CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 17 11-01-2022 notitie gewasbescherming.pdf

Algemene Raadscommissie 3 februari 2022, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 4: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Dorp en Duin (woningbouwlocaties Egmond aan den Hoef en Egmond Binnen)16.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NOTITIE Gewasbeschermingsmiddelen Behorende bij: -

Bestemmingsplan Dorp en Duin (voorheen Veegplan) 2022

5 januari 2022

Inhoudsopgave I.

Inleiding

3

II.

Beoordeling

4

III.

Conclusie

8

IV.

Literatuurlijst

9

V.

Bijlagen

10

1.

Locatiespecifiek onderzoek Adromi

11

2.

Rapport Fytagoras 17027-V1.0

12

I.

Inleiding

Deze notitie is geschreven als onderdeel van de procedure rond het bestemmingsplan Dorp en Duin (voorheen: Veegplan) 2022, (hierna: het Plan) en dient als onderbouwing voor het vaststellingsbesluit en de overige in het kader van de in het Plan voorziene ontwikkelingen benodigde besluiten. Aanleiding Als antwoord op de aanhoudende woningnood in de gemeente heeft het college van de gemeente Bergen besloten enkele bouwlocaties veilig te stellen. De bouwlocaties, waar al jaren over wordt gesproken, worden in de recent vastgestelde provinciale verordening onmogelijk gemaakt. Door een formeel onderdeel van de planprocedure (de tervisielegging van het bestemmingsplan) naar voren te halen, kunnen de plannen wanneer de participatie daarover is afgerond alsnog doorgang vinden. Het gaat om drie bestaande bouwplannen in de Egmonden. Twee van de locaties binnen het Plan, grenzen aan percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Gewasbeschermingsmiddelen Grenzend aan delen van het plangebied zijn gronden in gebruik voor de teelt van bloembollen en knollen en overige bloemkwekerijgewassen. Voor de teelt hiervan wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen die, in bepaalde waarden, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid.

Er zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop deze gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen moet plaatsvinden, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop deze gewassen worden geteeld en woningen zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en dat de bedrijven die de teelt op deze gronden uitvoeren niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

II.

Beoordeling

Deze beoordeling valt uiteen in de volgende vijf onderwerpen; Activiteitenbesluit, Vuistregel, Locatiespecifiek onderzoek, Vanggewas en Bedrijfsbelangen. Hieronder worden deze vijf onderwerpen afzonderlijk behandeld.

Activiteitenbesluit In het op 1 januari 2018 in werking getreden artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit is bepaald dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht een techniek wordt gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek.1 De verplichting van deze driftreducerende maatregel is, mede, gesteld met het oog op de vermindering van de (kans op) blootstelling voor omwonenden en passanten van landbouwpercelen.2 De normen van het Activiteitenbesluit zijn in principe toereikend te achten voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij wordt overwogen dat de uit dit besluit volgende normen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder driftreductiepercentages, zijn ontleend aan, de onderzoeken die ten grondslag liggen aan, de Kabinetsnota Gezonde Groei, Duurzame Oogst; Tweede Nota duurzame gewasbescherming3 en de evaluatie van de (eerste) Nota duurzame gewasbescherming4 De driftreductienormen uit het Activiteitenbesluit hebben rechtstreekse werking en kunnen worden gehandhaafd op basis van artikel 80, eerste lid, van de Wet gewasbescherming en biociden.

In het plan hoeven dan ook geen aanvullende regels te worden opgenomen over driftreductie Dat op grond van het Activiteitenbesluit in principe verwacht mag worden dat mogelijke risico's voor de omgeving voldoende worden beperkt, doet er niet aan af dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld moet worden of een bestemmingsplan leidt tot een aanvaardbare situatie.5 In dat verband is in aanvulling op de normen van het Activiteitenbesluit in dit plan voorzien in een afstand van 10 meter tussen gevoelige functies en de gronden waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.

Vuistregel In de fruit- en boomteelt wordt regelmatig als vuistregel het uitgangspunt gehanteerd dat tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid een afstand van 50 meter dient te worden aangehouden in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Toepassing van deze vuistregel heeft de Afdeling in het algemeen niet onredelijk geacht.6

1

Staatsblad 2017, 305. Staatscourant 2016, 32229. 3 Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146. 4 Kamerstukken II 2011/12, 27 858, nr. 102. 5 ABRvS 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308; ABRvS 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5329 6 ZieABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436. 2

Deze vuistregel van 50 meter betreft geen minimaal aan te houden afstand. Die vuistregel brengt niet met zich dat een keuze voor een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk kan zijn, indien aan die keuze een deugdelijke belangenafweging en motivering ten grondslag zijn gelegd.7 Op de aangrenzende gronden is geen sprake van fruit- en boomteelt maar van teelt van bloembollen en -knollen en overige bloemkwekerijgewassen. Gewasbeschermingsmiddelen worden bij dergelijke vollegrondsteelt op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Zo achtte de Afdeling bij vollegrondsteelt een in acht te nemen afstand van 9,5 meter redelijk.8 Naar drift van gewasbeschermingsmiddelen bij vollegrondsteelt is veel onderzoek verricht. Door Porskamp et al.(1995b) zijn in de jaren 1992, 1993 en 1994 vergelijkende driftmetingen uitgevoerd bij een bespuiting van aardappelen met een veldspuit uitgerust met verschillende doptypen en de mogelijkheid van luchtondersteuning. In dit onderzoek werd een drift van 0,7% (luchtondersteund 150 l/ha) tot 1,3% (Standaard 300 l/ha) op een afstand van de laatste spuitdop van 5,5 meter geconstateerd. In bloembollen zijn door Porskamp et al.

