bij 7 Archeologisch onderzoek Duinweg 58-60 Schoorl.pdf
Tekst van het document
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middels verkennende boringen aan de Duinweg 58-60 in Schoorl Gemeente Bergen (NH)
HOLLANDIA archeologen
2
C OLO FON Hollandia reeks nr. 1083 Titel: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek middels van verkennende boringen aan Duinweg 59-60 in Schoorl, gemeente Bergen (NH) Toponiem: Duinweg 58-60 Gemeente: Bergen Onderzoeksmeldingsnummer Archis: 5328612100 Centrumcoördinaten: 108.729/522.562 (N) 108.777/522.501 (O) 108.733/522.427 (Z) 108.686/522.463 (W) Auteur: drs. S.M. Vermoolen In opdracht van: DNS Planvorming Klaprozenweg 75c 1033 NN Amsterdam Contactpersoon: Dhr. R. Dekker Wetenschappelijke leiding: M. Langeveld Illustraties: S.M. Vermoolen, tenzij anders vermeld. Definitieve versie: juni 2023 Oplage: 7 ISSN: 1572-3151
© Hollandia archeologen, Zaandijk 2023 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk 075 - 622 49 57 info@archeologen.com
I N H OU D SO PG AV E Inhoudsopgave Samenvatting5 1. Inleiding7 2. Het onderzoeksgebied 9 3. Beleid11 4. Doel en methode - bureauonderzoek 13 5. Aardwetenschappelijke gegevens 15 6. Historische gegevens 19 7. Archeologische gegevens 21 8. Archeologische verwachting 23 9. Doel en methode - veldonderzoek 25 10. Onderzoeksresultaten27 11. Beantwoording onderzoeksvragen 31 12. Conclusie en advies 33 Literatuurlijst35 Bijlagen37 Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologische stappenplan Bijlage 3: Boorstaten
3
Afbeelding 1. Satellietfoto van het plangebied aan de Duinweg 58-60 (Bron: Google Earth).
SA M E NVAT TI N G In februari 2023 heeft Hollandia archeologen, in opdracht van dhr. R. Dekker, namens DNS Planvorming B.V., een archeologisch bureauonderzoek opgesteld en een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (IVO-O) uitgevoerd voor een plangebied aan Duinweg 58-60 in Schoorl, gemeente Bergen (NH). Op de locatie van het zuidelijk plangebied zullen verschillende sloop- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd, waaronder de bouw van meerdere woningen en een ondergrondse parkeergarage. Het plangebied bevindt zich binnen een terrein van een Archeologisch Monument (AMK, nr. 13870). Hierbij geldt voor het gebied een hoge archeologische waarde met een kans op het aantreffen, zowel boven- als ondergrond, van (bouw)historische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in totaal tien boringen gezet tot een diepte van 2,00 m -mv. In de top een (sub)recente bruin-grijze zandige bodemlaag waargenomen met baksteenfragmenten en wortelresten. Hieronder is, vanaf 0,10 - 0,50 m -mv (0,40 0,80 m +NAP), een lichtbruine/grijze zandlaag met humeuze vlekken aangetroffen. In drie boringen is een mogelijke cultuurlaag aangetroffen. Vanaf 1,20 m - 1,40 m -mv (ca. -0,50 - 0,10 m NAP) is een donkergrijze/zwarte humeuze zandlaag gedocumenteerd. Deze mogelijke cultuurlaag heeft een dikte van ongeveer 20 centimeter.
Hieronder bevindt zich een natuurlijke geelwitte (stuif)zand laag (laagpakket van Schoorl, formatie van Naaldwijk). In een aantal bodemlagen zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van mogelijk (vroeg)middeleeuws akkerniveau. Advies
Het huidige onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Wanneer er grondverstoring gaat plaatsvinden wordt geadviseerd om in het onderzoeksgebied aanvullend archeologisch onderzoek. Hierbij moet een buffergrens worden aangehouden bij werkzaamheden dieper dan 1,00 m -mv ter hoogte van het plangebied Duinweg 60. Bij het overschrijden van deze dieptes wordt geadviseerd om een waarderend archeologisch onderzoek uit te voeren door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, protocol 4003). Hiermee kan bepaald worden wat de aard, begrenzing en datering van de mogelijke vindplaatsen is en op basis hiervan vast te stellen of deze behoudenswaardig zijn. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport besluit of verdere stappen gewenst zijn.
5
Afbeelding 2. Ontwerptekening
D 2472
van de toekomstige bebouwing. Het huidige pand wordt gesloopt en er wordt een nieuwe dubbelwoning met bijgebouwen
D 2941
gerealiseerd. Ook wordt
56
onder de huidige stallen een ondergronds parkeergarage
weide
uitgegraven (aangeleverd door
D 2297
opdrachtgever).
8
1392,8m2 D 2173
A /Z 58
Dui nw eg
weide
wonen w-2(c)
vb
58/ZA
vb vb
7
handhaven bestaande rijbak 20x40
1497,8m2
19
7
,2 85
tuin
wonen w-2(c) 11 ,2
60c
5
1042,8 m2
60/by y /b 60
60a 60b
6 60
A 62/Z
60
D 2742
r
D 2741
Dui nw eg
D 2126
0 62
12 7
50 m
1
I N LE I D I NG In januari 2023 heeft Hollandia Archeologen uit Zaandijk voor dhr. R. Blokker, van DNS Planvorming B.V., een archeologisch bureauonderzoek opgesteld en een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uitgevoerd voor een locatie aan Duinweg 58-60 in Schoorl, gemeente Bergen. Het archeologisch vooronderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het plangebied zal worden ontwikkeld waarbij de huidige woning wordt gesloopt en een nieuwe (dubbel)woning met bijgebouwen worden gerealiseerd. Voor deze werkzaamheden dient een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Enkele bestaande schuren worden gesloopt waarvoor een nieuwe woning in de plaats komt. Onder de nieuwbouw zullen geen heipalen worden aangebracht. Echter wordt onder de bestaande stallen een ondergrondse parkeerkelder geplaatst. Om inzicht te krijgen in de archeologische waarden zal voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting worden geformuleerd en de maximale diepte worden bepaald waar op basis van verstoringen archeologische resten kunnen worden verwachten en/of worden uitgesloten. Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is om in een vroeg stadium van de plannen inzage te hebben in de te verwachten archeologische waarden.
Het doel van een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen is om de bodemopbouw en eventuele (sub)recente vergravingen in kaart te brengen en de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het bureauonderzoek, te toetsen en eventueel aan te vullen. Op basis van de resultaten van het bureau- en booronderzoek wordt een advies geformuleerd waarop de gemeente Bergen besluit over de eventueel te nemen vervolgstappen. In het archeologisch informatiesysteem van Nederland (ARCHIS3) staat het onderzoek onder nummer 5328612100 geregistreerd.
7 Afbeelding 3. Een topografische kaart van het plangebied aan Duinweg 58-60. De locatie is aangegeven in het rode kader (bron: PDOK).
