CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 3 Rapport natuurpotentie.pdf

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 9: VAN DE AGENDA GEHAALD Voorstel betreft een verzoek aan de Provincie tot aanwijzing Natuurnetwerk Nederland van de Zuurvenspolder te Bergen1.687 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zuurvenspolder Mogelijkheden voor natuurontwikkeling

Zuurvenspolder Mogelijkheden voor natuurontwikkeling

Opdrachtgever: Landschap Noord-Holland

Samenstelling: C. ten Haaf

december 2019

© Ten Haaf & Bakker, 2019

Ten Haaf & Bakker Scholeksterstraat 23 1873 HM Groet 072 5151467 info@tenhaafenbakker.nl

Door de variatie aan bodemtypen en de aanwezigheid van kwalitatief goed kwelwater vanuit de duinen en de Haakwallen van Bergen zijn de mogelijkheden voor een gevarieerde natuurontwikkeling in de Zuurvenspolder groot. Landschap en ontstaansgeschiedenis De Zuurvenspolder ligt ingeklemd tussen- en op de overgang van de 'haakwallen' van Bergen. De oost-west gelegen haakwallen hebben zich gevormd rond de monding van een oud krekensysteem, het zogenaamde Zeegat van Bergen. De lagergelegen vlakten tussen deze wallen raakte in de loop der tijd bedekt met dikke veenkussens. Vanaf de 10e en 11e eeuw werd dit veen ontwaterd en ontgonnen. De bodem daalde daardoor en de invloed van de zee nam toe door overstromingen vanuit de Rekere. De naam Zuurvenspolder is afgeleid van het Zuyerven, ofwel Zuiderveen. Op de geomorfologische kaart staan de hogere 'haakwalgronden' aangegeven als 'Strandwal, al dan niet met vervlakte duinen'. De lagere delen als 'Vlakten van getijafzettingen'. De omgeving van Bergen was in de 13e eeuw te vergelijken met een waddengebied. Een landschap met kwelders, prielen en kreken, dat door een wisselend zeeniveau van eb en vloed via de Rekere (nu het Noord-Hollands kanaal), regelmatig werd overspoeld. Binnen dit gebied lagen in Bergen ook hoog en droog de haakwallen of geestruggen Baakmeergeest en Zanegeest en noordelijk daarvan de Aagtdorpergeest.

Aan de zuidzijde lag het uitgestrekte Bergermeer. Teneinde de bestaansmogelijkheden te vergroten werden buitendijkse gronden omdijkt. Deze gronden waren door slibafzetting verrijkt en daardoor geschikt voor veeteelt. De aan de oostzijde van Bergen gelegen polders zijn de oudste in de omgeving.

figuur 2. Fragment Geomorfologische kaart

Pagina | 1

Van noord- naar zuid; de Mangelpolder, Noorder-Rekerpolder, , Midden-Rekerpolder, ZuiderRekerpolder, Oudburgerpolder, Zuurvenspolder en Sluispolder, ook wel samen als de Verenigde Polders aangeduid. Wanneer deze polders precies zijn ontstaan is niet te achterhalen. Mogelijk was het Zakendijkje door het Zuyerven een eerste poging hier droge voeten te houden en verbinding te zoeken met de bewoners van de noordelijk daarvan gelegen geestruggen Zanegeest en Baakmeergeest. Met de Baakmeerdijk , de Oosterdijk en de Kogendijk is het Zuyerven geheel bedijkt en is de Zuursvenspolder een feit. Een in 1986 door Frits David Zeiler getekend kaartje geeft een aardig beeld van Bergen omstreeks 1250. Aardig is dat de Molensloot op dit kaartje staat aangegeven als 'beek' die drangwater uit de duinen afvoerde in de richting van de Rekere.

figuur 5. Impressie landschap rond 1250 door Frits David Zeiler

In de 17e eeuw werd de Zuurvenspolder doorgemalen door de Zuurvensmolen, die aan het oostelijke uiteinde van de molensloot stond. In die tijd zetten de boeren in de polders aan de oostkant van Bergen in de herfst de molens weloverwogen stil en de sluisjes open, waarna het land onder water verdween. Er zette zich dan een vruchtbaar laagje slib op de landerijen af. Pas in de lente ging de molenaar weer aan de slag en maalde de polder droog. In 1949 werd de Zuurvensmolen tijdens een kort onweer door de bliksem getroffen en brandde af. De voorzitter van het bestuur van de Zuurvenspolder J.A. Ranzijn ging dat zeer aan het hart en verwoordde zijn gevoelens in het volgende vers:

