bij Regels Hoeverwg8a EadH.pdf
Tekst van het document
• • • •
a. de groote van het bouwperceel ten minste 2.000 m² bedraagt; b. de paardenbak uitsluitend is toegestaan achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw; c. de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 800 m² bedraagt; d. ten hoogste 25% van het bouwperceel mag worden ingericht als paardenbak; e. de paardenbak zich op een afstand van ten minste 25 m van woningen van derden bevindt en ten minste 5 m van de perceelsgrenzen;
•
f. in afwijking van het onder e bepaalde mag de afstand tot woningen van derden ten minste 15 m bedragen indien tussen de paardenbakken en de aangrenzende percelen gebiedseigen gesloten beplan�ng wordt gerealiseerd;
• •
g. er mag geen sprake zijn van buitenverlich�ng van de paardenbak; h. de hoogte van de omheining van de paardenbak bedraagt ten hoogste 1,5 m.
5.3.2 Vergroten en/of te veranderen van een stolp Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 onder c teneinde de bestaande stolp te vergroten en/of te veranderen mits geen onevenredige a�reuk wordt gedaan aan het beeldbepalende karakter van de stolp en voorts de overige regels in dit ar�kel in acht worden genomen. 5.3.3 Meerdere woningen in hoofdgebouwen voorzien van de aanduiding 'stolp' Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 onder b ten behoeve van het realiseren van meerdere woningen in hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'stolp', met dien verstande dat: • • • •
a. de splitsing geen a�reuk mag doen aan het oorspronkelijke karakter van het gebouw en het erf; b. de splitsing bij voorkeur loodrecht op de voorgevel/weg dient plaats te vinden; c. de inrich�ng van het erf dient aan te sluiten bij het oorspronkelijke karakter van het erf; d. bij splitsing van de stolp eerst bezien dient te worden of de bijgebouwen voor de nieuwe woningen in de bestaande bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden;
•
e. indien na splitsing de bijgebouwen voor de nieuwe woningen niet in de bestaande bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden, gelden de regels zoals opgenomen in lid 5.2.3;
•
f. nieuwe bijgebouwen in afwijking van het bepaalde onder e zijn alleen toegestaan indien bestaande gebouwen worden gesaneerd en niet meer dan 50% van het gesloopte oppervlak aan bestaande gebouwen wordt teruggebouwd tot een maximum van 100 m²;
•
g. indien een stolp in meer dan twee woningen wordt gesplitst dienen de bijgebouwen in een 'verzamelgebouw' te worden gerealiseerd;
•
h. de inhoud van het te splitsen hoofdgebouw minimaal 1.000 m³ bedraagt en de inhoud per woning minimaal 300 m².
5.3.4 Groter gezamenlijk oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.3 onder d, e, f en g ten behoeve van een groter gezamenlijk oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen indien het bestaande gezamenlijke oppervlak groter is dan ingevolge lid 5.2.3 onder d, e, f en g is toegestaan, met dien verstande dat: • •
a. er sprake dient te zijn van het slopen van bestaande gebouwen; b. niet meer dan 50% van het gesloopte oppervlak mag worden teruggebouwd.
5.3.5 Kap op aan- en uitbouwen en op bijgebouwen bij niet-vrijstaande woningen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 ten behoeve van een kap op aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen bij niet-vrijstaande woningen, met dien verstande dat: •
a. afwijking uitsluitend is toegestaan indien een kap in verband met afstemming op de karakteris�ek van de woning, wenselijk is;
•
b. de goothoogte van de aan- of uitbouw en het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de in lid 5.2 genoemde bouwhoogte; c. afwijking niet mag leiden tot onevenredige aantas�ng van de gebruikswaarde van naburige erven.
5.3.6 Realiseren van een extra woning in monumenten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het maximaal aantal toegestane woningen ter plaatse van monumenten ten behoeve van het realiseren van een extra woning in rijks- en provinciale monumenten, niet zijnde stolpen, met dien verstande dat: •
a. afwijking uitsluitend wordt verleend indien de woningsplitsing bijdraagt aan het behoud of verbetering van het oorspronkelijke en cultuurhistorische waardevolle karakter van het monument;
• • •
b. de inhoud van het te splitsen monument minimaal 1.000 m³ bedraagt; c. het bouwperceel een minimale oppervlakte hee� van 1.200 m²; d. op eigen terrein dient te worden voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen per woning.
