bij 3 Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m 2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m 2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Beoordeling Duidelijk is dat het voorliggende geval geen grote ontwikkeling is en dat de invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse NIBM is. Dit blijkt ook uit de navolgende afbeelding. De NIBM-tool is ingevuld voor deze specifieke ontwikkeling. Hieruit blijkt dat het project NIBM is.
Afbeelding: weergave van de NIBM-tool ingevuld voor voorliggend project
Geconcludeerd kan worden dat het project geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit. Voorts is ook gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te bieden vanuit het aspect luchtkwaliteit. De tabel hierna toont de achtergrondwaarden in relatie tot de advieswaarden van de WHO en de wettelijke grenswaarden.
29
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
Stikstofdioxide (NO 2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5 )
27 september 2023
Ac htergrondwaarde (µg/m3 )
Advieswaarde WHO (µg/m3 )
Wettelijke grenswaarde (µg/m3 )
11 16 8
10 15 5
40 40 25
Uit de tabel volgt dat de achtergrondwaarden net boven de advieswaarden van de WHO liggen, maar ruim onder de wettelijke grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse is dusdanig dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.6 Ecologie Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. Onderzoek Door een ecologisch adviesbureau is een quickscan ecologie uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als bijlage. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. De resultaten zijn als volgt. Beschermde gebieden Het plangebied ligt op minder dan 1 kilometer afstand van Natura 2000-gebied, die onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt. Het betreft het beschermde gebied ’Noordhollands Duinreservaat’ (tevens NNN-gebied).
Vanwege deze afstand is geen effect te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van doelsoorten en habitattypen die in het kader van de Wet natuurbescherming aangewezen zijn als gevolg van verstoring door geluid, licht en andere verstoringsfactoren. Door de toename van stikstofemissie door de plannen is een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen niet uit te sluiten. Zie voor een berekening van de stikstofdepositie paragraaf 3.7. Beschermde soorten Er zijn geen mogelijke verblijfplaatsen voor zwaar beschermde soorten waargenomen. Voor andere (vrijgestelde) soorten zijn er geen mogelijke verblijfplaatsen waargenomen op het perceel. Wel is de sloot ten westen van het perceel geschikt als voortplantingsbiotoop voor kikkers en de kleine 30
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
watersalamander. De voortplantingsperiode van deze soorten loopt grofweg van maart tot en met juli. Aan deze sloot zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Conclusie Er wordt geen negatief effect verwacht op beschermde gebieden. Ook wordt geen effect verwacht op dieren- of plantensoorten. De uiterlijke kenmerken van het gebied zijn sinds de uitvoering van de quick scan in 2021 niet veranderd en daarom is er geen aanleiding om de quick scan niet bruikbaar te achten. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
3.7 Stikstofdepositie Om te beoordelen of er sprake is van een te hoge stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige gebieden is een onderzoek naar stikstofdepositie gedaan. De rapportage ervan is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Er zijn berekeningen gemaakt voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Onderzoek Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd door Prommenz waarvan de rapportage is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Onder voorwaarden is het toegestaan om de stikstofemissie te salderen tegenover de bestaande stikstofemissie. In de rapportage wordt onderbouwd dat het in dit geval is toegestaan. Ook wordt gemotiveerd hoe groot de stikstofemissie in deze zogenoemde ‘referentiefase’ is. Er is een worst case aanname gedaan van de hoeveelheid materieel en de hoeveelheid verkeersbewegingen in de aanlegfase. Ook is de gebruiksfase worst case benaderd door van de rijwoningen alleen uit te gaan van reguliere woningen en geen sociale huurwoningen. Berekend is het maatgevend jaar (jaar met de hoogste emissie), het jaar 2024 waarin de aanlegfase plaatsvindt. De beoogde situatie en de aanlegfase veroorzaken geen extra depositie in Natura 2 000gebieden ten opzichte van de referentiefase, er is zelfs een afname van depositie.
Conclusie De voorgenomen nieuwe ontwikkeling is niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming, aangezien op voorhand mogelijke significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Uit de stikstofberekeningen volgt dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische 31
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. Met name de Erfgoedwet is door de Wamz aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. Bureauonderzoek Door Hollandia Archeologen is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage. Rond het plangebied liggen 3 archeologische monumenten: handelsterp Hallum, Sint Adelbertusweg/Oude Schulpweg en Parallelweg/Nieuwe Schulpweg. Hallum is de historische kern van Egmond-Binnen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd en de andere twee monumenten zijn terreinen waar sporen van bewoning uit de late ijzertijd/Romeinse tijd en middeleeuwen zijn aangetroffen. In het projectgebied is nog niet eerder archeologisch onderzoek gedaan, maar in de nabije omgeving van het plangebied zijn wel verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd, waarbij ook vondstmeldingen zijn gedaan.
