CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 4 2021-09-23 bijlagen toelichting Bestemmingsplan Zomerdijkje 13a Egmond aan den Hoef.pdf

Algemene Raadscommissie 23 september 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 6: Voorstel betreft het vaststellen Bestemmingsplan Zomerdijkje 13a Egmond aan den Hoef27.821 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Vogelbescherming: Sperwer Sovon: Sperwer

Vogels

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

37

Uitgesloten soort

Onderbouwing voor uitsluiting

Bron (hyperlink)

Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: ekster, eidereend, brilduiker, draaihals, ruigpootuil, zwarte specht, tapuit*

Er zijn geen nesten van ekster aangetroffen. Er zijn geen kustduinen aanwezig waar de eider kan broeden. Er zijn geen oude, bestaande holten van vooral de zwarte specht (in den en beuk) waar de ruigpootuil gebruik van kan maken. De brilduiker broedt voornamelijk in landgoedbossen in het IJsseldal (tussen Zwolle en Deventer), hier ligt het plangebied niet in. In het plangebied ontbreken oude berken (op de Veluwe) met holtes waar de draaihals gebruik van maakt. Er zijn geen schrale heide- of stuifzandgebieden of duinen aanwezig met konijnenholen waar de tapuit tot broeden kan komen.

Vogelbescherming: Ekster; Eider; Brilduiker; Draaihals; Ruigpootuil; Tapuit; Zwarte specht

Er is geen (helder) voedselrijk, stilstaand (of slechts zwakstromend) water aanwezig (ionenarm) met begroeiing van waterplanten, zoals bijvoorbeeld gele plomp en witte waterlelie. De soort wordt vaak in draadalg-vegetaties aangetroffen. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbenscheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. Ook dient er geen sterke beschaduwing te zijn. In de oevers dient er voldoende moerasvegetatie aanwezig te zijn.

IvL & RHB: Platte schijfhoren

Verblijfplaatsen: Er worden werkzaamheden aan agrarische schuren verricht (sloop). Er is een enkele geschikte opening aanwezig in het plangebied, namelijk onder de houten zijgevel die leidt naar de spouwmuur van de schuur. Maar het overgrote deel betreft openingen in bitumen golfplaten. Bitumen golfplaten bieden voldoende grip om in te vliegen, maar onder de golfplaat voldoet het microklimaat niet aan eisen aan een verblijfplaats (tochtig en koud). Hoewel dus geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk zijn in de schuren, zijn verblijfplaatsen uitgesloten door ongeschiktheid van het landschap. In de omgeving ontbreken (houtige) lijnvormige vliegstructuren die leiden tot de schuren in het plangebied, waardoor het plangebied landschappelijk geïsoleerd ligt voor vleermuizen zonder hoge structuren. Daarnaast is het niet aannemelijk dat vleermuizen via het struweel rondom erven met >50m afstand hiertussen kunnen overbruggen. Er is geschikt alternatief leefgebied in Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' en in omliggende dorpen. Om deze redenen worden verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied uitgesloten. Essentiële vliegroute: er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd. Effecten op een essentiële vliegroute worden daarom niet verwacht.

Essentieel foerageergebied: Er wordt geen groot oppervlak aan houtige beplanting of moeras verwijderd óf een groot oppervlak aan water gedempt. Effecten op essentieel foerageergebied worden daarom niet verwacht.

BIJ12: Kennnisdocument gewone dwergvleermuis; ruige dwergvleermuis

Meervleermuis* (gebouwbewonend)

Hoewel er werkzaamheden aan gebouwen wordt verricht (sloop), zijn verblijfplaatsen uitgesloten door ongeschiktheid van het landschap (zie uitgebreide onderbouwing bij gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). Kraamverblijfplaats: kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. Paarverblijfplaats: vleermuiskasten, woonhuizen, schoolgebouwen met een plat dak zijn bekend als paarverblijven. Ook worden de winterverblijfplaatsen als paarverblijfplaats gebruikt. Winterverblijfplaats: voor zover we weten overwinteren meervleermuizen in Nederland in mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Ook worden af en toe dieren waargenomen in gebouwen. Essentiële vliegroute: grote afstanden naar het uiteindelijke jachtgebied worden vooral via kanalen, beken, vaarten en brede sloten afgelegd. Boven land volgen ze vaak lijnvormige landschapselementen als bomenrijen, houtwallen en dijken. Er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd. Effecten op een essentiële vliegroute worden daarom niet verwacht. Essentieel foerageergebied: de meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten.

Er wordt geen groot oppervlak moeras verwijderd óf een groot oppervlak aan water gedempt. Effecten op essentieel foerageergebied worden daarom niet verwacht.

Vleermuis.net: Meervleermuis

Watervleermuis* (boombewonend zomer en in de winter gebouwbewonend)

Omdat er geen werkzaamheden aan kerkzolders, bunkers en oude forten en bomen verricht worden, kunnen effecten op verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. Algemeen: grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. Omdat beschut water en ouder bos ontbreken in de directe omgeving van het plangebied, wordt aanwezigheid van watervleermuis uitgesloten. Zomer- en kraamverblijfplaats: de (kraam)groepen in de zomer zijn vooral bekend van spleten en gaten in holle bomen, maar worden soms ook op kerkzolders, in vleermuiskasten, bunkers en oude forten gevonden. Een verwante groep vrouwtjes, de kraamgroep, bewoont een netwerk van bomen waarbinnen individuen en groepen veel verhuizen. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden. Paarverblijfplaats: de paring vindt zover bekend in de winterverblijven en tijdens het najaarszwermen plaats. Winterverblijfplaats: als winterverblijf gebruiken ze voornamelijk ondergrondse objecten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Daarnaast worden ook overwinterende dieren gevonden in overkluizingen en oude rioolsystemen, kerktorens en in boomholten. Essentiële vliegroute: de afstanden naar het jachtgebied wordt voornamelijk via het water afgelegd.

