CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij Aanvullend natuur ondz Heereweg 128 Schoorl.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het Bestemmingsplan Heereweg 128 Schoorl vast te stellen9.453 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Heereweg 128 te Schoorl

G&G-rapport 2022-074

Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Heereweg 128 te Schoorl Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

L. Hartog

2022

Opdrachtgever Dhr. J. Dijkstra

G&G-rapport 2022-074

Datum Versie

26 oktober 2022 v1

Gecontroleerd door: W. Peters

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Heereweg 128 te Schoorl

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

5

1.1

Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 6

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6

1.4

Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 6

Methode 2.1

8

Amfibieën................................................................................................................. 8 2.1.1 Rugstreeppad ............................................................................................................ 8

2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten .................................................... 9 2.2.1 Huismus ..................................................................................................................... 9

2.3

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 10 2.3.1 Marterachtigen........................................................................................................ 10

2.4

Vleermuizen ........................................................................................................... 13 2.4.1 Veldbezoeken .......................................................................................................... 14 2.4.2 Relatie met het vleermuisprotocol ......................................................................... 16

3

Resultaten amfibieën

18

4

Resultaten broedvogels

19

4.1

5

6

7

Huismus ................................................................................................................. 19

Resultaten grondgebonden zoogdieren

20

5.1

Wezel, Hermelijn, Bunzing, Boommarter .............................................................. 20

5.2

Overige (zoog)dieren ............................................................................................. 20

Resultaten vleermuizen

22

6.1

Gewone dwergvleermuis....................................................................................... 22

6.2

Rosse vleermuis ..................................................................................................... 24

Effectbeoordeling en maatregelen

26

7.1

Rugstreeppad......................................................................................................... 26

7.2

Huismus ................................................................................................................. 26

7.3

Kleine marterachtigen ........................................................................................... 26

7.4

Vleermuizen ........................................................................................................... 27

7.5

Overige broedvogels .............................................................................................. 27

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

4

8

Conclusies en aanbevelingen

28

9

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

30

10

Bijlagen

32

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen een terrein aan de Heereweg 128 te Schoorl her in te richten. Schoorl ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie Noord Holland. Binnen het plangebied worden de bestaande gebouwen gerenoveerd en omgebouwd. Er worden twee nieuwbouwwoningen en een schuur bijgebouwd. Het is mogelijk dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Huismus), kleine marterachtigen, Rugstreeppad of vleermuizen verblijven in de te her in te richten bebouwing of te slopen bomen. Ook is het mogelijk dat deze soorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie werd aangegeven in een eerder uitgevoerde ‘ecologische quickscan’ (zie FOKKENS, 2021). Om dit nader te onderzoeken heeft Dhr. J. Dijkstra opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode april-september 2022. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.

Ligging van plangebied Heereweg 128.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

6

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van Huismus, kleine marterachtigen, Rugstreeppad en vleermuizen binnen het plangebied.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied ligt tussen Schoorl en Catrijp ten noorden van de Heereweg. Ten noorden liggen open velden en akkers. ten oosten, westen en zuiden staat open dorpse bebouwing.

1.4

Geplande werkzaamheden In het bestemmingsplan wordt geregeld dat er twee nieuwe bouwvlakken voor vrijstaande woningen gerealiseerd en de bestaande groepsaccommodatie wordt getransformeerd naar vijf appartementen voor permanente bewoning. Op het terrein worden parkeerplekken gerealiseerd en wordt er een schuur gebouwd. Hieronder worden op basis van de plantekening (zie pagina 8), de werkzaamheden per gebouw beschreven. Gebouw A: Woning. Volledige nieuwbouw. Gebouw B: Berging. Volledige nieuwbouw. Gebouw C: Herindelen van bestaande gebouw naar vijf woningen. Aanpassingen verdeling zijn interne wijzigingen. Ten behoeve van gebruik woonkwaliteit worden gevelopeningen aangepast en toegevoegd. Er zullen zes dakkapellen worden geplaatst op de eerste en tweede verdiepingen. Gebouw D: Schuur. Geen bouwkundige aanpassingen gepland, blijft schuur. Gebouw E: Woning. Volledige nieuwbouw. Gebouw F: Bestaande woning. Geen bouwkundige aanpassingen gepland. Blijft woning. Gebouw G: Bestaande woning. Geen bouwkundige aanpassingen gepland. Blijft woning. De verschillende gebouwen zijn aangegeven met letters op de kaart op de volgende pagina. Bij gebouwen D, F en G vinden geen werkzaamheden plaats. Deze blijven in hun huidige staat behouden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

