bij 2 SOVON statuten met aanpassingen 2023.pdf
Tekst van het document
Statuten van de stichting 11 juli 2016
Artikel 1 Naam en zetel 1. De stichting draagt de naam: Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Noord-HollandNoord. 2. De stichting heeft haar zetel in de gemeente Alkmaar. Artikel 2 Begripsbepalingen In deze statuten wordt verstaan onder: a. gemeente: een van de gemeenten waarin ten minste een openbare school voor voortgezet onderwijs is gevestigd die door de stichting in stand wordt gehouden; b. gemeenteraad: de gemeenteraad van één der onder a. bedoelde gemeenten, tenzij uitdrukkelijk is aangegeven dat het de gemeenteraad van een bepaalde gemeente betreft; c. school: een school die door de stichting in stand wordt gehouden; de scholen die door de stichting in stand worden gehouden, worden opgesomd in het bestuursreglement bedoeld onder punt i. van dit artikel; indien het een school betreft die eerder in stand werd gehouden door één van de onder a. bedoelde gemeenten of haar rechtsvoorganger en waarvan de instandhouding door de raad van die gemeente aan de stichting is overgedragen, wordt in de opsomming van scholen in het bestuursreglement bij de desbetreffende school de naam van deze gemeente vermeld; d. gemeenschappelijk medezeggenschapsraad: de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet Medezeggenschap op Scholen, van de gezamenlijke scholen die door de stichting in stand worden gehouden; e.
ouders: ouders als bedoeld in artikel 1, onder g van de Wet Medezeggenschap op Scholen; f. schoolleider: de rector of directeur van een onder c. genoemde school; g. stichting: de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Noord-Holland-Noord; h. wet: de Wet op het Voortgezet Onderwijs; i. bestuursreglement: het bestuursreglement bedoeld in artikel 8, zesde lid.
1
Artikel 3 Doel en middelen 1. De stichting heeft ten doel het, met inachtneming van artikel 42b van de wet, in stand houden van openbare scholen voor voortgezet onderwijs in Noord-Holland-Noord en meer in het bijzonder in de gemeenten bedoeld in artikel 2 onder c. Om haar doel te verwezenlijken kan de stichting gebruikmaken van alle wettelijk geoorloofde middelen die daaraan dienstbaar zijn. 2. Het openbaar onderwijs dat wordt verzorgd door de door de stichting in stand gehouden school draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. De door de stichting in stand gehouden school is toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing. Het openbaar onderwijs dat wordt verzorgd door de door de stichting in stand gehouden school wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing. Artikel 4 Duur De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd. Artikel 5 Vermogen Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd door: a. rijksbekostiging; b. vergoedingen voor de door de stichting verleende diensten; c. subsidies, giften en donaties; d.
hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving; e. hetgeen op andere wettelijk geoorloofde wijze verkregen wordt. Artikel 6 Organen van de stichting 1. De stichting kent de volgende organen: - raad van toezicht; - college van bestuur. 2. Zowel de raad van toezicht als het college van bestuur kunnen, al dan niet uit hun midden, commissies instellen. De commissie kan onder verantwoordelijkheid van de raad van toezicht, respectievelijk het college van bestuur belast worden met aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het desbetreffende orgaan behoren. 3. Het instellende orgaan stelt nadere regels vast voor de werkwijze en samenstelling van de commissie. Artikel 7 College van Bestuur: samenstelling, benoeming, schorsing en ontslag, belet en ontstentenis 1. De stichting wordt bestuurd door een college van bestuur, bestaande uit ten minste één lid en ten hoogste twee leden. Een lid van het college van bestuur is een natuurlijke persoon en is bestuurder van de stichting als bedoeld in artikel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De raad van toezicht bepaalt of het college van bestuur een of twee leden telt. 2.