Pagina | 2

Met weemoed zagen wij U aan, O molen aan de vliet Toen zijt gij van ons heengegaan, Vergeten doen we u niet, Drie eeuwen lang trotseerdet gij De elementen der natuur In enen slag waart gij in 't niet, Getroffen door 't hemelvuur. Vaarwel dan molen, o mooie molen De sieraad van ons Bergerpolderland. Vaarwel dan molen, o mooie molen Weg is weer een brok van d'oude trant

De bijzondere ligging tussen de haakwallen wordt goed geïllustreerd als we naar de hoogtekaart kijken. De Molensloot en de laaggelegen gronden daaromheen zijn donkerblauw. De hoog gelegen gronden zijn geel en bruin, aan de noordzijde Zanegeest en aan de zuidkant de haakwal waarop Bergen gebouwd is. De overgangen van hoog naar laag zijn geleidelijk en worden gemarkeerd door groene tinten.

Hoogtekaart (AHN2)

Pagina | 3

Bodem en waterhuishouding De bewogen ontstaansgeschiedenis van het gebied is ook terug te vinden in de bodem. De gedetailleerde bodemkaart, die werd gemaakt in het kader van de landinrichting Bergen-EgmondSchoorl, geeft daarvan een duidelijk beeld. De lage delen rond de Molensloot bestaan uit ‘Knippige

poldervaaggronden’ met een kleiig profiel. De overgangszones en de haakwallen bestaan uit Beekeerdgronden met leemarm en zwak lemig zand. De Zuurvenspolder ligt in een bijzondere overgang van strandwal naar getijdevlakte, waarbij zowel de bodem, als de geomorfogie nog zeer oorspronkelijke kenmerken vertonen. In een tijd van egaliseren en omzetten worden dit soort kenmerken steeds zeldzamer.

De situering van hoog liggende zandbodem t.o.v. lager liggende kleibodem geeft zeer goede mogelijkheden voor natuurontwikkeling (limes divergens). Vooral geleidelijke overgangen, zoals in het gebied aanwezig, zijn kansrijk. Het gebied wordt gevoed door kwelwater uit de omliggende haakwallen en mogelijk ook uit het duingebied. Het voorkomen van kwelindicatoren als Holpijp, Pijlkruid en Brede waterpest geeft hier duidelijk aanwijzingen voor.

bodemkaart Mogelijkheden voor natuurontwikkeling De grote variatie aan bodem- en watertypen, en de geleidelijke overgangen daartussen maken het gebied zeer kansrijk voor natuurontwikkeling. Hieronder bespreken we een aantal vegetatie- en natuurtypen waaraan gedacht kan worden. Dotterbloemgrasland o.i.v. kwel Het gebied leent zich goed voor de ontwikkeling van schraalgraslanden, die behoren tot het Dotterbloem-verbond (Calthion-palustris). Een aantal kenmerkende soorten van deze gemeenschap komen al in het gebied voor. Kenmerkende planten zijn Dotterbloem, Echte koekoeksbloem, Rietorchis, Brede orchis, Grote ratelaar,

Pagina | 4

Moerasrolklaver, Gewone brunel, Zwarte zegge en Tweerijige zegge. Deze graslanden zijn ook belangrijk voor (weide)vogels, zeker in combinatie met andere graslandtypen. Verder komen in het type vlindersoorten voor als Kleine vuurvlinder, Hooibeestje, Bruin zandoogje en Argusvlinder. Het graslandtype ontwikkelt zich in vochtige omstandigheden, met een grondwaterstand, die in de winter tot boven maaiveld uitstijgt en s´zomers wegzakt tot enkele decimeters onder maaiveld. Het type ontwikkelt zich optimaal in kwelsituaties. De zuurgraad van dit type is neutraal tot zwak zuur. Bij verzuring treedt snel verarming van de vegetatie op. Het beheer bestaat uit (laat) hooilandbeheer, eventueel gevolgd door lichte nabeweiding.

Brunel

Moerasrolklaver

Echte koekoeksbloem

Rietorchis

Zilverschoongrasland In de lagere delen kunnen graslandvegetaties tot ontwikkeling komen die behoren tot het Zilverschoonverbond (Lolio-Potentillion anserinae), en dan met name de Associatie van Geknikte vossenstaart (Ranunculo-Alopecuretum geniculati) en de Associatie van Moeraszoutgras en Fioringras (TriglochiniAgrostietum stoloniferae). Karakteristieke plantensoorten zijn Geknikte vossenstaart, Fioringras, Zomprus, Greppelrus, Mannagras, Zilverschoon, Behaarde boterbloem, Moeraszoutgras, Kruipende boterbloem, Valse voszegge en Zompvergeet-mij-nietje. Ook in dit graslandtype voelen allerlei vogels zich thuis, waaronder Tureluur, Grutto, Watersnip en Slobeend. Als deze graslanden in najaar en winter onder water staan worden ze gebruikt als rust- en fourageerplaats door o.a. Smient, Wintertaling en steltlopers als Witgatje en Watersnip. Van de