7

De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit renovatie/sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en/of het opbrengen van grond, het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen en licht of de belemmerende werking van steigers, verstoring optreden van (beschermde) soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

8

2

Methode 2.1

Amfibieën Het doel van dit onderzoek was inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën en hun landbiotoop. In het plangebied wordt de Rugstreeppad verwacht Voor de andere relevante soorten zijn geen recente waarnemingen bekend uit de omgeving van het plangebied en/of ontbreekt geschikt leefgebied. Tijdens de inventarisatie is ook de directe omgeving van het plangebied meegenomen en is uiteraard ook gelet op eventueel andere aanwezige beschermde amfibieën. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017). Alle waarnemingen en zijn op locatie gekarteerd.

2.1.1

Rugstreeppad Landbiotoop Het onderzoek naar landbiotoop van Rugstreeppad heeft bestaan uit vijf avondbezoeken in de periode juni-augustus (zie Tabel 1 voor data veldbezoeken) waarbij met een sterke zaklamp gericht gezocht is naar Rugstreeppadden. Het netvlies van Rugstreeppadden geeft dan een wit-roze oogreflectie waardoor actieve padden met deze methode goed zichtbaar worden. Het gehele onderzoeksgebied is hierbij bezocht met vooral aandacht voor de meer open terreindelen zonder dichte vegetatie waar Rugstreeppadden in landbiotoop te verwachten zijn. De bezoeken zijn zoveel mogelijk uitgevoerd op vochtige avonden waarbij de temperatuur hoog genoeg was voor actieve dieren. Tijdens het onderzoek zijn tevens steekproefsgewijs materialen als takken, planken, boomstammen, tegels en platen gekeerd zodat hieronder verscholen Rugstreeppadden gevonden konden worden. Hierbij is verstoring geminimaliseerd en alle gekeerd materiaal is teruggelegd in oorspronkelijke positie.

Bezoekdatums, onderzoeksmethode en weersomstandigheden tijdens het onderzoek in 2022 naar Rugstreeppad.

Ronde 1 2 3 4 5

Van der Goes en Groot

Datum

Tijd

28 juni 11 juli 25 juli 9 augustus 18 augustus

01:30-2:15 23:00-23:45 22:00-23:45 23:00-23:45 22:45-23:30

Type Weersomstandigheden onderzoek (Wind (bft)/temp/neerslag) landbiotoop W3/16 °C/droog landbiotoop N2/17 °C/droog landbiotoop ZW4/19 °C/droog landbiotoop N2/17 °C/droog landbiotoop N2/18 °C/droog

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

9

Het ’s avonds met een zaklamp op zoek gaan naar Rugstreeppadden is vooral een methode om de aanwezigheid van Rugstreeppad aan te tonen, volledige zekerheid omtrent afwezigheid is met deze (of een andere) methode niet te krijgen (zie KENNISDOCUMENT RUGSTREEPPAD, pag. 13). Als tijdens de vijf bezoekrondes geen padden worden aangetroffen mag er echter wel vanuit gegaan worden dat het plangebied geen belangrijke functie heeft als landbiotoop voor de Rugstreeppad.

2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Alleen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd, zijn geïnventariseerd. Het betreft in dit geval de Huismus. Deze soort komt in de omgeving van het plangebied voor (NDFF 2010-2020, zie FOKKENS, 2021) en kunnen gevestigd zijn in bebouwing zoals die aanwezig is in het plangebied. Uiteraard is tijdens de inventarisatie ook gelet op eventueel andere aanwezige jaarrond beschermde broedvogels of andere beschermde soorten. Alle waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. De codes zijn gestipt op locatie met behulp van een veldtablet.

2.2.1

Huismus Het onderzoek is uitgevoerd conform het KENNISDOCUMENT HUISMUS, VERSIE 1.0, BIJ12 juli 2017. Op 19 april en 29 april 2022 is het plangebied bezocht om de verblijfplaatsen van Huismussen te inventariseren, zie Tabel 2. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. De bezoeken vonden plaats tussen twee uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang en zijn uitgevoerd bij gunstige (weers-) omstandigheden (geen regen, harde wind en/of kou, geen overmatige verkeersdrukte). Door langzaam rond te lopen en te posten in het plangebied en door regelmatig te luisteren, wordt duidelijk of- en waar Huismussen aanwezig zijn. Tijdens elk van de inventarisatierondes is daarbij het gehele plangebied bezocht. Zowel nestindicatieve waarnemingen als waarnemingen van (territoriale) vogels in geschikt broedbiotoop zijn op locatie gekarteerd. De waarnemingen zijn zoveel als mogelijk gekarteerd op de daadwerkelijke nestplaatsen van de Huismussen. Indien mogelijk

Overzicht bezoekrondes inventarisatie Huismus.