8
2
H E T O N D E R ZO E KSG E BIE D Het onderzoeksgebied ligt deels in de historische kern van Aagtdorp en is gelegen tussen de Duinweg en Postweg. De RD-centrumcoördinaten van het plangebied is 108.729/522.562 (N), 108.777/522.501 (O), 108.733/522.427 (Z) en 108.686/522.463 (W). Op het perceel Duinweg 60 is een voormalige bedrijfsmatige paardenhouderij aanwezig. De bedrijfsbestemming op het perceel Duinweg 60 zal gedeeltelijk worden gewijzigd naar de bestemming wonen waarbij de ‘bedrijfswoning’ in de stolpboerderij wordt omgezet naar ‘burgerwoning’ en twee additionele woningen in het hoofdgebouw worden toegevoegd. Bestaande schuren op dit perceel zullen worden gesloopt, waarna hier een vrijstaande woning wordt gerealiseerd met ondergrondse parkeergarage. Het voornemen voor perceel Duinweg 58ZA is om de bestaande bebouwing te slopen en een nieuwe woning te realiseren. De gronden hebben thans een woon-, tuin- en groenbestemming en bieden geen mogelijkheid voor het oprichten van een woning. Het niveau van het huidige maaiveld bevindt zich op een hoogte tussen ca. 0,8 m en 1,5 m +NAP. Het onderzoeksgebied bevindt zich in een terrein van een Archeologisch Monument (AMK, nr. 13870). Hierbij geldt er voor het gebied een hoge archeologische waarde met een kans op het aantreffen, zowel boven- als ondergrond, van (bouw)historische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd.
9 Afbeelding 5. Satellietfoto van de onderzoekslocatie aan Duinweg 58-60 in Schoorl. Het AMK-terrein is aangegeven met het blauwe kader.
10
Afbeelding 6. Uitsnede van de kaart van het bestemmingsplangebied ‘Schoorl-Kernen en Buurtschappen’. Het plangebied bevindt zich ter hoogte van de rode kader. Bron: Ruimtelijke Plannen.
3
B EL E I D In de Erfgoedwet stellen het Rijk en de provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat er ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Holland het beleidskader ‘Landschap en Cultuurhistorie’ vastgesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen archeologische terreinen zoveel mogelijk behouden te blijven en ingepast te worden in de nieuwe ruimtelijke structuur. Terreinen van zeer hoge en van hoge waarde dienen in het bestemmingsplan te worden opgenomen en beschermd. Bij ontwikkeling geldt dat werkzaamheden die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige waarden vergunningsplichtig zijn. Archeologische overblijfselen moeten door een archeologisch vooronderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium worden gelokaliseerd. Waardevolle vindplaatsen die niet behouden kunnen blijven moeten voorafgaand aan de planuitvoering worden onderzocht door middel van een opgraving.
De provincie bepleit om bij planontwikkeling de cultuurhistorische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium te inventariseren en bij het ruimtelijk ontwerp zoveel mogelijk in te passen (www.ruimtelijkeplannen.nl). Het plangebied bevindt zich binnen het bestemmingsplangebied ‘Schoorl-Kernen en buurtschappen’, vastgesteld in 2009 (zie afb. 6). Binnen het bestemmingsplan valt het plangebied binnen een ‘archeologisch waardevol gebied’ waarvoor ‘regime III’ van toepassing is. Dit betekent dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijk rapport moet worden overlegd indien de oppervlakte van de plannen groter is dan 500 m2 en waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm worden uitgevoerd.
11
12
4
D OE L E N M E THODE - B U RE AU ON DER ZOEK Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de geplande bodemroering en de vraagstelling dienen aanvullende gegevens verzameld te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Bergen, kan hierop een (selectie)besluit maken ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium in de planvorming rekening gehouden worden met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1.
2.
3.
Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS3) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Relevante geologische, historische en archeologische literatuur.
13
Afbeelding 7. Geomorfologische kaart van de regio rond het plangebied. Het plangebied staat weergegeven met het rode kader en bevindt zich binnen B76 (Bron: PDOK).
14 bEZ21
Afbeelding 8. Bodemkundige kaart van de regio rond het plangebied. De plangebied staat weergegeven met het rode kader. Het bevindt zich in een gebied
gMn83C
dat omschreven staat als EZg21 (Bron: PDOK).
EZg21 Zd30
gMn83C Zn30
5
A AR DW E T E NSCHA PPE LIJ KE G E GE VEN S Type gegevens
Bron
Omschrijving
Tabel 1. Samenvatting van de
Geologie
De Mulder et al. 2003; Vos Laagpakket van Schoorl; formatie van Naaldwijk
relevante aardwetenschappelijke
2015
Hollandveen laagpakket; formatie van Nieuwkoop
gegevens over de regio van het
Laagpakket van Zandvoort; formatie van Naaldwijk
plangebied.
Laagpakket van Wormer; formatie van Naaldwijk Geomorfologie
Geomorfologische kaart
Strandwal, vrij vlak en laaggelegen. Al dan niet met duin-
(zie afb. 7)
van Nederland (PDOK)
zand/stuifzand (M72),
ten
(B76)
en
oosten
‘kustduinen
‘vlakte
van
met
getij-afzettingen’
bijbehorende
vlakten
en laagten’ (L53). Bodemkunde
Bodemkaart van
‘Lage
(zie afb. 8)
Nederland (PDOK)
(EZg21),
enkeerdgronden; ten
leemarm
noorden
en
zwak
‘Hoge
bruine
lemig
fijn
zand’
enkeerdgronden;
leemarm en zwak lemig fijn zand d’ (bEZ21) en ‘knippige poldervaaggronden; oosten
klei,
‘vlakvaaggronden;
profielverloop grof
zand’
3’ (Zn30)
(gMn83C), en
ten
‘duinvaag-
gronden; grof zand’ (Zd30). Hoogte maaiveld
t.o.v.
het Algemeen Hoogtebestand
1,00 - 1,50 m +NAP
Nederland (AHN)
Genese van het landschap (naar Diederik & Tuinman 2018) Door de relatief snelle temperatuurstijging aan het einde van het pleistoceen (ca. 11.0009.000 v. Chr.) smolten de ijskappen en steeg het niveau van de zeespiegel sterk. Vooral in het atlanticum (7.000-3.900 v. Chr.) werd door een blijvende stijging van de zeespiegel een dik pakket afzettingen gevormd. Voor de kust van Noord-Holland lag echter, door de relatief hoge ligging van het pleistocene zand, een gesloten duinenboog die ter hoogte van Bergen begon en doorliep tot en met Vlieland. Hierdoor heeft het onderzoeksgebied vooral te maken gehad met het getijdengebied dat zich ten zuiden van Alkmaar vormde. Dit getijdenbekken verplaatste zich door de stijging van de zeespiegel steeds verder landinwaarts. Langs de randen hiervan bevond zich een moerassige zone waarin zich laagveen vormde (basisveen). Pas vanaf 3.900 v. Chr. steeg de zeespiegel minder snel en werd de getijdengeul die van onder Bergen tot voorbij Schagen liep, langzaam opgevuld met zand en klei. In de lagune achter de kustlijn was opnieuw sprake van veengroei (Hollandveen) in de voormalige getijdenbekkens. Omdat de kustlijn nog niet geheel gesloten was - de zeegaten van Bergen en Alkmaar waren namelijk deels nog open - en de zeespiegel nog wel steeg, heeft de zee de laagveen moerassen van tijd tot tijd opgeruimd.