5.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 5.4.1 Aan-huis-gebonden beroepen Onder de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten, in samenhang met het wonen wordt verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten, voor zover: •
a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m²;
•
b. ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien;
•
c. de kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is en gelieerd aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsma�ge ac�viteiten.
5.4.2 Overig Het is niet toegestaan om: • •
a. gronden in gebruik te nemen/hebben voor paardenbakken en mestopslag; gebruiken voor het stallen van paarden; c. bijgebouwen, niet zijnde recrea�ewoningen, te gebruiken voor bewoning.
b. gebouwen te
5.4.3 Nevenfunc�es In tabel 2 is aangegeven welke nevenfunc�es op bouwvlakken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonenvoormalige agrarische bebouwing' rechtstreeks of na toepassing van een bevoegdheid tot afwijken passend/toelaatbaar zijn, met inachtneming van de daarbij behorende voorwaarden zoals opgenomen in lid 5.4.4.
Tabel 2 Nevenfunc�es ter plaatse van bouwvlakken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonenvoormalige agrarische bebouwing' bestemming maximaal aantal m² W (sa-vab)
gebruik bedrijfsvloeroppervlak onbebouwde gronden
verkoop aan huis van streekeigen producten ambachtelijke be- en verwerking van agrarische
V
100
-
producten (zoals kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) paardenstalling/-pension
V
100
-
V
100
-
kleinschalig kamperen in het zomerseizoen
V
100
4.500
bed & breakfast
V
100
-
-
-
100
-
agrarisch verwante bedrijfsac�viteiten
recrea�eve func�es/agrotoerisme
overige dienstverlening sociale nevenfunc�e (resocialisa�e, therapie, * kinderopvang, zorgboerderij) natuur- en milieueduca�e, bezoekboerderijen, V rondleidingen º Rechtstreeks toelaatbaar. V Alleen toelaatbaar onder voorwaarden (via afwijking). * Niet toelaatbaar. - Niet van toepassing.
5.4.4 Voorwaarden nevenfunc�es Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 voor het toestaan van de in tabel 2 genoemde nevenfunc�es, welke alleen toelaatbaar zijn onder voorwaarden (aanduiding V), met inachtneming van het volgende: • •
a. de nevenfunc�es dienen binnen het bestemmingsvlak plaats te vinden; b. in lid 5.4.3 in tabel 4 is aangegeven welk oppervlak ten behoeve van de nevenfunc�e mag worden bebouwd en mag worden gebruikt;
• •
c. voor de nevenfunc�es is buitenopslag in geen geval toegestaan; d. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
•
e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergro�ng van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking, dit in rela�e tot de func�e van de weg waaraan het bedrijf is gelegen en parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden binnen het bouwvlak;
•
f. ten dienste van de nevenfunc�e kleinschalig kamperen zijn maximaal 15 kampeermiddelen per terrein toegestaan.
5.4.5 Paardenbakken en mestopslag Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.4.2 ten behoeve van het gebruik van gronden voor paardenbakken en mestopslag en het gebruik van bijgebouwen voor het stallen van paarden, met dien verstande dat: • • •
a. de regels in lid 5.3.1 van overeenkoms�ge toepassing zijn; b. het bijgebouw voor maximaal 2 paarden mag worden gebruikt; c. in afwijking van het bepaalde onder b mag het bijgebouw voor maximaal 5 paarden worden gebruikt indien de gronden grenzen aan het landelijk gebied en indien voorts meer dan 1,5 ha weidegrond aanwezig is aansluitend aan het woonperceel;
• •
d. de afstand van het bijgebouw tot woningen van derden ten minste 15 m bedraagt; e. de afstand van mestopslag tot woningen van derden ten minste 50 m bedraagt en tot de perceelsgrenzen ten minste 5 m;
•
f. in afwijking van het onder e bepaalde mag de afstand tot woningen van derden ten minste 25 m bedragen indien de mest wordt opgeslagen in luchtdichte containers.