Van der Goes en Groot

Ronde

Datum

Tijd (van – tot)

1 2

19 april 2022 29 april 2022

8:50-9:30 9:00-10:00

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

10

werd gewacht met het stippen tot vogels op of nabij de daadwerkelijke nestplaats aanwezig waren (veelal op dakgoten, op pannendaken, naast dakkapellen e.d.). De stippen per ronde zijn beide gebruikt om kaarten te maken van de verblijfplaatsen van Huismussen. Na afloop zijn de ronde stippen geïnterpreteerd en handmatig geclusterd en is het aantal territoria bepaald. Hierbij is tussen nest-indicerende waarnemingen (in verband met kans op ondertellen) een kleinere fusieafstand (ongeveer 25 meter) genomen dan de vaste fusieafstand (100 meter) zoals bij de BMP methode van SOVON wordt gehanteerd. Bij territorium-indicerende waarnemingen is wel de vaste fusieafstand van SOVON (100 meter) aangehouden. Ook tijdens andere onderzoeken, zoals naar vleermuizen en marterachtigen, is gelet op de aanwezigheid van Huismussen.

2.3

Grondgebonden zoogdieren Alleen zoogdiersoorten die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd en die geen provinciale vrijstelling hebben, zijn geïnventariseerd. Het betreft in dit geval de Wezel, Hermelijn en Bunzing. Tijdens de inventarisatie is ook gelet op eventueel andere beschermde soorten. Alle waarnemingen en locaties van gebruikte onderzoeksmaterialen zijn op locatie gekarteerd met behulp van een veldtablet.

2.3.1

Marterachtigen In de onderzoeksperiode is onderzocht of kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn, Wezel) aanwezig zijn binnen het plangebied en wat de gebruiksfunctie van het plangebied is. Het onderzoek is uitgevoerd conform het document ‘Wezel, Hermelijn en Bunzing, beschermd in Noord-Holland’ (RUD-NHN, 2017). Dit document van de provincie Noord-Holland is een handreiking voor het uitvoeren van onderzoek naar kleine marterachtigen zoals Wezel en Hermelijn. Om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de verspreiding van de kleine marterachtigen is bij de inventarisatie gebruik gemaakt van de volgende onderzoeksmethoden: cameravallen, struikrovers en sporenbuizen. In totaal is één cameraval, één struikrover en zes sporenbuizen gebruikt bij dit onderzoek.

Datums van activeren cameravallen (en looptijd) voor marteronderzoek.

Cameravallen, mostela, struikrover, sporenbuizen Uitzet materialen Controle Ophalen materialen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

21-07-2022 02-08-2022 18-08-2022

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

11

Er zijn drie bezoeken afgelegd aan het gebied (zie Tabel 3). Tijdens het eerste bezoek worden de onderzoeksmaterialen uitgezet. Hierbij wordt uiteraard gelet op locaties met de hoogste trefkans. Deze wordt bepaald op grond van de aanwezige biotopen, dekking, eventuele passagepunten (wissels), foerageergebieden etc. De camera, struikrover en sporenbuizen zijn verspreid geplaatst over het gehele gebied op geschikte locaties waar kleine marterachtigen zoals Wezel, Hermelijn en Bunzing zich kunnen ophouden. Een kaart met de locaties van de uitgezette onderzoeksmaterialen in het plangebied is opgenomen in Bijlage 1. Een tussen bezoek is nodig voor controle van de materialen. Hierbij kunnen de sporenbuizen, indien nodig, voorzien worden van nieuw sporenpapier, de camera’s kunnen indien nodig bijgesteld worden, voorzien worden van nieuwe batterijen en de geheugenkaartjes kunnen worden gewisseld. Eventueel kan er bij dit bezoek ingegrepen worden als de sensor te vaak loos geactiveerd wordt door bijvoorbeeld zonlicht, schaduwen en bewegende vegetatie. Bij de derde ronde wordt het materiaal opgehaald waarna het beeldmateriaal en de prentenplaten tijdens een bureaustudie worden geanalyseerd. In Tabel 33 staan de startdatum, controledatum en einddatum van het onderzoek. Het materiaal heeft in totaal 28 dagen uitgestaan in het veld.

