CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 2021-10-14 VNG paardenhouderij omgevingsrecht.pdf

Algemene Raadscommissie 14 oktober 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het bestemmingsplan Herenweg 37 Egmond-Binnen vast te stellen17.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Is het bedrijfsplan reëel en heeft het betrekking op een duurzaam bedrijf. Wordt overlast zoveel mogelijk geminimaliseerd. Vigeert voor de locatie de bestemming ‘paardenhouderij’ of moet daarvoor een wijzigingsplan ex artikel 3.6, lid 1, onder a, Wro worden vervaardigd, of dient een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo juncto artikel 2.12, lid 1 onder a onder 3 Wabo te worden verleend. Past het bedrijfstype (of combinatie van bedrijfstypen) binnen de vigerende of toe te kennen bestemming. Is er een bouwvlak, en zo ja, voldoet het bouwvlak. Zo niet, zijn er mogelijkheden tot toekenning/aanpassing. Indien van toepassing: is het bedrijf inpasbaar in het landschap19. Is de aanvraag getoetst door de agrarische beoordelingscommissie.

In de Regeling omgevingsrecht heeft de wetgever overigens de indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning vastgelegd. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de indieningsvereisten die voor iedere aanvraag gelden en vereisten per activiteit, zoals specifiek voor bouwactiviteiten. 4.1.2.4 Een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan Naast de mogelijkheid om buitenplans van het bestemmingsplan af te wijken, kunnen in het bestemmingsplan zelf ook afwijkingsregels voorkomen. Deze zogeheten binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is geregeld in artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro. De omgevingsvergunning is dan gebaseerd op artikel 2.12, lid 1 onder a onder 1 van de Wabo. Van belang is dat in de planregels ruimtelijk relevante voorwaarden worden opgenomen die objectief toetsbaar zijn. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ziet alleen op ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan. In bijlage IV is een voorbeeld van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de paardenhouderij opgenomen. Bij strijd met het bestemmingsplan kan in sommige gevallen gebruik gemaakt worden van een wijzigingsbevoegdheid. Deze bevoegdheid moet opgenomen zijn in de regels van het bestemmingsplan zelf. De mogelijkheden die de wijzigingsbevoegdheid voor paardenhouderijen biedt, is eerder in deze handreiking beschreven. (paragraaf 3.7.7).

____________________ 18 Vóór de inwerkingtreding van de Wabo werd dit een ‘aanlegvergunning’ genoemd. 19

Soms zijn er mogelijkheden voor subsidies voor landschappelijke inpassing en/of voor natuurinvesteringen. Dit soort regelingen worden meestal door provincies en het Rijk ontwikkeld.

18

SECTORRAAD PAARDEN

4.1.2.5 Een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu dan wel een omgevingsvergunning beperkte milieutoets Bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een paardenhouderij zal onderzocht moeten worden of daarvoor een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet worden gedaan dan wel een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo) of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, lid 1 onder i Wabo) moet worden aangevraagd. Het merendeel van de paardenhouderijen kan volstaan met een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer staan de meldingsvereisten opgenomen. Wanneer een paardenhouderij meer dan 50 paarden heeft, is ofwel een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist ofwel een omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Bij besluit van 14 september 201220 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Wijzigingsbesluit) is de reikwijdte van het Activiteitenbesluit verbreed met agrarische inrichtingen en activiteiten buiten inrichtingen. Deze activiteiten waren voorheen geregeld in het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit glastuinbouw, het Besluit mestbassins milieubeheer, het Lozingenbesluit open teelt een veehouderij en het Lozingenbesluit bodembescherming.

Uit het Wijzigingsbesluit volgt dat de omgevingsvergunningplicht voor de activiteit milieu, die wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, voor een aantal categorieën van agrarische inrichtingen (waaronder ook de paardenhouderij valt) opgeheven of vervangen is. In plaats daarvan geldt nu de zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM). De toets voor de OBM is beperkt, omdat slechts aan een of enkele milieuaspecten wordt getoetst. Uit artikel 2.1, lid 1 onder e van de Wabo juncto artikel 2.1, lid 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan worden afgeleid in welke gevallen nog een omgevingsvergunningplicht voor de activiteit milieu geldt. Onder deze categorieën vergunningplichtige inrichtingen vallen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onder B en C van het Bor. Voor de paardenhouderij is eigenlijk alleen het bepaalde in artikel 2.1, lid 2 van het Bor van belang. Bij meer dan 100 paarden geldt de vergunningplicht. Het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar mag dan overigens niet worden meegeteld (categorie 8.3 onder j van bijlage I, onder C Bor). De noodzaak van een OBM volgt uit artikel 2.1, lid 1 onder i van de Wabo juncto artikel 2.2a van het Bor.

In artikel 2.2a van het Bor staan de gevallen genoemd waarvoor een OBM nodig is. Uit het eerste lid onder c van dit artikel volgt dat voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van ten minste 51 en ten hoogste 100 paarden en pony’s een OBM noodzakelijk is. Ook hier tellen dieren jonger dan 3 jaar niet mee. Bij dit aantal dieren moet het bevoegd gezag eerst een vormvrije MER-beoordeling uitvoeren. Blijkt daaruit dat er geen invloed is op de fysieke leefomgeving (waardoor geen MER hoeft te worden opgesteld) dan kan volstaan worden met een OBM-vergunning. Als wel een MER moet worden opgesteld, moet alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (artikel 5.13b, lid 1 Bor) worden aangevraagd. 4.1.2.6 De natuurbeschermingswetvergunning In gevallen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en tevens en tegelijkertijd een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998, bestaat de mogelijkheid dat deze laatstgenoemde vergunning aanhaakt bij de omgevingsvergunning. Middels dit ‘aanhaken’ behoeft het bedrijf in dit soort situaties geen afzonderlijke toestemmingen aan te vragen, omdat alle toestemmingsvereisten onderdeel zijn van de omgevingsvergunning.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij de natuurbeschermingswetvergunning onderdeel wordt van de aanvraag om omgevingsvergunning, is wel een verklaring van geen bedenkingen vereist van - meestal - gedeputeerde staten en soms de minister van Economische Zaken. Een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) kan een vereiste zijn bij een paardenhouderij in de nabijheid van een Natura-2000-gebied of beschermd natuurmoment. Het vergunningstelsel op grond van artikel 19d, respectievelijk artikel 16 van de Nbw 1998 is dan namelijk van toepassing. Ingevolge artikel 19d, lid 1 van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, projecten of andere handelingen te realiseren, die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. De kans dat bij een bepaalde ontwikkeling nadelige effecten optreden is al voldoende om een vergunningplicht te doen ontstaan.

____________________ 20

Stb. 2012,441

SECTORRAAD PAARDEN

19

Verder is in artikel 16, lid 1 van de Nbw 1998 bepaald dat het is verboden zonder vergunning handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen in een beschermd natuurmonument, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren. Het toetsingskader voor het verlenen van een natuurbeschermingswetvergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998, is opgenomen in artikel 19e tot en met 19i van de Nbw 1998. Zo volgt uit artikel 19f van de Nbw 1998 dat voor projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer een passende beoordeling laat maken van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van het gebied. Een vergunning kan slechts worden verleend indien uit de passende beoordeling volgt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast (artikel 19g van de Nbw 1998). Een toetsingskader voor de vergunningverlening op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 is niet in de Nbw 1998 opgenomen.