De voorzitter en, voor zover van toepassing, het tweede lid van het college van bestuur worden door de raad van toezicht in functie benoemd, met inachtneming van de voordrachtrechten als hierna bepaald. 3. De competenties van een te benoemen lid van het college van bestuur worden in algemene zin door de raad van toezicht in een profielschets vastgesteld. De raad van toezicht kan – in geval de raad van toezicht over moet of wenst te gaan tot de vervulling van een vacature - besluiten tot aanvulling dan wel nadere detaillering van de in algemene zin vastgestelde profielschets. 4. Een lid van het college van bestuur respecteert bij de uitoefening van zijn functie te allen tijde de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. 5. Ter vervulling van een vacature in het college van bestuur stelt de raad van toezicht een benoemingsadviescommissie in, die een voordracht opstelt voor de benoeming 2
van het lid van het college van bestuur. In de benoemingsadviescommissie hebben in elk geval twee leden van de raad van toezicht, een lid van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, een schoolleider van een school en voorts een of drie andere natuurlijke personen zitting. De samenstelling en werkwijze van deze benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. 6. Een lid van het college van bestuur kan te allen tijde door de raad van toezicht worden geschorst. De schorsing van het lid van het college van bestuur vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of verlenging van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, met ingang van de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is, te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 7. Een lid van het college van bestuur wordt benoemd voor een periode gelijk aan de duur van zijn aanstelling. 8. Het lidmaatschap van het college van bestuur eindigt: a. door overlijden; b. door vrijwillig aftreden (bedanken); c.
door ontslag door de rechtbank; d. door ontslag verleend door de raad van toezicht; of e. door het verstrijken van de duur van de aanstelling. 9. In een vacature in het college van bestuur wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Bij ontstentenis of belet van een lid van het college van het bestuur wordt het bestuur waargenomen door het andere lid van dat college. In geval de raad van toezicht geen tweede lid van het college van bestuur heeft benoemd, wordt het bestuur bij ontstentenis of belet van de voorzitter van het college waargenomen door één natuurlijke persoon die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen. Gaat de raad van toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt aangewezen. 10.De raad van toezicht is belast met het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden, bezoldiging en onkostenvergoedingen van het lid van het college van bestuur. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, worden de aanstelling, de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging van een lid van het college van bestuur geregeld op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs.
Artikel 8 College van bestuur: taak en bevoegdheden 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. 2. Het college van bestuur heeft al die taken en bevoegdheden met betrekking tot het bestuur van de stichting die niet bij of krachtens deze statuten aan anderen zijn toegekend. 3. Onverminderd het bepaalde in de laatste volzin van artikel 9, eerste lid, formuleert het college van bestuur concrete doelstellingen voor elke school die door de stichting in stand wordt gehouden, daarbij rekening houdend met de belangen van hen die bij die school zijn betrokken en rekening houdend met de eisen die de samenleving aan onderwijs stelt. Het college van bestuur legt in het jaarverslag verantwoording af over de mate waarin de vastgestelde missie en doelstellingen van de stichting en van elk van de scholen worden gehaald. 4. Het college van bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen. Hieronder zijn tevens begrepen besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, 3
zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. De in de vorige volzin bedoelde besluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht. 5. Voorts heeft het college van bestuur voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: a. de vaststelling van de begroting; b. het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht vastgesteld en aan het college van bestuur meegedeeld bedrag; c. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek; d. ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers in dienst van de stichting; e. een aanvraag tot faillissement of van surseance van betaling; f. het in stand houden van een nieuwe school, dan wel het overnemen van de instandhouding van een bestaande school van een andere rechtspersoon; g. het doen van een voorstel tot opheffing, fusie of afsplitsing van een (deel van een) door de stichting in stand gehouden school aan de gemeenteraad van de gemeente waarin die school (of het desbetreffende deel van die school) gevestigd is; h.
het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of een of meer van de door haar in stand te houden scholen; en i. de vaststelling van het strategisch meerjarenplan. 6. Het college van bestuur legt, zo vaak het dat nodig acht of de raad van toezicht daarom verzoekt, een voorstel tot vaststelling van het bestuursreglement of van een wijziging daarvan voor aan de raad van toezicht. Dit bestuursreglement omvat ten minste een opsomming van alle scholen die door de stichting in stand worden gehouden. In het bestuursreglement wordt verder, met inachtneming van het in deze statuten bepaalde, ten minste een regeling gegeven omtrent de wijze van besluitvorming door het college van bestuur en het intern toezicht op het college van bestuur door de raad van toezicht en worden voorts al die zaken geregeld waartoe deze statuten opdracht geven of waarvan college van bestuur en raad van toezicht in gemeen overleg besluiten dat regeling daarvan in het bestuursreglement geboden is. 7. Het functioneren van het college van bestuur wordt periodiek door de raad van toezicht beoordeeld. Artikel 9 College van bestuur: werkwijze 1.