Er bestaat daarom een (middel)hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd in het plangebied. Om deze reden wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (IVO-O). Op deze manier kunnen de bodemopbouw en eventuele verstoringen in het plangebied in kaart worden gebracht. Booronderzoek (IVO-O) In 2021 heeft een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen plaatsgevonden. Hieruit bleek dat er mogelijk archeologische resten kunnen worden verstoord door de toekomstige werkzaamheden. De gemeente Bergen heeft aan de hand van de resultaten van deze onderzoeken bepaald dat er een aanvullend archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd diende te worden Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) Op 12 juli en 13 juli 2022 heeft een inventariserend veldonderzoek gedaan middels proefsleuven (IVO-P). Uit dit onderzoek bleek dat binnen het plangebied twee akkerlagen (S7 en S11) zijn gedocumenteerd: in S7 is aardewerk uit de Karolingische periode (750-875) gevonden en uit S11 is aardewerk uit de late ijzertijd-Romeinse tijd (200 v. Chr. - 300 n. Chr.) afkomstig. In de bovenste akkerlaag zijn sporen van bewerking door een keerploeg waargenomen.
De twee akkerlagen werden van elkaar gescheiden door middel van een natuurlijke stuifzandlaag (S10). De overige sporen betreffen een vermoedelijk laatmiddeleeuwse sloot (S1/S9), een oudere greppel (S8) die door de sloot wordt doorsneden, en een paalkuil en greppel die aan de onderzijde van de tweede akkerlaag zijn waargenomen. De overige vondsten (metaal, aardewerk, pijpaarde, dierlijk botmateriaal en natuursteen) zijn gedaan tijdens de aanleg van de vlakken en de kijkgaten en met behulp van de metaaldetector.
32
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
Gezien de aanwezigheid van twee akkerlagen (vindplaats 2 en 3) met bijbehorend vondstmateriaal in de bodem van het plangebied wordt archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd indien de grondroerende werkzaamheden met betrekking tot de nieuwbouw (inclusief heipalen, funderingen, nutsvoorzieningen, eventuele kelders/kruipruimtes etc.) dieper reiken dan 1,50 m +NAP/1,30 m -mv, (incl. buffer van 30 cm boven de eerste akkerlaag, S7). Vindplaats 1, de door landbewerking verstoorde bovengrond van het plangebied met losse (metaal)vondsten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd, behoeft geen archeologisch vervolgonderzoek. Om de verstoring van de bodem en de archeologische waarden te beperken tot een aanvaardbaar niveau wordt een archeologievriendelijk bouwplan voorgesteld met de volgende uitgangspunten: - De voorkeur gaat uit naar een fundering op staal, mits die aangelegd kan worden boven het archeologisch niveau, dus boven 1,50 m +NAP/1,3 m -mv. - Bij een archeologievriendelijk palenplan mag de oppervlakte van de te verstoren palen maximaal 2% van de oppervlakte van de vindplaats beslaan. - De afstand tussen de palen(rijen) gerekend van rand tot rand moet minimaal 4 meter bedragen.
- Grondvervangende palen kunnen eventueel in stevige (zandige) bodems worden gebruikt en grondverdringende palen kunnen eventueel in slappe klei- of veenbodems worden gebruikt, maar het beste is om grondverdringende schroefpalen en groutinjectiepalen altijd te vermijden. - Het inbrengen van de palen moet op een manier gebeuren dat de bodem zo weinig mogelijk wordt verstoord. Vanwege het complextype van de beide behoudenswaardige vindplaatsen – akkerlagen – kan behoud in situ met dit voorgestelde funderings- en palenplan afdoende worden bewerkstelligd, zonder onverantwoord informatieverlies. Een akkerlaag (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een grafveld) manifesteert zich immers als een relatief gelijkmatig fenomeen over een groot oppervlak. De uitgangspunten voor behoud in situ en voorwaarden voor de vergunningverlening zijn als volgt: 1. geen verstorende bodemingrepen dieper dan 1,3 m onder huidig maaiveld (1,5 m +NAP); 2. de beperking genoemd onder 1 geldt niet voor de heipalen (zoals vastgelegd op de in Bijlage 8 van het rapport opgenomen tekeningen) en inspectieputten van het riool. Cultuurhistorie Het bestaande onbebouwde gebied heeft (los van de archeologische waarden) geen cultuurhistorische waarde. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast als gevolg van de ontwikkeling.
