bij 2021-02-18bestemmingsplan Kerkepad 1 Bergen.pdf
Tekst van het document
In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 2010-2020).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden.
8
Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel ontbreekt het functioneel leefgebied van de soort binnen de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad ligt op een afstand van ongeveer 850 meter vanaf de planlocatie. Deze waarneming komt uit mei 2020. In het kennisdocument rugstreeppad wordt aangekaart dat potentie op rugstreeppad toegekend kan worden als de soort binnen 3 jaar én binnen een straal van 1 kilometer van de planlocatie is waargenomen. Derhalve worden er maatregelen geadviseerd om te voorkomen dat de rugstreeppad tijdens (eventuele) werkzaamheden de planlocatie in gebruik gaan nemen (zie Vervolgstappen en bijlage 2 Ecologie Rugstreeppad). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en zandhagedis (NDFF 2010-2020).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Alle waarnemingen van de zandhagedis en hazelworm komen uit het Natura 2000 gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’, en beginnen vanaf een afstand van ongeveer 1 kilometer vanaf de planlocatie. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (RAVON hazelworm, 2020). Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit regenwormen en naaktslakken. Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er overwinterd wordt in droge holten, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). Er zijn maar twee waarnemingen van hazelworm in de omgeving waargenomen waarvan de dichtstbijzijnde zich op een afstand van ongeveer 1,3 kilometer vanaf de planlocatie bevindt. Deze waarnemingen komen uit het Natura 2000 gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’. In dit natuurgebied ondervindt de hazelworm minder verstoring, waar de soort gevoelig voor is, en heeft het geschikter leefgebied dan op de planlocatie. Derhalve is de kans significant laag dat de hazelworm gebruik maakt van de planlocatie. Daarnaast gaat er maar een klein deel van het totaal beschikbaar groen verloren binnen de beoogde ontwikkelingen.
Negatieve effecten op de hazelworm kunnen derhalve uitgesloten worden. Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017). De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Zandhagedissen overwinteren in (muizen)holletjes in de periode september – april. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, spinnen en andere ongewervelden. Op de planlocatie is geen leefgebied voor de zandhagedis aanwezig. Derhalve kan het voorkomen van de zandhagedis binnen de planlocatie uitgesloten worden. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
9
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich enkel een cementkuip gevuld met water waar geen vissen in zijn waargenomen. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, platte schijfhoren en sierlijke witsnuitlibel (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie. De kans op het voorkomen van de platte schijfhoren is klein wanneer deze planten of ondergedoken planten volledig afwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn de soorten gele plomp en waterlelie niet waargenomen.
Gezien het ontbreken van deze soorten kan de aanwezigheid van platte schijfhoren uitgesloten worden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: kauw, merel, pimpelmees en roodborstje. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Eén van de schuren binnen de planlocatie beschikt over een golfplaten dak. Echter zit hier geen dakbeschot onder waar huismussen onder kunnen nestelen.
Gezien de afwezigheid van geschikte openingen in de bebouwing kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bebouwing binnen de planlocatie beschikt niet over geschikte openingen die leiden tot potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De schuren beschikken niet oever openingen waar uilen in- en uit kunnen vliegen. Tevens zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen gezien er veel vergelijkbaar gebied in de omgeving beschikbaar is. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten gezien er voldoende vergelijkbaar gebied in de omgeving beschikbaar is. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
10
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 200 m ligt het Natura 2000gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’ (figuur 4). Op een afstand van circa 600 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5).
Figuur 4
11
De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’ (bron: Provincie Noord-Holland).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 600 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Noord-Holland).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor Natura-2000 gebieden geldt een externe werking, waardoor verstoringseffecten als trillingen, geluid, optische verstoring etc. tevens niet toegestaan zijn. Echter zal er geen sprake zijn van negatieve effecten in de vorm van bijvoorbeeld trillingen, geluid, optische verstoring etc. gezien er op de 200 meter tussen de planlocatie en het betreffende Natura 2000 gebied veel woningen zijn gesitueerd die de vorengenoemde effecten zodanig zullen verminderen dat deze niet meer significant zullen zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning met garage. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er een geringe afstand (200 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Noordhollands Duinreservaat’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden.
12
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
13
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Van een voortoets/ nee-tenzij toets is geen sprake. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
-
-
-
-
+/-
-
-
n
n
n
n
+
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
200 m
stikstof
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
600 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan het Kerkepad 1 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
14
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
15
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.maps.noord-holland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., L. Pieterman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Fotografische impressie
18
Figuur 1
In de schuren waren geen openingen aanwezig en zijn geen sporen aangetroffen van marterachtigen of uilen.
Figuur 2
De cementkuip was ten tijde van het veldbezoek gevuld met water.
Bijlage 2 Bestrijdingsmethodes Japanse duizendknoop Methode Afdekken
Beschrijving Grond afdekken met doek en grondlaag, wortels worden verstikt.
Effectiviteit Zeer effectief.
met
Stengels worden geïnjecteerd met glyfosaatoplossing van 5% of 70%
Effectief
Afgraven en afvoeren
Bodem met wortels wordt afgegraven en afgevoerd
Effectief, mits alle worteldelen worden verwijderd.