Daarnaast is tijdens de veldbezoeken in het plangebied gericht gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen zoals latrines, prooiresten en uitwerpselen. Met deze aanvullende waarnemingen kan mogelijk een beter beeld worden verkregen van de aanwezigheid en het terreingebruik door marterachtigen. Tijdens het onderzoek zijn geen mostela’s gebruikt, omdat struikrovers een beter beeld kunnen geven van alle genoemde soorten. Mostela’s zijn meer gericht op de aanwezigheid van alleen Hermelijn en Wezel. Op de volgende pagina wordt kort de werking van de verschillende vangtechnieken toegelicht. Cameraval De cameravallen zijn voorzien van een sensor die reageert op de combinatie van warmte en beweging. Als er een warmbloedig dier (bijvoorbeeld een zoogdier of vogel) voor de camera beweegt, begint deze met opnemen. Overdag zijn de beelden in kleur, en ’s-nachts of bij te weinig licht schakelt de camera automatisch over naar een infrarood beeld. De camera maakt hierbij geen geluid en de infrarood lampjes zijn niet te zien door de dieren, waardoor de dieren niet

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

12

afgeschrikt kunnen worden. De dieren blijven zich daarom natuurlijk gedragen. Als lokvoer is de inhoud van een blikje sardines gebruikt. Na minimaal vier weken wordt de cameraval verwijderd en worden de geheugenkaartjes uitgelezen. Het is ook mogelijk dat hiermee andere (zoog)dieren worden opgemerkt. Mostela De mostela is een houten marterkast die een combinatie is van een sporenbuis en een cameraval. Doordat een kleine marter door de buis van de mostela loopt, springt de camera aan en maakt opnamen van het dier. Door het gebruik van een mostela kan met zekerheid worden vastgesteld of het bijvoorbeeld een Wezel of een Hermelijn betreft. Door alleen het verzamelen van prenten kan dit in veel gevallen niet met 100% zekerheid worden vastgesteld.

Een mostela (marterkast) met opgetild deksel (linksboven), een cameraval in het veld (rechtsboven), een sporenbuis in het veld (linksonder) en struikrover (rechtsonder) (archieffoto’s G&G).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

13

Struikrover De struikrover is een combinatie is van een lokmiddel en een cameraval. Het is een korte PVC buis waarin een wildcamera is geplaatst met als lokmiddel een blikje sardientjes. Veldtests hebben laten zien dat hiermee alle aanwezige marterachtigen in een gebied binnen twee weken kunnen worden vastgesteld. Wanneer het onderzoek na enige tijd op identieke wijze wordt herhaald, is ook monitoring mogelijk, zodat een trend kan worden bepaald. De struikrover kan gebruikt worden om gemakkelijk alle soorten marterachtigen en vele andere (kleine) (zoog)dieren in beeld te brengen. Denk aan Wezel, Hermelijn, Boommarter, Steenmarter, Das, Egel, Vos, diverse soorten muizen, maar ook vogels. Sporenbuizen De sporenbuis is een pvc-buis van 8 of 10 cm in diameter. Deze zijn vooral bedoeld om prenten van kleine marterachtigen Wezel en Hermelijn waar te nemen. In de sporenbuis ligt een plankje met in het midden een stempelkussen met inkt. Aan weerszijden van het stempelkussen liggen witte vellen sporenpapier. De Wezel en Hermelijn zijn van nature nieuwsgierig. Ze lopen graag in de dekking op zoek naar prooidieren en onderzoeken daarbij holen. Daarbij is het dus de bedoeling dar ze door de sporenbuizen lopen en prenten achterlaten.

Warmtebeeldcamera Om aanvullende informatie te verzamelen over gebruik van het terrein kunnen aanwezige dieren met behulp van een warmtebeeldcamera worden opgespoord en gevolgd door achter de dieren aan te lopen. Overige (zoog)dieren Tijdens alle onderzoeken zijn waarnemingen van andere (zoog)dieren op de camera’s genoteerd.

2.4

Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Wnb onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is om de aanwezigheid en de verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, zoals dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van uitgevoerde ecologische quickscan, de aanwezige biotopen of bekende voorkomens nagegaan welke vleermuissoorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoek is op grond daarvan in dit geval met name gericht op de

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

14

algemenere gebouwbewonende soorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Uiteraard is ook op andere soorten gelet tijdens het onderzoek in het plangebied en zijn eventueel bezoekrondes en/of bezoektijden tussentijds aangepast aan bevindingen tijdens het veldwerk. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ soorten zoals bijvoorbeeld Meervleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Watervleermuis en Baardvleermuis, die mogelijk het plangebied gebruiken als verblijfplaats, worden rondes en rondetijden aangepast of worden extra rondes ingepland.