Er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd. Effecten op een essentiële vliegroute worden daarom niet verwacht. Essentieel foerageergebied: de watervleermuis jaagt vlak boven het wateroppervlak van beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kasteel en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken. Er wordt geen (groot) oppervlak aan water gedempt. Effecten op essentieel foerageergebied worden daarom niet verwacht.

Vleermuis.net: Watervleermuis

Weekdieren Platte schijfhoren*

Vleermuizen Gewone dwergvleermuis*, ruige dwergvleermuis, laatvlieger

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

Vleermuis.net: gewone dwergvleermuis; ruige dwergvleermuis; laatvlieger Netwerk Groene Bureaus : Vleermuisprotocol 2017

Zoogdiervereniging: De meervleermuis in Nederland

38

Uitgesloten soort

Onderbouwing voor uitsluiting

Bron (hyperlink)

Rosse vleermuis* (boombewonend)

Omdat er geen holtebomen aanwezig zijn, kunnen effecten op verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. Verblijfplaats: de rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. Essentiële vliegroute: de afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Omdat rosse vleermuizen zich op grotere hoogte verplaatsen en geen gebruik maken van landschapsstructuren, kunnen effecten op een essentiële vliegroute uitgesloten worden. Essentieel foerageergebied: jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. Er wordt geen groot oppervlak moeras verwijderd óf een groot oppervlak aan water gedempt. Effecten op essentieel foerageergebied worden daarom niet verwacht.

Vleermuis.net: Rosse vleermuis

Franjestaart* (boom- en gebouwbewonend)

Omdat er geen werkzaamheden aan gebouwen en bomen verricht worden, kunnen effecten op verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. De franjestaart is in Nederland vooral aan bosrijke omgeving en kleinschalig landschap gebonden en kan in dergelijke gebieden vrij algemeen zijn. Tot nu toe is de soort vooral in het oosten, midden en zuidoosten van Nederland gevonden. Kraamverblijfplaats: kolonies zijn in Nederland vooral gevonden in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen), en enkele keren in nestkasten en vleermuiskasten. Zomerverblijfplaats: doordat de soort met de batdetector moeilijk van andere Myotis-soorten is te onderscheiden is er nog veel onbekend over de precieze verspreiding in de zomer. Paar- en winterverblijfplaats: in Nederland gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers als winterverblijfplaats. Omdat er geen werkzaamheden aan gebouwen en bomen verricht worden, kunnen verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. Essentiële vliegroute: in Nederland lopen gekende vliegroutes langs dreven, bospaden of muren. Het oversteken van open stukken werd niet waargenomen. Soms ontbreekt een echte vliegroute, omdat de dieren in de boomkronen rond de verblijfplaats jagen. Dit biotoop is niet aanwezig.

Essentieel foerageergebied: over het jachtbiotoop van de franjestaart is nog relatief weinig bekend. Waarnemingen van jagende franjestaarten zijn bekend van bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Daarbij jaagt de franjestaart meestal in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Dit biotoop is niet aanwezig.

Vleermuis.net: Franjestaart

Gewone grootoorvleermuis* (boom- en gebouwbewonend)

Algemeen: de soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden. Aangezien bos- en kleinschalig gebied ontbreekt in de directe omgeving van het plangebied, kan deze soort uitgesloten worden. Kraam- en zomerverblijfplaats: de gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Paar- en winterverblijfplaats: als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden. Omdat er geen werkzaamheden aan gebouwen en bomen verricht worden, kunnen verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. Essentiële vliegroute: ze volgen hagen en houtwallen, maar vooral in bos of kleinschalig landschap vliegen ze gewoon tussen de bomen door. Essentieel foerageergebied: gewone grootoorvleermuizen jagen op beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap, boven bospaden, in lanen en open plekken, langs bosranden en laag boven (bloeiende) kruidenvegetaties of langs en door de kroon van (bloeiende) bomen.

Dit biotoop is niet aanwezig.

Vleermuis.net: Gewone grootoorvleermuis

Tweekleurige vleermuis* (gebouwbewonend in Nederland)