Maaien
Maandelijks groeiplaatsen maaien, maaisel afvoeren naar erkende verwerker Middels electroden wordt de plant onder hoge spanning gezet, waardoor de stengel en wortels van binnenuit koken.
Enkel effectief als beheersing, niet ter bestrijding. Pas na enkele jaren effect. Onbekend
Injecteren glyfosaat
Electricide
19
Voor- en nadelen + Zeer effectieve methode; - Lastig toe te passen rond obstakels; - Verstikt overige planten; - Doek moet meerdere jaren blijven liggen. + Snel effect; Zeer arbeidsintensief; Effecten van glyfosaat op het milieu en gezondheid zijn omstreden; Mogelijk verontreiniging van bodem en/of grondwater. + Snel effectief; + Eventueel te combineren met andere werkzaamheden; - Lastig uit te voeren bij obstakels als boomwortels of ondergrondse infrastructuur - Alle grond dient te worden afgevoerd Mogelijk kostenintensief - Enkel effectief ter beheersing; - Kostenintensief + Lijkt een veelbelovende methode - Effectiviteit nog niet bepaald; - Elke stengel moet worden behandeld; - Kostenintensief
Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
20
Memo Betreft: Locatie: Datum: Ecoloog: Steller:
stikstofdepositie Kerkepad 1 te Bergen NH 5 juli 2020 06-27564247 Peter van der Linden, ecoloog
Aan de Kerkepad 1 wordt een vrijstaande woningen gesloopt om ruimte te maken voor de bouw van een nieuwe woning. Voor de bouw is een berekening van de toename van stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden noodzakelijk. In onderstaand memo wordt de berekening toegelicht en geanalyseerd. Stikstof In brandstofmotoren ontstaan door verbranding verschillende stikstofoxiden, meestal samengevat in NOx. Deze verbindingen reageren in de lucht met waterdeeltjes tot salpeterzuur. In de bodem vindt onder invloed van bacteriën denitrificatie plaats. Het proces verloopt echter langzaam waardoor er cumulatie ontstaat van zuurionen en opneembaar stikstof; er is sprake van verzuring en vermesting van de bodem. Doordat ammoniak een vrij radicaal heeft reageert het snel tot ammonium en dat geeft een droge en natte depositie op relatief korte afstand van de bron. Ammoniak werkt in de atmosfeer eerst als base door de vorming van NH4+, waarbij een vrije zuurion wordt gebonden. Dat leidt tot neutralisatie van salpeterzuur en zwavelzuur in de atmosfeer. In de bodem wordt door bacteriën de NH4+ genitrificeerd tot NO3-, waarbij zuurionen vrijkomen. Naast de verzuring zorgt de emissie van ammoniak voor verhoging van het stikstofgehalte in de bodem. Door die verhoogde opneembaar stikstof in de bodem worden soorten die snel groeien bevoordeeld ten opzichte van langzaam groeiende soorten.
De snel groeiende soorten verdringen de langzame groeiers waardoor deze verdwijnen en de biodiversiteit verminderd. Veel van de via de Habitatrichtlijn beschermde soorten of habitat zijn langzaam groeiende soorten of soorten die in een voedselrijk of zuur milieu niet kunnen groeien. De habitatrichtlijn stelt de verschillende nationale overheden verantwoordelijk voor het beschermen van de natuurwaarden in de aangewezen natuurgebieden. Deze bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Om het probleem van te hoge concentraties NH4+ of NOX in het milieu te beteugelen is door de toenmalige regering de programmatische aanpak stikstof (PAS) opgesteld. In de PAS is ontwikkelingsruimte opgenomen voor ontwikkelingen die stikstofoxiden of ammoniak produceren. Daarnaast zijn maatregelen opgesomd die zouden leiden tot verminderde effecten. Voor de PAS is Aerius ontwikkeld waarmee op eenvoudige wijze de depositie kon worden berekend. In de PAS was de ontwikkelingsruimte opgenomen en twee drempelwaarden ingevoerd; een lage van 0,05 mol N/ha en een hogere van 1 mol N/ ha. Projecten die onder de lage drempelwaarde bleven hadden geen meldingsplicht.
De projecten met een stikstofdepositie tussen de beide waarden in waren meldingsplichtig en konSpechtstraat 59 - 1223 NX Hilversum - 06 – 27564247 - vanderlinden@elsenlinde.nl Els & Linde B.V.: KvK 11068807 - Fiscaalnummer 8187.47.637 - NL71 RABO 0108344673. Els & Linde techniek vof: KvK 63899825 - Fiscaalnummer NL855445920B01 - NL93 RABO 0306041626
den worden uitgevoerd als er voldoende ontwikkelingsruimte was. Boven de 1 mol N/ha was er vergunningsplicht. De Raad van State heeft naar aanleiding van enkele beroepsprocedures vragen gesteld aan de het Europees Hof over de noodzakelijke interpretatie van de PAS. Het Hof en in navolging daarvan de Raad van State hebben geoordeeld dat de ontwikkelingsruimte niet binnen de reikwijdte van de Habitatrichtlijn past, en dat een drempel van 0,05 mol N/ha niet zonder meer acceptabel is. Ook hebben ze alle vergunningen die op de PAS zijn gebaseerd nietig verklaard. De consequentie is dat nu voor alle projecten berekend moet worden of deze strijdig zijn met de Habitatrichtlijn en er sprake is van verhoogde depositie op de natuurgebieden. In de nieuwe Aerius is de drempelwaarde en de ontwikkelingsruimte niet langer opgenomen. De conclusie is dat alle projecten waarbij stikstofoxiden of ammoniak vrijkomt berekend moet worden wat de toename is op de Natura 2000-gebieden. Als er geen verhoging is dan kan de ontwikkeling zonder vergunning worden uitgevoerd. Is er een verhoogde depositie dan moet het project zo worden uitgevoerd dat er geen of minder emissie is. Als dat onvoldoende mogelijkheden geeft, dan moet met maatregelen elders de emissie (op het zelfde Natura 2000-gebied) worden teruggebracht (salderen). Bij salderen moet worden aangetoond dat er voldoende effect is.