Hierdoor kon het achterliggende gebied blijven ontwateren, daalde het oppervlak en werd het laagveen door de zee overstroomd. Tijdens deze overstromingen werden klei en slib afgezet. Deze afzettingen zorgden voor ophoging van het gebied waardoor de zee weer minder invloed kreeg en zich een nieuw veengebied kon ontwikkelen. Door deze afwisseling ontstond een gelaagd pakket van veen, klei- en zandafzettingen doorsneden door getijdengeulen. Van deze geulen zijn twee hoofdtakken in Noord-Holland te onderscheiden. De hoofdgeul liep noordwaarts naar Schagen en verder West-Friesland in. Het plangebied ligt in de overgangszone van de west-oost lopende haakwal en het veengebied. In ongeveer 1.800 voor Chr. sloot het zeegat van Bergen zich en had de zee minder invloed op het achterliggende gebied van geulen, kwelders en laagveen. Hierdoor werd bewoning mogelijk op de hoger gelegen delen. Er vonden voorlopig geen grote inbraken meer plaats en de veenmoerassen veranderden in hoogveenkussens. In de Geestmerambacht en bij Schagen zijn inmiddels drie woonplaatsen vastgesteld uit de overgang van vroege naar late bronstijd.
15
Rond 1600 v. Chr. is er echter een korte periode geweest van verhevigde zee-invloed, waardoor vrijwel het gehele westelijk deel van de voormalige lagune opnieuw werd afgedekt door een laag zavelige klei. Na 1600 v. Chr. was bewoning in het gebied achter het voormalige zeegat van Bergen door verhoging van de grondwaterstand en toenemende vernatting voorlopig niet meer mogelijk. Pas toen een groot deel van het gebied was bedekt door veenkussens die een gemiddelde dikte van ruim een meter hadden en de afwatering door een stelsel van veenriviertjes werd verzorgd, kon de mens terugkeren naar het gebied. Dit heeft plaatsgevonden rond 350 v. Chr. Vanaf die tijd is het voormalige kweldergebied mogelijk geschikt voor bewoning geweest. In de derde eeuw van de jaartelling neemt op veel plaatsen de wateroverlast toe en worden de laagst gelegen woonplaatsen overstroomd, waardoor een dun laagje zeer vette klei wordt afgezet. Op andere plaatsen weet zich bewoning te handhaven tot ver in de vierde eeuw. Inmiddels is er op de natte laagste punten weer sprake van veengroei, waardoor de venen hoger worden. De kuststrook is echter gevrijwaard gebleven van ernstige wateroverlast, zodat bij Hargen en Bergen bewoning vanaf de vroege ijzertijd tot in de middeleeuwen is vastgesteld.
16
Vanaf 1000 n. Chr. begint de strandwallenkust echter te verstuiven en ontstaan er duinen die grote delen van het oude landschap afdekken. Ook de afwatering komt hierdoor in de knel. Een stijgende zeespiegel en een, door agrarische bewerking dalend landschap, zorgen voor overstromingen in het estuarium van de Rekere/Zijpe, maar ook voor het ontstaan van het Berger- en Egmondermeer. De oudste overstromingen zorgden voor de afzetting van een zeer zware klei (pikklei) op het oude landschap. In deze periode zijn de eerste kaden en (lage) dijkjes aangelegd langs het bestaande, deels nog natuurlijke, afwateringssysteem van de Rekere. In de 12e en 13e eeuw was er echter sprake van regelmatige overstromingen waardoor grote delen van het lager gelegen landschap werden afgedekt door een dikke laag zavelige klei. Door de aanleg van de dammen langs de Rekere werd de grootste dreiging van overstroming door zout water vanuit het noordoosten beperkt. Geomorfologie en bodemkunde
In geologisch opzicht behoort het plangebied tot het laagpakket van Schoorl, op het laagpakket van Zandvoort, binnen de formatie van Naaldwijk. Richting het oosten komt het Hollandveen laagpakket voor binnen de Formatie van Nieuwkoop. Op de geomorfologische kaart is de bodem waarbinnen het onderzoeksgebied ligt het in een zone van de ‘strandwal, vrij vlak en laaggelegen, al dan niet met duinzand/stuifzand (B76)’. Noordelijker en westelijker liggen begroeide kustduinen met bijbehorende vlakten en laagten (code: L53). Ten oosten van het onderzoeksgebied bevinden zich vlaktes van getij-afzettingen (code: 2M72), bestaande uit jonge zeeklei en mogelijke veenresten. Bodemkundig bevindt het onderzoeksgebied zich tussen twee gebieden, waarbij de meerderheid wordt omschreven als knippige poldervaaggronden; zavel; profielverloop 3 (code: gMn83C). Verder bevinden er duinvaaggronden westelijker van het onderzoeksgebied bestaande uit grof zand (code: Zd30). Het plangebied wordt omschreven als lage enkeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (codes: EZg21).
Grondboringen van www.dinoloket.nl
Ten behoeve van bodemkundig en geologisch onderzoek zijn in het recente verleden rondom het onderzoeksgebied boringen verricht. Deze gegevens zijn te raadplegen via het dinoloket (www.dinoloket.nl). De boringen geven een eerste inzicht in de ondergrond van de plangebieden. Boring 1 (afb. 13) Boring 1, ten westen van plangebied, levert op de eerste meter het jonge duinzand dat gerekend wordt tot het laagpakket van Schoorl binnen de formatie van Naaldwijk. Hieronder is tot 5,50 meter onder maaiveld een dik pakket oud duinzand, dat behoort tot het laagpakket van Zandvoort (formatie van Naaldwijk). Boring 2 (afb. 13) Boring 2 is de boring die zich het dichtste bij het plangebied bevindt. Hier leverde de eerste 2,5 meter een opgebrachte zandlaag op. Hieronder werden tot 15 meter onder maaiveld het twee verschillende zandlagen aangetroffen die gerekend werden tot het laagpakket van Zandvoort binnen de formatie van Naaldwijk.
Afbeelding 9. Twee dinoloket boringen B19A1037 en B19A1036 ter hoogte van Aagtdorp (bron: Dinoloket).
17
Afbeelding 10. Kaart uit 1815 van de omgeving van Bergen en Schoorl. Het plangebied is aangegeven in de rode cirkel (bron:www.topotijdreis.nl).
18
Afbeelding 11. Uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832 van Aagtdorp/Schoorl. Het plangebied is aangegeven in het rode kader. Er is geen bebouwig aanwezig (bron:ARCHIS3).
6
H ISTO R I SC H E GE GE V E NS Het onderzoeksgebied bevindt zich in Schoorl, dat samen met de buurtschappen Hargen, Groet, Bregtdorp, Schoorldam, Catrijp en Aagtdorp deel uit maakte van de gemeente Schoorl, maar nu behoort tot de gemeente Bergen. In de 8e en 9e eeuw concentreerde de bewoning zich voornamelijk op de oude strandwallen en duinen van Bergen en Schoorl, maar ook doorbuiten werd gewoond. Schoorl bevindt zich in Noord-Kennemerland, een streek die al vroeg (tussen 715 en 739) wordt vermeld in de schriftelijke bronnen als ‘Kinnehim’. De vroegste vermelding van woonplaatsen (villae) binnen ‘Kinnehim’ betreft onder andere Schoorl. De oudste historische vermelding van Schoorl dateert uit de periode 918 tot en met 948 en hierin wordt Schoorl ‘Scoronlo’ genoemd (van Berkel/ Samplonius 2006). Archeologische vondsten hebben echter aangetoond dat Schoorl al eerder dan de 9e eeuw bewoond werd, mogelijk al vanaf de IJzertijd/Romeinse Tijd (Tuinman 2020). In de middeleeuwen nam de bewoning toe en lagen de dorpen en akkers geconcentreerd op de hoger gelegen geestgronden. De lagere en natte gebieden lagen tussen de geestgronden in en werden gebruikt als weide- en hooilanden. Vanaf de strandwallen begon men met het ontginnen van de achterliggende veengebieden. Geleidelijk werden ook minder geschikte gronden ontgonnen. Door de ontginningen daalde de bodem echter.
