bij 2021-06-03 MKBA erfgoed molens.pdf
Tekst van het document
3.5.1
Baten in het nulalternatief
De baten in het nulalternatief zullen waarschijnlijk vergelijkbaar zijn als een stichting de molen overneemt. Indien een particulier de molen overneemt, zal het weer van de particulier afhangen in hoeverre een beroep op hem kan worden gedaan. Als de functie verloren zou gaan met de verkoop, dan vallen de baten van bemaling volledig weg.
3.6
Bestaans- en verervingswaarde
Als het gaat om erfgoed hechten burgers daar in algemene zin een waarde aan, ook zonder dat zij hier gebruik van maken. We noemen dat vaak de bestaanswaarde of verervingswaarde; we hechten er belang aan dat ons erfgoed wordt doorgegeven aan volgende generaties. In deze paragraaf maken we onderscheid tussen het materiele en immateriële erfgoed. Materiele erfgoed In 2004 is daar in Nederland voor het eerst onderzoek naar gedaan ten behoeve van waardering in MKBA-studies. Zo heeft Ruijgrok in verschillende publicaties geprobeerd de economische waarde(n) van erfgoed beter te conceptualiseren en te operationaliseren. Ze spreekt niet alleen van ‘(in)directe gebruikswaarde’, maar ook van ‘optiewaarde’, ‘bestaanswaarde’ en ‘verervingswaarde’; respectievelijk ‘de waarde van de mogelijkheid om erfgoed te bezoeken of te bekijken’; ‘de waarde van een erfgoed ook al zal men er nooit direct van genieten’ en ‘de waarde van een erfgoed voor volgende generaties zoals gedefinieerd door de huidige generatie’. Het in euro’s waarderen van dit soort waarden is echter niet gemakkelijk en ook nog niet vaak gedaan. Er zijn enkele referenties beschikbaar: Uit het onderzoek van Spanink (1993) blijkt dat de betalingsbereidheid voor natuurbehoud van veenweidegebieden circa € 49,--per huishouden per jaar bedraagt. Dit onderzoek had echter specifiek betrekking op agrarisch natuurbeheer.
23 / 34
-
-
-
Ruijgrok e.a. (2004) onderzocht de verervingswaarde van landschap. Zij deden dit voor de Tieler- en Culemborgerwaarde in de Betuwe. Uit het onderzoek blijkt dat de betalingsbereidheid voor ‘behoud van cultuurhistorische waarden door ontwikkeling’ circa € 11,-- per huishouden per jaar bedraagt. Wever, Rosenberg en Damen (2008) deden onderzoek naar de bestaans- of verervingswaarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het militair-historisch landschap tussen Muiden en de Biesbosch. Uit het onderzoek bleek dat alle huishoudens in Nederland gemiddeld eenmalig € 9,-- over hebben voor het voorbestaan van de forten en het landschap. Wever en Rosenberg (2012) onderzochten tenslotte ook de bestaans- of verervingswaarde van het landschap Laag Holland. Hier werden vier scenario’s onderzocht. Alleen 1 scenario werd positief gewaardeerd, namelijk het scenario met behoud van de kernkwaliteiten van het landschap Laag Holland (onder andere het veenweidelanschap). De betrokken (lokale) huishoudens hadden gemiddeld € 30,-- per jaar over voor dit scenario.
Voor het behoud van molens zijn geen referenties beschikbaar. Om gevoel te krijgen bij de waardering van lokale bewoners is in het facebook platform Schoorl Community een mini-enquête uitgezet (zie kader). Enquête onder online platform Schoorl Community Via het online platform van Schoorl Community zijn via Facebook 6 vragen gesteld over de bekendheid, het bezoeken, het functiebehoud en de waardering van de molen Kijkduin en de Philisteinse molen. De totale respons hierop was 21 respondenten, echter niet op elke vraag heeft iedereen geantwoord: • Elke respondent (n=20) was bekend met tenminste 1 molen. 67% van de respondenten kende beide molens, 33% alleen molen Kijkduin. • 83% van de respondenten (n=18) heeft ook de molens bezocht ergens in de afgelopen 5 jaar. 55% alleen molen Kijkduin, 11% alleen Philisteinse molen en 17% beide molens. Voor toekomstig bezoek (n=14) ziet 57% graag de openingstijden van de molens verruimd, 43% is tevreden met de huidige bezoekmogelijkheden. • 95% van de respondenten (n=21) vindt het erg belangrijk dat de molens blijven bestaan, 5% heeft hierover geen mening. • 100% van de respondenten (n=18) heeft aangegeven dat zij ook het functiebehoud erg belangrijk vinden. • 80% van de respondenten (n=20) heeft persoonlijk ook een bijdrage over voor de instandhouding van de molens, 20% niet (zie verder de hoofdtekst hierover).