2.4.1

Veldbezoeken Door middel van veldwerk zijn de daadwerkelijke aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn vijf bezoeken afgelegd in de periode mei tot en met september 2022. Het aantal bezoeken is op voorhand op grond van potentie van verwachte soorten en gebruiksfuncties bepaald. Bij onverwachte of afwijkende waarnemingen of grotere en bijzondere verblijfplaatsen wordt altijd een extra veldbezoek ingepland. Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens een veldverkenning (tijdens de eerste ronde of rondes) zijn relevante elementen zoals bijvoorbeeld begroeiing en randen daarvan, holtes in bomen, aanwezige lijnvormige beplanting en wateren in beeld gebracht en zijn delen van bebouwing nader op potentie beoordeeld (gaten, spleten, donkere delen). Bij dit onderzoek en tijdens alle bezoekrondes is met behulp van een sterke zaklamp bij inspecteerbare delen van het plangebied en bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar sporen van gebruik zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij gaten, vraatresten. Tijdens alle veldbezoeken is gekeken naar aanwezige vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied.

Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe delen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. Het terreingebruik door vleermuizen is op grond van de veldverkenning ’s nachts nader onderzocht door middel van langzaam surveilleren en posten met gebruik van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson 240x en Echo Meter Touch Pro). Op de onderzoek locatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Echo Meter Touch Pro).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

15

Bij het onderzoek werd tevens gebruik gemaakt van warmtebeeldapparatuur. Ingezet zijn de Lahoux spotter elite 35V en/of de Lahoux spotter Pro V. Hiermee kunnen vliegpatronen van baltsende, foeragerende en langsvliegende vleermuizen (beter) in beeld worden gebracht. Ook kunnen aantallen aanwezige vleermuizen nauwkeuriger worden ingeschat en kunnen in volledig donker zwermactiviteit, terugvliegen naar verblijf en (laat) uitvliegen worden opgemerkt. De eerste drie kraam-zomer (KZ1 t/m KZ3) bezoeken aan het begin van de zomer zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van uitvliegen en zwermactiviteit bij kraam- of zomerverblijven. Zwermactiviteit treedt met name aan het einde van de nacht op en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door rustig door het plangebied surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieggaten). De avondrondes zijn vooral ingezet om de activiteit van Laatvlieger te kunnen volgen. De laatste twee bezoeken (P1 en P2) zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit. De P1 ronde begin september is om middernacht ingezet om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. Deze P1 ronde is tevens laat ingezet om middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis vast te kunnen stellen.

Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf.

Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het vleermuisonderzoek in plangebied Heereweg 128 in 2022 per ronde (“KZ” = kraamkolonie- en zomerverblijfronde en “P” = paarverblijfronde).

Ronde / Datum

Tijd

Duur

Weersomstandigheden

Opzet

KZ1 29 mei

21:50-23:50

2 uur

Droog, NW 3 bft, 10,7⁰C, 7/8

avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

KZ2 22 juni

22:08-00:08

2 uur

Droog, NO 2 bft, 18,3⁰C, 0/8

avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

KZ3 11 juli

3:29-05:29

2 uur

Droog, N 2 bft, 18,4⁰C, 8/8

ochtendbezoek kraamverblijven, zomerverblijven, terreingebruik

P1 2 sept

00:00-02:00

2 uur

Droog, O 3 bft, 19,7⁰C, 7/8

middernachtbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik

P2 25 sept

20:34-22:34

2 uur

Droog, W 2 bft, 12,2⁰C, 7/8

avondbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

16

Vanwege de grootte van het object en het aantal potentieel geschikte plekken en de positie daarvan voor met name verblijfsgebruik van vleermuizen, is de inventarisatie uitgevoerd door twee personen in het voorjaar en één persoon in het najaar. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag, werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij een te lage temperatuur. Voor een overzicht met informatie van de veldbezoeken zie Tabel 4.

2.4.2

Relatie met het vleermuisprotocol Het vleermuisprotocol is een richtlijn op grond waarvan het onderzoek zo goed mogelijk is uitgevoerd. Dit betekent dat op grond van aanwezige biotopen en potenties in het onderzochte plangebied de uiteindelijke onderzoeksopzet is gemaakt. In het geval van het besproken gebied zijn de hieronder genoemde keuzes gemaakt om de resultaten te optimaliseren.