(1997) ook vergelijkende driftmetingen uitgevoerd met een conventionele spuit, een spuit met een afgeschermde spuitboom en een luchtondersteunde veldspuit. Dit onderzoek concludeert op 10 meter een drift tussen 0,2% (luchtondersteund) en 0,9% (conventioneel) van af de laatste spuitdop. Een Duits onderzoek van Ganzelmeier et al. (1995) beschrijft 16 metingen met conventionele veldspuiten in de akkerbouw. Uit de resultaten van dit onderzoek volgt op 10,5 meter van de laatste spuitdop een drift tussen de 0,10% (kale grond) en 0,12% (graangewas). Onderzoek van Ganzelmeier et al. (1995) laat goed het verschil zien tussen de vollegrondsteelt enerzijds en fruit- en bomenteelt anderszijds. Zo werd bij die laatste teelt, op 10,5 meter, een drift gevonden die 750% hoger lag. De besproken onderzoeken naar drift bij vollegrondsteelt is bovendien verricht voorafgaand aan de opneming van de eerdergenoemde normen in het Activiteitenbesluit. De op grond daarvan verplichte driftreductie en maximale spuithoogte leiden tot een verdere driftverlaging. Samengevat geldt dat volgens de rechtspraak van de vuistregel van 50 meter bij fruit- en boomteelt gemotiveerd mag worden afgeweken, ook tot vergelijkbare afstanden als waarvan in dit plan sprake is. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt verder dat bij de teelt van lager opgaande gewassen zoals bloembollen e.d.

de drift van gewasbeschermingsmiddelen significant geringer is dan bij fruit- en boomteelt. In dit plan is voorzien in een afstand van 10 meter tussen gevoelige functies en gronden waarop bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt, waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat afdoende wordt geborgd.

Locatiespecifiek onderzoek Door Adromi is naar aanleiding van de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen een locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd naar de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat (Bijlage 1.). Dit onderzoek is specifiek opgesteld naar aanleiding van de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden in het plan. Dat volgt onder meer uit het feit dat in het onderzoek op basis van de beschikbare huidige kennis, de specifieke omstandigheden van onderhavig geval tot uitgangspunt is genomen en onderzocht.

7 8

ABRvS 8 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4923. ABRvS 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2373.

De berekeningen bij dit spuitzone onderzoek zijn uitgevoerd met het rekenmodel van de European Food Safety Agency (EFSA-model, laatste versie). Het EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het model wordt ook gebruikt door het College toezicht gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het EFSA-model is gebaseerd op consensus omtrent de laatste wetenschappelijke inzichten. Het model vertegenwoordigt kortom de huidige stand van de wetenschap. Adromi concludeert (pag.37): “Gelet op de beoordeling die voor individuele representatieve middelen heeft plaatsgevonden op basis van het EFSA-model, behoeft op een afstand van 2-3 meter uit de gewaspercelen al geen rekening meer te worden gehouden met een te hoog risico op blootstelling aan drift.” Dit onderzoek bevestigt dat met opneming van een afstand van 10 meter tussen de gronden waar gewasbeschermingsmiddel gebruiken en de geplande gevoelige functies op dit onderdeel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Vanggewas In het plan is via een voorwaardelijke verplichting geborgd dat in de zone tussen de voorziene gevoelige functies en de gronden waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt een vanggewas of emissiescherm9 moet worden opgericht voordat de gevoelige functies in gebruik worden genomen. Dit gewas of scherm moet daarna in stand worden gehouden. Bij gebruik van een volledig dicht emissiescherm is in de rechtspraak aangenomen dat een driftreductie van 99% aannemelijk is en dat dan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.10 Naar het gebruik van vanggewassen zijn diverse onderzoeken gedaan. Het onderzoek van Wenneker en Van de Zande uit 2008 bevestigd de mogelijkheid voor een driftreductie van 70% drift reductie met beginnend bladgroei van 70% en 80-90% drift reductie bij volledig blad uit eerder onderzoek van bijvoorbeeld Porskamp et al (1994c) en Crum en De Heer (1991). Een Duits onderzoek door Schweizer, Kauf en Naef uit 2013 naar driftreductie door hagen vond een vergelijkbare driftreductie van 75%. Aldus geldt dat ook de effectiviteit van het vanggewas de conclusie ondersteunt dat het plan op dit onderdeel leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bedrijfsbelangen Naast borging van een goed woon- en leefklimaat mogen, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, de eigenaren van de gronden waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.11 Zoals eerder aangegeven, gelden er op dit punt geen wettelijke afstandseisen voor toevoeging van gevoelige functies. Dat betekent dat in een omgekeerde toets voor het bedrijf ook geen nieuwe regels ontstaan. Verder is in met behulp van het voor een in de gemeente Bergen vergelijkbare ontwikkeling 9

Zie voor de definities artikel 1.1. Activiteitenbesluit. ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741. 11 ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1179. 10

opgestelde rapport Fytagoras 17027-V1.0 (Bijlage 2.) gekozen voor een locatie en voor soort(en) vanggewas die het ontstaan van een microklimaat, dat de teelt van de gewassen beïnvloedt, onaannemelijk maken. Op grond van het voorgaande worden de betrokken bedrijfsbelangen, door het ontbreken van een inperking van de gebruiksmogelijkheden van de betreffende gronden en door de keuze voor de locatie en soort(en) van het vanggewas en het emissiescherm, niet onevenredig geschaad.

III.

Conclusie

In het voorgaande zijn alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen afgewogen. De conclusie daarbij is dat door de regelgeving in het Activiteitenbesluit, diverse onderzoeken naar drift bij vollegrondsteelt, het locatiespecifieke onderzoek van Adromi en de opneming van een afstandseis en een voorwaardelijke verplichting tot toepassing van fysieke driftreductie, een aanvaardbaar woonen leefklimaat voldoende wordt geborgd en aangrenzende bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

IV.