Deze kleine steekproef geeft dus aan dat er veel belang wordt gehecht aan het voortbestaan van de molens. Dit beeld wordt bevestigd door de resultaten van een grotere enquête die de gemeente heeft gehouden ten behoeve van een nieuwe omgevingsvisie. In totaal hebben ongeveer 600 inwoners van de gemeente Bergen die enquête ingevuld. Twee vragen van die enquête raken ook deze MKBA. De eerste vraag is of kenmerkende historische monumenten (de molens kunnen zeker als dusdanig worden beschouwd) binnen de gemeente Bergen beschermd moeten worden. 85% van de respondenten was het daar (helemaal) mee eens, 8 % staat er neutraal, 2% is het er mee oneens en 5% heeft geen mening. Een tweede vraag is of er meer aandacht moet komen voor het historisch erfgoed. 57% is het daar (helemaal) mee eens, 29% neutraal, 6% is het er (helemaal) mee oneens en 8% geen mening. De vraag is nu welke waarde er wordt gehecht aan het voortbestaan van de molens. Een van de vragen in de minienquête was of de respondenten persoonlijk iets over hebben voor de instandhouding van de beide molens in de gemeente Bergen.
24 / 34
Hieruit kwam de volgende verdeling (20 respondenten gaven hierop antwoord): • Niets; 4 respondenten. • Maximaal 1 euro per jaar: 2 respondenten. • Maximaal 2 euro per jaar: 2 respondenten. • Maximaal 5 euro per jaar: 12 respondenten. Het gewogen gemiddelde voor de bestaans- of verervingswaarde komt dan uit op gemiddeld € 3,30 per jaar per huishouden. De disclaimer hierbij is echter wel dat dit bedrag via een mini-enquête is afgeleid met niet te veel respondenten. Ook is de wijze waarop dit bedrag is vastgesteld niet ideaal. Idealiter zou een robuustere enquêtetechniek zoals in bovengenoemde referentieprojecten onder meer respondenten van de bevolking van de gemeente Bergen zijn uitgevoerd, maar hiervoor ontbrak de tijd en middelen. Desondanks is de uitkomst ons inziens niet onwaarschijnlijk, ook als deze vergeleken wordt met bovengenoemde waarderingskengetallen uit referentieprojecten. Overigens is ook een hogere waardering nog denkbaar omdat in de enquête de meerderheid van de respondenten het maximale keuzebedrag in de enquête van € 5,-- heeft aangegeven. Onbekend is of respondenten ook nog meer over zouden hebben voor de molens. De vraag is dan nu wat de totale waardering is voor de gehele bevolking. Een mogelijkheid is om het kengetal van € 3,30 te extrapoleren voor de bevolking in Bergen.