In de tweede helft van de 12e eeuw kampte Noord-Holland met een aantal stormvloeden. Vanaf die periode ontstond een breed ondiep zeegat tussen Petten en Callantsoog; de Zijpe. Vanwege de zeeinbraken in de 12e en 13e eeuw werden dijken aangelegd om woonplaatsen en landbouwgronden te beschermen. Vele kaden en dijken werden aangelegd door het klooster van Egmond. Om de gronden van Schoorl, Groet en Hargen te beschermen werd in de 12e eeuw de Oudedijk (Oude Schoorlse Zeedijk) aangelegd (Mulder et. al. 1995 ; Soonius 1995 ; Haartsen 2009). Het duin was in de middeleeuwen eigendom van de graven van Holland (Roos 2009). Vanaf 1446 werden de Schoorlse markten gehouden op de Paardenmarkt. Filips II had in 1446 het marktrecht verleend en rond die tijd kreeg Schoorl ook het waagrecht. Kort hierna werd dan ook een waag gebouwd op het marktplein. Dankzij de drukbezochte markten verschenen ook herbergen in het dorp (Tol/Vermoolen 2021). Historische kaarten Er zijn verschillende historische kaarten beschikbaar uit de nieuwe tijd. Er zijn echter weinig kaarten beschikbaar waar de situatie en ontwikkeling van het gebied duidelijk wordt geïllustreerd. Langs de buurtdorpen loopt al sinds de middeleeuwen de verbindingsweg de Heerweg, geflankeerd door kastelen, kloosters en buitenplaatsen. Een van deze kastelen, kasteel Poelenburg, is te zien op een kaart uit 1815.
Een aantal huidige wegen komen overeen met het systeem dat wordt weergegeven op de kaart, waardoor de ligging van het onderzoeksgebied kan worden bepaald (zie afb.10). De eerste gedetailleerde kaart waarop het onderzoeksgebied te zien is, is de kadastrale minuut van 1811-1832. Op deze kaart staat het onderzoeksgebied bekend als perceel 99 en 100, een onbebouwd perceel dat volgens de aanwijzende tafel gebruikt werd, door twee eigenaren, als weiland. Uit een topografische kaart uit 1870 en 1942 blijkt dat het plangebied nog deels nog steeds open ligt met de oorspronkelijke perceelsgrenzen. Het zuidelijke gebouw (nr. 60) is gebouwd in 1925. De schuren en bijgebouwen zijn gebouwd in 1960 en in de jaren ‘90 van de vorige eeuw (zei afb. 12 en 13, gegevens uit BAG-register).
19
Afbeelding
12.
Topografische
kaart uit 1870 van het gebied rondom Bergen en Schoorl. Het onderzoeksgebied is aangegeven met het rode kader. Er is nog geen bebouwing zichtbaar (bron: www. topotijdreis.nl).
20 Afbeelding 13. Bonnekaart uit 1904 met de locaties van de plangebieden in rood weergegeven (Bron: topotijdreis.nl).
7
ARC HE OLO G I SCHE GE GE V E NS Rondom het onderzoeksgebied aan Duinweg 58-60 zijn meerdere archeologische gegevens bekend. Er zijn proefsleuven, begeleidingen en booronderzoeken uitgevoerd en er zijn meerdere vondstmeldingen gedaan. Het plangebied bevindt zich tevens binnenin een Archeologisch Monument (AMK terrein). Het terrein heeft een middelhoge archeologische waarde en betreft een terrein met sporen van bewoning en resten van complete cultuurlandschappen uit prehistorie, Romeinse tijd en historische tijden (monumentnummer nr. 13870). Hierbij geldt er voor het gebied een hoge archeologische waarde met een kans op het aantreffen, zowel boven- als ondergrond, van (bouw)historische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Rondom het plangebied zijn in het archeologisch informatiesysteem van Nederland (ARCHIS3) enkele archeologische waarnemingen bekend. De vondsten zijn afkomstig uit de vroege ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Naar aanleiding van de Romeinse vondsten (6, 7) kan de aanwezigheid van resten uit de Romeinse Tijd niet worden uitgesloten. Een overzicht van de vondsten zijn te zien in tabel 3. Hollandia archeologen heeft in 2014 en 2015, ter hoogte van Manege Poelenburg, een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (OMN nr. 2431769100/2431833100 en 3296152100) met daarop volgend een proefsleuvenonderzoek.
Het heeft geresulteerd in het aantreffen van twee mogelijke greppels uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen en slachtafval uit de vroege of midden bronstijd A en de bronstijd-ijzertijd. Daarnaast is inzicht verkregen in de bodemopbouw in het plangebied. De natuurlijke ondergrond bestaat uit oud duinzand dat wordt afgedekt door een veenpakket dat zich vanaf ca. 1500 v. Chr. heeft gevormd. Bovenop het veen liggen zijn vermoedelijke afzettingen van de Rekere uit de middeleeuwen. Op basis van de aangetroffen botfragmenten kan gesteld worden dat prehistorische bewoning en activiteit in de nabijheid van het plangebied plaatsvond. Er zijn in het plangebied echter geen directe aanwijzingen voor bewoning aangetroffen, zoals huisgreppels, palen en kuilen. Zowel de fysieke als inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats scoorden laag, waardoor de vindplaats niet als behoudenswaardig werd geacht. Ten noorden van het onderzoeksgebied heeft ADC archeoprojecten een inventariserend veldonderzoek door middel van een karterend booronderzoek uitgevoerd aan de Duinweg 99-101, toponiem Camping Koningshof (OMN nr. 2169491100). Hier vond men geen restanten van bebouwing vanaf de 17e eeuw, maar werd wel verwacht dat er wel sporen aangetroffen konden worden van vroeg middeleeuwse veenontginning, bewoning en landbouwactiviteiten.
Sporen van landbouwactiviteiten en bewoning uit de periode ijzertijd - Romeinse tijd kon niet worden uitgesloten (van der Zee, 2007). Naast de vondstmeldingen is er in 2020, 100 m richting ten oosten van het plangebied, door Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd ter hoogte van de Gerbrandtslaan (OMN 4861259100). Hier werden geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaats of andere archeologische indicatoren (Bakker, 2021). Ten zuidwesten heeft RAAP een archeologische begeleiding uitgevoerd in plangebied Pijlkruid in verband met de aanleg van natuurlijkvriendelijke oevers (OMN nr. 2346087100 Dit plangebied reikte van Poelenburg tot ongeveer aan de Hooidijk. Hier trof men bewoningssporen aan uit de ijzertijd/Romeinse tijd in de vorm van kuilen met vondstmateriaal en de late middeleeuwen/nieuwe tijd in de vorm van greppels, sloten en
21
kuilen (van der Wal/Leijnse, 2012). In 1996 en 1997 zijn in opdracht van de provincie Noord-Holland negen onderzoekslocaties in Noord-Holland onderzocht voor de aanleg van enkele milieuvriendelijke oevers. De terreinen waren gelegen in Graft-De Rijp, Enkhuizen, Hilversum, Westerkoggenland, Harenkaspel, s-Gravenland, Texel en Schoorl (OMN nr. 2081321100, Soonius 1997) Alleen in Harenkaspel Verder zijn er een aantal bureauonderzoeken uitgevoerd in de regio door de Cultuurcompagnie en Sweco waar geen informatie over bekend is.