Onderdeel van het bestuursreglement, als bedoeld in het zesde lid van artikel 8, is het managementstatuut bedoeld in artikel 32c van de wet waarin onder meer de overdracht van bevoegdheden door het college van bestuur aan andere natuurlijke personen in dienst van de stichting wordt geregeld. 2. Het college van bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits elk lid van het college in de gelegenheid is gesteld over het te nemen besluit zijn stem uit te brengen. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering van het college, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. Het college van bestuur vergadert in beslotenheid, met dien verstande dat het college niet-leden van zijn college kan uitnodigen om de beraadslagingen omtrent een bepaald agendapunt met raadgevende stem bij te wonen. 3. Uit het midden van degenen die een dienstverband hebben met de stichting wijst de voorzitter van het college van bestuur een functionaris aan die belast wordt met het houden van notulen van het verhandelde in de vergaderingen van het college van bestuur. De notulen worden door het college van bestuur vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en worden, ten bewijze daarvan, door de voorzitter als zodanig ondertekend.
4
4. Indien het college van bestuur uit twee natuurlijke personen bestaat, zijn voorts de volgende bepalingen van toepassing: a. In de vergaderingen van het college van bestuur worden besluiten in onderling overleg genomen. Indien beide leden van het college niet tot overeenstemming kunnen komen over een te nemen besluit, geeft de stem van de voorzitter van het college de doorslag; b. elk lid van het college van bestuur is gelijkelijk bevoegd een vergadering van het college van bestuur bijeen te roepen. Artikel 10 Vertegenwoordiging 1. Het college van bestuur vertegenwoordigt de stichting in en buiten rechte, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. 2. Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van volmacht aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen. 3. In geval de stichting een belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van een lid van het college van bestuur, wordt de stichting vertegenwoordigd door de raad van toezicht, alsmede door de voorzitter van de raad van toezicht. Artikel 11 Toezicht op het college van bestuur 1. De gemeenteraad van de gemeente Alkmaar en de gemeenteraden van de andere in artikel 1 onder a.
bedoelde gemeenten oefenen toezicht uit op de stichting door wanneer zulks naar het oordeel van de desbetreffende gemeenteraad geboden is - de bevoegdheden te gebruiken die bij de wet en bij deze statuten aan de desbetreffende gemeenteraad zijn toegekend. 2. Naast het toezicht door de gemeenteraden als bedoeld in het eerste lid, wordt toezicht op het college van bestuur uitgeoefend door de raad van toezicht op de wijze en binnen de kaders als omschreven in deze statuten en in de wet. 3. De raad van toezicht houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het college van bestuur en staat het college van bestuur met raad terzijde. 4. De raad van toezicht ziet toe op naleving door het college van bestuur van alle wettelijke verplichtingen, op de toepassing van de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 103, eerste lid, onderdeel a van de wet, en op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school die op grond van de wet zijn verkregen. 5. De raad van toezicht legt jaarlijks verantwoording af in een jaarverslag van de wijze waarop hij het intern toezicht heeft uitgeoefend. Artikel 12 Raad van toezicht; samenstelling, benoeming en ontslag 1. De raad van toezicht bestaat uit vijf natuurlijke personen. 2. De gemeenteraad van de gemeente Alkmaar benoemt: a.