Maar vanwege de onzekerheid en de niet representatieve steekgroep voor de gehele gemeente zijn we voorzichtig met de extrapolatie en doen we dat niet voor de gehele gemeente. De hele gemeente Bergen heeft ruim 29 duizend inwoners en ruim 13 duizend huishoudens (bron: CBS). Echter op basis van de fysieke nabijheid van de molens en ook de bekendheid met de molens (die we ook uit de mini-enquête hebben afgeleid) hebben we de kern Schoorl (afgerond 2.800 huishoudens) als basis genomen voor de waardering van de molen Kijkduin en de kern Bergen (binnenkern en buitengebied, ongeveer 5.700 huishoudens) voor de waardering van de Philisteinse molen. In totaal waarderen zo’n 8.500 huishoudens dan de bestaanswaarde van de molen met € 3,30 per jaar, of in totaal dus € 28.050,-- per jaar voor alle huishoudens. Natuurlijk kan het zijn dat ook andere huishoudens in de gemeente Bergen (uit Bergen aan Zee, Egmond Binnen, Egmond de Hoef en Egmond aan zee) of zelfs buiten de gemeentegrenzen waarde hechten aan het voortbestaan van de twee molens, maar we kiezen ervoor om aan de voorzichtige kant te gaan zitten in de waardering gezien de wijze van berekening. Immateriële erfgoed De molen Kijkduin heeft met haar opleidingsfunctie (zie ook paragraaf 3.4) ook een rol in het doorgeven van het immateriële erfgoed.
Een gediplomeerde molenaar is niet alleen in staat en bevoegd om een molen te bedienen, maar die gediplomeerde molenaars zijn (voor een deel) ook weer de instructeurs voor nieuwe molenaars. Deze opzet in Nederland, de georganiseerde overdracht van het ambacht, was voor de Unesco doorslaggevend voor plaatsing van dit ambacht op de lijst van immaterieel erfgoed. Een poldermolenaar kan na een opleiding van twee jaar een poldermolen bedienen en na een extra jaar ervaring kan deze poldermolenaar een nieuwe poldermolenaar opleiden. Een korenmolenaar in Nederland kan na, als geslaagd molenaar, één jaar actief te zijn geweest op een korenmolen worden toegelaten op de éénjarige vakopleiding voor korenmolenaar. Met een certificaat van de vakopleiding kan deze korenmolenaar geballoteerd worden als gezel binnen het korenmolenaarsgilde. Na tien jaar als gezel te hebben gewerkt kan een meesterproef worden afgelegd. Het traject om 'af te studeren' komt daarmee voor de korenmolenaar op veertien jaar. In Noord-Holland is molen Kijkduin koploper op het gebied van opleiding van nieuwe molenaars. Vele tientallen geslaagde molenaars die thans actief zijn in Nederland hebben les gehad op Kijkduin en op molen Kijkduin zijn twee meester-molenaars opgeleid. Dat is een kwart van de op dit moment actieve meester-molenaars in Nederland.
25 / 34
De molen Kijkduin waarborgt hiermee dus een het doorgeven van immaterieel erfgoed. De 'verervingswaarde' van een meester-molenaar is dus een extra baat voor de molen Kijkduin. Omdat het erg lastig is deze baat te berekenen, nemen we deze mee als positieve PM-post.
3.6.1
Bestaanswaarde in het nulalternatief
De bestaans- of verervingswaarde zal bij een nieuwe eigenaar in de vorm van een stichting niet veranderen, indien het functiebehoud als uitgangspunt wordt genomen. Bij particulier eigendom is niet zeker dat het functiebehoud van de molens is gegarandeerd. Indien het functiebehoud verloren gaat, dan heeft dat een negatief effect op de bestaans- of verervingswaarde. Dat blijkt duidelijk uit de respons op de mini-enquête waarin 100% van de respondenten heeft aangegeven het functiebehoud erg belangrijk te vinden.
26 / 34
4 Conclusies MKBA 4.1
Uitgangspunten
Kosten en baten van een project vallen zelden precies gelijk in de tijd. Om de kosten en de baten goed te kunnen vergelijken, worden de verwachte kosten en baten in een MKBA teruggerekend naar het moment dat een project start (het zogenaamde basisjaar). Het terugrekenen van toekomstige kosten en baten naar het basisjaar wordt ook wel disconteren genoemd. Gedachte achter het terugvertalen is dat mensen een voorkeur hebben voor een euro vandaag boven een euro volgend jaar of in de verre toekomst. De euro's in de toekomst rekent men in de MKBA terug met een vast percentage per jaar. Een ander woord voor dit percentage is de discontovoet. ‘Contante waarde’ is een ander woord voor de waarde van (toekomstige) kosten en baten van het project in het basisjaar. Wanneer je de waarde van de toekomstige kosten van het project aftrekt van de contante waarde van de toekomstige baten, dan vind je de Netto Contante Waarde. In de MKBA-eindtabel (volgende paragraaf) zijn de som van alle kosten en baten uitgedrukt in de contante waarde, uitgedrukt in prijspeil 2021. De gehanteerde discontovoet is conform de richtlijnen voor de MKBA 2,25%10. Overige uitgangspunten zijn: • De contante waardeberekening is gemaakt voor een periode van 100 jaar volgens de richtlijnen voor de MKBA. • In de tabel zijn alle kosten en baten voor beide molens bij elkaar opgeteld.