Hiervoor is een uitgebreidere onderbouwing nodig. Als er ondanks saldering een verhoogde depositie is, dan moet er via de ADC-toets in een passende beoordeling aangetoond worden dat een depositie acceptabel is. De ADC-toets staat voor Alternatief, Dwingende redenen en Compensatie. In de meeste gevallen zal dan een MER nodig zijn. Ontwikkeling Aan het Kerkepad 1 te Bergen wordt de huidige woning gesloopt om ruimte te maken voor de bouw van een nieuwe woning. Het gebruik en de omvang van het gebruik blijft gelijk of wordt licht minder (betere isolatie van de woning). De gebruiksfase is daarom niet uitgerekend. De werkzaamheden tijdens de bouwfase bestaan uit sloop van het huidige pand en nieuwbouw van een woning. Voor de bouwfase is berekent wat de depositie op de natuurgebieden is. Op basis van EMMA is het brandstofverbruik van de verschillende machines bepaald. Voor de bouw en de sloop wordt gebruik gemaakt van elektrisch aangedreven apparatuur. Wel is kort een kraan nodig en een betonpomp. Uitgangspunt voor de berekening is de bouw van de woning binnen een jaar. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Machine
Vermogen in Kw
Draaiuren
Brandstof in l/h
Brandstof totaal
graafmachine
125
8
27
216
Betonpomp
110
8
14
112
Het bouwverkeer betreft 8 middelzware vrachtwagen (tot 20 ton – 16 verkeersbewegingen). De toegangsweg is erg smal, waardoor zware vrachtwagens niet gebruikt kunnen worden. Voor de bouwvakkers is dat 60 mvt licht verkeer.
Met behulp van Aerius (2020) is berekent wat de depositie is in de nieuwe situatie. De depositie is berekent op het Natura 2000-gebied: Noordhollands Duinreservaat ligt op 185 m. De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, of zijn niet gevoelig voor de stikstofdepositie. Uit de berekening volgt dat er tijdens de bouwfase geen verhoogde depositie is op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Er is geen sprake van verhoging van de depositie. Er is geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig. Voor de vergunning wordt een beroep gedaan op de ontwikkelingsruimte voor woningbouw. P.J.H. van der Linden Els & Linde b.v.
Bronnen • Anonymus (2018) Toekomstbestendig parkeren. CROW • Hulskotte, J.H.J. & R.P. Verbeek (2009) Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA). TNO
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RW4vBRmjN46A (13 juli 2020) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Els & Linde b.v.
Kerkepad 1, - Bergen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Kerkepad 1
RW4vBRmjN46A
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
13 juli 2020, 09:25
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Situatie 1
NOx
< 1 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Bouwfase
Resultaten
Situatie 1
RW4vBRmjN46A (13 juli 2020) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
bouwfase Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
bouwverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
-
< 1 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RW4vBRmjN46A (13 juli 2020) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
STAGE IV, 75 – graafmachine 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R
216
NOx
< 1 kg/j
STAGE IV, 75 – betonpomp 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R
112
NOx
< 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
bouwfase 108429, 520419 < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Standaard
Situatie 1
bouwverkeer 108484, 520462 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
60,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Middelzwaar vrachtverkeer
16,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RW4vBRmjN46A (13 juli 2020) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200610_3aefc4c15b Database versie 2019A_20200610_3aefc4c15b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Situatie 1
RW4vBRmjN46A (13 juli 2020) pagina 5/5
PROJECT 33324 VERKENNEND BODEMONDERZOEK KERKEPAD 1 TE BERGEN
Vestiging Kamerik Nijverheidsweg 7 3471 GZ Kamerik t 0348 402103 Vestiging Heerhugowaard Galileistraat 69 1704 SE Heerhugowaard t 072 5729457 Vestiging Steenwijk Oevers 16 8331 VC Steenwijk t 0521 521924 www.grondslag.nl
bodemonderzoek | saneringsbegeleiding | partijkeuringen | waterbodemonderzoek | arbo/veiligheid | wegenbouwadvies
Project 33324
Titel
Verkennend bodemonderzoek Kerkepad 1 te Bergen
Projectleider
Mevr. J.J. Schenk-Tonen, MSc
Adviseur
Mevr. D. Ucar, MSc
Datum rapport
21-07-2020
Opdrachtgever
ROMstad Spaarndamseweg 120 A14 2021 KA Haarlem
Contactpersoon
Dhr. H. Misset
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen die zijn opgesteld in de BRL SIKB 2000. Grondslag is door KIWA gecertificeerd voor het verrichten van “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” conform deze BRL. Grondslag BV is als opdrachtnemer onafhankelijk van de opdrachtgever. Tussen beide bestaat geen relatie als bedoeld in paragraaf 3.2.7 van de BRL SIKB 2000.
