verkoper is de mogelijkheid opgenomen dat wanneer de eerste omschreven doelgroep zich niet meld (de starters
die tevens huurder zijn) dan aan een volgende doelgroep mag worden aangeboden. Er wordt dus géén onderscheidt gemaakt in personen, slechts in doelgroepen waardoor geen regels worden gesteld uit huisvestingsmotieven maar uit ruimtelijke motieven.
- Artikel 7 Artikel 1.1.1, eerste lid, onder d, e en j van het Besluit ruimtelijke ordening.
- Artikel 8 Volgt uit artikel 1.1.1, eerste lid, onder d en artikel 3.1.2, eerste lid van het Besluit ruimtelijke ordening wordt opgenomen in het bestemmingsplan middels ene dynamische verwijzing.
Hoewel gelet op de bovenstaande uiteenzetting niet relevant wordt in de kantlijn nog het volgende opgemerkt: Er zijn betogen gepasseerd dat door de inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 de voornoemde bepalingen uit het Besluit ruimtelijke ordening in zijn geheel ofwel slechts voor waar zij raken aan de sociale koop onverbindend zouden zijn. Hier voor is uiteengezet dat beiden vormen van regelgeving een ander motief als grondslag hebben en daarom naast elkaar kunnen bestaan. Voor zover wordt betoogd dat de wetgever (en in die stelling besloten ook meerdere ministeries, twee kamers van volksvertegenwoordigers en de adviserende tak van de Raad van State) bij de nieuwe Huisvestingswet zouden zijn ‘vergeten’ de voornoemde artikel in het Besluit ruimtelijke ordening te schrappen wordt verwezen naar de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in 2017 (Staatsblad 2017, 172). De wetgever heeft in die wijzing de voornoemde artikelen uitgebreid met de geliberaliseerde huur en hierover advies gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Deze wijzing van het Besluit ruimtelijke ordening dateert van ná de Huisvestingswet 2014 en de artikelen zijn desalniettemin her bekrachtigd en zelf uitgebreid.
Met vriendelijke groet,
Klaas Valkering Wethouder