De reden hiervoor is dat voor het effect bestaans- of verervingswaarde het lastig is deze apart per molen in te schatten.
4.2
MKBA-resultaat
In onderstaande tabel staan de kosten en baten van beide molens samengevat. Effecten Kosten Beheer- en onderhoudskosten Ureninzet gemeente Exploitatie molens Totaal kosten Baten Bezoekersbaten Woongenot Vrijwilligers/molenaars Energiebesparing gemaal Reductie CO2 uitstoot Bestaans- verervingswaarde Totaal baten MKBA Saldo PM-posten
Bedragen (euro x 1.000) 1.349 43 34 1.426
349 123 250 6 7 1.112 1.847 421 + passanten, campinggasten + risicoreductie schade landbouw + immaterieel erfgoed
Tabel 4.1. Kosten en baten molen Kijkduin en Philisteinse molen afgezet tegen fictief nulalternatief dat deze niet zouden bestaan. Kosten en baten in netto contante waarde, discontovoet 2,25%, periode 2021-2120 10
Deze discontovoet is recentelijk vastgesteld voor het Ministerie van Financiën en geldt per 1 januari 2021.
27 / 34
De totale kosten van de molens komen in contante waarde over een periode van 100 jaar uit op 1,4 miljoen euro, waarvan het merendeel toevalt aan de beheer en onderhoudskosten. Dit is exclusief de subsidie omdat een subsidie niet thuishoort in een MKBA (dat is een verdelingseffect tussen twee overheidslagen, geen welvaartseffect). Voor de gemeente is deze subsidie natuurlijk wel een inkomst, dit laten we zien in paragraaf 4.2.3. Daarnaast zijn er nog kleine kostenposten voor de ureninzet vanuit de gemeente (dit is geen financieel effect) en het negatief exploitatie resultaat voor de molenaars. De totale baten komen uit op ruim 1,8 miljoen euro contante waarde. 60% van die baten betreft de bestaans- of verervingswaarde. Overige aanzienlijke batenposten zijn bezoekersbaten, het woongenot voor huishoudens die uitkijken op de molen en de baten in leefkwaliteit of sociale cohesie voor de molenaars en overige vrijwilligers. Tot slot twee kleine baten posten die gekoppeld zijn aan het gemaal (alleen voor de Philisteinse molen) in de vorm van energiebesparing en CO2-uitstoot vermindering. Ook zijn er nog drie PM-posten, namelijk baten die we niet hebben kunnen berekenen.
Namelijk de baten van passanten en campinggasten die ook genieten van uitzicht op de molen, een risicoreductie van schade aan het omliggende landbouwlandschap in geval van buitensporige regenval (Philisteinse molen) en tot slot het doorgeven van het immateriële erfgoed (ambacht van molenaar) bij molen Kijkduin. Het saldo van de MKBA komt uit op + 421 duizend euro, netto contante waarde, plus de positieve PM-posten. De baten van de molens zijn dus hoger dan de kosten.