Literatuurlijst

Porskamp et al. (1995b) Porskamp, H.A.J., J.M.G.P. Michielsen, J.F.M. Huijsmans & J.C. van de Zande, 1995. Emissiebeperkende spuittechnieken voor de akkerbouw. De invloed van luchtondersteuning, dopkeuze en teeltvrije zone op de emissie buiten het perceel. Instituut voor Milieu- Agritechniek, IMAG-DLO rapport 95-1 ~• Wageningen. 1995. 39pp.

Porskamp et al (1997) Porskamp, H.A.J., J.M.G.P. Michielsen, J.C. van de Zande en J.F.M. Huijsmans, 1997. Emissiebeperkende spuittechnieken voor de bloembollen. De invloed van het gebruik van luchtondersteuning, tunnelspuiten en afscherming van de spuitboom op de emissie buiten het perceel. Instituut voor Milieu- Agritechniek, IMAG-DLO rapport, Wageningen 1977.

Ganzelmeier et al (1995) Ganzelmeier, H., D. Rautmann, R. Spangenberg, M. Streloke, M. Herrmann, H.J. Wenzelburger en H.F. Walter, 1995. Studies on the drift of plant protection products. Results of a test program carried out througout the Federal Republic of Germany. Mitteilungen aus der Biologischen Bundesanstalt für Land- und Forstwirtschaft Berlin-Dahlem, Heft 305, Blackwell WissenschaftsVerlag Gmbh Berlin-Wien, 111 pp.

V.

Bijlagen 1. Locatiespecifiek onderzoek Adromi 2. Rapport Fytagoras 17027-V1.0

1. Locatiespecifiek onderzoek Adromi

Drie Uitleglocaties Bergen Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden

Gemeente Bergen NH

Projectnummer: Status: Datum: (Mede)auteur:

wil/R202166/2102c concept 27-8-2021 E. van Boheemen

Geaccordeerd:

mr.drs. J. Wildschut

Drie Uitleglocaties Bergen

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.

Modellering ............................................................................................................................. 3

1.2.

Ruimtelijk acceptabele afstanden ........................................................................................... 3

1.3.

Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 4

1.4.

Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden................................. 4

1.5.

EFSA-model nader toegelicht .................................................................................................. 5

1.6.

Opzet rapportage .................................................................................................................... 5

Locatie en directe omgeving ........................................................................................................... 7 2.1.

Projectlocatie........................................................................................................................... 7

2.2.

Aangrenzende functies en omgeving ...................................................................................... 9

Representatieve invulling maximale planologische situatie ......................................................... 16 3.1.

Algemeen............................................................................................................................... 16

3.2.

Bouwplan............................................................................................................................... 16

3.3.

Bestemmingsregeling ............................................................................................................ 17

3.4.

Activiteitenbesluit ................................................................................................................. 21

3.5.

Niet beschouwde agrarische percelen .................................................................................. 24

3.6.

Conclusie ............................................................................................................................... 25

Spuitzones ..................................................................................................................................... 26 4.1.

EFSA-model ........................................................................................................................... 26

4.2.

Invoergegevens ..................................................................................................................... 29

4.3.

Resultaten EFSA ..................................................................................................................... 33

4.4.

Beoordeling overige factoren ................................................................................................ 34

4.5.

Voorzorg ................................................................................................................................ 36

Conclusie ....................................................................................................................................... 37

Bijlagen .................................................................................................................................................. 39

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 2 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

1.

Inleiding

Onderhavige onderzoekrapportage is opgesteld in opdracht van de gemeente Bergen met betrekking tot de realisatie van een drietal uitleglocaties (Egmond-Binnen Zuid, Egmond aan den Hoef Oost en Egmond aan den Hoef Noord). De uitleglocaties zijn bedoeld om hier betaalbare woningen te realiseren. Grenzend aan de beoogde woningbouwlocaties is sprake van agrarisch bestemde gronden waarop bloembollen en -knollen en overige bloemkwekerijgewassen kunnen worden geteeld (bollenteeltbedrijven). Op deze gronden is het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. Met het oog op de beoogde ontwikkeling is onderhavig onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid wat betreft woon- en leefklimaat van de nieuw te realiseren woonwijk in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij de agrarische exploitaties die plaatsvinden op minder dan 50 meter afstand van de beoogde woningen en flankerende functies zoals tuinen. 1.1. Modellering De berekeningen uit onderhavig spuitzone onderzoek zijn door Adromi uitgevoerd met het rekenmodel van de European Food Safety Agency (EFSA-model, laatste versie). Het EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het model wordt ook gebruikt door het College toezicht gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Het EFSA-model is gebaseerd op consensus omtrent de laatste wetenschappelijke inzichten. Het model vertegenwoordigt kortom de huidige stand van de wetenschap, ook al zal het uit de aard der zaak onderhavig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven. 1.2. Ruimtelijk acceptabele afstanden In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden, niet concreet in een regeling is voorgeschreven, dient deze op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden bepaald in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een zone aan te houden in verband met het risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In een dergelijke zone dient daarbij gekozen te worden voor bestemmingen welke reguliere / langdurige menselijke aanwezigheid uitsluiten. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt1, in het algemeen niet onredelijk vindt.

Deze afstand is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij er in principe niet behoeft te worden gevreesd voor (toekomstige) beperkingen2 voor de gevestigde bedrijven. De betrokken afstand dient in principe te

1

De betrokken afstand van 50 meter is in uitspraken aangehouden voor fruitboomgaarden.