twee leden van de raad van toezicht op bindende voordracht van de oudergeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad; b. een lid van de raad van toezicht op bindende voordracht van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad; c. twee leden van de raad van toezicht op voordracht van de raad van toezicht. De benoeming geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht vastgestelde en openbaar gemaakte profielschets waarin de noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en van de afzonderlijke leden van de raad van toezicht worden beschreven. De in dit lid genoemde voordrachten worden voorbereid door een benoemingsadviescommissie. In de benoemingsadviescommissie hebben in elk geval twee leden van de raad van toezicht, een lid van de oudergeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en een lid van een der andere geledingen van de gemeenschappelijk medezeggenschapsraad zitting. De werkwijze van deze benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. 5
[3.] De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier vijf jaar. Elk jaar treedt een van de leden van de raad van toezicht af volgens een door de raad van toezicht vast te stellen rooster van aftreden. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk. Het lid dat in een tussentijdse vacature wordt benoemd, wordt benoemd voor een periode die eindigt op het moment waarop van degene in wiens vacature hij werd benoemd, de zittingsperiode zou aflopen en neemt in het rooster van aftreden diens plaats in. Bedraagt de zittingsperiode van het in een tussentijdse vacature benoemd lid op grond van het bepaalde in de vorige volzin minder dan twee jaar en één maand en zes maanden, dan is dit lid – in afwijking van het in de vierde volzin van dit lid bepaalde – twee maal herbenoembaar. 3.[4.] Leden van de raad van toezicht kunnen niet zijn personen die a. in dienst zijn van de stichting; [b.] lid zijn of in de voorafgaande vier jvijf jaar lid zijn geweest van het college van bestuur; b. lid of voorzitter van het college van bestuur zijn van een ander schoolbestuur in het voortgezet onderwijs; c. [c.] burgemeester, wethouder of gemeenteraadslid zijn van een gemeente bedoeld in artikel 2 onder a.; d.
lid zijn van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, dan wel van de medezeggenschapsraad van een school die onder het bestuur van de stichting staat; e. als advocaat, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de stichting dan wel ten behoeve van een wederpartij van de stichting; f. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de stichting; g. rechtstreeks betrokken zijn bij het leveren van goederen of diensten aan of door de stichting die direct vallen onder de doelstelling van de stichting en daarbij de omvang, aard en vergoeding van de te leveren goederen of diensten kunnen vaststellen of daarop aanmerkelijke invloed kunnen uitoefenen. 4.[5.] Een lid raad van toezicht kan niet binnen vier jaar na aftreden benoemd worden tot lid van het college van bestuur van SOVON. 5. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter aan. 6. Toekenning van vacatiegelden aan leden van de raad van toezicht en onkostenvergoedingen aan leden van het college van bestuur en de raad van toezicht geschiedt op basis van een door de raad van toezicht vastgestelde - en op hoofdlijnen in het jaarverslag openbaar gemaakt – schriftelijke regeling.
Jaarlijks wordt door het college van bestuur uitdrukkelijk in de jaarrekening verantwoord welke bedragen op grond van deze regeling voor elk lid van het college van bestuur en ieder lid van de raad van toezicht zijn uitgegeven. 7. Het college van bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad van toezicht alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van de stichting die dit lid mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting; een daartoe door de raad van toezicht aangewezen lid van de raad van toezicht heeft te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten en terreinen. 8. De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. 9. Het lidmaatschap van de raad van toezicht eindigt: a. door overlijden; b. door vrijwillig aftreden (bedanken); c. door het verstrijken van de termijn vermeld in het rooster van aftreden; d. door ontslag verleend door de rechtbank; of e.
door ontslag verleend door de raad van toezicht bij besluit genomen met algemene stemmen van in functie zijnde leden van de raad van toezicht met uitzondering van het betrokken lid van de raad van toezicht. 6
11.In een vacature in de raad van toezicht wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallige raad van toezicht behoudt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt/en aangewezen. 12.Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting, het belang van de school die door de stichting in stand wordt gehouden en het belang van de samenleving. Artikel 13 Raad van toezicht; werkwijze 1. In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. De raad van toezicht kan in een vergadering slechts rechtsgeldige besluiten nemen indien meer dan de helft van zijn leden ter vergadering aanwezig is. 2. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet.
Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 3. Elk lid van de raad van toezicht is gelijkelijk bevoegd een vergadering van de raad van toezicht bijeen te roepen. 4. De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig uur. De vergaderingen worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, bij voorkeur in een van de gemeenten bedoeld in artikel 2, te bepalen door degene die de vergadering bijeenriep, dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden vóór het tijdstip van de vergadering schriftelijk hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 5. Een lid van de raad van toezicht kan zich door een ander lid van de raad van toezicht ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen.