Omdat er geen werkzaamheden worden verricht aan hoge gebouwen (zoals flats), kunnen effecten op verblijfplaatsen van deze soort uitgesloten worden. Kraam- en zomerverblijfplaats: vooral nauwe ruimten in hoge flatgebouwen lijken te voldoen als verblijfplaats. In Vlaanderen zijn ze uitsluitend gevonden in of bij - meestal hoge gebouwen in de kustregio. In Utrecht is een kraamkolonie bekend. Winterverblijfplaats: er is maar zeer weinig bekend over waar tweekleurige vleermuizen de winter doorbrengen. Sporadisch worden ze gevonden in rotsspleten, nauwe ruimtes in gebouwen, grotten en kelders. De soort is opvallend kouderesistent en overwintert dus mogelijk ook in holle bomen. Essentiële vliegroute: op weg naar geschikte jachtgebieden zijn ze minder dan andere soorten afhankelijk van lijnvormige elementen in het landschap, en vliegen ze soms op enige tientallen meter hoogte in rechte vlucht richting jachtgebied. Omdat tweekleurige vleermuizen zich op grotere hoogte verplaatsen, kunnen effecten op een essentiële vliegroute uitgesloten worden. Essentieel foerageergebied: het jachtgedrag van de tweekleurige vleermuis lijkt op dat van de laatvlieger en de rosse vleermuis. Hij jaagt voornamelijk in rechtlijnige vlucht of in grote cirkels op vijf tot veertig meter hoogte. Gezien de onafhankelijkheid van landschappelijke structuren wordt geen effect verwacht.

Migratie: over mogelijke migratieroutes van tweekleurige vleermuizen in Europa is weinig bekend, maar waarschijnlijk volgen de dieren vooral de kust of grote rivieren.

Vleermuis.net: tweekleurige vleermuis

Bever*

Er is geen geschikt biotoop aanwezig voor de bever, zoals moerasgebied, rivieren of meren omzoomd door broekbossen. Ook zijn geen sporen, zoals recente afdrukken gevonden en is er geen beverburcht aanwezig.

Zoogdiervereniging: Bever BIJ12: Kennisdocument Bever

Boommarter*

Er zijn geen konijnen-, vossen- of dassenholen aanwezig binnen het plangebied of binnen 50 meter afstand. Er zijn geen geschikte bomen met inrottingsgaten of spechtengaten. Verder zijn er geen eekhoornholen of gebouwen aan de rand van het bos aanwezig om als voortplantingsplaats te kunnen gebruiken.

Zoogdiervereniging: Boommarter

Waarneming.nl (vliegroute): Franjestaart

Waarneming.nl: tweekleurige vleermuis

Zoogdieren

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

39

Uitgesloten soort

Onderbouwing voor uitsluiting

Bron (hyperlink)

Das*

Er zijn geen sporen aangetroffen, zoals burchten, haren of prenten, waaruit mogelijke aanwezigheid blijkt. Ook wordt geen essentieel foerageergebied of wissel aangetast die het functioneren van een burcht negatief kunnen beïnvloeden.

Zoogdiervereniging: Das

Eekhoorn*

Er zijn geen eekhoornnesten (bolvormige nesten) waargenomen binnen het plangebied en 50 meter daarbuiten. Ook zijn er geen geschikte boomholtes of spechtengaten aangetroffen die in gebruik zijn of gebruikt kunnen worden.

Zoogdiervereniging: Eekhoorn

Noordse woelmuis*

Geschikte biotopen voor Noordse woelmuis bestaan uit rietland, moeras, extensief gebruikt weiland, periodiek overstroomde terreinen of natte grazige vegetaties. Hoewel natte grazige vegetaties in het plangebied aanwezig zijn, is het omliggend landschap te intensief voor Noordse woelmuis. Daarnaast is de dichtbijzijnde waarneming op 4.650 meter in NNN-gebied. Deze afstand is groter dan 1 kilometer met barrières zoals dorpskern Heilo en de N203. Om deze redenen wordt de potentiële aanwezigheid van de noordse woelmuis uitgesloten in het plangebied en worden geen negatieve effecten verwacht.

Zoogdiervereniging: Noordse woelmuis

Otter*

Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Er zijn geen overstromingsvrije oeverholtes die kunnen dienen als nestplaats. Ook zijn geen dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages of kunstmatige holten aanwezig die kunnen dienen als dagrustplaats.Er zijn geen eetplekken, loopsporen, wissels, krabheuveltjes, ottergeil of spraints aangetroffen.

Zoogdiervereniging: Otter

Waterspitsmuis*

Er is geen geschikt biotoop, aanwezig, namelijk schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt de soort veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten.

Zoogdiervereniging: Waterspitsmuis

BIJ12: Kennisdocument Noordse woelmuis

*Deze soort wordt altijd behandeld en volgt niet noodzakelijkerwijs uit het literatuur- of veldonderzoek.

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

40

BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S

Figuur: tijdens een inspectie in de te slopen schuur zijn diverse (oude) nesten van vogels aangetroffen. Dit nest is vermoedelijk van boerenzwaluw.

Figuur: tijdens het veldbezoek zijn meerdere hopen met losliggende materialen aangetroffen. Dit is geschikt biotoop voor verblijfplaatsen van de hermelijn.

Figuur: tijdens een inspectie in de te slopen schuur zijn diverse (oude) nesten van vogels aangetroffen. Dit nest is ook vermoedelijk van boerenzwaluw.

Figuur: tijdens een inspectie in de te slopen schuur zijn diverse (oude) nesten van vogels aangetroffen. Dit nest is vermoedelijk van huismus.

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

41

BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S

Figuur: aangrenzend aan het plangebied bevinden zich hagen. Dit kan mogelijk deel uitmaken van de functionele leefomgeving van de huismus.

Figuur: tijdens de inspectie is een open kruipruimte aangetroffen waar een nest-/rustplaats kan bevinden van de steenmarter.

Figuur: in de te slopen schuur zijn gebroken eierschillen aangetroffen. Dit is vermoedelijk een indicator voor steenmarter.