Project 33324
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING EN DOEL
1
2
TERREINGEGEVENS 2.1 Afbakening onderzoekslocatie 2.2 Historie tot op heden 2.3 Toekomstige situatie 2.4 Voorgaand onderzoek omgeving 2.5 Hypothese en onderzoeksopzet
2 2 2 2 3 3
3
VELDWERK 3.1 Uitvoering 3.2 Resultaten 3.2.1 Grond 3.2.2 Grondwater
4 4 4 4 4
4
CHEMISCHE ANALYSES 4.1 Analyses grond 4.2 Analyses grondwater
5 5 5
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6
BIJLAGEN BIJLAGE I BIJLAGE II BIJLAGE III BIJLAGE IV BIJLAGE V
: Kaartmateriaal : Boorbeschrijvingen : Toetsingstabellen : Analysecertificaten : Toetsingskader & Verklarende woordenlijst
1
1
Project 33324
INLEIDING EN DOEL Door ROMstad is aan Grondslag opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op het perceel Kerkepad 1 te Bergen. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw). Men is voornemens om de bestaande woning te slopen en een nieuw woonhuis met een bijgebouw te bouwen. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Het bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijnen uit de vigerende versie van de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek) en de onderliggende norm NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek).
2
2
Project 33324
TERREINGEGEVENS Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 verricht. De resultaten van het vooronderzoek zijn verwerkt in dit hoofdstuk. Het vooronderzoek richt zich tevens op de direct aangrenzende percelen.
2.1
Afbakening onderzoekslocatie Het perceel Kerkepad 1 is kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie A, nummer 3774. Het perceel heeft een oppervlakte van 409 m². De onderzoekslocatie bestaat uit het gehele perceel Kerkepad 1. Op het terrein is een woonhuis met een voor- en achtertuin aanwezig. De huidige woning dateert uit de jaren ’60. De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage I.
2.2
Historie tot op heden Voor de gegevens zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - opdrachtgever - bodeminformatieysteem Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD-NHN) - oud kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) - www.bodemloket.nl - terreininspectie (plaatsgevonden ten tijde van het veldwerk op 2 juli 2020) Bij de OD-NHN en op www.bodemloket.nl is geen informatie aangaande de onderzoekslocatie bekend. Zover bekend zijn er geen brandstoftanks aanwezig (geweest). Voor zover bekend zijn op de locatie in het verleden geen bedrijven aanwezig geweest. Ook niet ten aanzien van gebruik van asbesthoudende materialen. Zover bekend zijn er geen sloten gedempt, is er niet structureel afval gestort of verbrand en is het maaiveld niet opgehoogd. Voor zover bekend zijn er geen (grote) obstakels, zijnde puin, funderingsresten, slakken, sintels en/of asfalt in de bodem aanwezig. Voor zover bekend hebben zich op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan, waardoor mogelijk bodemverontreiniging zou kunnen zijn ontstaan. De locatie bevindt zich binnen zone “Oudere woongebieden en bedrijven / overige woongebieden, bedrijven en buitengebied (B4/O5)” van de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heerhugowaard en Heiloo (januari 2017).
In de bovengrond van deze zone overschrijdt de 95-percentielwaarde voor barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, minerale olie, PAK en PCB de (generieke) achtergrondwaarde. Voor lood en zink wordt de tussenwaarde overschreden. In de ondergrond overschrijdt de 95percentielwaarde voor kobalt, koper, kwik, lood, nikkel, zink, minerale olie, PAK en PCB de (generieke) achtergrondwaarde.
2.3
Toekomstige situatie De huidige woning wordt gesloopt ten behoeve van een nieuw te bouwen woonhuis met een bijgebouw. De bestemming blijft ‘wonen’.
3
2.4
Project 33324
Voorgaand onderzoek omgeving Op het naastgelegen perceel Hoflaan 6 is in 2008 een verkennend bodemonderzoek verricht in verband met een bouwvergunning (door Geomechanica, kenmerk: 8688/07, d.d. 02-012008). In de bovengrond zijn lichte verhogingen aan lood en PAK aangetoond. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhogingen gemeten. Op het perceel is tevens een AP04 keuring uitgevoerd. Volgens de AP04 keuring bouwstoffenbesluit is de grond schoon. Op het naastgelegen perceel Hoflaan 6 staat een tank geregistreerd. Naar informatie van het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is de tank gesaneerd. In 1998 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de tank (door Milieu Onderzoeks Bureau, kenmerk: 98070, d.d. 10-12-1998). In de grond zijn geen verhogingen aan minerale olie gemeten. Ter plaatse van de openbare wegen de Ruïnekerk en Hoflaan is in 2009 een verkennend bodemonderzoek verricht (door Tauw, kenmerk: 4641332, d.d. 22-07-2009). In de ondergrond zijn lichte verhogingen aan kwik en kobalt en sterke verhoging aan lood aangetoond. In de ondergrond is een sterke verhoging aan lood gemeten. Het grondwater bevat een lichte verhoging aan zink. Om deze reden is er voorafgaand aan de werkzaamheden een BUSmelding noodzakelijk gesteld.