Eén lid van de raad van toezicht kan slechts één medelid ter vergadering vertegenwoordigen. 6. Ieder lid van de raad van toezicht kan, in persoon of bij een schriftelijk gevolmachtigde, door middel van een elektronisch communicatiemiddel aan de vergadering deelnemen, daarin het woord voeren en het stemrecht uitoefenen. 7.[6.] De vergaderingen van de raad van toezicht zijn openbaar, behoudens indien ten minste een van de aanwezige leden vraagt om het besloten houden van (een deel van de) vergadering of indien de voorzitter dit nodig acht. De raad van toezicht beslist vervolgens op grond van de aard van de aan de orde zijnde aangelegenheid of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 8.[7.] De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht; bij zijn afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding. 9.[8.] De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden. 10.[9.] Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.
11.Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen gehouden door een daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering, ten bewijze daarvan door de voorzitter van de vergadering als zodanig ondertekend en 7
behoudens voor zover de raad van toezicht een aangelegenheid in een besloten (deel van de) vergadering heeft behandeld - openbaar gemaakt. Van een besloten (deel van de) vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raad van toezicht anders beslist. Artikel 14 Geheimhouding van stukken 1. De raad van toezicht kan omtrent het in een besloten (deel van de) vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken die aan hem zijn of worden voorgelegd, geheimhouding opleggen. 2. Ingevolge het voorgaande lid opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen die bij de behandeling tegenwoordig waren, alsmede door degenen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen, totdat de raad van toezicht de geheimhouding opheft. 3. De voorzitter van de raad van toezicht kan omtrent de inhoud van stukken voorlopige geheimhouding opleggen. De verplichting tot voorlopige geheimhouding vervalt, indien zij niet in de eerstvolgende vergadering, waarin meer dan de helft van de leden tegenwoordig is, door het raad van toezicht wordt bekrachtigd. 4.
Het bepaalde in de eerste drie leden van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het behandelde in een vergadering van het college van bestuur en de inhoud van stukken die in het college van bestuur aan de orde zijn geweest, met dien verstande dat in dat geval het college van bestuur, respectievelijk zijn voorzitter beslist over de (voorlopige) geheimhouding. Artikel 15 Archief Het college van bestuur draagt met inachtneming van de Archiefwet 1995 zorg voor de archiefbescheiden van de stichting. Artikel 16 Tegenstrijdige belangen Indien een lid van het college van bestuur en/of een lid van de raad van toezicht met betrekking tot een specifieke kwestie een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting, mag zij of hij niet deelnemen aan de besluitvorming over die kwestie. Artikel 176 Financiën en verslaglegging 1. Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar. 2. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden door de raad van toezicht op grond van bijzondere omstandigheden, stelt het college van bestuur een jaarverslag vast over dat boekjaar.
Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 8, derde lid (doelstellingen) en legt het college van bestuur verantwoording af over het bepaalde in artikel 3, tweede lid (specifieke kenmerken openbaar onderwijs). Bij het opmaken van de jaarrekening houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 7, tiende lid en artikel 12, zesde lid (bezoldiging en onkostenvergoeding leden van het college van bestuur en vacatiegelden en onkostenvergoeding leden raad van toezicht). Het jaarverslag behoeft de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. 3. De jaarrekening wordt ondertekend door elk lid van het college van bestuur en ieder lid van de raad van toezicht. Indien de ondertekening van één of meer van hen ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. 4. De raad van toezicht draagt het college van bestuur op de jaarrekening te doen onderzoeken door een door de raad van toezicht aangewezen certificerend accountant. Artikel 18 Statutenwijziging 1. Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar. Het college van 8
bestuur zendt het voorgenomen besluit tot statutenwijziging, eerst nadat de raad van toezicht zijn goedkeuring daaraan heeft verleend, door tussenkomst van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar ter goedkeuring aan de gemeenteraad van Alkmaar. De gemeenteraad van de gemeente Alkmaar neemt zijn besluit tot goedkeuring van de statutenwijziging eerst nadat hij er zich van heeft vergewist dat geen van de andere gemeenteraden bedoeld in artikel 2 onder b. daartegen bezwaren heeft. 2. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. 3. De voorzitter van het college van bestuur is verplicht een authentiek afschrift van het besluit tot statutenwijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. Artikel 19 Ontbinding 1. Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het in de tweede tot en met de vijfde volzin van het eerste lid van artikel 18 bepaalde met betrekking tot een besluit tot statutenwijziging is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot ontbinding van de stichting. 2.