Afbeelding 14. Overzicht van archeologische onderzoeks gebieden en vondstmeldingen rondom het plangebied (bron: ARCHIS3).
22
01-02-2023 10:20:29 Archeologische objecten (selecteerbaar)
4 3
4861259100
4861259100
2169491100
5 2141769100 2431833100 en 2 1 3296152100 2081321100
6
2345087100 7
100 m
Bronnen: Topografie - BRT Achtergrondkaart: Kadaster (CC BY 4.0)
Type gegevens
Zaakindentificatienummer
Omschrijving
Tabel 2. Overzicht van de
Archeologisch bureau- en
2431769100/2431833100,
Op basis van de aangetroffen botfragmenten
relevante archeologische
verkennend booronderzoek
Salomons 2014
kan gesteld worden dat prehistorische
onderzoeksgebieden,
3296152100, Honigh 2015
bewoning en activiteit in de nabijheid van
waarnemingen en
het plangebied plaatsvond. Er zijn in het
vondstlocaties rondom het
plangebied echter geen directe aanwijzingen
onderzoeksgebied.
voor bewoning aangetroffen, zoals huisgreppels, palen en kuilen. Archeologisch opgraving,
2346087100, Wal, F.J. van
Hierbij zijn bewoningssporen uit de ijzertijd/
variant begeleiding
der & K. Leijnse 2012
Romeinse tijd in de vorm van kuilen met vondstmateriaal en de late middeleeuwen/ nieuwe tijd in de vorm van greppels, sloten en kuilen aangetroffen (van der Wal/Leijnse, 2012).
Archeologisch verkennend en
2169491100, Van der Zee
Uit het booronderzoek zijn er aanwijzingen
karterend booronderzoek
2007
van sporen van landbouwactiviteiten en bewoning uit de periode ijzertijd - Romeinse tijd kon niet worden uitgesloten.
Archeologisch bureauonderzoek
4861259100, Bakker 2021
en verkennend booronderzoek
Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische indicatoren en/of vegetatieniveaus
Archeologische opgraving variant begeleiding
2081321100, Soonius 1997
In enkele gemeentes in Noord-Holland is een booronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van milieuvriendelijke oevers. In het gebied bij Schoorl zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen.
Archisnummer
Kaartnummer Omschrijving
2977556100
1
Stenen bebouwing, grachten en houtwallen afkomstig uit de Late Middeleeuwen.
2346087100
2
Kuilen, greppels en sloten met aardewerk, bot en steen afkomstig uit de IJzertijd - Nieuwe tijd.
2791985100
3
Menselijk bot en aardewerk fragmenten afkomstig uit de Vroege IJzertijd - Midden IJzertijd.
2946249100
4
Cultuurlaag uit de Vroege - Late Middeleeuwen met bewoningssporen, aardewerk, steengoed en steen.
2738743100
5
Vaatwerk scherf afkomstig uit de Romeinse tijd.
2738646100
6
Handgevormd aardewerk en vuursteen afkomstig uit de Romeinse tijd.
3134119100
7
Ophogingslaag van een dijk afkomstig uit de Middeleeuwen.
23 Tabel 3. Overzicht van de bekende archeologische vondsten rond het plangebied.
24
8
ARC HE OLO G I SCHE V E RWACHT ING Periode
Verwachting
Diepte
Omschrijving van de te verwachte resten
Laatneolithicum
laag
van (jacht)kampen, Op de kwelder Resten cultuurlagen, greppels, onder de oude seizoenskampen, aardewerk, natuursteen, resten duinen (vanaf kuilen, vuursteenbewerking, haarden, 3,00 m onder van crematieresten en archeobotanisch/ maaiveld) zoölogisch materiaal.
Bronstijd
Middelhoog
Op het niveau van de oude duinen. (vanaf 2 m onder maaiveld).
Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, aardewerk, natuursteen, gewei, voorwerpen van been, metaal en hout, archeobotanisch/zoölogisch materiaal, betredingssporen, leer.
IJzertijd/ Romeinse tijd
Hoog
Op het niveau van de oude duinen (vanaf 2 m onder maaiveld).
Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, voorwerpen van been, metaal en hout, leer, glas en archeobotanisch/zoölogisch materiaal.
Vroege middeleeuwen
Hoog
Op de grens tussen de oude en jonge duinen (vanaf 1 - 1,5 m onder maaiveld)
Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, voorwerpen van been, metaal en hout, leer, glas, aanplempingslagen, karrensporen en archeobotanisch/zoölogisch materiaal.
Late middeleeuwen
Hoog
Direct onder maaiveld.
het Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, voorwerpen van been, metaal en hout, leer, glas, aanplempingslagen, karrensporen en archeobotanisch/zoölogisch materiaal.
Nieuwe tijd
Middelhoog
Direct onder maaiveld.
het Nederzettingssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, waterputten, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been, metaal en hout, leer, glas, karrensporen, kelders en archeobotanisch/zoölogisch materiaal.
De strandwallen waren aantrekkelijke gronden voor bewoning waar bewoningsporen vanaf het neolithicum aangetroffen kunnen worden. Alhoewel de hoger gelegen strandwallen aantrekkelijker waren was er ook bewoning mogelijk in sommige veen- en kleigebieden. Voor het plangebied geldt dat er geen neolithische bewoning plaats kon vinden door het Zeegat van Bergen. Aangezien het plangebied op de strandwal lijkt te liggen betekent het dat er wel bewoningssporen kunnen worden aangetroffen uit de bronstijd, maar dat deze waarschijnlijk beperkt blijven tot eventuele landbouwsporen en artefacten.
Tabel 4. Overzicht van de archeologische verwachtingen per tijdsperiode op basis van het bureauonderzoek.
25
Pas in de late ijzertijd en de Romeinse tijd werd het gebied intensief bewoond, voornamelijk op de (strand)wallen maar ook op de achterliggende veengronden. Door de archeologische begeleiding van RAAP en vondstmeldingen zijn er relatief veel sporen en vondsten uit de ijzertijd en Romeinse tijd bekend uit de regio, waardoor de verwachting dat deze kunnen worden aangetroffen aannemelijk is. Uit boringen geplaatst in de buurt van het onderzoeksgebied is te zien dat de veen- en kleiafzettingen in de regio verwacht kunnen worden op een diepte van ongeveer 2,00 á 3,00 m onder het maaiveld. Vanaf de vroege middeleeuwen wordt het veen ontgonnen en op grotere schaal bewoonbaar gemaakt. Dit komt overeen met de vroegste observatie van de dorpsnamen van de gemeente Bergen. Alhoewel er in de buurt relatief weinig sporen zijn van gevonden die als vroeg middeleeuws te dateren zijn is er een hoge archeologische verwachting door de nabijheid van het historische kern van Aagtdorp en vondsten uit de nabijgelegen begeleiding en proefsleuvenonderzoek.