Voor het verlenen van een natuurbeschermingswetvergunning voor een bepaalde schadelijke handeling wordt gekeken naar het beleid en vindt tevens een belangenafweging plaats. Samengevat moet voor elke handeling die schadelijk kan zijn voor natuurwaarden, worden beoordeeld of een natuurbeschermingswetvergunning dient te worden aangevraagd. Behalve voor nieuwe activiteiten geldt dit ook voor bestaand gebruik. Geadviseerd wordt dan ook om voor iedere activiteit in de directe omgeving van een Natura 2000-gebied te onderzoeken of een natuurbeschermingswetvergunning noodzakelijk is. 4.1.2.7 De Flora- en faunawet Waar de natuurbeschermingswet 1998 ziet op bescherming van gebieden, is de Flora- en faunawet gericht op de bescherming van in het wild voorkomende soorten planten en dieren. De Flora- en faunawet geldt in heel Nederland. Op basis van de wet zijn bijna duizend soorten aangewezen als beschermde inheemse soort21. De wet beschermt zowel aangewezen soorten zelf als ook vaste rust- of verblijfplaatsen. De Flora- en faunawet speelt hoofdzakelijk een rol in het kader van de onderzoeksverplichtingen voor een bestemmingsplan en (zodoende) ook bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, als voor de aangevraagde activiteit (bijvoorbeeld het bouwen) ook een ontheffing op grond van deze wet nodig is.

In de praktijk is de wet voor de paardenhouderij vooral van belang als bijvoorbeeld bebouwing plaatsvindt op een locatie waar nesten of vaste rustplaatsen van beschermde soorten voorkomen. Bij de toetsing van de aanvraag voor de omgevingsvergunning moet worden onderzocht of ontheffing op grond van de Flora- en faunawet kan worden verkregen. 4.2 Een verdere uitwerking van de vragen die een rol spelen bij de vergunningverlening In paragraaf 4.1.1 staan een vijftal vragen vermeld die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning. In deze paragraaf zullen deze vragen verder worden uitgewerkt. 4.2.1 Om welk bedrijfstype of welke combinatie van bedrijfstypen gaat het? Is daarbij sprake van een productiegerichte of gebruiksgerichte paardenhouderij? In bijlage I worden de verschillende bedrijfstypen in de paardenhouderij omschreven. Aan de hand van deze bijlage kan worden beoordeeld op welk bedrijfstype een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft en in hoeverre de omgevingsvergunning daarvoor noodzakelijk is. In het schema worden per bedrijfstype de verschillende hoofdactiviteiten weergegeven. In dit geval dient rekening gehouden te worden met het feit dat er combinaties van hoofdactiviteiten en dus ook bedrijfstypen mogelijk zijn.

____________________ 21

20

Daaronder vallen vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en vissen.

SECTORRAAD PAARDEN

gs te nh Fo ou kk de er rij ij O pf ok be dr Af ijf ric ht in gs Sp ta or l ts ta l St al ho ud er H an ij de ls ta Sp l er m aw in Em st br at yo io n tra Pa ns pla ar de nt at nm ieb Ve e ed lk re e ni rijf rij gi ng M an sa cc eg om e* od Pe at ns ie io ns Be ta l d an d Br ea kf as t

en H

Fokkerij Kunstmatige Inseminatie (KI) Horeca Opfok Africhting Training Uitbrengen in de sport Instructie aan derden op eigen paard Instructie aan derden op bedrijfspaard In- en verkoop van paarden Productie/afzet paardenmelk (producten Embryotransplantatie Spermawinning

1

Verhuur aanspanningen Verhuur accommodatie Verhuur weiland Verhuur stalling Hoofdactiviteit Een activiteit op een bedrijf kan als hoofdactiviteit worden beschouwd indien deze resulteert in het merendeel van de inkomsten. * Bij manege bedrijven zijn horeca voorzieningen noodzakelijk. Opzet en grootte kunnen verschillen. Deze horecavoorzieningen zijn ondergeschikt en dienstbaar aan de paardenhouderij. op een paardenhouderij vormen horeca-activiteiten doorgaans geen hoofdactiviteit. 1

Op een hengstenhouderij waar hengsten door KI voor de fokkerij worden ingezet vormt spermawinning een hoofdactiviteit.

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van een productiegerichte dan wel gebruiksgerichte paardenhouderij, geldt dat bij een productiegerichte paardenhouderij het paard centraal staat en bij een gebruiksgerichte paardenhouderij de ruiter/ amazone. Beide vormen van paardenhouderij worden hierna kort toegelicht. Onder productiegerichte paardenhouderij vallen de op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen, zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, de paardenmelkerijen, de africhtingsstallen, de trainings- en sportstallen, de handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations. Bij gebruiksgerichte paardenhouderij staat meer de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal. Hierbij kan gedacht worden aan maneges, de meer accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen en verenigingsaccommodaties. Naast het geven van instructies aan ruiters en amazones, is er vaak een gelegenheid aanwezig waar een consumptie kan worden genuttigd.

SECTORRAAD PAARDEN

21

Zoals hiervóór in hoofdstuk 3 reeds is aangegeven, sluit het goed bij de huidige praktijk aan wanneer fokkerijen, hengstenhouderijen en paardenmelkerijen bestemmingsplanmatig als agrarische bedrijven aangemerkt blijven zolang ze zuiver agrarisch zijn. Dit geldt eveneens voor de opfok van eigen gefokte paarden. Verder verdient het aanbeveling de productiegerichte paardenhouderij, inclusief pensionstal en/of opfokstal, daaronder toe te staan. De wijze waarop paarden worden gehouden verschilt onvoldoende om daarin een strikt onderscheid aan te brengen. Het gaat primair om het dier, en dat wordt in alle gevallen op eenzelfde wijze gehouden. Eerst wanneer het gebruik dat van het dier wordt gemaakt een niet met de agrarische bedrijfsvorm te verenigen wijziging ondergaat, dient het gebruik buiten de agrarische bestemming te worden gebracht door daarvoor een afzonderlijke bestemming op te nemen. 4.2.2 Betreft het een bedrijfsmatige of semi-bedrijfsmatige activiteit? Voor het kunnen beoordelen of de aanvraag betrekking heeft op een bedrijfsmatige of semi-bedrijfsmatige paardenhouderij, wordt geadviseerd de aanvrager een bedrijfsplan te laten indienen. Op grond van het bedrijfsplan kan dan worden beoordeeld of er sprake is van een bedrijfsmatige of semi-bedrijfsmatige paardenhouderij.