Figuur: direct naast de gebroken eierschillen zijn (oude) uitwerpselen aangetroffen van vermoedelijk steenmarter.

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

42

BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S

Figuur: in de te slopen schuur bevindt zich een verhoogd, open plateau met hoekjes en nissen waar de steeenuil een nest kan hebben of kan maken.

Figuur: er bevindt zich een open ventilatierooster in de te slopen schuur waar steenmarter gebruik van kan maken.

Figuur: tijdens het veldbezoek werden grote openingen aangetroffen die toegang geven tot de schuur voor vogels en zoogdieren.

Figuur: direct onder de dakgoot zijn er geschikte openingen aanwezig voor huismus die leiden naar nestgelegenheid in de schuur.

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

43

BIJLAGE 10 - RELEVANTE FOTO’S

Figuur: ten noorden van het plangebied bevindt zich houten hekwerk en paaltjes. Hier kan steenuil gebruik van maken als zitpunt om vanaf te jagen.

Figuur: aangrenzend aan het plangebied is weiland met vee aanwezig. Dit is een belangrijke factor voor het voedselaanbod voor huismus en steenuil (bron: Google Maps, 2020).

Figuur: in de te slopen schuur nabij de verhoogde plateau is een gat met toegang tot een smalle ruimte waar steenuil kan verblijven.

Figuur: de smalle ruimte waar steenuil kan verblijven.

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

44

BIJLAGE 11 - STROOMSCHEMA ECOLOGISCH ONDERZOEK Zoom in om de teksten beter te kunnen lezen (bijvoorbeeld via ctrl+muiswieltje). Indicatieve doorlooptijd in weken

start

8 weken

2 - 4 weken

enkele weken tot circa zes maanden

uitvoering quickscan (in optimale periode*)

2 tot 8 weken

2 weken

4 tot 8 weken

soort wordt aangetroffen én overtreding wordt verwacht

offerte ontheffingsaanvraag

ontheffingsaanvraag opstellen en indienen

Na akkoord op offerte

of:

vervolgonderzoek nodig of: nee: geen vervolgonderzoek nodig.

nee: geen maatregelen nodig

maatregelen nodig?

einde

ja: maatregelen nodig

zelf maatregelen toepassen

ja: offerte vervolgonderzoek

uitvoeren vervolgonderzoek

rapportage opstellen en opleveren

12 tot 20 weken

beoordeling ontheffingsaanvraag door bevoegd gezag + vragen beantwoorden en aanvulling indienen.

Doorlooptijd

4 weken

goedkeuring door bevoegd gezag. Ontheffing wordt verleend

start werkzaamheden zonder overtreding en met aantoonbare goedkeuring bevoegd gezag

einde

alternatief: kies voor een planaanpassing

of: geen soorten aangetroffen en/of geen effect

alternatief: kies voor een planaanpassing

overleg over tijdelijke en definitieve compensatie met opdrachtgever Periode is sterk afhankelijk van informatievoorziening door de opdrachtgever. Opdrachtgever dient bijvoorbeeld een onderbouwing van het belang aan te leveren.

er worden aanvullende voorwaarden gesteld ecoloog moet begeleiden bij maatregel of een EWP1 is nodig offerte voor begeleiding en/ of EWP

uitvoering maatregel(en)

einde

*Indien een quickscan niet in de optimale periode (oktober t/m maart) wordt uitgevoerd, kan het voorkomen dat een soort op korte termijn niet onderzocht kan worden. Wij moeten dan met het onderzoek wachten (vanwege protocollen) tot de geschikte periode. Dit kan in een ongunstige geval toe leiden dat er een vertraging van circa negen maanden ontstaat. Betrek daarom vroeg in het proces een ecologisch adviseur, bij voorkeur in de planvormingsfase. Ecologische risico’s inventariseren kan veelal vrij vlot en desnoods globaal plaatsvinden. Onderzoek naar soorten kan veelal niet versneld worden, omdat er vastgestelde onderzoeksperioden zijn (protocollen). Wij kunnen wel vroeg in het proces een plan op hoofdlijnen beoordelen op ecologsiche risico’s. Vraag ons gerust naar de mogelijkheden. 1 Een EWP is een afkorting van Ecologisch WerkProtocol

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

45

Over ons Habitus is een vooruitstrevend advies- en onderzoeksbureau voor biodiversiteit en natuurwetgeving. Wij zijn als organisatie betrokken bij de klant. Wij zorgen door constante ontwikkeling van onze diensten voor verhoging van de tevredenheid van onze klanten over onze dienstverlening. Wij zijn experts met passie voor ons vak en zorgen voor een soepel traject door kwaliteitsdiensten te bieden. Wij helpen onze klanten met praktisch advies over biodiversiteit en beschermde soorten. Wij geloven in langdurige samenwerking met opdrachtgevers, partners en collega’s op een wijze die wederzijds voordeel oplevert.

Onze missie en kernwaarden Het is onze missie om de biodiversiteit te beschermen en te verhogen. Met het team van collega's werken we dagelijks in vele projecten met passie aan onze missie. Met wetgeving gerelateerde adviezen dragen we bij aan de bescherming van soorten en zo aan bescherming van biodiversiteit. Met biodiversiteitsadviezen dragen we gericht en direct bij aan het verhogen van de biodiversiteit. Onze kernwaarden zijn: •

betrokken bij onze klanten

•

constante ontwikkeling van onze dienstverlening

•

passie voor natuur.