2 Dit kunnen beperkingen zijn van planologische aard (zoals het verbieden van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen

nabij gevoelige bestemmingen), van milieujuridische aard (zoals nieuwe milieuvoorschriften ten aanzien van toepassing van

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 3 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een tuin bij een woning). Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand tot percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast ook aanvaardbaar zijn, mits blijkens een locatiespecifiek onderzoek is onderbouwd dat ondanks deze kortere afstand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de betreffende gevoelige functies. Hierin beoogt onderhavige onderzoeksrapportage te voorzien. 1.3. Gebruik gewasbeschermingsmiddelen Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Blijkens artikel 47 en 20 van deze wet jo. de Verordening 528/2012/EU mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en in de wetgeving verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn.

Op grond van deze beoordeling besluit het college of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, toepassing voorafgaand aan oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. 1.4. Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende of anderszins niet voor de hand liggende omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige bestemmingen.

Doel van deze aanpak is een worstcasebenadering waarbij gedurende de planperiode van in principe 10 jaar geen beperkingen worden veroorzaakt voor omliggende bedrijvigheid en/of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn).

gewasbeschermingsmiddelen) en van privaatrechtelijke aard (al dan niet naar aanleiding van door nieuwe bewoners geïnitieerde (civiel)rechtelijke uitspraak).

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 4 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

1.5. EFSA-model nader toegelicht In onderhavig rapport is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het EFSA-model is gebaseerd op diverse publicaties van wetenschappelijk onderzoek naar drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen via de lucht bij toepassing daarvan) voor passanten en omwonenden alsook op publicaties over de blootstellingsrisico’s voor personen werkzaam op het gewasperceel zelf (al dan niet bij toepassing van die gewasbeschermingsmiddelen of bij andere werkzaamheden zoals oogsten). Het model beschouwt zowel de directe blootstelling aan drift via inademing (inhalatie) en opname via de huid (dermaal) alsook indirecte blootstelling in de vorm van opname via de mond van aan drift blootgestelde objecten. Met het model kunnen de effecten op volwassenen alsook op kinderen ouder dan één jaar in beeld gebracht worden. Verwezen wordt naar 4.1. Het model biedt evenwel geen inzicht in cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noch houdt het model rekening met eventuele gecombineerde werking (zoals synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling.

Hiervoor is het EFSA-model niet ontworpen, aangezien het de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt hanteert en de drift berekent op basis van de fysieke eigenschappen van een middel. Verwezen wordt naar 4.4.1. Het model biedt verder geen inzicht in de blootstellingsrisico’s voor kinderen jonger dan één jaar en zwangeren. Het model biedt wel aanknopingspunten om beperkte conclusies omtrent blootstelling te trekken voor deze groepen. Verwezen wordt naar 4.4.2. In het kader van het onderzoek zal in principe op basis van het voorzorgbeginsel waar nodig worden uitgegaan van het treffen van extra maatregelen (grotere afstanden en/of afscherming) als methode om het hoofd te bieden aan deze onzekerheden. Met het EFSA-model is het tot slot niet mogelijk om afscherming van drift middels een haag of een scherm te modelleren. Het EFSA-model is gebaseerd op consensus omtrent de laatste wetenschappelijke inzichten. Het model zal uit de aard der zaak onderhavig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven. Met het rekenmodel zijn meerdere gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor de invulling van de maximale planologische situatie. 1.6.

Opzet rapportage In hoofdstuk 2 wordt globaal ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 5 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de in deze context relevante regelgeving. Dat betreft uit de aard der zaak het geldende planologische regime, ter bepaling van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Echter, ook de relevante milieuregelgeving ter bescherming van oppervlaktewater is in die context relevant. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 4, bij de behandeling van de individuele / afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In dit hoofdstuk komen ook de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden acceptabele afstanden.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 6 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

2.

Locatie en directe omgeving

2.1. Projectlocatie De drie uitleglocaties hebben betrekking op gronden binnen de gemeente Bergen, gelegen langs twee woonkernen. Egmond-Binnen Zuid Direct ten zuiden langs de woonkern Egmond-Binnen is de deellocatie Egmond-Binnen Zuid gelegen, aan de zuidzijde van de gemeente Bergen. Tussen de bestaande woonkern en de projectlocatie ligt de Kruiskroft. De projectlocatie zelf wordt van noord naar zuid doorkruist door de Limmerweg. De percelen binnen deze beoogde deellocatie staan kadastraal bekend als Gemeente Egmond-Binnen, Sectie C, nummers 2478 en 2857. De beoogde locatie bestaat momenteel uit onbebouwde en onverharde gronden. Figuur 1 toont deze projectlocatie in de huidige situatie.

Figuur 1: huidige situatie projectlocatie en omgeving Egmond-Binnen Zuid (bron: NL.IMRO.0373.BPveegplanBergen-ON01)

Egmond aan den Hoef Oost Direct ten oosten van de woonkern Egmond aan den Hoef is de deellocatie Egmond aan den Hoef Oost gelegen. Tussen de bestaande woonkern en de projectlocatie ligt de Prins Willem Alexanderlaan welke overgaat in de Sabine van Beierenlaan.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 7 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

De percelen binnen de beoogde locatie staan kadastraal bekend als Gemeente Egmond-Binnen, Sectie A, nummers 160, 2520 en 2523. De deellocatie bestaat geheel uit onbebouwde en onverharde gronden. De centraal en zuidelijk gelegen delen van de locatie bestaan uit graslandschap. Op de noordelijke delen van de locatie vindt teelt van bloemen / gewassen plaats. Figuur 2 toont deze projectlocatie in de huidige situatie.