Een bedrijfsplan dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten:  Een duidelijke omschrijving van het bedrijfstype, de activiteiten en de daarvoor benodigde faciliteiten met een onderbouwing van de noodzaak van de ontwikkeling.  De arbeidsbehoefte, onderverdeeld naar activiteit per binnen het bedrijf werkzame personen.  Een omzetbegroting (o.a. financiële haalbaarheid, kostenbegroting, inzicht in duurzaamheid van het bedrijf).  De kennis en vaardigheden van de ondernemer.  Een afsluitende conclusie. Deelname aan vrijwillige certificeringsprogramma’s, zoals het Veiligheidscertificaat of de Certificering Hengstenhouderij, wordt gestimuleerd door de SRP en geadviseerd wordt dit als positief aspect mee te nemen bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning. 4.2.3 Zijn de in de aanvraag opgenomen voorziening(en) relevant? Bij het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de uitbreiding of de oprichting van een bepaald type bedrijf dient eerst te worden bekeken wat de grootte is van het aanwezige bouwvlak. Vervolgens dient getoetst te worden welke voorzieningen binnen het bouwvlak passen en kunnen worden gerealiseerd, dan wel of het bouwvlak kan worden veranderd. Het hiernaast weergegeven schema geeft overzichtelijk weer welke voorzieningen bij welk bedrijfstype horen.

Wanneer in het bedrijfsplan het belang van een voorziening kan worden aangetoond, wordt geadviseerd daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen.

SECTORRAAD PAARDEN

22

gs te nh Fo ou kk de er rij i j O pf ok be dr Af ijf ric ht in gs Sp ta or l ts ta l St al ho ud er H ij an de ls ta Sp l er m aw Em in st br at yo io tra n Pa ns pla ar de nt at nm ieb Ve e ed re lk er ni rijf ij gi n M g s an eg acc om e od Pe at ns ie io n Pr st al iv és ta l

en H X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Weide en schuilstal

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Paddock

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Uitloop Merriebox Loopstal/Groepshuisvesting

X

Binnenrijbaan Buitenrijbaan Stap-/trainingsmolen* Longeercirkel* Materieelopslag Voeropslag Strooiselopslag Mestopslag Kantoorruimte Ontvangstruimte 1

Kantine Hulpkracht(en)ruimte (Bedrijfs)woning Was-/poetsplaats Solarium Opvoelbox Laboratorium

2

Parkeerplaats

X

Gewenst tbv uitoefening van natuurlijk gedrag van het paard Wat men zoal aantreft op een bedrijf Niet algemeen voorkomend, kunnen wel voor een bedrijf gewenst zijn

*

Voorzieningen als longeercirkel en stap-/trainingsmolen kunnen voor ieder bedrijfstype gewenst zijn voor afwisseling in de beweging van het paard

1

Of een pensionstal een kantine wil inrichten zal afhangen van de omvang van het bedrijf en het bestaan van voldoende vraag. Een ontvangst-/verblijfruimte zal altijd wel aanwezig zijn.

2

Als op een hengstenhouderij hengsten middels KI voor de fokkerij worden ingezet, vormt een laboratorium een basisvoorziening

SECTORRAAD PAARDEN

23

4.2.4 Wordt de overlast geminimaliseerd? Overlast kan ontstaan door stof, licht, stank of verrommeling. Vaak kan deze overlast door een goede inpassing, doordachte aanleg en gebruik en door adequaat onderhoud geminimaliseerd worden. Bepaalde vormen van overlast kunnen via een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu heel goed worden gereguleerd. Echter, niet alle overlast is via een omgevingsvergunning dan wel de voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer te reguleren en ook kan de overlast worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een hobbymatige paardenhouderij, die niet vergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, lid 2 Bor juncto bijlage I Bor. In dat geval kan de overlast worden gereguleerd door een ontheffing of vergunning op grond van de Algemene plaatselijke verordening. Als ultimum remedium kan de overlast door burgers zelf worden aangepakt via het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:162 BW). Dit valt echter buiten de reikwijdte van deze Handreiking. Hieronder wordt een handreiking gegeven van de wijze waarop overlast kan worden geminimaliseerd. Stof Een buitenrijbaan, longeercirkel en paddock kunnen bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien dan wel door middel van een eb- en vloedsysteem, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen.

Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld het toevoegen van houtsnippers of tapijtsnippers. Daarnaast kan de locatie van de buitenrijbaan, longeerbak en paddock zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare overlast optreedt. In sommige gevallen, waarbij een bouwvlakvergroting/-verandering niet gewenst is, kan gekozen worden voor het positioneren buiten het bouwvlak. Licht Om lichtoverlast te beperken is het beter meerdere lichtpunten met minder intensiteit (Lux) te plaatsen, dan één groot lichtpunt (bouwlamp) bij voorzieningen zoals buitenrijbaan, stap- en trainingsmolen, longeerbak en paddock. Zo is het beter direct nabij de voorzieningen lampen te plaatsen dan deze verderaf aan een bestaand bouwwerk te bevestigen. Met betrekking tot de toegestane lichtintensiteit en de verplichte donkerperiode kunnen in de vergunning of ontheffing regels worden opgenomen. Ook hier geldt dat een goed doordachte positionering van de voorzieningen kan bijdragen in het minimaliseren van overlast. Ook de positie van de lichtpunten kan daaraan bijdragen. Stank De locatie van de mestopslag en de frequentie van het ophalen van de mest bepalen vaak of een mestopslag al dan niet leidt tot overlast. Meestal wordt de paardenmest wekelijks opgehaald, zodat een mestopslag ruimte dient te bieden aan twee weken opslag.

De locatie dient zodanig te worden gekozen, dat de overlast wordt geminimaliseerd. In de omgevingsvergunning of vergunning/ontheffing ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening kan één en ander worden vastgelegd. Bij rundveehouderijen wordt vaak aandacht besteed aan de positie van de opslag van kuilgras om stankhinder te voorkomen. Paarden krijgen geen kuilgras, maar het veel drogere voordroogkuil of volledig gedroogd hooi gevoerd. Doordat deze ruwvoeders veel droger zijn vindt er nauwelijks bacteriewerking plaatst en stinkt het ook niet. De positie van de opslag van ruwvoer voor paarden is daarom niet van belang met betrekking tot stank. Inpassing in het landschap Wat passend is in een landschap hangt af van de regio, locatie en omgeving. De paardenhouderij kan een positieve bijdrage leveren aan het landschappelijk beeld. Om dit te stimuleren en om verrommeling tegen te gaan, kan er samen met de natuur- en landschapsorganisaties bekeken worden welke (simpele) of gesubsidieerde aanpassingen er haalbaar zijn. Het zou goed zijn als natuur- en landschapsorganisaties geld reserveren voor projecten bij paardenhouders. 4.2.5 Is het noodzakelijk de aanvraag te laten beoordelen door een agrarische beoordelingscommissie? De beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning die betrekking heeft op een paardenhouderij, kan worden opgedragen aan een deskundige commissie.

Aan de hand van de deze handreiking is het in beginsel goed mogelijk te beoordelen of een voorziening passend en noodzakelijk is. De verplichting om een deskundige commissie een oordeel te laten geven over de voorgenomen plannen, kan in de planregels van het bestemmingsplan worden vastgelegd. Het is raadzaam deze verplichting in ieder geval te laten gelden bij een omvangrijke uitbreiding of nieuwvestiging van een paardenhouderij. Vaak worden aanvragen voor de paardenhouderij beoordeeld door deskundigen op het gebied van rundveehouderij of varkenshouderij, de zogenoemde agrarische adviescommissies. Deze commissies kunnen heel goed worden ingeschakeld voor het beoordelen van aanvragen voor een paardenhouderij, mits het daarvoor specifieke toetsingskader zoals opgenomen in de handreiking wordt gehanteerd. De kosten van advisering kunnen door middel van het heffen van leges op de aanvrager worden verhaald.