Onderzoek keutels en verblijfsmogelijkheden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

17

De bebouwing binnen het plangebied is laag, wordt onregelmatig verwarmd en heeft weinig bufferende capaciteit ten aanzien van warmte. Daarom worden geen bijzondere constante en koele microklimaten verwacht ten aanzien van warmte en vocht en is de bebouwing naar verwachting niet geschikt als (massa)winterverblijf voor Gewone dwergvleermuis. Het middernachtzwermen van deze soort wordt daarom niet op voorhand verwacht. Omdat bovenstaande slechts een inschatting betreft en (massa-) winterverblijf als een belangrijke vast te stellen gebruiksfunctie wordt gezien, is hiernaar tijdens één ronde toch optimaal onderzoek gedaan. Door deze laat uitgevoerde bezoekronde wordt tevens ondervangen dat baltsactiviteit op verschillende momenten in de nacht wisselende intensiteit kan hebben en het plangebied op meerdere momenten in de nacht hierop werd onderzocht. In de andere (najaars-)ronde(s) is ook op nachtelijk zwermgedrag gelet, bij (grote) winterverblijven is dit gedrag ook eerder in de nacht waarneembaar en kan dit gedurende langere tijd doorgaan (tot ver in september.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

18

3

Resultaten amfibieën Rugstreeppad In plangebied Heereweg 128 te Schoorl werd de Rugstreeppad in het geheel niet aangetroffen. Tijdens één ronde werd uit verre noordelijke richting roepende Rugstreeppadden gehoord. Omdat de soort ontbreekt in het plangebied en de omgeving daarvan, is geen aparte verspreidingskaart gemaakt.

Nachtelijke sfeer tijdens het Rugstreeppadden onderzoek.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

4

19

Resultaten broedvogels 4.1

Huismus In en rond het plangebied en de werden in het geheel geen Huismussen gehoord of gezien. Het bosplantsoen in en rondom het plangebied is mogelijk niet geschikt als biotoop voor deze soort. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende dichte struiken in bijvoorbeeld tuinen, zandplekken en/of voederplaatsen. Het plangebied biedt onder andere vanwege het ontbreken van deze elementen geen essentieel leefgebied voor de Huismus. Omdat de soort ontbreekt in het plangebied en de omgeving daarvan, is geen aparte verspreidingskaart gemaakt.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

20

5

Resultaten grondgebonden zoogdieren 5.1

Wezel, Hermelijn, Bunzing, Boommarter In het plangebied werden in het geheel geen kleine marterachtigen (Wezel, Hermelijn, Bunzing) of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten vastgelegd. Het plangebied wordt druk bezocht door mensen met en zonder honden. De resultaten uit de sporenbuizen laten ook alleen prenten zien van muizen. Er zijn geen prenten van kleine marterachtigen aangetroffen.

5.2

Overige (zoog)dieren Op de cameravallen en bij de struikrovers zijn verschillende diersoorten vastgelegd. In Tabel 5 hieronder is te zien welke diersoorten. Ook zijn per diersoort het aantal foto’s genoteerd waarop de betreffende soort te zien is. Het aantal foto’s geeft geen indicatie over het aantal dieren van die soort in het plangebied maar geeft wel een indicatie over de hoeveelheid activiteit van de soort in het plangebied.

Tabel met vastgelegde soorten tijdens het onderzoek. Het getal geeft het aantal geschoten foto’s van de soort aan.

Zoogdieren: Bosmuis / muis spec. spitsmuis spec. Bruine rat Egel Vogels: Koolmees Roodborst Merel Zanglijster Heggenmus Winterkoning Overig: Kat Hond

Van der Goes en Groot

Camera’s/Struikrovers 12 3 2 3 6 2 4 3 2 2 4 1

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

21

Enkele beelden van overige waargenomen dieren. Links boven: Zanglijster, rechtsboven: Huiskat, linksmidden: Heggenmus, rechtsmidden: (Bos)muis, linksonder: (Huis)spitsmuis, rechtsonder: Roodborst.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

22

6

Resultaten vleermuizen In plangebied Heereweg 128 zijn twee soorten vleermuizen vastgesteld. In Tabel 6 staan de aangetroffen soorten. De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staan in Bijlage 1.

Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties in plangebied Heereweg 128 in 2022.

Soort

Aantal (indicatie)

Verblijf

Balts in vlucht

Foeragerend

Vliegroute

Gewone dwergvleermuis Rosse vleermuis

10 tallen eenmaal

1 zv geen

ja nee

ja ja

nee nee

Er werden langsvliegende, foeragerende exemplaren en baltsende vleermuizen waargenomen. Tevens werd een zomerverblijf gevonden van de Gewone dwergvleermuis. Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.