De gemeenteraad van de gemeente Alkmaar kan, gehoord de andere gemeenteraden bedoeld in artikel 2 onder b., te allen tijde de stichting ontbinden indien er sprake is van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur en de raad van toezicht of van functioneren in strijd met de wet. De raad van de gemeente Alkmaar kan in dit geval eerst tot ontbinding overgaan na overleg met het college van bestuur en de raad van toezicht. Artikel 20 Hernieuwde instandhouding door de gemeenteraad of een andere rechtspersoon 1. De gemeenteraad kan te allen tijde, maar niet gedurende de eerste vijf jaar na de datum van toetreding, de scho(o)l(en) waarvan hij de instandhouding aan de stichting heeft overgedragen, opnieuw zelf in standhouden of overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De gemeenteraad kan een dergelijk besluit niet nemen dan na overleg met het college van bestuur en de raad van toezicht. 2. Tenzij genomen op grond van ernstige taakverwaarlozing of van handelen in strijd met de wet door het college van bestuur en de raad van toezicht, treedt het besluit als bedoeld in het voorgaande lid niet eerder in werking dan ten minste één jaar nadat de desbetreffende gemeenteraad het college van bestuur van het besluit in kennis heeft gesteld. 3.
Bij de overdracht van de instandhouding van de in de eerste lid bedoelde scho(o)l(en) nemen het college van bestuur en de desbetreffende gemeenteraad het bepaalde in artikel 42c, tweede lid van de wet in acht. Artikel 20 Vereffening 1. Bij ontbinding van de stichting is het college van bestuur met de vereffening belast, tenzij de raad van toezicht anders besluit. 2. Na de ontbinding blijft de stichting voorbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven deze statuten van kracht voor zover dat met vereffening verenigbaar is. De vereffenaars leggen rekening en verantwoording af aan de gemeenteraden bedoeld in artikel 2 onder b. 3. De vereffenaars doen aan de registers waar de stichting is ingeschreven opgaaf van hun optreden als zodanig en van de gegevens over zichzelf die van een bestuurder worden verlangd. 4. De raad van toezicht stelt de bestemming van een batig liquidatiesaldo vast, met dien verstande dat dit – rekening houdend met de omvang van de scholen – toekomt aan de gemeenten, waarin de stichting op het moment van de ontbinding ten minste een school in stand hield. De gemeenteraden van die gemeenten besteden het batig saldo zoveel mogelijk overeenkomstig het doel van de stichting. 9
Artikel 21 Overgangs- en sSlotbepalingen [1.] In afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, wordt (werd) het lid of worden (werden) de leden van het eerste college van bestuur benoemd door het bestuur van de stichting dat tot één januari tweeduizend elf in functie is (was). [2.] In afwijking van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, worden (werden) de twee leden van de eerste raad van toezicht, als bedoeld in artikel 12, tweede lid onder c, door de raad van de gemeente Alkmaar benoemd op voordracht van het bestuur van de stichting dat tot één januari tweeduizend elf in functie is (was). [3.] In afwijking van het bepaalde in artikel 12, derde lid eindigt (eindigde) de eerste zittingsperiode van vier leden van de eerste raad van toezicht na een, respectievelijk twee, drie of vier jaar. Met inachtneming hiervan wordt (werd) van elk lid van de eerste raad van toezicht in zijn benoemingsbesluit bepaald wanneer zijn zittingstermijn eindigt (eindigde). Het bepaalde in de laatste volzin van artikel 12, derde lid is (was) van overeenkomstige toepassing op de leden van de eerste raad van toezicht van wie de eerste zittingsperiode een of twee jaar bedraagt (bedroeg). [4.] In alle gevallen waarin de bepalingen van deze statuten in strijd blijken te zijn met de wet, prevaleert de wet.
1.[5.] In alle gevallen de stichting betreffende waarin deze statuten niet voorzien, beslist de raad van toezicht.
10