CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij Quickscan Wet natuurbescherming Rabobank locatie te Schoorl.pdf

Algemene Raadscommissie 13 juni 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 6: Voorstel betreft het Bestemmingsplan Buitenduin en omgeving in Schoorl vast te stellen6.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN HEEREWEG 56 SCHOORL Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 5-11-2021

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

RHO Adviseurs Mevr. A. Mes Weena 505 3013 AL Rotterdam 010‐2018524 aletta.mes@rho.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

J.I. Andringa MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. S.T.J. Kuip ing. J. Koorevaar

Projectcode: Status: Datum:

RANA2154 Concept 5-11-2021

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De initiatiefnemer is voornemens renovatiewerkzaamheden uit te voeren aan de bebouwing aan de Heereweg 56 te Schoorl. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële nestlocaties voor de huismus. De bebouwing biedt daarnaast mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Tijdens de geplande ontwikkelingen kunnen nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. De groenstroken rond de bebouwing kunnen door kleine marterachtigen als verblijfplaats worden gebruikt. De iepen in de directe omgeving van het projectgebied kunnen door de grote vos als voortplantingsbiotoop worden gebruikt. Bij het verwijderen van de groenstructuren kunnen beschermde functies van kleine marterachtigen en de grote vos verloren gaan. Daarnaast kunnen er individuen worden gedood. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het Natura 2000-gebied “De Schoorlse Duinen” kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. In de gebruiksfase is er mogelijk sprake van een toename in de stikstofemissie. Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied valt binnen de bebouwde kom grenzen van de Gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing. Er is aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus, verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen en voortplantingsbiotoop van de grote vos nodig, alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Het onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gebouwbewonende vleermuissoorten de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd.

De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8

3 Soortbescherming ............................................................................................................................ 9 3.1 Bronnenonderzoek......................................................................................................................... 9 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................... 9 3.2.1 Zoogdieren ................................................................................................................................. 9 3.2.2 Vogels ...................................................................................................................................... 10 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................. 10 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................. 10 3.2.5 Vissen ....................................................................................................................................... 10 3.2.6 Ongewervelden ........................................................................................................................

11 3.2.7 Vaatplanten .............................................................................................................................. 11 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 11 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 12 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 12 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 13 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 13 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 13 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 13 4 4.1

Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 14 Effecten ........................................................................................................................................ 14

5 5.1 5.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 15 Conclusies ................................................................................................................................... 15 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 15

6

Literatuur......................................................................................................................................... 16

Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 17 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 18

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens het Rabobankgebouw aan de Heereweg 56 te transformeren naar appartementen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Het projectgebied valt binnen de bebouwde kom grenzen van de Gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Bergen in kilometerhok: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de ligging van het projectgebied weer.

X:

108

/

Y:

524

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Heereweg 56 te Schoorl. Het projectgebied bestaat uit een gebouw opgebouwd uit baksteen. Het dak betreft een afgeknot schilddak met dakpannen. Om het dak bevindt zich een houten overstek. De ingang bestaat uit een metalen constructie van één verdieping hoog met een zadeldak. Aan de zuid- en westzijde van het projectgebied bevinden zich een aantal parkeerplaatsen. Aan de noord- en oostzijde van het projectgebied bevinden zich groenstroken met bomen en struweel. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven. Ten oosten van het projectgebied bevindt zich het Sportpark de Sportlaan. In de direct omgeving van het projectgebied is bebouwing aanwezig.

2.2

ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkelingen betreffen de transformatie van het huidige gebouw naar appartementen. Meer informatie omtrent de ingreep is bij het schrijven van dit rapport niet voorhanden. Derhalve is er voor de directe omgeving rond het gebouw rekening gehouden met een scenario waarbij alle groenstructuren rond het gebouw worden verwijderd.

8

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021 en is uitgevoerd door ing. S.T.J. Kuip. Tijdens de habitatscan was het regenachtig en bewolkt, met een temperatuur van circa 13°C en een windkracht van 2 Bft. 3.2.1

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de soorten de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en de wezel bekend voor te komen. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bossen. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, roofvogelnesten, ruimtes onder takkenbossen en holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Er zijn geen takkenbossen of ondergrondse holen aangetroffen, waar de boommarter of steenmarter gebruik van zou kunnen maken. De boommarter en de steenmarter worden niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Rondom het gebouw in het projectgebied is geschikt habitat aanwezig voor kleine marterachtigen in de vorm van dicht struikgewas en ruige begroeiing. De dichte begroeiing aan de noordkant en de westkant van het projectgebied kan door kleine marterachtigen als verblijfplaats worden gebruikt. Het projectgebied bevindt zich daarnaast op korte afstand van het duingebied dat als leefgebied door marterachtigen kan worden gebruikt. Kleine marterachtigen kunnen hierdoor niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.