2.5
Hypothese en onderzoeksopzet Voorafgaand aan het bodemonderzoek wordt geen verontreiniging verwacht boven de 95percentielwaarden als opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. De locatie wordt aangemerkt als onverdacht (ten aanzien van lokale verontreiniging). Het onderzoek volgt de "Onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL)" van de NEN 5740. Voor de locatie geldt op basis van het vooronderzoek geen verdenking op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest. Er wordt geen asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd. Tijdens het veldwerk wordt visueel wel gelet op het voorkomen van asbestverdachte materialen. Opgemerkt dient te worden dat een verkennend bodemonderzoek volgens een steekproefsgewijze opzet wordt uitgevoerd. Tevens dient het bodemonderzoek beschouwd te worden als een tijdelijk vastgestelde status van de bodemkwaliteit ter plaatse. Derhalve kan in bepaalde situaties (bijvoorbeeld bij een toekomstige bestemmingswijziging of aanvraag van een omgevingsvergunning) de geldigheidsduur van het onderzoek beperkt zijn.
Project 33324
4
3
VELDWERK
3.1
Uitvoering Het verrichten van de boringen en het plaatsen van de peilbuis heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 onder leiding van dhr. T.J. Commandeur. Het grondwater is op 13 juli 2020 bemonsterd door eveneens dhr. T.J. Commandeur. In totaal zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie vier boringen verricht (nrs. 01 t/m 04). De boringen zijn verspreid over de onderzoekslocatie verricht. Boring 03 is voorzien van een peilbuis. De ligging van de boringen en de peilbuis is weergegeven in bijlage I. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. De boring 01 is doorgezet tot een diepte van 2,0 m-mv. De boring 03 is doorgezet tot een diepte van 3,0 m-mv.
3.2
Resultaten
3.2.1 Grond Bodemopbouw Vanaf het maaiveld tot een diepte van 3,0 m-mv bestaat de bodem uit matig fijn zand. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage II. Zintuiglijke waarnemingen In de bovengrond ter plaatse van de boringen 02, 03 en 04 zijn sporen baksteen, aardewerk en/of glas aangetroffen. Er is visueel geen asbestverdacht materiaal in of op de bodem aangetroffen. 3.2.2 Grondwater In onderstaande tabel zijn de gegevens vermeld die zijn verzameld tijdens de monstername van het grondwater. Tabel 3.1: Veldwerkgegevens grondwater peilbuis
filterstelling (m-mv)
grondwaterstand pH (m-mv)
EC (µS/cm)
troebelheid (NTU)
03
2,00 – 3,00
1,43
880
3,26
6,6
Project 33324
5
4
CHEMISCHE ANALYSES De analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd laboratorium. De analyseresultaten zijn getoetst aan de normwaarden uit de ‘Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013’ en Bijlage B van de ‘Regeling Bodemkwaliteit’. Het toetsingskader is bijgevoegd in bijlage V.
4.1
Analyses grond De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 4.1. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.1: Overschrijdingstabel grond Code
BG01
OG01
Boringen met diepte (m-mv) 01 (0,00 - 0,20) 02 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50)
Waarnemingen
Analyseparameters
Overschrijding
NEN-g
Hg, Pb, Zn, PAK -
-
NEN-g
-
-
>AW
>T
>I
baksteen+, glas+ aardewerk+ baksteen+
01 (0,80 - 1,10) 01 (1,10 - 1,30) 01 (1,50 - 2,00) 03 (0,70 - 1,20) 03 (1,50 - 2,00)
-
waarneming : + (sporen/zwak), ++ (matig), +++ (sterk), ++++ (uiterst)
Mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Door middel van dit analysepakket wordt een breed beeld verkregen van de kwaliteit van de grond. In het mengmonster BG01 van de bovengrond zijn lichte verhogingen aan kwik, lood, zink en PAK gemeten. In het mengmonster OG01 van de ondergrond zijn geen verhogingen gemeten. 4.2
Analyses grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn weergegeven in tabel 4.2. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.2: Overschrijdingstabel grondwater Peilbuis
Filtertraject (m-mv)
Analyseparameters
Overschrijding >S
>T
>I
03
2,00 – 3,00
NEN-gw
-
-
-
Het grondwater is geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Op deze wijze wordt een breed beeld verkregen van de grondwaterkwaliteit. In het grondwater zijn geen verhogingen gemeten.
6
5
Project 33324
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Kerkepad 1 is vastgelegd. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht ten opzichte van de lokale achtergrondwaarden zoals vastgesteld in de bodemkwaliteitskaart, is bevestigd. In de bovengrond zijn lichte verhogingen gemeten aan diverse zware metalen en PAK. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen ons inziens geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning. De afgifte van de omgevingsvergunning blijft echter een beleidsmatige afweging van de gemeente zelf. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit.
Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waardoor in sommige gevallen hergebruik mogelijk is zonder aanvullend onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd.