6.1

Gewone dwergvleermuis In plangebied Heereweg 128 werd de Gewone dwergvleermuis in alle terreindelen verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen meestal vrij hoog. De omliggende begroeiing in en net buiten het plangebied werd gedurende de onderzoeksperiode regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen. Soms waren dieren langere tijd aanwezig. Er werden geen bijzondere gerichte verplaatsingen opgemerkt van Gewone dwergvleermuizen die zouden kunnen wijzen op een belangrijke vliegroute. Er werd in de derde onderzoek ronde een verblijvende Gewone dwergvleermuis aangetroffen aan de zuidwestkant van Gebouw C. Het ging om een solitair mannetje dat invloog om 3:30 (2 uur voor zonsondergang) onder een gat in het hout van de bebouwing. Het gebruik van dit verblijf kon in latere rondes niet bevestigd worden. Er wordt uitgegaan van een zomerverblijf, gebruikt door één vleermuis.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

23

Locatie zomerverblijf Gewone dwergvleermuis bij gebouw C binnen het plangebied.

Verspreid binnen het plangebied werden in latere onderzoek rondes tevens enkele in vlucht baltsende Gewone dwergvleermuizen waargenomen. De waarnemingen van deze in vlucht baltsende vleermuizen kon niet worden gekoppeld aan bebouwing binnen het plangebied. De vleermuizen vlogen tijdens het baltsen laag en in een rechte lijn zonder gebouwgericht gedrag of het hoger in de bebouwing aanvliegen van gebouwdelen. Er was geen sprake van langdurige aanwezigheid van de baltsende vleermuizen met aanhoudend rond of bij bebouwing vliegende dieren of gebouwgerichte activiteit (aantikken, gebouwgericht zwenken enzovoorts). Verondersteld wordt dat de vleermuizen werden aangetrokken door de baltslocaties vanwege de gunstige foerageermogelijkheden. Op de baltslocaties was sprake van opgaande begroeiing en er waren luwere terreindelen aanwezig. Het is gebruikelijk dat (Gewone) dwergvleermuizen later in het jaar zeer frequent sociale geluiden tijdens foerageeractiviteit laten horen. Mogelijk worden hiermee aanwezige vrouwtjes gelokt naar verblijven elders.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

24

Algemeen De Gewone dwergvleermuis is de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort wordt beschouwd als hoofdzakelijk gebouw bewonend. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen en daklijsten gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats in voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van (kraam)kolonies. Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode half juli – augustus. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Baltsende mannetjes worden ook vaak vliegend waargenomen en zijn dan vaak niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de (zomer)verblijven. Het foerageergebied wordt via vaste en veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, boszomen en watergangen.

6.2

Rosse vleermuis In het plangebied werd de Rosse vleermuis eenmaal waargenomen. De soort werd alleen foeragerend gezien zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bomen of begroeiing in het plangebied. Vanwege dit lage aantal waarnemingen wordt het plangebied niet gezien als (onderdeel van) een belangrijke vliegroute of essentieel foerageergebied voor de soort. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijke binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Rosse vleermuis is een echte bosbewoner en komt in bosrijke delen en oudere parken van ons land algemeen voor. De kraamkolonies, die regelmatig bestaan uit meer dan honderd vrouwtjes, bevinden zich vaak verdeeld over een netwerk van meerdere boomholten van vooral Beuk of Zomereik. In de kraamperiode verhuizen de dieren regelmatig. De mannetjes verblijven in de zomerperiode verspreid in kleine groepen in boomholten. In de nazomer is de baltsperiode en hebben de mannetjes een territorium bij een boomholte. Hier worden dan met enkele vrouwtjes paargezelschappen gevormd. In het najaar worden ook wel alternatieve verblijfplaatsen zoals

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

25

vleermuiskasten en hoogbouw gebruikt. Winterverblijven kunnen zich in dikke bomen bevinden, maar worden in ons land niet vaak aangetroffen. Rosse vleermuizen jagen bij voorkeur hoog boven open gebieden als bosranden, weiden, moerassen en meren. Jachtgebied en verblijfplaats kunnen relatief ver uit elkaar liggen (10 km). Vliegroutes lijken nauwelijks gebonden aan landschapselementen en worden hoog, hoger dan tien meter, en snel vliegend overbrugd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

26

7

Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Huismus), kleine marterachtigen (Wezel, Hermelijn, Bunzing, Rugstreeppad of vleermuizen nabij en binnen het plangebied kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.