In het projectgebied zijn geen nesten van de eekhoorn waargenomen. Beschermde functies voor de eekhoorn worden niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. In het gebouw zijn stootvoegen en dilatatievoegen aanwezig die toegang geven tot een spouwmuur (zie afbeelding 2). De ruimtes in de spouwmuur kunnen door vleermuizen worden gebruikt als verblijfplaats.

9

Ruimtes bij de aansluiting van de hemelwaterafvoer en het overstek kunnen door vleermuizen worden gebruikt als invliegopening en verblijfplaats (zie afbeelding 3). De bebouwing is geschikt voor de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. De bomen rond de bebouwing zorgen voor luwte en voor de aanwezigheid van insecten en kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. Er zijn geen duidelijke lijnvormige elementen in de groenstructuren aanwezig welke vleermuizen zouden kunnen gebruiken als vaste vliegroute.

Afbeelding 2: Ruimte in dilatatievoeg en stootvoeg

Afbeelding 3: Ruimte bij hemelwaterafvoer

In de groenstructuren binnen het projectgebied en in de directe omgeving kunnen mogelijk algemene, vrijgestelde zoogdieren voorkomen, zoals de bosmuis en de egel. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen.

3.2.2

VOGELS

De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijk geschikte ruimtes voor nestlocaties van vogels met jaarrond beschermde nesten. Ruimtes onder de dakpannen kunnen gebruikt worden door de huismus als nestlocatie. Het projectgebied en de directe omgeving bieden geschikte elementen voor functioneel leefgebied van de huismus, onder andere in de vorm van groenblijvende vegetatie ten oosten van het projectgebied. Tijdens de habitatscan zijn er geen individuen van de huismus waargenomen. Het gebouw is niet geschikt voor nestlocaties van de gierzwaluw. Door beperkte aanvliegmogelijkheden en ongeschikte openingen wordt de gierzwaluw niet verwacht gebruik te maken van de bebouwing in het projectgebied. In de groenstructuren in en om het projectgebied zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels waargenomen. In de omgeving van het projectgebied komen algemene broedvogels voor die mogelijk in het projectgebied tot broeden over kunnen gaan. Het dak van het gebouw en de groenstructuren rond het gebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels.

3.2.3

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied is de rugstreeppad bekend voor te komen. Wegens het ontbreken van geschikt landbiotoop en de afwezigheid van voortplantingswater in het projectgebied, wordt de rugstreeppad niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In de groenstructuren in of nabij het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.

3.2.4

REPTIELEN

De zandhagedis is bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De zandhagedis heeft een sterke binding aan duin- en heidegebieden en wordt voornamelijk aangetroffen in droge struikheideterreinen en in het open struweelduin. Gezien de afwezigheid van duin- en heidegebieden in het projectgebied, wordt de zandhagedis niet verwacht voor te komen.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. Vanwege de afwezigheid van water in het projectgebied kan het voorkomen van vissen worden uitgesloten.

10

3.2.6

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de soorten de bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos en de platte schijfhoren bekend voor te komen. De bruine eikenpage komt zowel in het binnenland als in de duinen voor op zandgronden. In het binnenland komt hij voor in open loofbossen en jonge eikenaanplant. De waardplant van de bruine eikenpage is in het bijzonder de zomereik. De zomereik komt voor in de omgeving van het projectgebied. De bruine eikenpage legt de eieren op kleine eiken van een halve tot anderhalve meter hoog. Er zijn alleen grote volwassen exemplaren van de zomereik aanwezig in de omgeving van het projectgebied. De bomen in het projectgebied zijn niet geschikt als voortplantingsbiotoop van de bruine eikenpage. De bruine eikenpage wordt in het projectgebied niet verwacht voor te komen. De duinparelmoervlinder komt voornamelijk voor in de duinen van Noord-Holland en op de Waddeneilanden. Door het ontbreken van de waardplant van de duinparelmoervlinder(duinviooltje) wordt deze vlinder in het projectgebied niet verwacht voor te komen. De grote vos is een zeldzame vlinder met een zwervend karakter. De waardplant van de grote vos is voornamelijk de iep. In de groenstrook ten noorden van het projectgebied zijn iepen aanwezig.