Klanttevredenheid en kwaliteit Wij staan voor de kwaliteit die we leveren. Onder kwaliteit verstaan wij de mate waarin aan de klantverwachting wordt voldaan of wordt overtroffen. De klant is dus degene die bepaalt of wij kwaliteit leveren. Onze dienstverlening wordt door klanten gemiddeld met hoger dan een acht beoordeeld. Dit geeft aan dat we een passende invulling geven aan de klantverwachting. Wij vinden dat we in eerste instantie zelf aan de lat staan voor de te leveren kwaliteit. Om die reden hebben wij dan ook onze eigen kwaliteitseisen geformuleerd. In samenspraak met onze opdrachtgevers bepalen we de gewenste kwaliteit van een dienst.

Over ons logo Libellen zijn prachtige insecten. Het is dan ook geen toeval dat we voor inspiratie voor ons logo geput hebben uit de fraaie en diverse vormen die de orde van libellen rijk is. Wist je bijvoorbeeld dat elke soort unieke vleugelkenmerken heeft? De paarse kleuren zijn een combinatie van blauw (dat staat voor stabiliteit) en de energie van rood. Paars staat ook voor passie en wordt verder geassocieerd met kracht, waardigheid (royalty), creativiteit en ambitie.

18

Tabel 2: relevante resultaten bureau- en veldonderzoek. Zie Bijlage 9 voor een totaaloverzicht van de uitgesloten soorten. Zie Bijlage 10 voor relevante foto’s. Toelichting op Tabel 2:

Zie Figuur 3 voor een kaart met het plangebied, geschikte biotopen en relevante waarnemingen.

In deze tabel staan enkel de soorten

Resultaten

waarvoor een overtreding verwacht wordt

Toetsing aan de Wnb a/m/ vm

Te verwachten functies

Onderbouwing en locatie(s) in het plangebied

Werkzaamheid1

Hier hebben we voor gekozen om de

Te verwachten soort op basis van bureauen veldonderzoek

Kans op overtreding Wnb2

leesbaarheid van het rapport te vergroten.

Rugstreeppad

vm

z, w, v

De aanwezigheid van rugstreeppad kan uitgesloten worden volgens het Kennisdocument rugstreeppad (BIJ12, 2017), omdat in het plangebied: • geen geschikte combinatie van habitats aanwezig is (zomer-, voortplantings- én winterverblijfplaatsen);

1, 2

Artikel 3.5 lid 1, 2 en 4

óf een effect niet uitgesloten kan worden.

De soorten waarvoor geen effect wordt verwacht, zijn opgenomen in Bijlage 9. Daar

is

een

nadere

te vinden over waarom een soort of beschermde functie is uitgesloten. Steenmarter

m, vm

n, r

De steenmarter is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Er is geschikt biotoop aanwezig, namelijk geschikte openingen die toegang geven tot de oude schuur. Er zijn diverse sporen aangetroffen van vermoedelijk een steenmarter, zoals uitwerpselen en gebroken kippen-eieren (zie foto's Bijlage 10). Er zijn meerdere kleine, beschutte ruimtes gevonden zoals kruipruimtes. Deze plaatsen kunnen dienen als geschikte nestelplek. Negatieve effecten op verblijfplaatsen kunnen daarom niet worden uitgesloten. Effecten op essentieel foerageergebied zijn uitgesloten wegens het ontbreken van werkzaamheden buiten het plangebied.

1, 2

Artikel 3.10 lid 1, 2

Hermelijn

m, vm

n, r

De hermelijn kan in verscheidene natuurterreinen voorkomen, zoals in duinen of kleinschalig cultuurlandschap met een afwisseling van bijvoorbeeld graslanden en houtwallen. Rommelige hoekjes met losliggende materialen kunnen als verblijfplaats dienen. Deze biotopen zijn aanwezig. Er is een waarneming uit 2018 bekend op circa 500 meter van het plangebied. De omgeving is geschikt als jachtgebied.

1, 2

Artikel 3.10 lid 1, 2

Legenda Tabel 2: m = beschermde functie mogelijk aanwezig vm = vestiging van deze soort is mogelijk Verblijfplaatsen n = nest (zoogdieren) z = zomerverblijfplaats

HR-soort

Vestiging van rugstreeppad is mogelijk, omdat: • de dichtstbijzijnde waarneming (20 mei 2016) van rugstreeppad bekend is op 1.700 meter van het plangebied tussen bollenvelden; • er geen wezenlijke barrières aanwezig zijn tussen deze locaties en het plangebied; • er een geschikte combinatie van biotopen kan ontstaan tijdens de werkzaamheden.

onderbouwing

¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. 2

De beschermingsregimes zijn toegelicht in Bijlage 1.

w = winterverblijfplaats v = voortplantingsverblijfplaats r = rust- of verblijfplaats

Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.