7.1

Rugstreeppad Er zijn geen Rugstreeppadden waargenomen binnen of nabij het plangebied. Er was geen landbiotoop aanwezig. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Rugstreeppad. Wel geldt nog het advies dat zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of dienen terreindelen waar gaat worden gegraven of zand wordt opgebracht te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.

7.2

Huismus Er zijn geen Huismussen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. Er waren geen nestplaatsen aanwezig. Ook in de omgeving zijn geen broedende Huismussen vastgesteld. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus.

7.3

Kleine marterachtigen In het plangebied werden in het geheel geen kleine marterachtigen (Wezel, Hermelijn, Bunzing) of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten vastgelegd. Het plangebied wordt door veel katten bezocht. Mede hierdoor is het plangebied niet geschikt voor kleine marterachtigen. Huiskatten zijn één van de grote vijanden van kleine marterachtigen. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de kleine marterachtigen. Wel geldt de zorgplicht en dient dekking biedende vegetatie voorafgaand aan de ingreep kort te worden gemaaid en minimaal een nacht te blijven liggen voordat werkzaamheden starten. Er dient gewerkt te worden conform de restricties, conclusies en aanbevelingen uit FOKKENS, 2021.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

7.4

27

Vleermuizen Verblijfplaatsen De aanwezige vaste verblijfplaats van Gewone dwergvleermuis zal door de sloop of de renovatie van de gebouwen beschadigd en of vernield kunnen worden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Het foerageergebied binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. De aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied worden door de werkzaamheden, die beperkt zijn tot de bebouwing, niet in betekenende mate beïnvloed.

7.5

Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in de bebouwing of het omliggend groen in het broedseizoen wél andere soorten broedvogels vestigen met niet-jaarrond beschermde nesten. Dergelijke vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

28

8

Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie is een soort vleermuis aangetroffen (zie Tabel 7).

Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties in Heereweg 128 in 2022. Vogels

Huismus

Aanwezig

Verblijf

nee

nee

Essentieel leefgebied nee

nee nee nee

nee nee nee

nee nee nee

nee

nee

nee

Verblijf

Foerageergebied

Essentieel foerageergebied

vliegroute

Essentiële vliegroute

ja, 1 zv nee

ja ja

nee nee

nee nee

nee nee

Grondgebonden zoogdieren Wezel Hermelijn Bunzing Amfibieën Rugstreeppad Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Rosse vleermuis

♣ In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels (Huismus) voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Omdat kleine marterachtigen ontbreken in het plangebied en de omgeving daarvan, is geen negatief effect van de plannen op deze soorten mogelijk. ♣ Er zijn geen Rugstreeppadden in het plangebied waargenomen. Er is geen negatief effect op deze soort. ♣ Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of dienen terreindelen waar gaat worden gegraven of zand wordt opgebracht te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

29

♣ In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of gebouwdelen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag Wnb). Zie ook Bijlage 2.5.1. ♣ Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. ♣ Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). ♣ Als daarnaast gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (FOKKENS, 2021), worden bij uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

30

9

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. BEUSEKOM, R. VAN, HUIGEN P., HUSTINGS F., DE PATER, K. & THISSEN J. (RED.), 2005. Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Tirion uitgevers B.V., Baarn. BIJLSMA, R.G., HUSTINGS F. & C.J. CAMPHUYSEN, 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. FOKKENS, J.R., Heerenweg 128 te Schoorl. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2021-249.

Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. HERDER, J.E., J. HAMERS & K. DEKKER, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. Landschap Noord-Holland, Heiloo / Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland,

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

31

Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. NÖLLERT, A. & C. NÖLLERT, 2001. Amfibieëngids van Europa. TIRION Uitgevers bv, Baarn. RAVON WERKGROEP MONITORING, 1997. Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland. Stichting RAVON, Nijmegen. RUD-NHN, 2017. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in NoordHolland, Handreiking bescherming en onderzoek kleine marterachtigen. SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VAN DELFT, J.J.C.W., R.C.M. CREEMERS & A.M. SPITZEN-VAN DER SLUIJS, 2007. Basisrapport Rode Lijst Amfibieën en Reptielen volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Stichting RAVON, Nijmegen. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.

www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

32

10

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2

Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

Bijlage 1 Verspreidingskaarten vleermuizen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

Bijlage 2 Huidige natuurwetgeving Bijlage 2.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 2.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 2.2 Soortbescherming Bijlage 2.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 2.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 8.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

+ + + +

Heereweg 128 te Schoorl

Bijlage 2.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 2.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 2.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 2.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 2.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. ♣ in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

♣ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 2.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.

Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 2.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2022-074

Heereweg 128 te Schoorl

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.

Bijlage 2.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 2.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5108/documents/40960