24

SECTORRAAD PAARDEN

5 bijlagen

I II III IV V VI

Bedrijfstypen in de paardenhouderij Voorzieningen in de paardenhouderij Criteria voor een tweede bedrijfswoning Voorbeeld van een bestemming “paardenhouderij” Sectorraad Paarden Lijst met afkortingen

SECTORRAAD PAARDEN

25

5 bijlage I

Bedrijfstypen Hieronder wordt een korte beschrijving van de bedrijfstypen in de paardenhouderij gegeven. Combinaties van verschillende bedrijfstypen komen veelvuldig voor. Let wel: daar waar paard staat, kan ook en/of pony gelezen worden. Africhtingsstal Een bedrijf kan als africhtingsstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit het africhten van paarden. Hieronder wordt verstaan het zadelmak maken, het betuigen, het keuringsklaar maken enzovoort. Bed en Breakfast Combinatie van het houden van paarden met het aanbieden van logies en ontbijt. Deze vorm van recreatief gebruik kenmerkt zich door zijn kleinschaligheid en zijn begrenzing in tijd, veelal beperkt tot de periode maart tot oktober. Embryotransplantatiebedrijf Een bedrijf kan als embryotransplantatiebedrijf worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit het verrichten van embryotransplantaties: insemineren van merries, het winnen van embryo’s en het terugplaatsen ervan. Fokkerij Een bedrijf kan als fokkerij worden beschouwd, indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de inzet van meerdere merries voor de fokkerij. Handelsstal Een bedrijf kan als handelsstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de in- en verkoop van paarden.

In tegenstelling tot de handel in vee en andere veesoorten worden paarden vaak langer aangehouden en niet direct doorverkocht of naar de slacht gebracht. Een handelsstal, met name een sportpaardenhandelsstal, doet veelal eerst aan waardevermeerdering voordat een paard weer doorverkocht wordt. Hengstenhouderij Een bedrijf kan als hengstenhouderij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de inzet van een of meerdere hengsten voor de fokkerij door natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie. Door de steeds hogere eisen die worden gesteld aan dekhengsten hebben de meeste merriehouders geen eigen hengst, maar maken ze gebruik van hengsten van gespecialiseerde hengstenhouders. Een hengstenhouderij die met KI werkt, dient zich aan de eisen van de Certificeringsregeling Hengstenhouderij te houden. In deze regeling zijn naast veterinaire eisen ook eisen voor de huisvesting opgenomen. Hobbymatige paardenhouderij Een hobbymatige paardenhouderij is een onderkomen voor uitsluitend of in hoofdzaak paarden die in eigendom zijn van de eigenaar van de stal en die niet worden gebruikt voor inkomensverwerving.

Manege Een bedrijf kan als manege worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden. Ook kunnen er wedstrijden worden georganiseerd voor ruiters en amazones die met hun paarden van buitenaf komen. De meeste maneges hebben een kantine/foyer ingericht om klanten te ontvangen en waar gebruik kan worden gemaakt van een consumptie. Opfokbedrijf Een bedrijf kan als opfokbedrijf worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de huisvesting van jonge paarden, al dan niet in eigendom, in de leeftijd van 4 maanden tot en met het 4e levensjaar. Veelal worden de groepen jonge paarden gedurende de zomerperiode volledige weidegang geboden en worden in de winterperiode deze groepen in groepshuisvesting gestald. Paardenmelkerij Een bedrijf kan als paardenmelkerij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit verkoop van melk en/of melkproducten geproduceerd uit melk afkomstig van merries aanwezig op het bedrijf. Een paardenmelkerij kan worden vergeleken met een bedrijf met melkkoeien of melkgeiten.

De omvang van de meeste paardenmelkerijen is kleiner dan een bedrijf met koeien of geiten, aangezien paardenmelk per liter veel meer opbrengt dan koeien- en geitenmelk. Om deze reden kan met minder productie worden volstaan.

SECTORRAAD PAARDEN

26

Pensionstal Een bedrijf kan als pensionstal worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het houden van paarden van derden. Hieronder wordt verstaan de verhuur van stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van de paarden. Spermawinstation Een bedrijf kan als spermawinstation worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit het winnen, bewerken en afzetten van sperma van hengsten ten behoeve van de fokkerij. Op een spermawinstation worden niet per definitie paarden gehouden. Het kan een laboratorium zijn waar een fantoom is opgesteld en waar een laboratorium is ingericht. Sportstal Een bedrijf kan als sportstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit een combinatie van training van paarden al dan niet in eigendom, het uitbrengen van paarden in de sport en het geven van instructie aan derden op paarden die niet in eigendom zijn van het bedrijf. Als de klanten naar het bedrijf komen met hun paard kan de instructie plaatsvinden op het bedrijf. Stalhouderij Een bedrijf kan als stalhouderij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit verhuur van aanspanningen voor bijvoorbeeld huwelijken, begrafenissen, tochten of shows.

Sommige stalhouderijen ontvangen nauwelijks klanten, omdat ze alleen de paarden op het bedrijf verhuren voor bijvoorbeeld huwelijken. In andere gevallen worden er vooral tochten gemaakt vanuit het bedrijf en komen de klanten naar het bedrijf toe. Stoeterij Een bedrijf kan als stoeterij worden beschouwd indien op het bedrijf een combinatie is te vinden van een fokkerij met een opfokbedrijf en/of africhtingsstal en/of hengstenhouderij. Verenigingsaccommodatie Een paardensportaccommodatie die uitsluitend in gebruik is voor een vereniging van natuurlijke personen, die de paardensport als vrijetijdsbesteding met eigen paarden beoefenen in een of meerdere disciplines en waar in beginsel geen paarden structureel worden gestald.

SECTORRAAD PAARDEN

27

5 bijlage II

1. Voorzieningen ten behoeve van natuurlijk gedrag van het paard 1.1. Weidegang Het aantal paarden dat op een bepaald oppervlak gehouden kan worden is afhankelijk van de grondsoort, de mate van bemesting, het totale grondoppervlak en het feit of er wel of geen ruwvoederwinning plaatsheeft.

Om het paard tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter te beschermen is een schuilmogelijkheid gewenst. Wanneer de dieren niet in de gelegenheid zijn op ieder moment van de dag beschutting te vinden onder of bij een of meerdere bomen(rijen), kunnen eenvoudige constructies (3 wanden en een dak) ook volstaan. Doelstelling is verlaging van de windsnelheid, het voorkomen van convectieverliezen en oververhitting maar ook bescherming voor paarden met insectenovergevoeligheid (staart- en maneneczeem). De schuilvoorzieningen moeten steeds genoeg ruimte bieden opdat alle dieren tegelijk zouden kunnen schuilen.

Definitie schuilstal: Overdekte ruimte waarvan het paard gebruik moet kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter. Aanbeveling oppervlak schuilstal: circa 3½ m² per paard. 1.2 Paddock Definitie paddock: Een ruimte waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen. Aanbeveling oppervlak paddock: circa 360m² per paard.