4.2.1
Gevoeligheidsanalyses
Het resultaat van de MKBA valt dus positief uit voor de twee molens. In elke MKBA dient echter wel een gevoeligheidsanalyse te worden uitgevoerd om na te gaan hoe robuust deze uitkomst is. Zo’n gevoeligheidsanalyse heeft vooral zin op de meest zwaarwegende effecten, in dit geval zijn dat de beheer en onderhoudskosten van de molen en aan de batenkant de baat van bestaans- verervingswaarde: • De kostenramingen in deze MKBA waren vrij gedetailleerd en we verwachten niet dat daar erg grote afwijkingen in zullen zitten in de praktijk. In de gevoeligheidsanalyse hebben we doorgerekend hoe het saldo van de MKBA zou uitpakken als de kosten 25% hoger zouden uitvallen. Het saldo van de MKBA zou dan nog net positief zijn, namelijk + 84 duizend euro (NCW), plus PM-posten. • De baat van bestaans- en verervingswaarde is zoals in het vorige hoofdstuk beschreven onzeker en een schatting. Het zou zowel hoger als lager kunnen zijn. Indien deze hoger zou uitvallen wordt het saldo van de MKBA natuurlijk alleen maar positiever. Als deze baat echter 50% lager zou uitpakken dan is berekend, dan zou het MKBA-saldo uitkomen op negatief 135 duizend euro (NCW). Het omslagpunt (dat wil zeggen dat het saldo op nul uitkomt) wordt bereikt als deze baat 38% lager zou uitvallen dan is berekend.
Al met al is de inschatting dat de getrokken conclusie (dat de baten van de molens hoger zijn dan de kosten), redelijk robuust is. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat de baten voor bestaanswaarde bijvoorbeeld 50% lager uitvallen, maar heel aannemelijk vinden wij dat niet op basis van de gedane analyses.
4.2.2
Kosten en baten per stakeholder
In tabel 4.1 zijn de totale kosten en baten weergegeven. In tabel 4.2 zijn deze verdeeld over verschillende doelgroepen.
28 / 34
Doelgroep Kosten Baten Saldo Toelichting Gemeente 1.392 335 -1.057 Beheer & onderhoud (-), ureninzet (-), subsidie (+) Rijk 335 -335 Subsidie (-) Molenaars/vrijwilligers 34 250 216 Exploitatie (-), Kwaliteit leven/sociale cohesie (+) Bezoekers 349 349 Bezoekersbaten (+). PM+ passanten, campinggasten Woningeigenaren 123 123 Woongenot (+) Hoogheemraadschap 6 6 Energielasten (+) Maatschappij 7 7 CO2 uitstoot (+) Bevolking Bergen 1.112 1.112 Bestaans/verervingswaarde (+) Totaal 1.760 2.181 421 Tabel 4.2 Kosten en baten molen Kijkduin en Philisteinse molen per stakeholder. In netto contante waarde, discontovoet 2,25%, 2021-2120
Zoals te zien is, zijn de gemeente en het Rijk vooral de kostendragers. De gemeente voor het beheer- en onderhoud en ureninzet, het Rijk (Ministerie van OCW) middels de subsidie (zie hoofdstuk 3). Hierbij zijn we ervan uitgegaan dat de Subsidie Instandhouding Monumenten ook na 2021 behouden blijft. Indien deze subsidie zou wegvallen, dan verdwijnt deze uit de tabel. Voor de gemeenten zou het betekenen dat haar jaarlijkse kosten voor het instandhouden van de molens toenemen. Het merendeel van de baten komt terecht bij de bevolking van de gemeente Bergen middels de bestaans- en verervingswaarde. Een groot deel van de bezoekers is overigens uit de gemeente afkomstig en ook de huishoudens die uitkijken op de molens. De molenaars en vrijwilligers hebben vooral baat vanuit de passie in het werk, al staan daar wel wat financiële kosten (eigen geld) tegenover. Tenslotte heeft het hoogheemraadschap een kleine financiële baat door een lagere energierekening van het gemaal en profiteert de hele maatschappij van de reductie in CO2-uitstoot als gevolg daarvan.