26
Vanaf ca. 1000 n.Chr. vindt er een nieuwe fase van duinvorming plaats, waarbij de hoge duinen ten westen van het plangebied worden gevormd. Bij deze duinvorming vindt ook de overstuiving van de oudere duinen en veen- en kleigronden plaats, waardoor archeologische resten op verschillende niveaus bewaard kunnen zijn gebleven. Langs de strandwallen zijn op de bedekte veen- en kleigronden vele resten van bewoning uit de late middeleeuwen tot aan de nieuwe tijd aanwezig. Door de vele laat middeleeuwse vondsten, monumenten en sporen in de regio is er een hoge verwachting voor het aantreffen van laat middeleeuwse sporen. Het historische kaartmateriaal geeft aan dat er geen bewoning plaats vond op het onderzoeksgebied tot en met ten minste 1815. Vanaf dat moment is aan te nemen dat de sporen van bebouwing zeer gering zullen zijn. Het is niet uit te sluiten dat er wellicht voor de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan op het terrein. Daarnaast moet men rekening houden met het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd, in de vorm van sporen van agrarische activiteit.
9
D OE L E N M E THODE - V E LDONDER ZOEK Binnen het onderzoeksgebied is een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uitgevoerd (IVO-O). Het doel van het verkennend booronderzoek is om de ondergrond en eventuele (sub)recente vergravingen in beeld te brengen. Daarmee kan de archeologische verwachting worden getoetst en eventueel worden aangevuld. Binnen het onderzoeksgebied worden een antropogene laag (ophogingen, geroerde grond) en lagen behorende tot het laagpakket van Zandvoort en/of Schoorl verwacht. Het laagpakket van Zandvoort betreft stuifzand van de oude duinen en de mariene afzettingen van strandwallen en strandvlaktes worden gerekend tot het laagpakket van Zandvoort. Dit zand kan vaak herkend worden door de hogere mate van schelp- en kalkfragmenten in het zand. Het laagpakket van Schoorl betreft het jongere stuifzandpakket. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd die met dit verkennend booronderzoek beantwoord moeten worden: 1. Hoe is de bodem opgebouwd? 2. Zijn er (sub)recente vergravingen aanwezig? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? 3. Zijn er aanwijzingen van menselijk handelen? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? 4.
Zijn er op basis van de onderzoeksresultaten archeologische niveaus aan te wijzen? Zo ja, waar en hoe diep bevinden deze zich en wanneer kunnen ze zijn bewoond? 5. Dienen archeologische vervolgstappen te worden genomen? 6. Klopt de verwachting op basis van het vooronderzoek met de gegevens verkregen tijdens het huidige booronderzoek? Beargumenteer of verklaar. Voorafgaand aan het onderzoek is de onderzoeksmethode bepaald in het plan van aanpak (Vermoolen, 2023) dat zover mogelijk opgevolgd zou worden. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de KNA 4.1, protocol 4003 met deelprocessen VS03 tot en met VS08. Er zijn in totaal 10 boringen gezet. De boringen zijn in principe gezet tot 2,0 m onder maaiveld. Hiermee kunnen de verstoringen binnen de plangebieden in kaart gebracht worden. Eventuele vondsten zijn verzameld per laag. De boringen zijn gezet met een Edelmanboor met een diameter van zeven cm. De opgeboorde grond is handmatig afgezet en nader bekeken op archeologische indicatoren. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) en ingemeten in het landelijk RD-coördinatensysteem met een GPSR/instrument (afwijking <3cm).
27
Afbeelding 15. Boorpuntenkaart van de boringen in het plangebied Duinweg 58-60 in Schoorl (Bron: PDOK).
1
2
3 6 5
10 7 9
8 28
Afbeelding 16. Geroerde grijze toplaag met daaronder het geel/witte natuurlijke stuizand (laagpakket van Schoorl, formatie van Naaldwijk).
4
10
ON DE R ZO E KS RE SU LTAT E N De boorstaten van de 10 boringen zijn als bijlage toegevoegd aan dit rapport (zie bijlage 3). Op de boorpuntenkaart zijn de locaties van de boringen weergegeven (afb. 15). De hoogst gelegen boringlocatie lag op 1,28 m +NAP terwijl de laagste op 0,71 m +NAP lag. Het woonhuis en de schuur/stallen zijn eveneens op een hoger gelegen deel gebouwd dan de tuin en weilanden eromheen. Bodemopbouw Duinweg 58 (boring 1 t/m 6)
Vanaf het oppervlak werd in plangebied ter hoogte van Duinweg 58 eerst een toplaag (teelaarde) aangetroffen. Het bestond uit zwak humeus, grijsbruin, matig siltig zand met wortelresten. Deze (sub)recente bodemlaag heeft een dikte van 20 tot 80 cm. Hieronder is een zandige (bruin)grijze gevlekte laag aangetroffen met baksteenfragmenten en humeuze vlekken. Vanaf circa 1,00 - 1,20 m -mv (-0,20 - +0,30 m NAP), is een grijze zandlaag waargenomen met ijzer. Op 1,50 m -mv (-0,50 m NAP) is, in boring 1 en 2, een grijze humeuze band gedocumenteerd. Ook in boring 4 is een soortgelijke humeus bandje waargenomen (op circa 1,20 m -mv, -0,10 m NAP). Onder deze bodemlaag is tot einde boring natuurlijk lichtgrijs zand aangetroffen (laagpakket van Schoorl, formatie van Naaldwijk). Bodemopbouw Duinweg 60 (boring 7 t/m 10)
In de boringen binnen plangebied ter hoogte van de woonboederij en stallen (Duinweg 60) is een (sub)recente bruin-grijze zandige toplaag waargenomen met baksteenfragmenten en wortelresten. In sommige boringen was deze laag gevlekt van aard. Hieronder is, vanaf 0,10 - 0,50 m -mv (0,40 - 0,80 m +NAP), een lichtbruine/grijze zandlaag met humeuze vlekken aangetroffen. Tot ongeveer 1,40 m - mv (-0,10 m NAP) is een bruine zandlaag moet roestvlekken waargenomen. Hieronder is een mogelijke cultuurlaag aangetroffen. Vanaf 1,20 m - 1,40 m -mv (ca. -0,50 - 0,10 m NAP) is een donkergrijze/zwarte humeuze zandlaag gedocumenteerd. Deze mogelijke cultuurlaag heeft een dikte van ongeveer 20 centimeter. Qua hoogteligging en dikte verschilt het met het humeuze bandje ter hoogte van Duinweg 58. Hieronder bevindt zich een natuurlijke geelwitte (stuif)zand laag met een matige grove magering (laagpakket van Schoorl, formatie van Naaldwijk).
29
Afbeelding 17. Aanzicht tuin ter hoogte van Duinweg 60.