47

Bijlage 5

119/235

Watertoets

datum 6-8-2020 dossiercode 20200806-12-23996 Project: Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef Gemeente: Bergen Aanvrager: Jan - Jacob Posthumus Organisatie: Rho Adviseurs

Geachte heer/mevrouw Jan - Jacob Posthumus, Voor het plan Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoefheeft u advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale proceduremoet worden gevolgd. Dit betekent dat wij in overleg met u willen bespreken hoe in uw plan rekening kan worden gehouden deze waterhuishoudkundige belangen. Om het watertoetsproces zo vlot mogelijk te laten verlopen, sturen wij u als bijlage een automatisch gegenereerd conceptwateradvies. Dit conceptadvies is in twee delen opgesplitst. In het eerste deel van het conceptadvies geven wij aan over welke onderwerpen nader overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk is. Het tweede deel van het conceptadvies bevat de onderwerpen die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit tweede deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en advies te geven over de nog openstaande waterbelangen.

Als u eerder een afspraak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via ons algemene nummer 072 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt. Naast het bijgevoegde conceptadvies kunt u op onze website meer informatie vinden over de watertoets in het algemeen: https://www.hhnk.nl/watertoets/. LET OP:Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een Watervergunning. Onze conclusie en wateradvies mogen alleen gebruikt worden tijdens de (ruimtelijke) planvormingfase. U dient zelf na te gaan welke vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Bij het hoogheemraadschap dient u wellicht een Watervergunning aan te vragen of een melding te doen. Meer informatie over de Watervergunning vindt u op https://www.hhnk.nl/vergunningen. Met vriendelijke groet, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG HEERHUGOWAARD T 072 582 8282 F 072 582 7010 E info@hhnk.nl W www.hhnk.nl

CONCEPT Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) heeft u Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef. Uit de ingediende gegevens is gebleken dat er voor één of meerdere wateraspecten nader overleg noodzakelijk is met het hoogheemraadschap. Deze aspecten benoemen wij in het eerste deel van dit concept wateradvies. In het tweede deel komen de onderwerpen aan bod die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die hierdoor ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. DEEL I Hieronder vindt u de aspecten waarover nader contact met het hoogheemraadschap noodzakelijk is:

Het ingetekende plangebied heeft de volgende zoneringen (kaartlagen) geraakt: - Zonering primaire waterlopen Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en te komen tot advies over bovenstaande waterbelangen. DEEL II Dit tweede deel van het advies kunt u direct gebruiken om een aanzet te maken voor de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.

Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden (https://www.hhnk.nl/keur/). Verharding en compenserende maatregelen Uit uw gegevens blijkt dat er geen / slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering.

Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. U heeft aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen. Wij adviseren om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Tot Slot De initiatiefnemer van het plan is zelf verantwoordelijk voor de regeling, financiering en de realisatie van alle maatregelen die voortvloeien uit het plan. Mocht de inhoud van het plan wijzigen, dan verzoeken wij u vriendelijk ons een geactualiseerde versie toe te sturen. Ook ontvangen wij graag een exemplaar van het definitieve en goedgekeurde plan. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Mochten er desondanks vragen zijn, dan kunt u contact opnemen via 072 - 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor uw gemeente. www.dewatertoets.nl

122/235

Bijlage 6

123/235

Verkennend bodemonderzoek

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .............................................................................................................................. 3

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3

3.

BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 5

OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4

4.

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 6 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 6 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 6 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 7

RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 8 4.1 4.2 4.3

RESULTATEN VELDONDERZOEK................................................................................ 8 ANALYSERESULTATEN GROND ................................................................................ 10 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ................................................................... 10

5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................. 11

6.

SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 11

7.

REFERENTIES ..................................................................................................................... 12

BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6

Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

SAMENVATTING Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. De hypothese voor het onderzoek is echter, dat er licht verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn maximaal lichte verhogingen geconstateerd. In het grondwater zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek eveneens bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van resten baksteen en ander puin in de grond. In puin houdende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen.

De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de bodem van perceel B2302 (nummer 13a) is wel potentieel asbest verdacht puin waargenomen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk op dit perceel. Geadviseerd wordt dit asbestonderzoek NA sloop van de opstallen uit te voeren. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.

Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.

-2-

Landview BV Bodemonderzoek

1.

Rapportnummer 2020287

INLEIDING

In opdracht van Familie Groot is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Zomerdijkje 13a te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen. Het onderzoek is verricht door Landview BV, in de periode juni 2020, conform de offerte van 20 mei 2020. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. De hypothese voor het onderzoek is echter, dat er licht verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. Aanleiding voor het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd. Doel van het onderzoek is aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik. Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast.

Daarnaast wordt nagegaan of er inderdaad geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen, behalve mogelijk arseen en of barium van nature, aanwezig zijn in het grondwater. De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.

-3-

Landview BV Bodemonderzoek

2.

Rapportnummer 2020287

VOORONDERZOEK

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in juni 2020 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).

2.1

BASISINFORMATIE

De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich buiten de bebouwde kom van Egmond aan den Hoef. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Egmond-Binnen, sectie B, nummers 2224 en 2302 Oppervlakte : circa 1,4 ha Gebruik verleden : agrarisch en wonen Gebruik heden : agrarisch en wonen Gebruik toekomst : wonen

2.2

HISTORISCH ONDERZOEK

De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie. Daarnaast is informatie verkregen van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN). De informatie is bij voorkeur digitaal verkregen. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden

website OD NHN bodemkwaliteitskaart website OD NHN, www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ Archeologie http://archeologieinnederland.nl Verhardingen, bebouwingsgraad opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie Eerdere onderzoeken opdrachtgever, eigen archief, OD NHN

relevantie groot gering X X X X X X X X

X

X

Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich in tuin- en akkerbouwgebied. Op de locatie bevinden zich twee panden. Nummer 13z dateert, volgens de BAG viewer van het kadaster, uit 1925. Nummer 13a dateert uit 1989. Het bestaande pand 13a zal worden gesloopt en vervangen worden door nieuwbouw. Volgens de bodemkwaliteitskaarten bevindt de locatie zich in het buitengebied. Uit de kaarten blijkt dat op de locatie grond van kwaliteit “landbouw/natuur” verwacht kan worden.