4.3
Kosten en baten nulalternatief
De uitkomsten van de MKBA hiervoor zijn gebaseerd op een projectalternatief met twee molens dat is afgezet tegen een fictief nulalternatief waarin de molens niet zouden bestaan. Daarmee krijgen we inzicht in de kosten en baten van de molens afgezet tegen een situatie dat deze uit het landschap zouden zijn verdwenen. Deze analyse draagt bij aan de behoefte van de gemeente om inzicht te krijgen in de maatschappelijke waarde van de molens die de burgers krijgen voor de kosten die de gemeente jaarlijks in de molens stopt. Echter, we weten dat dit een onwaarschijnlijk nulalternatief is. Daarom is in hoofdstuk 3 ook onderzocht hoe de kosten en baten zouden uitvallen bij een ander eigenaarschap. Dit hebben we niet kunnen berekenen, maar we hebben in hoofdlijnen hier wel inzicht in kunnen geven. Hieruit ontstaat het volgende beeld: • Beheer en onderhoudskosten en exploitatie: de inschatting is dat als de molens zouden overgaan naar een (molen)stichting er voor de beheer en onderhoudskosten en exploitatie weinig zou veranderen. De onderhoudskosten voor beide molens zullen bij functiebehoud vergelijkbaar zijn. Het is alleen een andere partij die de kosten zal dragen. Hetzelfde geldt voor de ureninzet van de gemeente, die zal dan op het bordje komen van de nieuwe eigenaar. Ook de financiële uitgaven en inkomsten bij de molens zullen vergelijkbaar zijn.
Als de molens zouden overgaan naar een particulier, dan hangt het helemaal af van de particulier wat deze met de molens wil. Ook nu weer geldt dat er bij functiebehoud waarschijnlijk weinig zal veranderen qua gepresenteerde bedragen. Als een particulier het functiebehoud loslaat, dan zal er een ander financieel plaatje ontstaan.
29 / 34
•
•
•
•
•
De onderhoudskosten zullen anders uitvallen en er zijn mogelijk extra inkomsten te genereren bij commerciële uitbating (bijvoorbeeld een horecafunctie). De vraag is overigens in hoeverre een commerciële functie realistisch is bij deze molens: vrijwel alle geïnterviewde personen achten dit voor beide molens als weinig realistisch (zie hoofdstuk 3). Bezoekersbaten. Een nieuwe eigenaar - zeker een particulier die commercieel wil uitbaten - zou allerlei initiatieven kunnen ontplooien om extra bezoekersaantallen aan te trekken. Het kan dus zeker tot kansen leiden. Maar bij een particuliere eigenaar die het vooral voor zichzelf koopt kan dit leiden tot een omgekeerd effect, namelijk minder kansen voor mensen om de molen te bezoeken. Indien stichtingen de molens zouden overnemen, is mogelijk weinig verandering te verwachten in bezoekersaantallen. Woongenot. De woongenotbaten in het nulalternatief zullen waarschijnlijk vergelijkbaar zijn, ongeacht of een stichting of particulier de molen overneemt. Als het uiterlijk van de molen aan de buitenkant niet verandert, dan wijzigt het uitzicht op de molen ook niet. Vrijwilligersbaten. Indien de molens zouden worden overgenomen door een stichting, dan is het aannemelijk dat er weinig verandert. Vaak kunnen dezelfde vrijwilligers/molenaars actief blijven, mits de molenaars dit zelf ook willen.
Bij een andere invulling van de molen zal er geen rol meer zijn voor het type werk dat er nu ligt en komen de baten voor de huidige vrijwilligers te vervallen. Daarentegen brengt een andere invulling ook weer andere tijdsbesteding met zicht mee, uitgevoerd door wederom de eigenaar en zijn eigen contacten. Bemaling Philisteinse polder. De baten in het nulalternatief zullen waarschijnlijk vergelijkbaar zijn als een stichting de molen overneemt. Indien een particulier de molen overneemt, dan zal het weer van de particulier afhangen in hoeverre deze bereid is de maalfunctie te gebruiken. Als de functie verloren zou gaan met de verkoop, dan vallen de baten van bemaling volledig weg. Bestaans- verervingswaarde. De bestaans- of verervingswaarde zal bij een nieuwe eigenaar in de vorm van een stichting niet veranderen indien het functiebehoud als uitgangspunt wordt genomen. Bij particulier eigendom is niet zeker dat het functiebehoud van de molens is gegarandeerd. Indien het functiebehoud verloren gaat, dan heeft dat een negatief effect op de bestaans- of verervingswaarde.