1.3 Uitloop Definitie uitloop: Een ruimte met een bodem welke mogelijk (deels) verhard is, waar een of meerdere paarden in stap vrij kunnen bewegen. Aanbeveling afmeting uitloop apart van een box gelegen: circa 6m x 6m. Aanbeveling afmeting uitloop direct aan een box gelegen: circa 3m x 6m.

1.4 Groepshuisvesting In een open of gesloten loopstal kan groepshuisvesting plaatsvinden. Bij open loopstallen hebben paarden vrij toegang tot een uitloop, paddock of weide, hier biedt de loopstal slechts schuilgelegenheid en een overdekte voerplaats.

SECTORRAAD PAARDEN

28

Definitie groepshuisvesting: Een manier om paarden in een groep te huisvesten en waarbij sprake is van een bodem die bij voorkeur deels verhard is (aan het voerhek). Aanbevelingen voor het oppervlak per dier van een open of gesloten groepshuisvesting, is afhankelijk van ras en leeftijd. Als oppervlak is voor pony’s 5m² à 12m² per dier aan te houden (Huisvesting Paarden, PR). Richtlijnen voor huisvesting van groepen paarden in open of gesloten loopstallen zijn als volgt: Tabel 5: Minimumoppervlak voor paarden in een loopstal (Huisvesting Paarden, PR Lelystad) Oppervlakte per dier (m²) loopstal Leeftijd (maanden)

open

groepshuisvesting

gesloten

groepshuisvesting

Tot 5 stuks

Voor elke volgende

Tot 5 stuks

Voor elke volgende

tot 6 maanden

4

3,5

8

7

16-12 mnd

6

5

12

10

12 - 24 mnd

7

6

14

12

24 - 36 mnd

8

7

16

14

Open groepshuisvesting:

Gesloten groepshuisvesting:

SECTORRAAD PAARDEN

29

2. Voorzieningen voor de huisvesting van het paard Onderstaand worden voorkomende (doorgaans) individuele huisvestingsvormen voor paarden toegelicht. (Paarden kunnen ook op een weide worden gehouden, onder voorwaarde dat zij beschikken over een schuilplaats, droge ligruimte, voldoende water en indien nodig extra voer.) De centrale gang waaraan boxen grenzen, moet voldoende ruim zijn, zodat een paard zich probleemloos kan omdraaien. De adviesbreedte voor stallen en doorgangen is minimaal 2,4 meter. 2.1 Box Definitie Box: Een ruimte met vier (deels) dichte wanden die een hoogte hebben van 1,5 x de schofthoogte, bedoeld voor verblijf van één paard, en voorzien van een droge ligplaats met voldoende ventilatie¹ en lichtsterkte². Op grond van de richtlijnen voor huisvesting en beweging van paarden gelden volgens de Gids voor Goede Praktijken de volgende boxmaten: - de boxoppervlakte voor individuele huisvesting is minimaal (2xstokmaat)² voor pony’s kleiner dan 1,56 meter - de boxoppervlakte is minimaal 10 m² voor paarden groter dan 1,56 meter. Per 1 januari 2027 moeten alle boxen aan deze maten voldoen. ¹) De snelheid van de luchtverplaatsing en de temperatuur zijn van invloed op de behaaglijkheidszone van het dier.

De maximaal toelaatbare luchtsnelheid zonder schadelijke effecten op de gezondheid is afhankelijk van de staltemperatuur, de leeftijd en het wel of niet geschoren zijn van de dieren. De maximaal toelaatbare luchtsnelheid bij 10 ºC is 0,2 m/sec en bij 20 ºC 0,3 m/sec. (Huisvesting Paarden PR) ²) Als norm voor kunstlicht geldt in een paardenstal 80 Lux per box. In boxen kunnen paarden gemakkelijk individueel verzorgd worden en behoren paarden zich vlot te kunnen draaien, gaan liggen en weer opstaan. Voor wat betreft de plafondhoogte geldt: hoger is beter in verband met een goede doorstroming van lucht, dit vanwege veiligheid (bij een lager plafond kan hoofdletsel ontstaan als gevolg van steigeren) en ventilatie (bij een hoger plafond vindt meer luchtcirculatie boven de box plaats). 2.2 Merriebox Definitie merriebox: Een ruimte bedoeld voor veulenen en verblijf van een merrie (met veulen), voorzien van een droge ligplaats met voldoende ventilatie en lichtsterkte. Op grond van de richtlijnen voor huisvesting en beweging van paarden in de Gids voor Goede Praktijken, is de oppervlakte van de box voor hoogdrachtige merries tijdens het veulenen en voor een merrie met een veulen minimaal 12 m², tenzij er minimaal 8 uur weidegang per dag wordt toegepast.

2.3 Stand Definitie Stand: Een ruimte die aan maximaal drie zijden is voorzien van een afscheiding bestaande uit een balk, schot of (deels) dichte wand bedoeld voor huisvesting van 1 aangebonden paard, waarbij dit paard niet de mogelijkheid heeft een ander paard te bijten of te trappen. Op grond van de richtlijnen voor huisvesting en beweging van paarden in de Gids voor Goede Praktijken, zijn stands, waarin paarden permanent aangebonden worden gehouden, per 1 januari 2017 niet meer toegestaan. Paarden die voor korte tijd worden aangebonden met als doel hoefverzorging, het verrichten van medische handelingen, tijdens transport of tijdens de pauze bij (buiten)ritten, lessen en evenementen/wedstrijden worden in het voorgaande niet meegenomen.

SECTORRAAD PAARDEN

30

3. Voorzieningen voor africhting en/of training van het paard 3.1 Rijbanen Op verschillende bedrijfstypen kan behoefte bestaan aan een binnen- en/of buitenrijbaan met afmetingen die afwijken van onderstaande aanbevolen afmetingen. Voor bijvoorbeeld de disciplines aangespannen rijden (mennen), westernriding en dressuur (niveau Z en hoger) is meer lengte en/of breedte van de rijbaan gewenst. 3.1.1 Binnenrijbaan Definitie binnenrijbaan: Overdekte piste voorzien van een doorgaans bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden. De standaardmaatvoering van een binnenrijbaan is min 20m x 40m dan wel min 20m x 60m Buitenwerks komt een binnenrijbaan hiermee op circa 21,2m x 41,2m, of 21,2m x 61,2m. De vrije hoogte onder het spant moet, gemeten op het hart van de hoefslag, circa 3,5m of hoger zijn. De nokhoogte is afhankelijk van de breedte van de binnenrijbaan (dakhelling circa 20 graden). 3.1.2 Buitenrijbaan Definitie buitenrijbaan: Niet-overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden.