BIJLAGE I
A 1081
11-11A A 5881
1/NST A 1082
Overzichtskaart
9
Kerkepad
A 1452
03
7
A 3774
N
Oude Pr
insw
A 2362
5-5A
02
A 4411 04
nr.1 A 3773
BOORPUNTENKAART
Ker
Legenda
kep
ad
- boorpunt - boorpunt met peilbuis - onderzoekslocatie - perceelsgrens
01 0
2
4
6
1 8m
Schaal : 1:200
Formaat : A3
Opdrachtgever: ROMstad Project : Kerkepad 1, Bergen
A 2052
Project nummer: 33324
Naam : 33324tek.dwg
Initialen : ##
Datum : 3-7-2020
2 Kamerik 0348-402103
Heerhugowaard 072-5729457
P:\30000-39999\33300-33399\33324\4 kaartmateriaal\33324tek.dwg
Steenwijk 0521-521924
BIJLAGE II
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen
ongeroerd monster
zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
overig bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
peilbuis blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand
bentoniet afdichting
filter
Boring:
01
Boring:
0 1
0
tuin
20
Zand, matig fijn, matig humeus, sporen grind, grijsbruin
0
0
tuin Zand, matig fijn, zwak humeus, sporen baksteen, sporen glas, lichtbruin
1
Zand, matig fijn, zwak humeus, lichtbruin
2
50
02
50
50 80
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs
4
100
110
5 6 150
130
Zand, matig fijn, zwak siltig, sterk roesthoudend, donkerbeige
150
Zand, matig fijn, matig humeus, matig kleiïg, bruin Zand, matig fijn, matig siltig, beigegrijs
7 200
200
Boring:
04
Boring:
0
0
50
0
0
Zand, matig fijn, zwak humeus, sporen baksteen, sporen grind, lichtbruin
1 50
tuin
03
tuin Zand, matig fijn, zwak humeus, sporen aardewerk, lichtbruin
1 50 2
100
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak roesthoudend, beige
3
130
5 150
150
Zand, matig fijn, matig humeus, matig kleiïg, bruin Zand, matig fijn, matig siltig, beige
6 200 7 250 8 300
Projectnaam: Kerkepad 1
300
Projectnummer:
33324
getekend volgens NEN-EN-ISO 14688
BIJLAGE III
Project
33324-Kerkepad 1
Certificaten
1057383
Toetsing
T.12 - Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb
Toetsversie
BoToVa 3.0.0
Toetsdatum: 9 juli 2020 16:26
Monsterreferentie
6381585
Monsteromschrijving
BG01 01 (0-20) 02 (0-50) 03 (0-50) 04 (0-50)
Analyse
Eenheid
Analyseres.
Gestand.Res. Toetsoordeel
AW
T
I
920
Lutum/Humus Organische stof
% (m/m ds)
4.0
10
Lutum
% (m/m ds)
1.0
25
%
93.3
93.3
@
Droogrest droge stof
Metalen ICP-AES barium (Ba)
mg/kg ds
31
120
@
190
555
cadmium (Cd)
mg/kg ds
0.25
0.39
-
0.6
6.8
13
kobalt (Co)
mg/kg ds
<3
< 7.4
-
15
102.5
190
koper (Cu)
mg/kg ds
12
23
-
40
115
190
kwik (Hg) (niet vluchtig)
mg/kg ds
0.32
0.45
3.0 AW
0.15
18.075
36
lood (Pb)
mg/kg ds
140
210
4.3 AW
50
290
530
molybdeen (Mo)
mg/kg ds
< 1.5
< 1.0
-
1.5
95.75
190
nikkel (Ni)
mg/kg ds
<4
<8
-
35
67.5
100
zink (Zn)
mg/kg ds
83
190
1.3 AW
140
430
720
mg/kg ds
69
170
-
190
2595
5000
naftaleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fenantreen
mg/kg ds
1.2
1.2
anthraceen
mg/kg ds
0.55
0.55
fluoranteen
mg/kg ds
2.2
2.2
benzo(a)antraceen
mg/kg ds
1.2
1.2
chryseen
mg/kg ds
1.1
1.1
benzo(k)fluoranteen
mg/kg ds
0.86
0.86
benzo(a)pyreen
mg/kg ds
0.94
0.94
benzo(ghi)peryleen
mg/kg ds
0.52
0.52
indeno(1,2,3-cd)pyreen
mg/kg ds
0.55
0.55
mg/kg ds
9.2
9.2
6.1 AW
1.5
20.75
40
PCB - 28
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 52
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 101
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 118
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 138
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 153
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
PCB - 180
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0018
mg/kg ds
0.005
< 0.012
-
0.02
0.51
1
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Polycyclische koolwaterstoffen
Sommaties som PAK (10)
Polychloorbifenylen
Sommaties som PCBs (7)
Pagina 1 van 2
Pagina 2 van 2 Monsterreferentie
6381586
Monsteromschrijving
OG01 01 (80-110) 01 (110-130) 01 (150-200) 03 (70-120) 03 (150-200)
Analyse
Eenheid
Analyseres.