-4-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: Uit de Bodemrapportage van de OD NHN blijkt, dat in het verleden op een deel van de locatie (nummer 13a) bodemonderzoek is uitgevoerd. Hierbij zijn maximaal lichte verhogingen gemeten (zie bijlage 5). Volgens de gegevens is op de locatie een loonbedrijf en goederenopslag gevestigd (geweest). Bodemloket (www.bodemloket.nl) heeft geen aanvullende gegevens over de locatie of de directe omgeving beschikbaar. Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon tot nu vrijwel niet gewijzigd is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn. Vanwege een eventuele (ver)bouwdatum tussen de jaren ’30 en ’80 kunnen in de opstallen asbesthoudende materialen verwerkt zijn. Door uitvoering van een asbestinventarisatie onderzoek, welke geen deel uitmaakt van dit onderzoek, kan bekeken worden of asbesthoudende stoffen gebruikt zijn. Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem gering.

2.3

ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht. De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 0,4 m -NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging achter de kustduinen is er waarschijnlijk sprake van lokale kwel (opwaartse stroming van het grondwater). Mogelijk is dit kwelwater enigszins zout danwel brak. De Pleistocene ondergrond, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich op een diepte tussen de 15 en 25 m -NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Gedurende verschillende overstromingsfasen zijn in het Holoceen, vanaf circa 10.000 jaar geleden, door de zee op de Pleistocene ondergrond mariene sedimenten afgezet en is plaatselijk veenvorming opgetreden. Deze Holocene afzettingen vormen de slecht tot matig doorlatende deklaag.

De locatie is gesitueerd in een voormalig waddenlandschap met geulen, kreken en kwelders. In de geulen en kreken is vooral zand afgezet, terwijl op de kwelders kleien sedimenteerden. De locatie ligt op een vlakte van getijafzettingen (kwelders) die voornamelijk bestaan uit zeeklei. Plaatselijk kunnen hierop veenresten voorkomen. Door menselijke beïnvloeding zijn natuurlijke bodemprofielen gewijzigd.

-5-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

3.

OPZET BODEMONDERZOEK

3.1

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE

Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een nietverdachte locatie, waar echter licht verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen kunnen worden in de mogelijk puin houdende (boven)grond. In het grondwater worden, behalve arseen en of barium van nature, geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.

3.2

BEMONSTERINGSSTRATEGIE

Uitgaande van een niet-verdachte locatie met een oppervlakte van 1,4 ha worden, conform de NEN 5740 en de BRL SIKB 2000 richtlijnen, op de locatie 4 grondboringen verricht tot de grondwaterstand, met een maximum van 2 m –mv. Ter controle op de representativiteit van de grondboringen worden aanvullend 17 boringen tot 0,5 m -mv verricht. De grond wordt in principe bemonsterd in trajecten van 0,5 m. Van deze algemene richtlijn kan worden afgeweken als tijdens het veldwerk duidelijk afwijkende lagen, zintuiglijke verontreinigingen of verschillende grondsoorten worden geconstateerd. Van de bovengrond worden 3 mengmonsters samengesteld. Van de ondergrond worden 2 mengmonsters samengesteld. De grondwaterstand bevindt zich op dusdanige diepte, dat de kwaliteit van het grondwater in het onderzoek dient te worden betrokken. Hiertoe worden 2 boringen verricht, welke met een peilbuis worden afgewerkt. De filterstelling van deze peilbuizen is circa 0,5 m tot 1,5 m -grondwaterstand. Na een wachttijd van één week voor het herstel van het bodemchemisch evenwicht zullen 2 grondwatermonsters uit deze peilbuizen worden genomen.

3.3

CHEMISCHE ANALYSES

De grondmengmonsters en de grondwatermonsters worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Grond De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC). De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden. Grondwater De grondwaterstand bevindt zich rond 1 m –mv. De vluchtige aromatische koolwaterstoffen en de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen worden daarom bij voorkeur in het grondwater onderzocht. De aanwezigheid van deze vluchtige stoffen kan namelijk eerder worden aangetoond in het grondwater dan in de grond.

Het grondwater wordt onderzocht op de concentraties aan arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, aromatische stoffen (inclusief naftaleen), (vluchtige) halogeen koolwaterstoffen en minerale olie. De concentraties worden weergegeven in microgrammen per liter (µg/l). De pH (zuurgraad), Ec (soortelijke geleiding) en troebelheid worden in het veld bepaald.

-6-

Landview BV Bodemonderzoek

3.4

Rapportnummer 2020287

TOETSINGSKADER

Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. Voor de toetsing van de grondwaterkwaliteit wordt het toetsingskader gevormd door de streef- en interventiewaarden. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlagen 4.2 en 4.3). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging.

Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging. De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie.

Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd.

-7-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

4.