Figuur 2: huidige situatie projectlocatie en omgeving Egmond aan den Hoef Oost (bron: NL.IMRO.0373.BPveegplanBergenON01)

Egmond aan den Hoef Noord Direct ten noorden van de woonkern Egmond aan den Hoef is de deellocatie Egmond aan den Hoef Noord gelegen. Tussen de bestaande woonkern en de projectlocatie ligt de Tiggellaan. De percelen binnen de beoogde locatie staan kadastraal bekend als Gemeente Egmond-Binnen, Sectie E, nummers 622, 816, 823, 1451, 1805, 1806, 1859 en 1961. De locatie bestaat voornamelijk uit onbebouwde en onverharde gronden. De enige vorm van bebouwing binnen de locatie ligt aan de zuidwestzijde. Het betreft een bedrijfsgebouw met bijbehorende woning aan de Herenweg 256. Verder bestaan de gronden, met uitzondering van

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 8 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

landbouwgrond aan de zuidwestzijde, voornamelijk uit graslandschap. Daarnaast liggen centraal binnen de locatie enkele volkstuinen. Figuur 3 toont deze projectlocatie in de huidige situatie.

Figuur 3: huidige situatie projectlocatie en omgeving Egmond aan den Hoef Noord (bron: NL.IMRO.0373.BPveegplanBergenON01)

In de huidige situatie is binnen alle drie de deellocaties sprake van agrarisch bestemde gronden. 2.2. Aangrenzende functies en omgeving Egmond-Binnen Zuid De Limmerweg verbindt de woonkern Egmond-Binnen met het aan de zuidzijde liggende projectlocatie Egmond-Binnen Zuid. Direct aan de westzijde van de locatie loopt de N512. De N512 verbindt Egmond-Binnen met Bakkum in zuidelijke richting en Egmond aan den Hoef (en vervolgens Alkmaar) in noordelijke richting. Ter hoogte van de beoogde locatie liggen aan de overzijde van de N512 (evenals aan de noordzijde) woningen. Verder bestaat de nabije omgeving uit agrarisch grondgebruik. Egmond aan den Hoef Oost Ten noorden van deze deellocatie liggen onbebouwde agrarische gronden (deels onderdeel deellocatie Egmond aan den Hoef Noord) met vervolgens woningen behorend bij de Verlengde

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 9 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Zandweg. Direct ten zuiden van de planlocatie loopt de N512. De N512 verbindt Egmond aan den Hoef met Egmond-Binnen (en vervolgens Bakkum) in zuidelijke richting en Alkmaar in noordelijke richting. De overige gronden nabij de locatie bestaan, uitgezonderd van de bebouwing ten behoeve van een paardenhouderij aan de zuidoostzijde, volledig uit graslandschap. Verder wordt de locatie gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele watergangen (sloten). Egmond aan den Hoef Noord Deze deellocatie ligt tussen twee woongebieden. Aan de noordzijde bevinden zich woningen liggend aan de Zandweg en aan de zuidzijde zijn woningen horend bij de woonkern Egmond aan den Hoef gesitueerd. Direct ten westen van de locatie ligt de N511. De N511 begint aan de zuidwestzijde van Egmond aan den Hoef en verbindt deze kern met de noordelijker gelegen gebieden in de gemeente Bergen. 2.2.1.

Basisregistratie gewaspercelen Egmond-Binnen Zuid Uit de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) blijkt dat in de directe omgeving van de deellocatie Egmond-Binnen Zuid sprake is van de volgende geregistreerde gewaspercelen: − Objectlid 1972323, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 1684956, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 2107644, bouwland, tulp, bloembollen en -knollenblijvend, gewascode 1004; − Objectlid 2229169, bouwland, overige bloemen, overige bloemkwekerijgewassen, gewascode 991; − Objectlid 2111994, bouwland, tulp, bloembollen en -knollenblijvend, gewascode 1004. Verwezen wordt naar figuur 4. De overige geregistreerde gewaspercelen liggen op een afstand van meer dan 50 meter van de projectlocatie af.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 10 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

1684956 1972323

2107644 2229169

2111994

Figuur 4: uitsnede Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) met projectlocatie Egmond-Binnen Zuid indicatief rood omlijnd (bron: PDOK - bewerkt).

Egmond aan den Hoef Oost en Noord Uit de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) blijkt dat in de directe omgeving van de deellocaties Egmond aan den Hoef Oost en Noord tevens sprake is van de volgende geregistreerde gewaspercelen: − Objectlid 2011231, bouwland, hyacint, bloembollen en -knollen, gewascode 999; − Objectlid 2251343, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 2155881, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 1772204, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 1553358, grasland, blijvend, gewascode 265; − Objectlid 1960158, grasland, blijvend, gewascode 265. Verwezen wordt naar figuur 5. De overige geregistreerde gewaspercelen liggen op een afstand van meer dan 50 meter van de projectlocaties af.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 11 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

2011231

2251343 2155881 1772204

1553358

1960158

Figuur 5: uitsnede Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) met projectlocaties Egmond aan den Hoef Oost en Noord indicatief rood omlijnd (bron: PDOK - bewerkt).

2.2.2. Watergangen Egmond-Binnen Zuid De deellocatie Egmond-Binnen Zuid wordt aan diverse zijden begrensd met watergangen. Blijkens de Legger Wateren van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier betreft het hierbij voor de waterhuishouding relevante jaarrond watervoerende watergangen. Verwezen wordt naar figuur 6. Het betreft: − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112259 met een breedte van 2,59 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-35230 met een breedte van 2,90 meter (insteek tot insteek); − een primaire watergang (donkerblauw) bekend onder code OAF-Q-110095 met een breedte van 2,31 meter (insteek tot insteek); − een primaire watergang (donkerblauw) bekend onder code OAF-QJ-34274 met een breedte van 2,95 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112104 met een breedte van 1,90 meter (insteek tot insteek);

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 12 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

− − − −

een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-35130 met een breedte van 1,47 meter (insteek tot insteek); een primaire watergang (donkerblauw) bekend onder code OAF-QJ-34276 met een breedte van 2,85 meter (insteek tot insteek); een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112258 met een breedte van 2,96 meter (insteek tot insteek); een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112247 met een breedte van 2,97 meter (insteek tot insteek).