Gestand.Res. Toetsoordeel
AW
T
I
920
Lutum/Humus Organische stof
% (m/m ds)
0.5
10
Lutum
% (m/m ds)
1.0
25
%
93.8
93.8
@
Droogrest droge stof
Metalen ICP-AES barium (Ba)
mg/kg ds
< 20
< 54
@
190
555
cadmium (Cd)
mg/kg ds
< 0.2
< 0.24
-
0.6
6.8
13
kobalt (Co)
mg/kg ds
<3
< 7.4
-
15
102.5
190
koper (Cu)
mg/kg ds
<5
< 7.2
-
40
115
190
kwik (Hg) (niet vluchtig)
mg/kg ds
< 0.05
< 0.05
-
0.15
18.075
36
lood (Pb)
mg/kg ds
< 10
< 11
-
50
290
530
molybdeen (Mo)
mg/kg ds
< 1.5
< 1.0
-
1.5
95.75
190
nikkel (Ni)
mg/kg ds
<4
<8
-
35
67.5
100
zink (Zn)
mg/kg ds
< 20
< 33
-
140
430
720
mg/kg ds
< 35
< 120
-
190
2595
5000
naftaleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fenantreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
anthraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)antraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
chryseen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(k)fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(ghi)peryleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
indeno(1,2,3-cd)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
mg/kg ds
0.35
< 0.35
-
1.5
20.75
40
PCB - 28
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 52
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 101
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 118
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 138
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 153
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
PCB - 180
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0035
mg/kg ds
0.005
< 0.024
-
0.02
0.51
1
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Polycyclische koolwaterstoffen
Sommaties som PAK (10)
Polychloorbifenylen
Sommaties som PCBs (7) Legenda @
Geen toetsoordeel mogelijk
-
<= Achtergrondwaarde
x AW
x maal Achtergrondwaarde
N.B.
De vermelde tussenwaarde is door MijnLab berekend en is niet afkomstig uit BoToVa
Pagina 2 van 2
Project
33324-Kerkepad 1
Certificaten
1061946
Toetsing
T.13 - Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb
Toetsversie
BoToVa 2.0.0
Toetsdatum: 16 juli 2020 14:15
Monsterreferentie
6392121
Monsteromschrijving
03 (03-1-1)
Analyse
Eenheid
Analyseres.
Toetsoordeel
S
T
I
625
Metalen ICP-MS (opgelost) barium (Ba)
µg/l
< 20
-
50
337.5
cadmium (Cd)
µg/l
< 0.2
-
0.4
3.2
6
kobalt (Co)
µg/l
<2
-
20
60
100
koper (Cu)
µg/l
11
-
15
45
75
Kwik (Hg) (niet vluchtig)
µg/l
< 0.05
-
0.05
0.175
0.3
lood (Pb)
µg/l
<2
-
15
45
75
molybdeen (Mo)
µg/l
<2
-
5
152.5
300
nikkel (Ni)
µg/l
3.4
-
15
45
75
zink (Zn)
µg/l
30
-
65
432.5
800
µg/l
< 50
-
50
325
600
benzeen
µg/l
< 0.2
-
0.2
15.1
30
ethylbenzeen
µg/l
< 0.2
-
4
77
150
naftaleen
µg/l
< 0.02
-
0.01
35.005
70
o-xyleen
µg/l
< 0.1
styreen
µg/l
< 0.2
-
6
153
300
tolueen
µg/l
< 0.2
-
7
503.5
1000
xyleen (som m+p)
µg/l
< 0.2
µg/l
0.2
-
0.2
35.1
70
1,1,1-trichloorethaan
µg/l
< 0.1
-
0.01
150.005
300
1,1,2-trichloorethaan
µg/l
< 0.1
-
0.01
65.005
130
1,1-dichloorethaan
µg/l
< 0.2
-
7
453.5
900
1,1-dichlooretheen
µg/l
< 0.1
-
0.01
5.005
10
1,1-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
1,2-dichloorethaan
µg/l
< 0.2
-
7
203.5
400
1,2-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
1,3-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
cis-1,2-dichlooretheen
µg/l
< 0.1
dichloormethaan
µg/l
< 0.2
-
0.01
500.005
1000
monochlooretheen (vinylchlori
µg/l
< 0.2
-
0.01
2.505
5
tetrachlooretheen
µg/l
< 0.1
-
0.01
20.005
40
tetrachloormethaan
µg/l
< 0.1
-
0.01
5.005
10
trans-1,2-dichlooretheen
µg/l
< 0.1
trichlooretheen
µg/l
< 0.2
-
24
262
500
trichloormethaan
µg/l
< 0.2
-
6
203
400
som C+T dichlooretheen
µg/l
0.1
-
0.01
10.005
20
som dichloorpropanen
µg/l
0.4
-
0.8
40.4
80
< 0.2
@
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Vluchtige aromaten
Sommaties aromaten som xylenen
Vluchtige chlooralifaten
Sommaties
Vluchtige gehalogeneerde alifaten - divers tribroommethaan (bromoform
µg/l
Toetsoordeel monster 6392121:
Voldoet aan Streefwaarde
Legenda @
Geen toetsoordeel mogelijk
-
<= Streefwaarde
N.B.