De standaardmaatvoering van een binnenrijbaan is min 20m x 40m dan wel min 20m x 60m Buitenwerks komt een binnenrijbaan hiermee op circa 21,2m x 41,2m, of 21,2m x 61,2m. Volgens het Handboek Veilig Paardrijden dient de omheining van de buitenrijbaan ten minste 1 meter hoog te zijn. De afrastering kan schuin naar buiten worden geplaatst (onder een hoek van circa 12 graden) en is functioneel aan de buitenrijbaan. In dat geval is sprake van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Ontbreekt daarentegen het hekwerk, dan is sprake van een werk, waarvoor afhankelijk van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning nodig is. Wanneer een buitenrijbaan uitsluitend als dressuurbaan wordt gebruikt, is een lage afscheiding van 30cm tot 40cm hoog voldoende, omdat deze slechts de grens van de baan aangeeft. In dit geval is een voldoende hoge afrastering om het terrein vereist om te voorkomen dat een paard op eigen initiatief het terrein kan verlaten. Voor het behoud van de bodem wordt een gecombineerde paddock en buitenrijbaan afgeraden. Voor benodigde verlichting bij een buitenrijbaan zie bijlage III.

SECTORRAAD PAARDEN

31

3.1.3 Springweide Definitie springweide: Een springweide is een niet-overdekte ruimte, voorzien van een bewerkte dan wel aangepaste bodem, waarin hindermateriaal is geplaatst voor de training en africhting van springpaarden. Gelet op het gebruik van hindernismateriaal, dient de omvang van een springweide in ieder geval groter te zijn dan de standaardmaatvoering van een rijbaan. Afhankelijk van de doeleinden waarvoor de springweide in gebruik wordt genomen, wordt de maatvoering van de weide bepaald. 3.1.4 Draf-/renbaan Definitie draf-/renbaan: Baan voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem, in een ovale vorm, waarop naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie mens en paard in de disciplines draf- en rensport kan plaatsvinden. Aanbeveling lengte draf-/renbaan: circa 1000m.

3.2 stap-/trainingsmolen In het kader van voldoende beweging, kan een stap-/trainingsmolen noodzakelijk zijn. Het gebruik van een stap- /trainingsmolen maakt onderdeel uit van de training van een paard.

3.2.1 Stapmolen Definitie stapmolen: Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast. Aanbeveling doorsnede stapmolen: circa 12m (afhankelijk van het aantal paarden). 3.2.2 Trainingsmolen Definitie trainingsmolen: Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen, draven of galopperen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast. Aanbeveling doorsnede trainingsmolen: circa 20m (afhankelijk van het aantal paarden). Met een trainingsmolen is het mogelijk een deel van de basistraining uit te voeren. Dit betekent niet alleen een besparing op menselijke arbeid maar ook bijvoorbeeld dat meer aandacht kan worden besteed aan individuele wedstrijdgerichte training. dit bevordert de coördinatie-eigenschappen. Een trainingsmolen kan eveneens nuttig zijn voor geblesseerde paarden.

3.1.3 Longeercirkel

SECTORRAAD PAARDEN

32

Definitie longeercirkel: Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waarin een paard onder begeleiding specifieke training gegeven kan worden. Aanbeveling doorsnede longeercirkel: circa 14m. 4. Voorzieningen voor de opslag van benodigdheden Ten behoeve van de activiteiten op het paardenbedrijf zijn (meerdere) gemakkelijk bereikbare en overdekte ruimten benodigd voor opslag van voer, strooisel, mest en materieel. 4.1 Opslag krachtvoer Opslag van krachtvoer kan plaatshebben in een voedersilo of voerkamer (een afsluitbare ruimte waarin zakken voer en de voerkar(ren) worden ondergebracht). De inhoud van voedersilo’s is afhankelijk van het aantal paarden op het bedrijf, de hoeveelheid krachtvoer in het rantsoen, het aantal soorten krachtvoer en de leveringsvoorwaarden van de voerleverancier. Tabel 6: Benodigde opslagcapaciteit voor krachtvoer (Bron: IKC, Lelystad 1994)

Krachtvoer

Verbruik (kg/paard/dag)

Opslagperiode (dagen)

Voorraad (kg/paard/30 dagen)

Soortelijk gewicht (kg/m³)

Opslag (m³/paard)

0-6

30

0 - 180

700

0 - 0,26

4.2 Opslag ruwvoer en strooisel De opslag van ruwvoer en strooisel moet zodanig zijn dat de kwaliteit tijdens de opslag niet vermindert door regeninslag, lekkage en dergelijke. Elke goed overdekte en goed bereikbare ruimte kan voor de opslag van ruwvoer en stro worden gebruikt. Vanwege brandgevaar is een goede afscheiding gewenst tussen de hooi- en/of stro-opslag en ruimten voor andere bestemmingen. Op een paardenbedrijf worden hooi en stro doorgaans per vracht aangekocht (respectievelijk 12-15 ton en 10-12 ton). De berging op een paardenbedrijf zal dan ook voldoende groot moeten zijn om deze vrachten op te kunnen slaan. Per ton stro is bij een stapelhoogte van 4m een opslag nodig van 3m². Per ton hooi is bij een stapelhoogte van circa 4m een opslag nodig van ruim 2,5m² (Bron: Handboek voor de rundveehouderij, IKC, Lelystad). 4.3 Opslag mest Hoeveel mest moet worden opgeslagen, is afhankelijk van de opslagduur, het aantal paarden en het huisvestingsysteem. Bij grote aantallen paarden is het vrij algemeen gebruikelijk dat de mest eens per 14 dagen wordt opgehaald. Bij kleine aantallen dieren wordt de mest vaak langer opgeslagen. Bij een stapelhoogte van 1 tot 1,5m zal circa 1m² mestplaat per paard (box) per 14 dagen nodig zijn (Bron: Handboek voor de rundveehouderij, IKC, Lelystad).

4.4 Opslag materieel Ook voor opslag en/of stalling van machines, werktuigen en transportmiddelen ten behoeve van het paardenbedrijf is een gemakkelijk bereikbare en overdekte bergruimte nodig. In een zadel-/tuigkamer kunnen zadels en tuigen worden opgeborgen. Om lange loopafstanden te voorkomen, is het raadzaam deze een gunstige ligging te geven ten opzichte van de boxen en/of was- en poetsplaats.

SECTORRAAD PAARDEN

33

5. Voorzieningen voor verblijf en werk van personen 5.1 Kantoorruimte De administratie van het bedrijf kan worden bijgehouden in de kantoorruimte. Aan deze kantoorruimte worden de eisen gesteld die aan ieder kantoor gesteld worden. 5.2 Ontvangstruimte De ontvangstruimte kan gezien worden als een ruimte die wordt gebruikt om klanten te ontvangen of bijvoorbeeld het bedrijf te presenteren. De opzet kan verschillend van opzet en grootte zijn. 5.3 Kantine De kantine doet doorgaans dienst als een tijdelijk verblijf van klanten met als doel ontspanning. Het kan een ontmoetingsplaats zijn voor klanten maar ook een plek om een consumptie te nuttigen. De kantine kan zeer verschillend van opzet en grootte zijn en moet in elk geval aan de daarvoor gestelde eisen voldoen. Gelet op de aanwezigheid van meer of minder publiek is een toiletruimte gewenst. 5.4 Verblijfsruimte stagiaires en grooms Uit onderzoek is gebleken dat paardenhouderijen zeer regelmatig gebruik maken van hulpkrachten in de vorm van grooms of stagiaires. De inzet van stagiaires is zowel van belang voor de hedendaagse bedrijven als voor het voldoende praktijkervaring opdoen van de studenten op welk niveau dan ook. Het gaat hier vaak om jonge personen die met een fiets of het openbaar vervoer naar het vaak afgelegen bedrijf komen.