RESULTATEN BODEMONDERZOEK

4.1

RESULTATEN VELDONDERZOEK

Het veldonderzoek is, zonder afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften, uitgevoerd op 17 juni 2020 door de heer F. Borst. Vanaf de weg naar het pand 13a is een puinpad aanwezig. Daarnaast is bij 13a een bovengrondse tank aanwezig; alhier is een peilbuis geplaatst. Gelijkmatig verdeeld over het onbebouwde deel van het terrein zijn handmatig met behulp van de Edelmanboor 6 grondboringen tot de grondwaterstand en 15 boringen tot 0,5 m -mv verricht. Daarnaast zijn 2 peilbuisboringen verricht, waarin een filter is geplaatst. Het algemene, kenmerkende bodemprofiel op de locatie tot een diepte van circa 2,3 m -mv bestaat overwegend uit kleiig, uiterst fijn zand. De tijdens het veldwerk waargenomen zintuiglijke verontreinigingen zijn weergegeven in tabel 3. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de opgeboorde grond aangetroffen. Aangezien de boringen met een Edelmanboor (diameter 12 cm) zijn verricht, is deze informatie slechts indicatief. Baksteen(resten) worden als niet asbestverdacht aangemerkt. (Puin)houdende grond is echter potentieel wel asbestverdacht. Tabel 3: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring

Traject (m -mv) 0,00 - 0,25 0,00 - 0,50 0,50 - 0,85

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

02 03

Diepte boring (m -mv) 2,20 1,20

Zand Zand Zand

resten stenen sterk puinhoudend, resten baksteen resten baksteen

04

0,90

0,00 - 0,50 0,50 - 0,90

Zand Zand

resten baksteen, matig puinhoudend zwak puinhoudend, daarna gestuit

10 14 15 22 23

0,50 0,50 0,50 1,00 0,50

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,30 0,00 - 0,50

Zand Zand Zand Zand Zand

resten baksteen, matig puinhoudend resten baksteen resten baksteen resten baksteen, zwak puinhoudend resten baksteen, zwak puinhoudend

Uit de in het veld genomen enkelvoudige monsters van de grond zijn door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, mengmonsters samengesteld conform tabel 4. Bij de monstername is soms afgeweken van de trajecten van 0,5 m gezien de geconstateerde bijmengingen en textuurverschillen.

-8-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020287

Tabel 4: Monsterselectie Analysemonster bg1

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

bg2

0,00 - 0,50

bg3

0,00 - 0,50

m2 og1

0,40 - 0,80 0,50 - 2,00

og2

0,30 - 1,20

Deelmonsters

Analysepakket

01 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,25) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,30) 23 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,25) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 02 (0,40 - 0,80) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 01 (1,50 - 2,00) 05 (0,60 - 1,00) 05 (1,00 - 1,30) 06 (0,50 - 0,90) 06 (0,90 - 1,30) 21 (0,60 - 1,10) 03 (0,85 - 1,20) 22 (0,30 - 0,70)

AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus

AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus

AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus

AS3000: Minerale olie, AS3000: Organische stof (gloeiverlies) AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus

AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus

Ter bemonstering van het grondwater zijn de grondboringen 1 en 2 afgewerkt met een peilbuis. Het filter is conform NEN geplaatst, gebaseerd op de tijdens het veldonderzoek ingeschatte grondwaterstanden. De verbinding tussen filter en stijgbuis is geklemd. Het filter is voorzien van een filterkous. Tot een halve meter boven het filter is het boorgat opgevuld met filtergrind; hierboven is een halve meter opgevuld met Bentoniet (zwelklei). De peilbuis is niet ingemeten ten opzichte van NAP, omdat bij verkennend bodemonderzoek hieraan geen prioriteit wordt gegeven. Om representatieve grondwatermonsters te verkrijgen is, na het plaatsen van de peilbuis en voor de monstername, een hoeveelheid water afgepompt gelijk aan driemaal de boorgatinhoud. Tijdens het afpompen zijn de Ec en de pH van het opgepompte water gemeten totdat deze constant bleven. Bij het schoonpompen is een goede toestroming van het grondwater geconstateerd. De bemonstering is op 26 juni 2020 door de heer F. Borst uitgevoerd. De filterstelling van de bemonsterde peilbuizen, de grondwaterstand (gws), de zuurgraad (pH), de soortelijke geleiding (Ec), de troebelheid en eventuele zintuiglijke afwijkingen zijn weergegeven in tabel 5. Tabel 5: gegevens grondwater Peilbuis 1 2

Filterstelling (m –mv) 1,3 – 2,3 1,2 – 2,2

Gws (m –mv) 0,78 0,82

Zuurgraad (pH) 6,75 6,89

Ec (µS/cm) 2070 1030

Troebelheid (FTU) 20,74 27,98

Zintuiglijke afwijkingen geen geen

De soortelijke geleiding en de zuurgraad van het grondwater, gemeten in het veld, weken niet af van de te verwachten waarden, gezien het bodemtype en de geohydrologische situatie op de locatie. De natuurlijke troebelheid ligt tussen 0 en 10 FTU. Naar onze mening zijn, ondanks de licht verhoogde troebelheidswaarden, toch representatieve monsters verkregen voor analyse. Bij de interpretatie wordt rekening gehouden met de gemeten hogere troebelheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4633/documents/32493