5.5 Wijzigingsbevoegdheid 5.5.1 Eén extra woning als vervanging voor te slopen voormalige agrarische bebouwing Burgemeester en wethouders zijn - met toepassing van ar�kel 3.6 Wro - bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het realiseren van één extra woning als vervanging voor te slopen voormalige agrarische bebouwing behorende bij een op de verbeelding als zodanig aangeduide 'specifieke bouwaanduiding - stolp', met inachtneming van de volgende regels: •
a. het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan in combina�e met behoud en herstel van de stolp;
•
b. alvorens tot wijziging wordt overgegaan dient een beeldkwaliteitplan te zijn opgesteld waaruit de nieuwe stedenbouwkundige opzet van het bouwperceel blijkt;
•
c. de nieuwe woning uitsluitend is toegestaan binnen het bouwperceel, tenzij uit het onder b bedoelde beeldkwaliteitplan blijkt dat met het oog op landschappelijke en cultuurhistorische waarden een andere loca�e wenselijker is;
• •
d. nut en noodzaak van de extra woning dient te zijn aangetoond; e. de ruimtelijke kwaliteit dient aan de hand van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van Noord-Holland te worden aangetoond;
•
f. de nieuw te bouwen woning dient gesitueerd te worden aan en georiënteerd te worden op de openbare weg; de woning mag niet op het achtererf worden gebouwd;
•
g. minimaal 1.000 m² van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt waarna maximaal één vrijstaande woning (inclusief aan- en uitbouwen) met een inhoud van maximaal 650 m³ is toegestaan;
• •
h. voor de nieuwe woningen zijn de overige regels uit dit ar�kel onverkort van toepassing; i. derden mogen in hun belang (woonklimaat/bedrijfsvoering) niet onevenredig worden geschaad;
Ar�kel 6 Waarde – Archeologie 4 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.
6.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: •
a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
•
b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) geldt dat ter plaatse van de bestemming Waarde - Archeologie - 4 uitsluitend bouwwerken zijn toegestaan; o 1. met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; o 2. met een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waarvoor geen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uitgevoerd hoeven te worden of waarvoor geen heiwerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden.
6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijken met omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2, met inachtneming van de voor de betrokken bestemmingen geldende (bouw)regels. 6.3.2 Geen archeologische waarden De omgevingsvergunning, zoals in lid 6.3.1 bedoeld, wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan de hand van nader archeologisch onderzoek hee� aangetoond dat op de betrokken loca�e geen archeologische waarden aanwezig zijn. 6.3.3 Overige voorwaarden De omgevingsvergunning, zoals in lid 6.3.1 bedoeld, wordt voorts verleend, indien: •
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport hee� overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken loca�e naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
•
b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwac�viteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: o 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; o 2. het doen van opgravingen; o 3. begeleiding van de bouwac�viteiten door de archeologische deskundige.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of werkzaamheden met een grotere omvang dan 2.500 m² uit te voeren: •
a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking, zoals in lid 4.3.1 bedoeld, is verleend;
• •
b. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; c. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende construc�es, installa�es of apparatuur.
6.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod van 6.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: • • • •
a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 4.2 in acht is genomen; b. reeds in uitvoering zijn op het �jds�p van de inwerkingtreding van het plan; c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; d. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen.
Het verbod van 6.4.1 is evenmin van toepassing indien de indien de grond aantoonbaar al dieper bewerkt is dan de diepte waarop de werken en werkzaamheden toezien. 6.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 6.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken loca�e geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: •
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport hee� overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken loca�e naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
•
b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de ac�viteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwac�viteiten door een archeologische deskundige.
6.5 Wijzigingsbevoegdheid 6.5.1 Verwijderen bestemming Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de bestemming Waarde - Archeologie - 4 geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: •
a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
•
b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
6.5.2 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Waarde - Archeologie - 4 wijzigen in een andere bestemming Waarde - Archeologie teneinde grotere of kleine oppervlaktes en/of dieptes toe te staan zoals genoemd in lid 6.2 en 6.4.1 teneinde de archeologische waarden op een andere wijze te beschermen en veiligstellen, indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse andere archeologische waarden aanwezig zijn.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Ar�kel 7 An�dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blij� bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Ar�kel 8 Algemene bouwregels 8.1 Nieuwe woningen Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging mag de geluidsbelas�ng op de gevel van de nieuwe woningen ten gevolge van wegen niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, ten zij voldaan wordt aan een besluit hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder. 8.2 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: •
a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, dakoverstekken, funderingen, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
•
b. tot gebouwen behorende erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt en de oppervlakte niet meer dan 6 m²;
•
c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.
8.3 Bestaande maten •
a. Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het �jds�p van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: o 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; o 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
•
b. In geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
•
c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.
•
d. In afwijking van het hiervoor bepaalde onder a en b geldt dat de herbouw van gebouwen binnen de bestemming Wonen voor zover de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, recrea�ewoningen en overkappingen, meer bedraagt dan in de bouwregels van de betreffende bestemming is voorgeschreven, uitsluitend is toegestaan indien: o 1. er sprake is van het slopen van bestaande gebouwen; o 2. niet meer dan 50% van het gesloopte oppervlak mag worden teruggebouwd;
•
e. voor windmolens, die beschermd zijn als Rijksmonument wordt de vlucht (dat is de hoogte van het wiekenkruis in ver�cale stand) als norm voor de hoogte van het bouwwerk genomen.