Om voor een stageplaats in aanmerking te kunnen komen, moet het bedrijf een erkend opleidingsbedrijf zijn. Deze toetsing wordt landelijk uitgevoerd door de onafhankelijke organisatie Aequor te Ede. In sommige gevallen moet een paardenbedrijf faciliteiten hebben voor het huisvesten van de stagiaire. Het bedrijf zal dan kost en inwoning moeten bieden. De faciliteiten zijn vergelijkbaar met een studentenwoning: een ruimte voor te slapen, sanitaire ruimte, een zit- c.q. studeerhoek en een keuken/ pantry binnen de bedrijfsgebouwen. Een andere mogelijkheid is om op het bedrijfsterrein een stacaravan te plaatsen of zogenaamde port-a-cabins. Behalve van stagiaires wordt in de paardenhouderij, en dan met name bij de trainings- en africhtingsstallen, de sportstallen en de hengstenhouderij, veel gebruik gemaakt van zogenaamde grooms. Dit zijn personen die verantwoordelijk zijn voor de algemene verzorging van een of meerdere (sport)paarden. De ruiter, amazone of eigenaar moet blind kunnen vertrouwen op deze persoon. Zij zijn dagelijks vele uren per dag bezig met de paarden, van verzorging tot het naar de zin maken van het paard, het houden van toezicht, algehele controle etc. Door de verantwoordelijkheid en onregelmatige werktijden, soms tot diep in de nacht of juist vanaf ’s morgens vroeg, is een verblijf voor deze grooms vereist.

Aan een dergelijk verblijf worden dezelfde eisen gesteld als aan een stagiaireonderkomen, maar van een zelfstandige woonruimte is geen sprake. 5.5 (Bedrijfs)woning Op een paardenhouderij is een (bedrijfs)woning noodzakelijk. De aard van deze vorm van dierhouderij vereist dat permanent toezicht wordt gehouden op de paarden, maar ook op de gebouwen en het materieel. Denk hierbij ook aan een fokkerij waar regelmatig ’s nachts veulens worden geboren en waarbij de noodzaak bestaat dat iemand aanwezig is. Daarnaast vergen de werkzaamheden (lange werkdagen), de aan- en afvoer van paarden en het ontvangen van klanten dermate veel tijd en toezicht dat een bedrijfswoning noodzakelijk is. In bepaalde gevallen kan het noodzakelijk zijn dat de bedrijfsaard of de bedrijfsomvang een tweede woning vereist. Voor de criteria waaraan de noodzaak moet worden getoetst, wordt verwezen naar bijlage II.

SECTORRAAD PAARDEN

34

6. Overige voorzieningen in/rond de stal 6.1 Was-/poetsplaats Definitie was-/poetsplaats: Ruimte met een afmeting van circa 3m x 3m, waar het paard verzorging kan genieten met mogelijkheid tot gebruik van koud én warm water. Aanbeveling afmeting was-/poetsplaats: circa 3m x 3m.

6.2 Solarium Een solarium biedt de mogelijkheid het paard snel te drogen na een wasbeurt of bijvoorbeeld als mogelijkheid de spieren te verwarmen voor de aanvang van de dagelijkse training. Ook kan een solarium dienst doen als middel ter bevordering van herstel van spiergroepen na een training.

6.3 Opvoelbox Definitie opvoelbox: Ruimte waarin het paard geplaatst kan worden en vervolgens op een, zowel voor mens als dier, veilige wijze (rectaal) onderzocht kan worden.

6.4 Aquatrainer Definitie aquatrainer: Een aquatrainer is een lopende band die onder water gezet kan worden en op elk willekeurig waterniveau ingesteld kan worden. Met een aquatrainer worden uithoudingsvermogen, spierkracht, coördinatie en lenigheid van het paard verbeterd. 6.5 Spermawinstation Definitie spermawinstation: Inrichting waar werkzaamheden ten behoeve van spermawinning worden uitgevoerd. Hieronder vallen de ruimte van het fantoom waarop het sperma wordt gewonnen, het laboratorium en ingeval van een hengstenhouderij ook de hengstenstal. In de voorschriften van de Certificering Hengstenhouderij staan eisen vermeld voor een spermawinstation. 6.6 Parkeerplaats Definitie parkeerplaats: Een ruimte op het erf waar zowel auto’s worden geparkeerd als paarden worden geladen en gelost. Het is verstandig om het laden en lossen van paarden op het erf plaats te laten vinden, vanwege veiligheid voor zowel paard en betrokkenen als medeweggebruikers. Bij voorkeur is het erf afsluitbaar. Maneges, pensionstallen en verenigingsaccommodaties hebben daarbij een extra behoefte aan parkeerplaatsen ten behoeve van hun klanten (evt. met paard), die voor het merendeel met eigen vervoer komen.

SECTORRAAD PAARDEN

35

5 BIjlage III

Criteria voor een tweede bedrijfswoning Bij de beoordeling van een aanvraag voor een tweede bedrijfswoning in de paardenhouderij zal per bedrijf een gedegen en onafhankelijke toets moeten worden uitgevoerd. De paardenhouderij in Nederland wordt namelijk gevormd door een scala aan bedrijfstypen, waarvan de samenstelling per geval kan verschillen. Bij de toetsing speelt niet alleen het aantal dieren een rol, maar moeten ook andere aspecten worden beoordeeld. Daarbij kan worden gedacht aan de intensiteit van de verschillende werkzaamheden, de begeleiding, het toezicht, de kwaliteit van het bedrijf en in sommige gevallen ook de waarde van de aanwezige dieren. Wanneer sprake is van een gecombineerd bedrijf, zoals een trainings- en africhtingsstal c.q. sportstal met bijvoorbeeld een fokkerij en opfokbedrijf, liggen de disciplines zo ver uit elkaar dat er naar alle waarschijnlijkheid ook verschillende personen, met verschillende knowhow, opleiding en ervaring op het bedrijf werkzaam zijn. Geadviseerd wordt het beoordelen van de bouwaanvraag en het al dan niet vergunnen van een tweede bedrijfswoning, te laten plaatsvinden op de navolgende onderdelen: 1. aantal personen dat werkzaam is op het bedrijf; 2. aantal paarden; 3. kwaliteit/niveau in algemene zin van het bedrijf; 4. de noodzaak op toezicht bij de verschillende disciplines met de daarbij behorende knowhow binnen het bedrijf; 5.

de continuïteit van het bedrijf; 6. de organisatiestructuur en verantwoordelijkheden binnen het bedrijf; 7. veiligheid in de breedste zin des woords; 8. welzijn. Een hulpmiddel om te beoordelen of een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is, is het berekenen van het aantal Nederlandse grootte-eenheden (nge) van een bedrijf. Aan de hand hiervan kan een inschatting worden gemaakt van de aard van de paardenhouderij, zodat de beoordeling wordt geobjectiveerd. Wel is het vaste rechtspraak dat nge’s alleen een hulpmiddel zijn, maar niet als maatgevend criterium kunnen worden gehanteerd.