OAF-Q-112259

OAF-QJ-35230 OAF-Q-112258

OAF-Q-112247

OAF-Q-110095

OAF-QJ-34276 OAF-Q-112104 OAF-QJ-35130 OAF-QJ-34274 Figuur 6: uitsnede Legger Wateren 2020 met projectlocaties Egmond-Binnen Zuid indicatief rood omlijnd, primaire watergangen (donkerblauw) en overige watergang (lichtblauw) (bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier bewerkt)

Egmond aan den Hoef Oost en Noord De deellocatie Egmond aan den Hoef Noord wordt aan de zuidzijde begrensd door een watergang welke niet relevant wordt bevonden voor onderhavig spuitzone onderzoek. Tussen de relevante oostzijde van deze projectlocatie en het daaraan grenzende geregistreerde gewasperceel met objectlid 2011231 is geen watergang gelegen. De deellocatie Egmond aan den Hoef Oost wordt daarentegen aan de noord- en oostzijde begrensd met watergangen waarlangs de geregistreerde gewaspercelen uit figuur 5 zijn gelegen. Blijkens de

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 13 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Legger Wateren van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier betreft het hierbij voor de waterhuishouding relevante jaarrond watervoerende watergangen. Verwezen wordt naar figuur 7. Het betreft: − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112143 met een breedte van 3,13 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-41396 met een breedte van 3,85 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-113045 met een breedte van 5,12 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-35347 met een breedte van 2,22 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112496 met een breedte van 2,66 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112165 met een breedte van 3,07 meter (insteek tot insteek); − een primaire watergang (donkerblauw) bekend onder code OAF-W-3282 met een breedte van 7,90 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-121837 met een breedte van 4,62 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-41144 met een breedte van 4,83 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-122000 met

een breedte van 5,31 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q- 120586 met een breedte van 4,70 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-123684 met een breedte van 5,67 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-QJ-39895 met een breedte van 5,55 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-122017 met een breedte van 6,21 meter (insteek tot insteek); − een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-122014 met een breedte van 5,04 meter (insteek tot insteek).

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 14 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

OAF-QJ-41396 OAF-Q-112143

OAF-Q-113045

OAF-QJ-35347

OAF-W-3282

OAF-Q-112496

OAF-Q-121837 OAF- QJ-41144

OAF-Q-112165

OAF-Q-122000 OAF-QJ-39895 OAF-Q-120586 OAF-Q-122017 OAF-Q-123684 OAF-Q-122014

Figuur 7: uitsnede Legger Wateren 2020 met projectlocaties Egmond aan den Hoef Oost en Noord indicatief rood omlijnd, primaire watergangen (donkerblauw) en overige watergang (lichtblauw) (bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier - bewerkt)

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 15 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

3.

Representatieve invulling maximale planologische situatie

3.1. Algemeen Zoals aangegeven dient bij de bepaling van het risico op milieuhinder te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Hiervoor is uiteraard primair het bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarische gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, in de gegeven omstandigheden de nieuw te realiseren woningen met tuinen / buitenruimte (waaronder eventuele balkons) en openbare verblijfsfuncties in een park e.d.. Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb. Deze gebruiksvoorschriften komen niet aan de orde in dit hoofdstuk maar in hoofdstuk 4 waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen. 3.2.

Bouwplan Het is de bedoeling om binnen de drie projectlocaties de uitdaging ‘het toevoegen van betaalbare woningen’ (afkomstig uit het Formatieakkoord 2019) te realiseren als toevoeging aan de reeds lopende woningbouwontwikkelingen binnen de gemeente Bergen. Voor de locaties zijn maximaal toegestaan: − Egmond-Binnen Zuid: 150 woningen; − Egmond aan den Hoef Oost: 150 woningen; − Egmond aan den Hoef Noord: 50 woningen. Per locatie gelden stedenbouwkundige voorschriften, waaronder het maximaal aantal toegestane woningen per locatie en de maximum goot- en bouwhoogte. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 7 meter en 12 meter. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. De totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op het bouwperceel is per woningtype geregeld en bedraagt ten hoogste 45%. Bij bouwpercelen tot 500 m 2 is een gezamenlijk oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen van ten hoogste 50 m2 toegestaan. Voor bouwpercelen groter dan 500 m2 zijn aparte regelingen opgenomen, waarbij het gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen nooit meer dan 10% van het totale oppervlakte beslaat.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 16 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

3.3. Bestemmingsregeling 3.3.1. Projectlocaties, beoogde situatie Voor de drie uitleglocaties is het ontwerp bestemmingsplan ‘Veegplan Bergen’ van 4 november 2020 opgesteld. Hierin zijn de drie deellocaties bestemd voor woningbouw. Verwezen wordt naar figuur 8.

Figuur 8: uitsnede verbeelding ontwerp bestemmingsplan ‘Veegplan Bergen’ met projectlocaties bestemd als wonen (geel) (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

3.3.2. Directe omgeving Het was de bedoeling dat voor de projectlocaties en de omgeving daarvan het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid’ zoals vastgesteld op 2 juli 2013 zou gelden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 1 oktober 2014 evenwel onder meer de voor deze rapportage relevante agrarische bestemming vernietigd. Op dit vlak geldt thans dan ook het bestemmingsplan ´Landelijk Gebied´, zoals vastgesteld op 26 oktober 1998.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 17 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Egmond-Binnen Zuid Met betrekking tot een aantal gronden rondom projectlocatie Egmond-Binnen Zuid geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid’ wel. Aangezien het hierbij niet gaat om agrarisch bestemde gronden, worden ze voor onderhavig onderzoek als niet relevant beschouwd. Voor de gronden ten noorden van de projectlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Kernen Egmond’, deels onherroepelijk in werking vastgesteld op 27 juni 2013. In dit plan is evenmin sprake van agrarische bestemmingen. Verwezen wordt naar figuur 9.