8.4 Kappen 8.4.1 Verplichte kappen Voor zover een goothoogte is aangegeven dan wel in de regels is bepaald dienen de hoofdgebouwen met een kap te worden afgedekt. Voor zover uitsluitend een bouwhoogte is aangegeven dan wel in de regels is bepaald mogen de hoofdgebouwen worden voorzien van een plate afdekking. 8.4.2 Afwijken ten behoeve van andere kapvormen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.4.1 juncto ar�kel 1.39 ten behoeve van het realiseren van andere kapvormen met dien verstande dat: • •
a. de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte niet mag worden overschreden; b. afwijking niet mag leiden tot een onevenredige aantas�ng van de ruimtelijke karakteris�ek van de omgeving;
•
c. afwijking niet mag leiden tot onevenredige aantas�ng van de gebruikswaarde van naburige percelen.
8.4.3 Afwijken ten behoeve van een gevelopbouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning van het bepaalde in lid 8.4.1: • • •
a. de breedte van de gevelopbouw maximaal 20% van de gevelbreedte mag bedragen; b. de aangegeven maximale bouwhoogte niet mag worden overschreden; c. afwijking niet mag leiden tot een onevenredige aantas�ng van de ruimtelijke karakteris�ek van de omgeving;
•
d. afwijking niet mag leiden tot onevenredige aantas�ng van de gebruikswaarde van naburige percelen.
Ar�kel 9 Uitslui�ng aanvullende werking bouwverordening De voorschri�en van stedenbouwkundige aard en de bereikbaarheidseisen van paragraaf 2.5 van de bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betre�: a. de ruimte tussen bouwwerken; b. parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.
Ar�kel 10 Algemene aanduidingsregels 10.1 Molenbiotoop 10.1.1 Molenbiotoop en molen in buitengebied In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' de volgende regels:
•
a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing en beplan�ng opgericht hoger dan de onderste punt van de ver�caal staande wiek;
•
b. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing en beplan�ng opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de ver�caal staande wiek; c. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van dit lid onder a en b, indien: o 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing of beplan�ng en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing en beplan�ng; o 2. toepassing van de in dit lid onder a bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing en beplan�ng onevenredig zouden schaden;
•
d. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.
Ar�kel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1 Maten en bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: • •
a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige a�reuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 11.1 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het gebruik van bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning voor mantelzorg, met dien verstande dat: • •
a. er sprake moet zijn van een �jdelijke woonbehoe�e; b. de mantelzorg noodzakelijk is waaromtrent advies wordt ingewonnen bij een ona�ankelijk deskundige;
•
c. de bereikbaarheid van algemene voorzieningen en nutsvoorzieningen voor hulpdiensten gewaarborgd moet blijven;
•
d. er geen sprake mag zijn van aantas�ng van de belangen van (agrarische) bedrijven en er mag geen a�reuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing (agrarische bedrijfsvoering);
•
e. de realisering van de �jdelijke woonruimte in een bijgebouw of aan- of uitbouw of bijgebouw moet mogelijk en aanvaardbaar zijn inzake milieuhygiëne en brandveiligheid;
•
f. de (bouw)regels omtrent de toegestane oppervlakte aan er�ebouwing binnen de verschillende bestemmingen onverkort van toepassing blij�;
•
g. na beëindiging van de mantelzorg moet de aan- of uitbouw of het bijgebouw in de staat van een bijgebouw worden teruggebracht;
•
h. (beperkt) kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontouren van gasleidingen niet zijn niet toegestaan.
Ar�kel 12 Algemene wijzigingsregels 12.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. 12.2 Duinrellen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen teneinde de loop van duinrellen te veranderen voor zover dit nodig is voor een doelma�ge agrarische bedrijfsvoering.
Ar�kel 13 Overige regels 13.1 Werking Wetelijke regelingen De wetelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Ar�kel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: •
a. een bouwwerk dat op het �jds�p van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: o 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; o 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
•
b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
•
c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het �jds�p van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: •
a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het �jds�p van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
•
b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
•
c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het �jds�p van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervaten of te laten hervaten;
•
d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Ar�kel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Hoeverweg 8a'.