Archeologische indicatoren en recente vergravingen
In een enkele boring (B7) is een fragment aardewerk aangetroffen. Het betrof een fragment industrieel witbakkend aardewerk (19e-20ste eeuw). Tot circa 1,00 -1,20 m -mv is de bodem verstoord. Deze verstoring is dieper aanwezig op het perceel van Duinweg 60 dan op het perceel van nummer 58 (enkele tientallen centimeters). Er moet verder rekening meer worden gehouden dat de stolpboederij en (paarden) stallen op een hoger gelegen deel zijn gebouwd dan de rest van de tuin en weilanden. Dit hoogteverschil bedraagt ongeveer 40 centimeter (tuin is circa +0,90 m NAP, woonhuis ligt op circa +1,30 m NAP). Op een diepte tussen de 1,20 - 1,40 m -mv is een grijze humeuze bodemlaag aangetroffen, dat mogelijk een oud (akker)niveau kan zijn geweest. Interpretatie van de onderzoeksresultaten
De onderzoeksresultaten geven een bodemprofiel waarvan de bovengrond tot ongeveer 1,00 - 1,20 m verstoord is. De intacte natuurlijke bodem is, ter hoogte van Duinweg 60, zichtbaar vanaf 0,50 - 0,10 m -NAP. Op basis van de diepte van de mogelijke akkerlaag, de vondstmeldingen uit het gebied en andere cultuurlagen uit het gebied wordt verwacht dat deze cultuurlaag afkomstig vanaf de (vroege)middeleeuwen. De aanwezigheid van archeologische waarden boven deze cultuurlagen kan niet worden uitgesloten, maar de verwachting hierop is door de mate van verstoring laag. Archeologische waarden afkomstig uit de nieuwe tijd en de late middeleeuwen zijn waarschijnlijk volledig geroerd. De grondroering is ter hoogte van Duinweg 58 meer op diepte aanwezig. De humeuze bodemlaag is daarnaast minder dik en een beetje gevlekt van aard. Het is daarom niet gelijk met mogelijke akkerlaag op het andere perceel.
30 Afbeelding 15. Aanzicht stolpboederij en aanliggende stalcomplexen.
11
B E A N T WOORDING OND E R ZOE KSVR AGEN Wat is de bodemopbouw? In de boringen binnen plangebied ter hoogte van de woonboederij en stallen (Duinweg 60) en de bijgebouwen (Duinweg 58) is een (sub)recente bruin-grijze zandige toplaag waargenomen met baksteenfragmenten en wortelresten. In sommige boringen was deze laag gevlekt van aard. Hieronder is, vanaf 0,10 - 0,50 m -mv (0,40 - 0,80 m +NAP), een lichtbruine/grijze zandlaag met humeuze vlekken aangetroffen. Tot ongeveer 1,40 m - mv (-0,10 m NAP) is een bruine zandlaag moet roestvlekken waargenomen. In een aantal boringen (B3) is ook grind aangetroffen. In boring 8 t/m 10 is een mogelijk oud oppervlakniveau aangetroffen. Hier is vanaf 1,20 m - 1,40 m -mv (ca. -0,50 - 0,10 m NAP) is een donkergrijze/zwarte humeuze zandlaag gedocumenteerd. Deze mogelijke cultuurlaag heeft een dikte van ongeveer 20 centimeter. Hieronder bevindt zich een natuurlijke geelwitte (stuif)zand laag met een matige grove magering (laagpakket van Schoorl, formatie van Naaldwijk). Zijn er (sub)recente vergravingen aanwezig? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? De bodem is tot ongeveer 1,00 -1,20 m -mv verstoord. Deze verstoring is, ter hoogte van huisnummer 58, enkele tientallen centimeter minder diep.
Ter hoogte van perceel Duinweg 60 is op een diepte tussen de 1,20 - 1,40 m -mv een grijze humeuze bodemlaag aangetroffen, die mogelijk geinterpreteerd kan worden als een oud (akker)niveau. Zijn er aanwijzingen van menselijk handelen? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? Er zijn aanwijzingen van (sub)recent menselijk handelen en mogelijk oudere restanten van menselijke acitiviteit. Deze zijn aangetoond in de toplaag van het onderzoeksgebied en op een diepte vanaf 1,20 m -mv ter hoogte van het perceel Duinweg 60. Zijn er op basis van de onderzoeksresultaten archeologische niveaus aan te wijzen? Zo ja, waar en hoe diep bevinden deze zich en wanneer kunnen ze zijn bewoond? Er is een archeologisch niveau aan te wijzen op een diepte vanaf ongeveer 1,20 m -mv. Op deze diepte is, ter hoogte van Duinweg 60, een mogelijk akkerniveau aangetroffen dat is te dateren vanaf de middeleeuwen. Dienen er archeologische vervolgstappen te worden genomen? De werkzaamheden ter hoogte van Duinweg 58 zullen zich beperken tot de sloop van de bestaande bijgebouwen en schuren. Er wordt niet ontgraven en geheid. Alleen de sloop van de huidige bebouwing en aanleg van nutsvoorzieningen kunnen voor enige bodemverstoring zorgen. Echter is de kans op het verstoren van het archeologisch bodemarchief minimaal.
Voor de werkzaamheden ter hoogte van Duinweg 60 moet rekening worden gehouden met de geplande aanleg van een ondergrondse parkeergarage en de sloop van de huidige bebouwing. Evntuele toekomstige werkzaamheden zullen het bodemarchief met enige zekerheid doen verstoren. De mogelijke cultuurlaag, op een diepte vanaf 1,20 m -mv, zal worden doorsneden. Wanneer de bestemmingsplan wijziging is doorgevoerd, wordt voor dit deel van het onderzoeksgebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Komt de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het bureauonderzoek (Vermoolen 2023 in prep), overeen met de gegevens die zijn verkregen tijdens het verkennend booronderzoek? Beargumenteer of verklaar?
31
De archeologische verwachting komt overeen met de archeologisch verwachting die is gespecificeerd in het bureauonderzoek. Het aantreffen van archeologische resten voor de (vroege)middeleeuwen is hoog. Echter kan door de aanzienlijke bodemverstoring tot circa 1,20 m -mv de verwachting voor de (late)middeleeuwen en nieuwe tijd naar beneden worden bijgesteld.
32
12
C ONC LU S I E E N A DV IE S Voor het archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied aan de Duinweg 58-60 In Schoorl, gemeente Bergen (NH), zijn de relevante bodemkundige, historische en archeologische gegevens in kaart gebracht. Hieruit is naar voren gekomen dat pas vanaf in de late ijzertijd en de Romeinse tijd het gebied intensief werd bewoond, voornamelijk op de (strand)wallen maar ook op de achterliggende veengronden. Vanaf de vroege middeleeuwen wordt het veen ontgonnen en werd het lager gelegen landschap op grotere schaal bewoonbaar gemaakt. Dit komt overeen met de vroegste observatie van de dorpsnamen van de gemeente Bergen. Alhoewel er in de buurt relatief weinig sporen zijn van gevonden die als vroeg middeleeuws te dateren zijn is er een hoge archeologische verwachting door de nabijheid van het historische kern van Aagtdorp en vondsten uit de nabijgelegen begeleiding en proefsleuvenonderzoek. Langs de strandwallen zijn op de bedekte veen- en kleigronden vele resten van bewoning uit de late middeleeuwen tot aan de nieuwe tijd aanwezig. Door de vele Laat middeleeuwse vondsten, monumenten en sporen in de regio is er een hoge verwachting voor het aantreffen van laat middeleeuwse sporen. Hoewel er op historische kaarten tot de 19e eeuw geen bewoning zichtbaar is op het terrein, is het niet uit te sluiten dat er wellicht voor de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan.