Figuur 9: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid’ en ‘Kernen Egmond’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Het geldende ‘Landelijk gebied 1998’ van 26 oktober 1998 heeft betrekking op de omliggende agrarische gronden. Voor de gronden ten noorden, zuiden en westen van de projectlocatie is sprake van een agrarische bestemming (‘open agrarisch’ ofwel ‘Ao’). In deze bestemming is hout- en fruitteelt niet is toegestaan. De teelt van (andere) opgaande sierteelt is gekoppeld aan een wabo-aanlegvergunningenstelsel. Op de gronden ten westen, aan de overzijde van de N512, is sprake van agrarische bouwpercelen, alsook van woonbestemmingen en een natuurbestemming.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 18 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Wat als ‘opgaande sierteelt’ kwalificeert is niet vastgelegd in de begripsbepalingen van het plan. Uitgaande van algemeen spraakgebruik wordt op dit vlak uitgegaan van teelthoogten van meer dan 2 meter die in de regel enkel noodzakelijk zijn voor houtachtige, meerjarige gewassen. Er zijn geen vergunningaanvragen ingediend voor de realisatie van opgaande sierteelt. Ook gelet op de sinds jaar en dag aanwezige agrarische exploitatie, waarbij geen indicaties bestaan dat sprake zal zijn van een omschakeling naar opgaande teelten, zou laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie kunnen worden beschouwd. Verwezen wordt naar figuur 10.

Open agrarisch

Figuur 10: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Verder gelden voor deze relevante agrarische bestemmingen rondom de projectlocatie EgmondBinnen Zuid het bestemmingsplan ‘Parkeren’ van 31 mei 2018. Dit plan wordt voor onderhavig onderzoek niet relevant beschouwd. Egmond aan den Hoef Oost en Noord Met betrekking tot de gronden direct grenzend ten noorden van de projectlocatie Egmond aan den Hoef Noord geldt het reeds genoemde bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid’. De meeste gronden grenzend aan de projectlocatie zijn in dit bestemmingsplan niet agrarisch bestemd en worden voor onderhavig onderzoek dan ook als niet relevant beschouwd. Bovendien geldt een ontwerp bestemmingsplan ‘Herenweg 273A’ van 25 november 2020 waarmee aannemelijk is dat op de hierin betrokken gronden een woningbouwontwikkeling gestalte zal krijgen. In lijn daarmee worden deze gronden als niet relevant beschouwd voor onderhavige rapportage.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 19 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Voor gronden ten oosten en zuiden van de projectlocaties Egmond aan den Hoef Oost en Noord geldt het bestemmingsplan ‘Kernen Egmond’, vastgesteld op 27 juni 2013. In dit bestemmingsplan is sprake van een agrarische bestemming (‘Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden’ ten westen en ten zuiden van de projectlocatie. Hierop mag een agrarisch bedrijf worden uitgeoefend, waaronder wordt verstaan: − a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; − b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond. Verwezen wordt naar figuur 11.

Agrarisch met waarden – landschappelijke waarden

Figuur 11: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Zuid’, ‘Herenweg 273A’ en ‘Kernen Egmond’ met projectlocaties indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Voor de gronden ten noord-westen van de projectlocaties geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1998’. Ter plaatse is sprake van de al beschreven agrarische bestemming (‘open agrarisch, Ao’), waar hout- en fruitteelt niet is toegestaan en de teelt van andere opgaande sierteelt gekoppeld is aan een wabo-aanlegvergunningenstelsel. Er zijn hier evenmin vergunningaanvragen ingediend voor de realisatie van opgaande sierteelt. Ook gelet op de sinds jaar en dag aanwezige agrarische exploitatie, waarbij geen indicaties bestaan dat sprake zal zijn van een omschakeling naar opgaande teelten, zou laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie kunnen worden beschouwd.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 20 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Op de gronden ten zuid-westen geldt de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden’ (Aln). Op deze gronden is noch hout- en fruitteelt, noch sier- en bollenteelt in permanente dan wel in de vorm van wisselteelt, toegestaan. Verwezen wordt naar figuur 12.

Open agrarisch

Agrarisch met landschappelijke en natuurlijke waarden

Figuur 12: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocaties indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Verder gelden voor deze relevante agrarische bestemmingen rondom de projectlocatie EgmondBinnen Zuid ook het bestemmingsplan ‘Parkeren’ van 31 mei 2018 dat in deze context verder niet relevant is. 3.4. Activiteitenbesluit Als een bedrijf geen bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie) of vergaande vormen van driftreductie toepast, dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 21 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

3.4.1. Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens ‘Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken’, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer - Barim jo. artikel 3.81 Regeling omgevingsrecht - Rarim)3. Driftreductie kan ook worden bereikt door het toepassen van schermen (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e Barim) of door toepassing van een vanggewas (vegetatiescherm - artikel 3.80a, lid 2 onder a Barim). 3.4.2. Teeltvrije zone Er is zoals aangegeven sprake van diverse jaarrond watervoerende watergangen langs de relevante zijden van de in onderhavige rapportage beschouwde uitleglocaties, zodat een teeltvrije zone moet worden aangehouden aan die zijden van deze projectlocaties. De afstand van de teeltvrije zone geldt vanaf de insteek van de watergangen.