De vermelde tussenwaarde is door MijnLab berekend en is niet afkomstig uit BoToVa
Pagina 1 van 1
630
BIJLAGE IV
Grondslag Heerhugowaard T.a.v. mevrouw D. Ucar Galileistraat 69 1704 SE HEERHUGOWAARD
Uw kenmerk : 33324-Kerkepad 1 Ons kenmerk : Project 1057383 Validatieref. : 1057383_certificaat_v1 Opdrachtverificatiecode : QLWC-AXPB-WJKB-BTAE Bijlage(n) : 2 tabel(len) + 1 oliechromatogram(men) + 2 bijlage(n)
Amsterdam, 9 juli 2020 Hierbij zend ik u de resultaten van het laboratoriumonderzoek dat op uw verzoek is uitgevoerd in de door u aangeboden monsters. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de monsters, zoals die door u voor analyse ter beschikking werden gesteld. Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel uitbesteed onderzoek, uitgevoerd door Eurofins Omegam volgens de methoden zoals ze zijn vastgelegd in het geldende accreditatie-certificaat L086 en/of in de bundel "Analysevoorschriften Eurofins Omegam". De in dit onderzoek uitgevoerde onderzoeksmethoden van de geaccrediteerde analyses zijn in een aparte bijlage als onderdeel van dit analyse-certificaat opgenomen. De methoden zijn, voor zover mogelijk, ontleend aan de accreditatieprogramma's/schema's en NEN- EN- en/of ISO-voorschriften. Ik wijs u erop dat het analyse-certificaat alleen in zijn geheel mag worden gereproduceerd. Ik vertrouw erop uw opdracht volledig en naar tevredenheid te hebben uitgevoerd. Heeft u naar aanleiding van deze rapportage nog vragen, dan verzoek ik u contact op te nemen met onze klantenservice. Hoogachtend, namens Eurofins Omegam,
Ing. J. Tukker Manager productie
Op dit certificaat zijn onze algemene voorwaarden van toepassing. Dit analyse-certificaat mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd.
Eurofins Omegam B.V. H.J.E. Wenckbachweg 120 NL-1114 AD Amsterdam-Duivendrecht Nederland
T +31-(0)20-597 66 80 CSOmegam@eurofins.com www.eurofins.nl
IBAN NL 16 BNPA 0227667980 BIC BNPANL2A BTW nr. NL8139.67.132.B01 KvK nr. 34215654
Tabel 1 van 2 ANALYSECERTIFICAAT Project code Uw Project omschrijving Opdrachtgever
: 1057383 : 33324-Kerkepad 1 : Grondslag Heerhugowaard
Uw Monsterreferenties 6381585 = BG01 01 (0-20) 02 (0-50) 03 (0-50) 04 (0-50) 6381586 = OG01 01 (80-110) 01 (110-130) 01 (150-200) 03 (70-120) 03 (150-200) Opgegeven bemonsteringsdatum Ontvangstdatum opdracht Startdatum Monstercode Uw Matrix
: : : : :
Monstervoorbewerking S AS3000 (steekmonster) S gewicht artefact S soort artefact S voorbewerking AS3000
g
02/07/2020 02/07/2020 02/07/2020 6381585 Grond
02/07/2020 02/07/2020 02/07/2020 6381586 Grond
uitgevoerd n.v.t. n.v.t. uitgevoerd
uitgevoerd n.v.t. n.v.t. uitgevoerd
Algemeen onderzoek - fysisch S droge stof % S organische stof (gec. voor lutum) % (m/m ds) S lutumgehalte (pipetmethode) % (m/m ds)
93,3 4,0 <1
93,8 0,5 <1
Anorganische parameters - metalen S barium (Ba) mg/kg ds S cadmium (Cd) mg/kg ds S kobalt (Co) mg/kg ds S koper (Cu) mg/kg ds S kwik (Hg) (niet vluchtig) mg/kg ds S lood (Pb) mg/kg ds S molybdeen (Mo) mg/kg ds S nikkel (Ni) mg/kg ds S zink (Zn) mg/kg ds
31 0,25 < 3,0 12 0,32 140 < 1,5 <4 83
< 20 < 0,20 < 3,0 < 5,0 < 0,05 < 10 < 1,5 <4 < 20
Organische parameters - niet aromatisch S minerale olie (florisil clean-up) mg/kg ds
69
< 35
Organische parameters - aromatisch Polycyclische koolwaterstoffen: S naftaleen mg/kg ds S fenantreen mg/kg ds S anthraceen mg/kg ds S fluoranteen mg/kg ds S benzo(a)antraceen mg/kg ds S chryseen mg/kg ds S benzo(k)fluoranteen mg/kg ds S benzo(a)pyreen mg/kg ds S benzo(ghi)peryleen mg/kg ds S indeno(1,2,3-cd)pyreen mg/kg ds S som PAK (10) mg/kg ds
< 0,05 1,2 0,55 2,2 1,2 1,1 0,86 0,94 0,52 0,55 9,2
< 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 0,35
Organische parameters - gehalogeneerd Polychloorbifenylen: S PCB -28 mg/kg ds S PCB -52 mg/kg ds S PCB -101 mg/kg ds S PCB -118 mg/kg ds S PCB -138 mg/kg ds S PCB -153 mg/kg ds S PCB -180 mg/kg ds S som PCBs (7) mg/kg ds
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 0,005
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 0,005
Dit analyse-certificaat, inclusief voorblad en eventuele bijlage(n), mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd. - De met een 'Q' gemerkte analyses zijn door RvA geaccrediteerd (registratienummer L086). - De met een 'S' gemerkte analyses zijn door RvA geaccrediteerd (L086) en op basis van het schema AS 3000 erkend. Opdrachtverificatiecode: QLWC-AXPB-WJKB-BTAE