De algemene conclusie die hieruit kan worden getrokken, is dat met name als de molens verkocht zouden worden aan een particulier, er een risico bestaat dat een aantal baten onder druk komen te staan of verminderen. Het gaat dan vooral om de bezoekersbaten, de baten voor molenaars en vrijwilligers, de baten als gevolg van bemaling van de Philisteinse polder en de bestaans- en verervingswaarde. Het zal helemaal afhangen van de invulling die een particulier gaat geven aan de molens. Cruciaal bij een nieuwe eigenaar in de vorm van een (molen)stichting zijn de doelstellingen van de stichting zelf en de eisen die bij een verkoop door de gemeente worden meegegeven. Wanneer dit neerkomt op voortzetting van de huidige situatie, dan worden er weinig veranderingen in eerdergenoemde baten verwacht.
30 / 34
Literatuurlijst De volgende bronnen zijn in dit onderzoek geraadpleegd: • CE Delft, Arcadis (2018), Werkwijzer natuur Maatschappelijke Kosten-Baten Analyses. • De Noordhollandse Molenfederatie (2018). Molens; traditionele techniek met moderne mogelijkheden. Een aanbod vanuit de molenwereld aan het hoogheemraadschap. • Erfgoed advies Groen (2020). Korenmolen Kijkduin te Schoorl. MJOP 25 jaar. • Gemeente Bergen (2020): Overzicht kosten molens in eigendom gemeente Bergen (Versie: V02). • Gemeente Bergen (2020); Resultaten enquête eerste stap omgevingsvisie. • Ministerie van LNV (2006). Kentallen Waardering Natuur, Water, Bodem en Landschap. Hulpmiddel bij MKBA´s. • Ministerie van OCW (2014). Een zoektocht naar een integrale cultuurhistorische waardestelling van het materiële erfgoed. • Planbureau voor de Leefomgeving (2018). Landschap in maatschappelijke kostenbatenanalyses. • Platform31 (2013). Cultureel erfgoed op waarde geschat. Economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. • Rijksdienst voor cultureel erfgoed & Projectbureau Belvedère (2008). Handreiking Cultuurhistorie in m.e.r. en MKBA. • Rigo Research en advies (2008). MKBA Nieuwe Hollandse Waterlinie. • Rigo Research en advies (2012). MKBA Laag Holland. • Zwijnenberg, E. Bijspringen van de Wimmenumermolen bij de bemaling van de polder van 1967 t/m 2020.
• Websites: − www.molen-kijkduin.nl − www.molendatabase.nl − www.wimmenumer.nl
31 / 34
Bijlage
32 / 34
Geraadpleegde functies/organisaties Geïnterviewde functies/organisaties: 1. De molenaars van de twee molens. 2. Enkele molendeskundigen. 3. Het waterschap HHNK 4. Overleg Landelijk Gebied Bergen. 5. SBBB (Stichting Behoud Bouwkunst Bergen). 6. Enkele omwonenden, camping Kijkduin. 7. Beleidsmedewerker Erfgoed, gemeente Bergen. 8. Gebouwenbeheerder, gemeente Bergen. 9. Beleidsmedewerker Beleid & Vastgoed, Recreatie en Toerisme, gemeente Bergen. 10. Gebouwenbeheer, Toerisme & Recreatie, gemeente Bergen. 11. Buitencentrum Schoorelse duinen en Staatsbosbeheer. 12. Schoorl Community. Aanvullend is een mini-enquête uitgevoerd via online platform Schoorl Community
33 / 34
TwynstraGudde adviseert overheid en bedrijfsleven op veel van de grote en urgente thema’s van deze tijd. Denk aan veiligheid, diversiteit, digitalisering, mobiliteit, duurzaamheid, energie, financiën en gezondheid. We bieden onze opdrachtgevers unieke, werkbare oplossingen en brengen complexe projecten en programma’s tot een goed einde. Iets creëren van blijvende waarde, daar gaan we voor. Daardoor hebben we een directe impact op (toekomstige) maatschappelijke en economische ontwikkelingen. En dus een grote impact op morgen.
34 / 34