De grote vos kan hierdoor niet worden uitgesloten voor te komen in de omgeving van het projectgebied De gevlekte witsnuitlibel komt voornamelijk voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen met een ontwikkelde water- en oevervegetatie. De platte schijfhoren komt voor in oppervlakte met een ontwikkelde watervegetatie. Door het ontbreken van oppervlaktewater in het projectgebied kan het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel en de platte schijfhoren in het projectgebied worden uitgesloten.

3.2.7

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn standplaatsen bekend van de soorten de dennenorchis, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw en het stofzaad. In het projectgebied staan onder andere esdoorn, hulst en klimop en zomereik. Deze soorten groeien op een voedselrijke grond. De groenvoorzieningen in en om het projectgebied betreft voornamelijk dicht struikgewas. Dennenorchis staat op voedsel- en stikstofarme grond en is vrij algemeen bekend voor te komen op de zandgronden in Schoorl. Gezien de aanwezige groenstroken in en om het projectgebied vrij voedselrijk zijn, wordt de dennenorchis niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Groot spiegelklokje staat op open plekken met een stikstofarme en matig voedselrijke bodem. De soort komt veel voor op open, zandige plekken en braakliggend terrein. Gezien het projectgebied voornamelijk uit dicht struikgewas bestaat, wordt de soort niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Grote leeuwenklauw staat op open plaatsen met een kalkrijke bodem, met name op open akkers. Het projectgebied bestaat voornamelijk uit vrij dicht struikgewas. De grote leeuwenklauw wordt derhalve niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De standplaats van het stofzaad is op droge tot vrij vochtige, voedselarme bodems.

Gezien de bodem voornamelijk voedselrijk is en de dichtstbijzijnde bekende standplaats van stofzaad zich op twee kilometer afstand bevindt, wordt stofzaad niet verwacht voor te komen in het projectgebied

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen.

11

Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene amfibieën*

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage onderdeel A)

Groenstructuren

Algemene zoogdieren*

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage onderdeel A)

Groenstructuren

Broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bebouwing en bomen

Huismus

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Ruimtes onder pannendak

Functioneel leefgebied

Groen rond projectgebied

Grote vos

Voortplantingsbiotoop

Artikel 3.10 (Bijlage onderdeel A)

Iep aangrenzende groenstrook

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen

Artikel 3,10 (Bijlage onderdeel A)

Dicht struikgewas

Vleermuizen Verblijfplaatsen Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Bebouwing spouwmuur/dakrand * Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan en kunnen vleermuizen worden verstoord en/of gedood. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen nestlocaties van de huismus verloren gaan en kunnen individuen van de huismus worden verstoord en/of gedood. De groenstroken rond de bebouwing kunnen door kleine marterachtigen als verblijfplaats worden gebruikt. De aanwezige iepen kunnen als voortplantingsbiotoop door de grote vos worden gebruikt. Bij het verwijderen van de bomen en groenstructuren kunnen beschermde functies van de kleine marterachtigen en de grote vos verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. In het projectgebied kunnen broedgevallen van (algemene) broedvogels worden verwacht. Tijdens het broedseizoen kunnen nestlocaties worden vernield en individuen worden gedood.

Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene amfibieën *

Opzettelijk doden

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Algemene zoogdieren*

Opzettelijk doden

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Opzettelijk vernielen / beschadigen voortplantingsplaats

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Grote vos Huismus

12

Soort / soortgroep Kleine marterachtigen Vleermuizen

Effect

Verbodsbepaling

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Wnb A)

Opzettelijk vernielen / beschadigen rustplaats

Artikel 3.10 (Wnb A)

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4 * Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

De bebouwing in het projectgebied herbergt mogelijk functies voor de huismus, vleermuizen en algemene broedvogels. De groenstructuren in het projectgebied en de directe omgeving daarvan, herbergen mogelijk functies voor de grote vos, kleine marterachtigen en algemene broedvogels. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de huismus. Indien er groen wordt verwijderd, dient er aanvullend onderzoek naar de grote vos en kleine marterachtigen plaats te vinden. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties en verblijfplaatsen zullen (indien nestlocaties en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen en voortplantingsbiotoop van de grote vos aanwezig in de omliggend groenstructuren. Na aanvullend onderzoek naar marterachtigen en de grote vos zullen (indien individuen van deze soorten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

3.4.3

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

13

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 150 meter van het projectgebied en betreft de Schoorlse Duinen. Op 110 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft kerngebied Schoorlse Duinen. Op afbeelding 4 is het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het NNN weergegeven.