Deze bedraagt voor de teelt van bloembollen en -knollen, ingevolge artikel 3.80, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, minimaal: − 150 centimeter; − 100 centimeter, indien een techniek wordt gebruikt waarmee een driftreductie wordt bereikt van ten minste 90%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek; − 50 centimeter wanneer gebruik wordt gemaakt van een handmatig aangedreven spuit. Overigens hoeft deze teeltvrije zone blijkens 3.79, lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet te worden aangehouden voor spotsgewijze behandeling van bijvoorbeeld onkruid met een afgeschermde dop. In principe kan handmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet worden beschouwd als een representatieve invulling. Spotsgewijze onkruidbestrijding langs perceelranden daargelaten zal vanwege aspecten van efficiënte bedrijfsvoering, schaalvergroting, relevante teelten en driftrisico een machinale toepassing van gewasbeschermingsmiddelen als de representatieve situatie moeten worden beschouwd. De watergangen betreffen geen oppervlaktewaterlichaam in de zin van de bijlage bij artikel 3 Uitvoeringsbesluit meststoffenwet, zodat artikel 3.81, lid 1 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is.

Rekening houdend met de minimale waterbreedte van het vermelde aantal meter in paragraaf 2.2.2 en een teeltvrije zone van minimaal 100 centimeter (worstcasebenadering), is sprake van een minimale afstand tussen de betrokken gewassen en de percelen van de toekomstige uitleglocaties zoals aangegeven in onderstaande figuren 13 en 14.

3

Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 22 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Egmond-Binnen Zuid 2,59 + 1 = 3,59 m

2,90 + 1 = 3,90 m 2,96 + 1 = 3,96 m

2,31 + 1 = 3,31 m 2,95 + 7 (Limmerweg) +1,47 + 1 = 12,42m

2,85 + 1 = 3,85 m

Figuur 13: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Egmond aan den Hoef Oost en Noord

Geen watergang = 0 m

3,85 + 1 = 4,85 m

5,12 + 1 = 6,12 m

7,90 + 1 = 8,90 m 4,62 + 1 = 5,62 m 4,83 + 1 = 5,83 m 4,83 + 1 = 5,83 m 0 (geen watergang) + 16 (Herenweg) = 16 m

Adromi B.V.

5,31 + 18 (Hoevenweg) + 6,21 + 1 = 30,52 m

wil/R202166/2102c

Pagina 23 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen Figuur 14: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocaties indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Eenjarige gewassen zoals bloembollen en -knollen kunnen los van de beschreven teeltvrije zone vrijwel tot op de perceelgrens worden geteeld. 3.4.3. Vanggewas Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt”. Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: “scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”. Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Regeling omgevingsrecht dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn van de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat (nog) geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas of scherm aanwezig is rondom de agrarisch bestemde gronden. 3.5.

Niet beschouwde agrarische percelen De gronden die onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan en aan de westzijde van de projectlocatie aan de overzijde van de N512 zijn gelegen worden niet beschouwd in onderhavig onderzoek aangezien feitelijk gebruik van de gronden uitwijst dat de percelen waarop gewassen worden geteeld op meer dan 50 meter van de projectlocatie liggen. Hiertussen bevinden zich de woningen van agrariërs.

Figuur 15: Egmond Binnen Zuid, westzijde van projectlocatie (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 24 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

3.6. Conclusie Concluderend kan worden uitgegaan van: − open teelten van laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) en verdere laagblijvende eenjarige gewassen op de agrarisch bestemde percelen (‘Ao’) langs de projectlocaties zoals aangegeven in figuren 10 en 12; − open teelten in de vorm van akkerbouw op de agrarisch bestemde percelen (Áln) langs de projectlocaties zoals aangegeven in figuren 11 en 12; − driftreductie van 75% bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen; − jaarrond watervoerende (oppervlakte)watergangen die de projectlocaties vrijwel overal scheiden van de agrarisch bestemde percelen waardoor er rekening gehouden moet worden met een teeltvrije zone alsook tussengelegen wegen, waardoor rekening kan worden gehouden met de afstanden tussen gewaspercelen en projectgebieden zoals aangegeven in figuren 13 en 14. Uitgaande van deze maximale representatieve situatie is enkel het aspect drift relevant. Dit omdat het verspreidingsrisico via bodem en grondwater van zwaardere grondbehandelingsmiddelen zoals metam-natrium, door het Ctgb als verwaarloosbaar wordt beoordeeld4. In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.

4 Ctgb, Nieuwsbericht herregistratie grondontsmettingsmiddel Nemasol, 24 januari 2019,

https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2019/01/24/ctgb-akkoord-met-herregistratie-grondontsmettingsmiddel-nemasol

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 25 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

4.

Spuitzones

4.1. EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. Bij de handreiking is door de EFSA een rekenmodel openbaar gemaakt dat kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (spuiten van gewassen). Het EFSA-rekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van zowel medewerkers, als omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM5 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)6 in het geval van boomgaarden. Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM7 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden.

EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model kan een boomgaard of een ander opgaand gewas worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’. Lagere gewassen, zoals diverse groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen worden gemodelleerd als ‘downward’ spraying. In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% vanuit het Activiteitenbesluit, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model8. Immers gelet op de driftreductie die het 5 Gebaseerd op meerdere studies:

Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 6 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 7 Van Hemmen JJ, 2008.

Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands. 8 EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25

Adromi B.V.

wil/R202166/2102c

Pagina 26 van 39

Drie Uitleglocaties Bergen

Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plan protection products’9 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities. Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust10. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling voor in principe 10 jaar11 dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4662/documents/33906