Pagina | 5

zoogdieren maken de Waterspitsmuis en de Woelrat gebruik van deze graslanden. De natste delen, die tot ver in het voorjaar onder water staan, zijn van belang als voortplantingsplaats voor de Rugstreeppad. Dit graslandtype zal zich in het gebied kunnen ontwikkelen in en langs de greppels en slootoevers. ‘s Winters staan deze delen 10 tot 30 cm. onder water, in de zomer zakt het grondwater tot enkele decimeters beneden maaiveld . Het beheer bestaat uit ´normale´ begrazing door runderen of schapen, of uit hooilandbeheer met nabeweiding. Rietland en rietruigte In de natste en laagste delen langs de Molensloot en in de waterberging kan ook rietland en rietruigte tot ontwikkeling komen. In de diepere delen groeien plantensoorten als Riet, Kleine lisdodde, Heen, Ruwe bies, Rietgras en Liesgras. Dit kan een belangrijk paaigebied worden voor vissoorten, die vanuit het Noordhollands kanaal het gebied intrekken. Tussen het ijle ‘waterriet’ zetten soorten als Snoek en Zeelt hun eieren af. Ook voor veel waterinsecten is dit een belangrijk leefgebied. Watervogels als Fuut en Kuifeend bouwen hun nest in deze zone. In het wat dichtere riet langs de oever vinden we anderen plantensoorten tussen het riet, zoals Gele lis, Moerasandoorn, Watermunt en Moeraswalstro. Hier broeden Rietzanger, Kleine karekiet en Rietgors.

Op sterk verlandde en ongemaaide plekken vinden we rietruigte met Harig wilgenroosje, Echte valeriaan en Koninginnekruid. Deze ruigten zijn van belang voor insecten, waaronder veel vlinders. Verder bieden ze beschutting aan kleine zoogdieren, waaronder de Waterspitsmuis. Naarmate we dichter bij de haakwallen komen wordt de invloed van afstromend en opkwellend duinwater groter, waardoor ook de samenstelling van de vegetatie verandert. Tussen het riet vinden we nu soorten als Moerasspiraea, Wilde bertram, Blauw glidkruid, Tweerijige zegge en Holpijp. In deze zone is het water veel helderder, schoner en rijk aan waterinsecten en amfibieën. De te ontwikkelen rietzones een geven beschutting en vormen een voortplantingsplaats voor de hier levende dieren. Ten behoeve van de waterspitsmuis kunnen op de overgang van gras- naar rietland plaatselijk ‘stijlrandjes’ worden aangelegd, waarin ze nestholten kunnen uitgraven. Sloten en waterpartijen o.i.v. kwel Doordat in het plangebied sprake is van kwel liggen er grote kansen voor de ontwikkeling van gevarieerde watervegetaties. Ook de extensivering van het beheer speelt daarin een belangrijke rol. De sloten raken goed begroeid, met plaatselijk veel Holpijp, Pijlkruid en onder water Aarvederkruid, Brede waterpest en Haarfonteinkruid. Op andere plaatsen is het water bedekt met Drijvend fonteinkruid en Kikkerbeet.

Schrijvertjes kriskrassen tussen de drijfbladen heen en weer. Langs de oever groeien Wilde bertram, Kalmoes, Beekpunge en Moerasrolklaver. De visbezetting kan het tot het Snoek-Blankvoorn- en/of het Ruisvoorn-Snoektype gerekend worden met soorten als Snoek, Ruisvoorn, Blankvoorn, Baars, Paling, Bittervoorn en Kleine modderkruiper. Daarnaast zijn amfibieën als Groene kikker, Bruine kikker en Kleine watersalamander algemeen. Ook de macrofauna is gevarieerd met een groot aantal kreeftachtigen, slakken en waterwantsen. Ze dienen ook als voedsel voor de Waterspitsmuis.

Pagina | 6

Drijvend fonteinkruid

Holpijp

Kalmoes

Pagina | 7

Literatuur Aten D. 2006 - Alle winters onder waetter, grepen uit de geschiedenis van de Bergense polders. In 'Bergense kroniek, de polders rondom Bergen. Historische vereniging Bergen. Provinciale Natuur Informatie, 1986, 1993, 2007 - Flora-gegevens. PNI-archief, Haarlem Waalewijn R. 2006 - Droge voeten, de strijd tegen het water door de eeuwen heen. In 'Bergense kroniek, de polders rondom Bergen. Historische vereniging Bergen.

Pagina | 8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4888/documents/37878