Afbeelding 4: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (geoapps.noord-holland.nl)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in het NNN en Natura 2000-gebieden. De geplande werkzaamheden zullen geen directe effecten hebben op de nabijgelegen beschermde natuurgebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000- vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. Voor de realisatiefase van het renoveren van bouwwerken is vanaf 1 juli 2021 geen vergunning benodigd. In de gebruiksfase is het mogelijk dat er een toename ontstaat in het aantal verkeersbewegingen. Het is onbekend of de appartementen op het gasnetwerk worden aangesloten. De ontwikkeling van de nieuwe gebruiksfase zou kunnen leiden tot een toename in de stikstofemissie. Om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000gebieden, is het aan te bevelen een stikstofberekening te maken met behulp van de ‘AERIUS Calculator’.

14

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5.1

CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële nestlocaties voor de huismus. De bebouwing biedt daarnaast mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Tijdens de geplande ontwikkelingen kunnen nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. De groenstroken rond de bebouwing kunnen door kleine marterachtigen als verblijfplaats worden gebruikt. De iepen in de directe omgeving van projectgebied kunnen door de grote vos als voortplantingsbiotoop worden gebruikt. Bij het verwijderen van de groenstructuren kunnen beschermde functies van kleine marterachtigen en de grote vos verloren gaan. Daarnaast kunnen er individuen worden gedood. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het Natura 2000-gebied “De Schoorlse Duinen” kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. In de gebruiksfase is er mogelijk sprake van een toename in de stikstofemissie.

Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied valt binnen de bebouwde kom grenzen van de Gemeente Bergen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing.

5.2

AANBEVELINGEN Er is aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus, verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen en voortplantingsbiotoop van de grote vos nodig, alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen (tabel 3). Het onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gebouwbewonende vleermuissoorten de gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling.

Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

1 maart t/m 1 augustus

gewerkt wordt Grote vos

Voortplantingsbiotoop

Mei t/m augustus

Huismus

Nesten en functioneel leefgebied

1 april t/m 15 mei

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen

Mei t/m augustus

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei t/m 15 juli

Vleermuizen

(massa) winterverblijfplaatsen

1 augustus t/m 10 oktober

Vleermuizen

Paarverblijfplaats(en) en zwermplaatsen

15 augustus t/m 1 oktober

15

6

LITERATUUR

Bellmann, H., 2007, Vlinders, rupsen en waardplanten, Tirion Uitgevers BV, Baarn Bos, F, M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hisperioidea, Papilionoidea). – Nederlandse Fauna 7. Leiden. Nationaal Historisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European Invertebrate Survey – Nederland BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geoapps.noord-holland.nl www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl

16

Bijlage 1: Foto-impressie

17

Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 108/524 Soortgroep Naam Bescherming

Afstand

Amfibieën

bastaardkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

bruine kikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

gewone pad1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

kleine watersalamander1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

meerkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

bruine eikenpage

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

duinparelmoervlinder

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

gevlekte witsnuitlibel

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

grote vos

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 2km

Reptielen

zandhagedis

HR IV & Bern II

< 5km

Vaatplanten

dennenorchis

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

groot spiegelklokje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

grote leeuwenklauw

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

stofzaad

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

baardvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 4km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

kleine dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

tweekleurige vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vogels

blauwe reiger

Cat. 5

< 5km

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomklever

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 5km

Vogels

grote bonte specht

Cat. 5

< 5km

Vogels

huismus

Cat. 2

< 5km

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bosmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergspitsmuis1

Wnb A

< 5km

18

Zoogdieren

eekhoorn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

egel1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

haas1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

hermelijn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

konijn1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

ree1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

rosse woelmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

steenmarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

vos1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren wezel Wnb A * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling

< 5km

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5118/documents/40711