SECTORRAAD PAARDEN

36

5 BIJLAGE IV

Voorbeeld van definities: Artikel 1 Gebruiksgerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/ amazone. Productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden. Agrarisch bedrijf (verruimde agrarische bestemming!) Een aan het buitengebied gebonden bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak het houden van dieren en/of het telen van gewassen voorop staat, waaronder mede wordt verstaan qua aard vergelijkbare activiteiten, zoals ook een productiegerichte paardenhouderij, inclusief pensionstal en/of opfokstal Voorbeeld van planregels met betrekking tot bouwen en gebruik: Artikel (..) A. Doeleindenomschrijving 3 bestemd voor een productiegerichte paardenhouderij en, voor zover de aanduiding (GP) is opgenomen, bestemd voor gebruiksgerichte paardenhouderij, alsmede ondergeschikt aan en uitsluitend ten dienste van de paardenhouderij: a. bed en breakfast, met dien verstande dat maximaal …. verblijfsruimten zijn toegestaan met een gezamenlijk oppervlak van ….m²; b. een horecavoorziening met een maximale oppervlakte van … m²; c. detailhandel, met dien verstande dat maximaal ….m² netto verkoopvloeroppervlak is toegestaan. B.

Inrichting Op deze gronden zijn toegelaten: a. Gebouwen, waaronder bedrijfswoningen met bijgebouwen, een binnenrijbaan, stallen, materieelopslag, kantooren ontvangstruimte, een kantine en een ruimte voor hulpkrachten; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een buitenrijbaan, mestopslag, een stap-/trainingsmolen, een paddock, een longeercirkel en lichtmasten; c. verhardingen, zoals parkeerplaatsen; d. bijbehorende voorzieningen, zoals voer- en strooiselopslag; e. tuinen en erven. C. Bouwen Voor het bouwen geldt het volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen te worden opgericht binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak: voor bedrijfsmatige paardenhouderijen minimaal 1,0 en maximaal 2,5 ha bedraagt; voor semi-bedrijfsmatige paardenhouderijen minimaal 0,5 en maximaal 1,0 ha bedraagt; b. per bedrijf mag maximaal een bedrijfswoning worden opgericht; c. de goothoogte van gebouwen mag ten hoogste …. m¹ bedragen, en de bouwhoogte ten hoogste ...; d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste …. m¹ bedragen; e. indien de aanvraag betrekking heeft op een gebruiksgerichte paardenhouderij, dienen zonodig de resultaten van het onderzoek naar het marktpotentieel te worden overgelegd; f.

burgemeester en wethouders kunnen van de aanvrager het overleggen van een bedrijfsplan verlangen, in welk geval advies wordt ingewonnen bij een daartoe aangewezen adviesinstantie; g. voor zover de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving daartoe aanleiding geven, kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag voorleggen aan een landschapsdeskundige.

SECTORRAAD PAARDEN

37

D. Afwijkingen Burgemeester en wethouders kunnen onder nader te stellen voorwaarden bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: 1. Lid C, sub a voor het bouwen van de volgende bouwwerken buiten het bouwvlak: buitenrijbaan; stap- en trainingsmolen; longeercirkel; mestopslag, mits de oppervlakte niet meer dan …. m² bedraagt. 2. Lid C, sub b, voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning, waarbij de volgende voorwaarden gelden: door aanvrager dient aan de hand van een bedrijfsplan de noodzaak van een extra woning te worden aangetoond; het bedrijfsplan wordt voorgelegd aan een daartoe aangewezen adviesinstantie; 3. Lid C, sub c, voor een goot- en/of bouwhoogte tot ten hoogste … m¹; 4. Lid C, sub d, voor een bouwhoogte tot ten hoogste … m¹; E. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, voor gronden die op de verbeelding zijn bestemd voor agrarische doeleinden, deze bestemming te wijzigen in de bestemming “paardenhouderij (PP)” of “paardenhouderij (GP), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden (…) F. Advisering Voor de toepassing van de onder D en E genoemde bevoegdheden dient de aanvraag te worden voorgelegd aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige.

SECTORRAAD PAARDEN

38

5 bijlage V

De Sectorraad Paarden (SRP) is een zelfstandige stichting (sinds 1 januari 2007) De SRP is het aanspreekpunt voor de paardensector richting overheid De SRP is de spreekbuis van de paardensector richting overheid De SRP behartigt de collectieve belangen van de paardensector in Nederland De SRP wordt gevormd door samenwerkende partijen in de Nederlandse paardensector De SRP behartigt de gemeenschappelijke belangen van de paardensector vanuit een samenwerking tussen de sport, de fokkerij en de ondernemers De collectieve belangenbehartiging heeft als doel duurzame ontwikkelingen in de paardensector, nationaal en internationaal, te waarborgen. Het bestuur van de SRP bestaat uit voorzitters van partijen vanuit de sport (KNHS), de Koepel fokkerij (stamboeken waaronder KWPN, KFPS e.a.) en de ondernemersorganisaties (FNHO en LTO) en een onafhankelijke voorzitter. In de Sectorraad Paarden houden de diverse werkgroepen zich bezig met actuele onderwerpen die voor de alle samenwerkende organisaties in de SRP van belang zijn. In de Sectorraad Paarden zijn de volgende werkgroepen actief: Werkgroep Ruimtelijke Ordening, Werkgroep Welzijn, Werkgroep Diergezondheid, Werkgroep I&R, Werkgroep Communicatie, Werkgroep Fiscaal Sociaal Economisch Beleid, Werkgroep Onderwijs Partijen die zijn verenigd in de Sectorraad Paarden zijn: KNHS FNHO

-

Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie Federatie van Nederlandse Hippische Ondernemers, de overkoepelende Vereniging van hippische ondernemersorganisaties: Federatie van Nederlandse Ruitersportcentra (FNRS) Verenigde Sportpaardenhandel (VSN) Vereniging van Hengstenopfokkers (VHO) Bond van KWPN Hengstenhouders (BvHH) Nederlandse Vereniging van Hoefsmeden (NVvH) Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Dieren (NVFD) Nederlandse Vereniging voor Gebitsverzorging bij het Paard (NVVGP) Groep Geneeskunde van het Paard (GGP) Nederlandse Vereniging van Zadelmakers en Rijzadelspecialisten (NVZR) LTO - Land- en Tuinbouworganisatie Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) Land- en Tuinbouworganisatie Noord (LTO Noord) Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) Koepel Fokkerij overkoepelende organisatie voor erkende stamboeken in Nederland KWPN - Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland Contact opnemen met de Sectorraad Paarden kan via info@sectorraadpaarden.nl Actuele informatie over de diverse projecten van de Sectorraad Paarden vindt u op www.sectorraadpaarden.nl.

SECTORRAAD PAARDEN

39

BIJLAGE VI

Lijst met afkortingen: -

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) Algemene wet bestuursrecht (Awb) Ammoniak (NH³) Besluit omgevingsrecht (Bor) Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Natuurbeschermingswetvergunning 1998 (Nbw 1998) Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Sectorraad Paarden (SRP) Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) Vrijkomende Agrarische Bedrijfslocatie (VAB) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Wet ruimtelijke ordening (Wro)

SECTORRAAD PAARDEN

40

SECTORRAAD PAARDEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4646/documents/32906