bij Bestemmingsplan Toelichting.pdf
Tekst van het document
Beleidskaart Archeologische verwachtingen (bron: gemeente Bergen).
De uitbouw blijft onder deze drempelwaarden, waardoor nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
32
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke of Rijksmonumenten gelegen. Raadpleging van de informatiekaart “Landschap en Cultuurhistorie” van de provincie NoordHolland wijst uit dat binnen het plangebied (en in de directe omgeving hiervan) geen cultuurhistorische elementen liggen die een belemmering vormen voor de gewenste ontwikkeling. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Verkeer en parkeren Algemeen Bij de ontwikkeling en uitbreiding van functies moet rekening gehouden worden met de parkeer- en verkeersdruk. Toetsing Verkeer Om de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het voorgenomen project betreft de transformatie van 1 recreatiewoning naar 1 reguliere burgerwoning. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling wordt bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Om de verkeersgeneratie te bepalen dient in eerste instantie de mate van stedelijkheid bepaald te worden. De stedelijkheidsgraad van de gemeente en specifiek de locatie bepaald welke kencijfers worden toegepast. Op basis van de ‘Nota Parkeernormen 2020’ van de gemeente Bergen is het plangebied aangemerkt als ‘weinig stedelijk gebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Voor de recreatiewoning wordt uitgegaan van kengetallen horende bij ‘bungalowpark (huisjescomplex)’. In onderstaande tabellen is de verkeersgeneratie voor de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. Huidige situatie
Aantal Type Bungalow (huisjescomplex)
1
kencijfer min max 2,1 2,3
33
per woning
Verkeersgeneratie (per etmaal) min max 2,1 2,3
Toekomstige situatie
Aantal Type Koop, vrijstaand
1
kencijfer min max 7,8 8,6
per woning
Verkeersgeneratie (per etmaal) min max 7,8 8,6
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de ontwikkeling maximaal 6 verkeersbewegingen veroorzaakt. Dit verkeer kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de Fazantenlaan. Parkeren Bij het bepalen van de parkeerbehoefte voor de nieuwe situatie is wederom gekeken naar de kengetallen. In de ‘Nota Parkeernormen 2020 Bergen’ zijn parkeernormen voor recreatiewoningen en reguliere woningen opgenomen. In onderstaande tabellen is de parkeerbehoefte voor de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. Huidige situatie Functietype
Aantal
Autoparkeernorm
per
Parkeerbehoefte
Losse recreatiewoning
1 woning
1,7
woning
1,7
Functietype
Aantal
Autoparkeernorm
per
Parkeerbehoefte
Koop, huis, vrijstaand
1 woning
2,3
woning
2,3
Toekomstige situatie
Op basis van voorliggende ontwikkeling is de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie 2,3 parkeerplaatsen. Het parkeren is geregeld op eigen terrein. Zoals reeds beschreven in paragraaf 2.2, is hier binnen het plangebied voldoende ruimte voor. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Kabels en leidingen Algemeen Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de uitbreiding en/ of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Toetsing Ter plaatse van het plangebied bevinden zich geen kabels en/of leidingen die een planologische bescherming genieten. Ook bevinden zich in de omgeving van het plan geen telecommunicatie-installaties. Conclusie Dit aspect leidt niet tot belemmeringen.
34
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
35
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
36
5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Bergen aan Zee”. In voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor tuinen bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, dakoverstrekken en water ten behoeve van de wateraanvoer- en afvoer. Op de gronden zijn ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, met uitzondering van paardenbakken en zwembaden. Wonen - 2 De voor ‘Wonen - 2’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor wonen (al dan niet met aan-huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten), water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging en andere bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water. Per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan. Natuur- en landschapswaarden Ter plaatse van de functieaanduiding ‘natuur- en landschapswaarden’ zijn de gronden tevens bestemd voor het behouden van natuur- en landschapswaarden. Waarde - Archeologie 4 Voor het gehele plangebied is een archeologische dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden.
Op grond hiervan dient bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een diepte van 40 cm onder maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, waarin aangegeven is of er archeologische waarden in het geding zijn. Waterstaat - Waterkering De gronden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ zijn mede bestemd voor een waterkering en de waterhuishouding. Tevens geldt voor het gebied een maximale bouwhoogte van 3 meter. Het bevoegd gezag kan hier onder bepaalde voorwaarden van afwijken.
5.2.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
37
6
Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door de ruimtelijke procedure moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het project is een initiatief van een particulier. De kosten van het initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden. Het project betreft wel een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro. Bij overeenkomst worden afspraken gemaakt over kostenverhaal. In dat geval behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. De kosten voor de uitvoering van het plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig.
38
7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Uitsluitend de Omgevingsdienst heeft een inhoudelijke vooroverlegreactie gegeven op het plan. Deze reactie heeft geleid tot aanpassingen in de paragrafen bodem en natuur.
7.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Eenieder kon in deze periode zienswijzen indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
39