Daarnaast moet men rekening houden met het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd, in de vorm van landbouw- en ploegsporen. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in totaal tien boringen gezet tot een diepte van 2,00 m -mv. In de top een (sub)recente bruin-grijze zandige bodemlaag waargenomen met baksteenfragmenten en wortelresten. Hieronder is, vanaf 0,10 - 0,50 m -mv (0,40 - 0,80 m +NAP), een lichtbruine/grijze zandlaag met humeuze vlekken aangetroffen. In drie boringen is een mogelijke cultuurlaag aangetroffen. Vanaf 1,20 m - 1,40 m -mv (ca. -0,50 - 0,10 m NAP) is een donkergrijze/zwarte humeuze zandlaag gedocumenteerd. Deze mogelijke cultuurlaag heeft een dikte van ongeveer 20 centimeter. Door de verstoringen direct onder het maaiveld kan de verwachting voor de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag. Hoogstwaarschijnlijk zijn archeologische waarden uit deze periodes al geroerd. Voor de (vroege)middeleeuwen geldt voor het plangebied nog een hoge verwachting. Het booronderzoek onderschrijft de hoge archeologische verwachting voor de middeleeuwen met de aanwezigheid van een mogelijk akkerniveau.
De toekomstige werkzaamheden zijn toelaatbaar indien de betrokken archeologische waarden door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
33
Advies
Het huidige onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Wanneer er grondverstoring gaat plaatsvinden wordt geadviseerd om in het onderzoeksgebied aanvullend archeologisch onderzoek. Hierbij moet een buffergrens worden aangehouden bij werkzaamheden dieper dan 1,00 m -mv ter hoogte van het plangebied Duinweg 60. Bij het overschrijden van deze dieptes wordt geadviseerd om een waarderend archeologisch onderzoek uit te voeren door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP, protocol 4003). Hiermee kan bepaald worden wat de aard, begrenzing en datering van de mogelijke vindplaatsen is en op basis hiervan vast te stellen of deze behoudenswaardig zijn. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport besluit of verdere stappen gewenst zijn.
A ANVUL L ENDE INFO RM AT I E
OP W W W.HOLL AN DIA-A RCHEOLOG I E . NL
LIT E R AT U URLIJST Bakker, A.M., 2021: Gerbrandtslaan 18 te Schoorl (gemeente Bergen N.H.); Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O), Rapport 362. Berkel, G. van & K. Samplonius 2006: Nederlandse plaatsnamen verklaard, Utrecht. Diederik, F. & N.C. Tuinman 2018: Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek naar de mogelijke waarde van een perceel aan de Idenslaan te Schoorl, gemeente Bergen (NH), Hollandia reeks nr. 670, Zaandijk. Haartsen, A. 2009: Ontgonnen verleden, Regiobeschrijving provincie Noord-Holland, Rapport DK nr 2009/dk116-G, Ede. Honigh, B.D., 2015: Archeologisch proefsleuvenonderzoek Schoorl Aagtdorp - Manege Van Poelenburgh, gemeente Bergen. Hollandia reeks 522, Zaandijk. Koning, de J. 2013: Restanten van Bregtdorp. Laatmiddeleeuwse bewoningssporen langs de Heereweg, Hollandia reeks nr. 467, Zaandijk. Mulder, J.R., T.C. van Steenbergen & M.M. van der Werff 1995: De bodemgesteldheid van het herinrichtingsgebied Bergen-Schoorl, Resultaten van een bodemgeografisch onderzoek in de geschiktheidsbeoordeling voor de bloembollenteelt en weidebouw, DLO-staring Centrum rapport 324, Wageningen.
34
Roos, R. 2009: Boskap, bebouwing en wegen, jacht en zeedorpen ca. 1000-1850, in: R. Roos, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam. Salomons, K.T., 2014: Archeologisch bureauonderzoek met aanvullende verkennende boringen Duinmanege van Poelenburg, Schoorl, gemeente Bergen (NH). Hollandia reeks 482, Zaandijk. Tol, M.A.R.J. & S.M Vermoolen 2021: Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek voor het centrumplan Duindorp te Schoorl, gemeente Bergen (NH), Hollandia Reeks 913, Zaandijk. Tuinman, N.C., 2020: Opgraving, variant archeologische begeleiding rioolwerkzaamheden aan de Foreestlaan en Grotersweg te Schoorl (NH), Hollandia reeks 827, Zaandijk. Vos, P. 2015: Origin of the Dutch Coastal Landscape: Long-term landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series, Barkhuis. van der Wal, F.J. & Leijnse, K., 2012, Plangebied Pijlkruid, gemeente Bergen; archeologisch onderzoek: een begeleiding, RAAP-rapport 2582. van der Zee, R.M., 2007: Duinweg 99-101 te Schoorl (gemeente Bergen); Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek, ADC rapport 1167. Websites
www.AHN.nl https://noord-hollandsarchief.nl/ ARCHIS3 PDOK www.cultureelerfgoed.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.dinoloket.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl
BIJL AGEN Inhoudsopgave
Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan Bijlage 3: Boorstaten
35
36
Late-Middeleeuwen
B 1.250-1.500
Late-Middeleeuwen
A 1.050-1.250
Vroege-Middeleeuwen
D
900-1.050
C
725-900
B
525-725
A Laat-Romeinse tijd
Miden-Romeinse tijd
Vroeg-Romeinse tijd
450-525 B
350-450
A
270-350
B
150-270
A
70-150
B
25-70
A
12-25
Late-IJzertijd
12 na Chr.250 v. Chr.
Midden-IJzertijd
500-250
Vroege-IJzertijd
800-500
Late-Bronstijd
1.100-800
Midden-Bronstijd
B 1.500-1.100 A 1.800-1.500
Vroege-Bronstijd
2.000-1.800
Midden-Neolithicum
Vroeg-Neolithicum
B
2.450-2.000
A
2.850-2.450
B
3.400-2.850
A
4.200-3.400
B
4.900-4.200
A
5.300-4.900
Laat-Mesolithicum
6.450-4.900
Midden-Mesolithicum
7.100-6.450
Vroeg-Mesolithicum
8.800-7.100
Laat-Paleolithicum
B 18.000-8.800
MESOLITHICUM NEOLITHICUM
A 1.500-1.650
Laat-Neolithicum
A 35.000-18.000
Midden-Paleolithicum
300.000-35.000
Vroeg-Paleolithicum
-300.000
37
PALEOLITHICUM
Nieuwe tijd
MIDDELEEUWEN
B 1.650-1.850
ROMEINSE TIJD
Nieuwe tijd
IJZERTIJD
C 1.850-heden
BRONSTIJD
Nieuwe tijd
NIEUWE TIJD
B IJL AG E 1 : A RCHE OLOGISCHE PERIODEN
38
B IJL AG E 2 : A RCHE OLOGISCHE STAPPEN PL AN In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.
universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * Aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat in verband met het bepalen van het onderzoekskader. * Beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens. * Beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens. * Een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap. * Een impressie van de bewoningsgeschiedenis. * Beschrijven bekende archeologische waarden. * Archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan. * Archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn. Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden.
* Beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden. * Aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking. * Aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart. * Rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.
39
II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.
40
Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).
B IJL AG E 3 : BOORSTAT E N
Boring 1
RD-coördinaten: 108723/522540
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 0,91 0 0,25
0,66
0,5
0,41
0,75
0,16
1
-0,09
1,25
35
70
zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijs/ bruin zand, matig siltig, grijs, humusvlekken, baksteenspik zand, matig siltig, matig gesorteerd, lichtgrijs, vernatting
Boring 2
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 1,04 0 0,25