Conclusie Voor wat betreft archeologie is middels onderzoek aangetoond dat er archeologische waarden aanwezig zijn die behoudenswaardig zijn. Omdat deze waarden op een zekere diepte aanwezig zijn is het mogelijk om onder voorwaarden het voorliggende bouwplan uit te voeren. Overige cultuurhistorische waarden zijn niet aanwezig. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het voorliggende project op het aspect archeologie en cultuurhistorie in voldoende mate aangetoond. 33
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
3.9 Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit is van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. Om te beoordelen of er sprake is van een bodemkwaliteit die geschikt is voor de woonfunctie is door Prommenz een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderzoek De rapportage ervan is bijgevoegd als bijlage. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een onverdachte locatie. In zowel de grond als het grondwater is geen verontreiniging aangetroffen en de hypothese ‘onverdacht’ is bevestigd. Er is geen aanleiding voor aanvullend onderzoek, de bodem is geschikt voor de woonfunctie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de milieuhygiënische bodemgesteldheid geen belemmeringen opwerpt voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.10 Waterhuishouding In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen (of het voeren van vergelijkbare procedures). In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) dat verplicht is bij ruimtelijke procedures, wordt vooroverleg gepleegd met de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan 2022-2027) opgesteld. In het Waterplan 2022-2027 zijn de ambities en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig, gebiedsgericht waterbeheer mogelijk. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
Watertoets De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit (ruimte voor water) en waterkwantiteit en veiligheid (overstroming). Voor het voorliggende project is een watertoets opgesteld welke is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna worden de belangrijkste aspecten weergegeven. 34
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
-
-
-
27 september 2023
Het projectgebied is omringd door zowel secundaire- (noord- en westzijde) als primaire- ( zuid- en oostzijde) greppels. Aan de oostzijde kan theoretisch wateroverlast ontstaan in de huidige situatie. Dit is ook de reden van de aanwezigheid van de greppels. Er wordt met voorliggend project geen water gedempt. Ter plaatse van de kruising van de nieuwe rijbaan met de greppels zijn wel duikers voorzien, Ø800 mm. Indien geen duikers kunnen worden ingepast (vanwege te weinig beschikbare hoogte), dan wordt een eenvoudige brugconstructie toegepast. Dit is met name van toepassing aan de noordzijde van het plangebied. Wel neemt het verhard oppervlak toe. Als compensatie van het toenemend verhard oppervlak worden de watergang langs de provinciale weg en de bestaande greppel langs de Visweg opgewaardeerd. Dit is in de navolgende afbeelding met paars aangegeven. Te zien is dat de doorkruising van het nieuwe deel van de Meeuwenlaan met beide greppels in rood wordt aangegeven. Dit wordt gerealiseerd middels duikers, danwel met brugconstructies. Ook wordt waterbergend granulaat onder de verharding en parkeerplaatsen van de Meeuwenlaan aangebracht. Samen met een DIT-riool wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. De waterbalans is als volgt: o Benodigd: 268,5 m3 o Watergang/greppel opwaarderen: 126,5 m3 o Waterberging in weg: 142 m3 o Resultaat: 0 m3 (volledige compensatie)
Afbeelding: locatie opwaarderen watergang/greppel (paars), bestaande dam (groen) en nieuwe duikers of bruggen (rood)
35
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
Conclusie Het watersysteem is met de aanpassingen genoemd in de watertoets voldoende afgestemd op de nieuwe situatie. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.11 Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Het is in ieder geval niet relevant of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling betreft de wijziging van agrarische gronden naar woonfuncties en verkeersfuncties. Het project zou kunnen worden gekwalificeerd als stedelijk ontwikkelingsproject. Om deze reden is een mer-aanmeldnotitie opgesteld.
Uit deze notitie blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen aanleiding om een mer-beoordeling uit te voeren.
36
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Economische uitvoerbaarheid De gronden waarop het project zal plaatsvinden zijn in eigendom van de ontwikkelende partij. Uit de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is niet gebleken dat er een financieel risico bestaat voor de uitvoerbaarheid van het project. De kosten voor de behandeling van de omgevingsvergunning worden gedragen door Ooms. Tussen Ooms en de gemeente Bergen is een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling. Eventuele planschade komt voor rekening van de ontwikkelende partij. Voor de ontwikkeling is het kostenverhaal verzekerd.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Van het ontwerp besluit wordt kennisgegeven in de Staatscourant. Ten aanzien van het ontwerpbesluit kan eenieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen bij het college. De vastgestelde ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Mochten hierop zienswijzen worden ingeb racht, dan volgt een belangenafweging, waarna het college een besluit neemt. Participatie Op 9 februari en 15 september hebben een tweetal overleggen plaatsgevonden met de Dorpsraad van Egmond-Binnen. Ook zijn bewoners/omwonenden geïnformeerd over het initiatief. Op 23 november 2021 is in samenwerking met de Dorpsraad een bewonersmiddag/-avond georganiseerd. De algehele tendens was positief. Aanwezigen konden (al dan niet via een formulier) aangeven wat men van het plan vond. Er waren veel geïnteresseerden in een woning.
4.3 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bor is het plan voorgelegd aan betrokken bestuursorganen, nutsbedrijven en andere instanties.
37
Ruimtelijke onderbouwing Visweg en Meeuwenlaan
27 september 2023
5 Conclusie Het voorliggende initiatief is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling. Voor het gevraagde kan een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 eerste lid sub a, onder 3° van de Wabo genomen worden. Het Rijks-, provinciale of gemeentelijke beleid werpt geen belemmeringen op en ook vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen te verwachten. Op diverse milieuaspecten is onderzoek uitgevoerd. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Het initiatief zorgt voor een gewenste toevoeging van (sociale) woningen. Er bestaat een tekort aan de typen woningen die hier worden gerealiseerd. De opvulling van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom is logisch. De ontwikkeling is derhalve ruimtelijk aanvaardbaar.
38