CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 14 Herenweg-Banweg Bergen_Onderzoek spuitdrift gewasbeschermingsmiddelen.pdf

Gemeenteraad 24 oktober 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 8: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Herenweg-Banweg Bergen13.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden

Gemeente Bergen NH

Projectnummer: Status: Datum: Auteur:

wil/R202167/2301 concept 6-10-2023 J. Wildschut

Geaccordeerd:

E. Barendregt

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

6.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.

Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 3

1.2.

Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden............................ 4

1.3.

Aandachtszones....................................................................................................................... 4

1.4.

Verspreidings- en blootstellingsmodellen ............................................................................... 5

1.5.

Inpassing zonder modelmatige beoordeling ........................................................................... 6

1.6.

Opzet rapportage .................................................................................................................... 7

Locatie en directe omgeving ........................................................................................................... 8 2.1.

Projectlocatie........................................................................................................................... 8

2.2.

Aangrenzende functies en omgeving ...................................................................................... 8

2.3.

Agrarisch grondgebruik ........................................................................................................... 9

2.4.

Water ..................................................................................................................................... 10

Representatieve invulling maximale planologische situatie ......................................................... 11 3.1.

Algemeen............................................................................................................................... 11

3.2.

Bouwplan............................................................................................................................... 11

3.3.

Bestemmingsregeling ............................................................................................................ 11

3.4.

Activiteitenbesluit milieubeheer ........................................................................................... 14

3.5.

Conclusie ............................................................................................................................... 17

Spuitzones ..................................................................................................................................... 18 4.1.

EFSA-model ........................................................................................................................... 18

4.2.

Invoergegevens ..................................................................................................................... 20

4.3.

Resultaten EFSA ..................................................................................................................... 25

Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak over spuitzones .......................................................... 27 5.1.

Bijzondere kwetsbaarheid ..................................................................................................... 27

5.2.

Cumulatie, aggregatie en interactie ...................................................................................... 28

5.3.

Opbouw EFSA-model ............................................................................................................. 29

5.4.

Voorzorg ................................................................................................................................ 36

Conclusie en aanbevelingen .......................................................................................................... 39

Bijlagen .................................................................................................................................................. 41

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 2 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

1.

Inleiding

Onderhavige onderzoekrapportage is opgesteld in opdracht van Ad Fontem Ruimtelijk Advies, werkzaam voor de gemeente Bergen / Omgevingsdienst Noord-Holland Noord met betrekking tot het voornemen om de gronden opgenomen in het concept bestemmingsplan ‘Herenweg en Banweg Bergen’ te herontwikkelen waarbij drie vrijstaande woningen worden gerealiseerd. Grenzend aan de beoogde woningbouwlocaties is sprake van agrarisch bestemde gronden waar teelt van bloembollen en -knollen en overige bloemkwekerijgewassen is toegelaten (bollenteeltbedrijven). Op deze gronden is het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. Voor de ontwikkeling is op 6 december 2021 reeds een rapportage spuitzoneonderzoek (‘locatiespecifiek onderzoek’) uitgebracht. Vanwege tijdsverloop en enige aanpassingen ten opzichte van het oorspronkelijke concept bestemmingsplan is onderhavige actualiserende onderzoeksrapportage opgesteld1. 1.1. Gebruik gewasbeschermingsmiddelen Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door Verordening 528/2012/EU. In deze Verordening is bepaald dat alleen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden op de Europese markt toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid.

Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waaronder mensen met een bijzondere kwetsbaarheid (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van de verordening). Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.

Voorgaande betekent dat in het kader van onderhavige rapportage geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor 1

Waarbij gebruik wordt gemaakt van de berekeningen van het oorspronkelijke teeltscenario, zie paragraaf 4.2.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 3 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening). In onderhavige rapportage wordt overigens enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden, natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.2. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten, waaronder ook de invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies.

Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met de bestemde exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en verblijfklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). 1.3. Aandachtszones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een aanvullende afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden tot gevoelige objecten niet concreet in een regeling is voorgeschreven, volgt uit rechtspraak dat op grond van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). Zoals uit het voorgaande blijkt, verdient dit uitgangspunt nuancering, nu volgens de Biocidenverordening gewasbeschermingsmiddelen al geen schade voor de volksgezondheid mogen veroorzaken zonder rekening te houden met extra maatregelen zoals extra afstand of afscherming. Uit jurisprudentie blijkt verder dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een aandachtszone hanteert van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt2.

Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. 2

ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 4 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Onderhavige onderzoeksrapportage beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 20043 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt4, in het algemeen niet onredelijk vindt. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 20025 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%.

Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden6, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans in principe kan worden gehalveerd tot 25 meter7. Verder is van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten welke al geruime tijd vanwege herbeoordelingen zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Bedoelde afstand van 50 meter is verder gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas geen aanvullende driftreductie bieden. In lijn daarmee is het gerechtvaardigd om een aandachtszone van 12,5 meter aan te houden in situaties waarin uitsluitend rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten. 1.4. Verspreidings- en blootstellingsmodellen Als achtergrond bij onderhavige rapportage is van belang, dat blijkens de uitspraak Asdonkterrein Beuningen8 de Afdeling bestuursrechtspraak het gebruik van het zogenaamde EFSA-OPEX model niet

3

ABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436 ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 5 ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 6 Zie ook paragraaf 3.3. 7 Toepassing van meer driftreductie leidt tot een aanzienlijke vermindering van het risico op orale en dermale blootstelling. Op de factor inademing heeft dit geen invloed, maar deze factor betreft een verhoudingsgewijs een kleine bijdrage aan het totale blootstellingsrisico. 8 ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 4

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 5 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

accepteert voor de ruimtelijke ordening. In de uitspraken Lentsesteeg Rheden9 en Heilig Kempke Lith10 is deze stellingname bevestigd. Het belangrijkste element in deze uitspraak zijn de kanttekeningen welke door de Afdeling worden geplaatst bij de toxicologische uitgangspunten waar het EFSA-OPEX model gebruik van maakt. Deze uitgangspunten volgen uit richtlijnen welke door OECD en/of ECHA zijn vastgesteld. Aangezien het EFSA-OPEX model deze toxicologische uitgangspunten deelt met alle andere verspreidingsmodellen, zullen vooralsnog geen door de Afdeling geaccepteerde uitspraken kunnen worden gedaan over de mate van driftblootstelling. Meer concreet gaat het hierbij om de volgende toxicologische uitgangpunten welke de Afdeling op mede basis van het advies van de StAB niet heeft geaccepteerd: - De wijze waarop wordt omgegaan met cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en eventuele gecombineerde werking (zoals cumulatie, synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. - Inzicht in blootstelling van kinderen cq. de beoordeling van mensen met bijzondere kwetsbaarheid. Verder geeft de StAB aan dat met het EFSA model afscherming van drift middels een haag of een scherm dient te kunnen worden gemodelleerd. Echter aangezien het EFSA-model hiervoor niet is ontworpen, kan het hiervoor niet worden gebruikt.

Het valt ook niet in te zien waarom het model deze functionaliteit dient te bieden, nu dat soort zaken niet dienen te worden beoordeeld in een verspreidingsmodel. Deze aspecten worden per slot van rekening op grond van genoemde verordening 528/2012/EU separaat beoordeeld bij de toelating van een middel. Een verspreidingsmodel gebruikt de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt en berekent drift op basis van de fysieke eigenschappen van een middel. In onderhavig rapport is dus nog steeds gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit model kan immers worden beschouwd als stand der wetenschap. Het EFSA-model is daarbij het Europese standaard verspreidingsmodel. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5. Het ministerie van LNV werkt sinds genoemde uitspraak aan een nieuwe rekenmethode. Echter het is niet waarschijnlijk dat een nieuwe rekenmethode op afzienbare termijn beschikbaar zal zijn. 1.5.

Inpassing zonder modelmatige beoordeling Op grond van de huidige rechtspraak kan nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hiertoe dient te worden onderzocht wat in dat specifieke 9

ARRvS 23 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3387 AARvS 2 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2959

10

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 6 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

geval de effecten zijn van het plaatsen van een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden, en waarbij alle specifieke omstandigheden van het geval zijn betrokken. Hierbij is het een vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige11. In een recente uitspraak12 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in het geval het agrarische perceel direct gelegen is naast het perceel met de gevoelige functie, het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat een kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij te worden verzekerd middels een voorwaardelijke verplichting. Ook in een recente uitspraak van maart dit jaar, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank MiddenNederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd13. Door de Afdeling is eerdere de driftreducerende werking van een windhaag geaccepteerd14.

In onderhavig rapport is conform de huidige jurisprudentielijn het locatiespecifieke onderzoek vastgelegd, waarbij alle specifieke omstandigheden van het geval zijn betrokken. 1.6. Opzet rapportage In hoofdstuk 2 wordt globaal ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de in deze context relevante regelgeving in relatie tot de vraag wat dient te worden beschouwd als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Dat wordt uit de aard der zaak bepaald aan de hand het geldende planologische regime. Echter, ook de relevante milieuregelgeving en daarmee samenhangend regelgeving ten aanzien van oppervlaktewater is in die context relevant. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 4, bij de behandeling van de gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In hoofdstuk 5 komen de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden acceptabele afstanden.

11

ECLI:NL:RVS:2017:1353 ARRvS 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160): 13 ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 14 Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904, waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie. 12

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 7 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

2.

Locatie en directe omgeving

2.1. Projectlocatie De projectlocatie heeft betrekking op gronden gelegen in de oksel van de Herenweg-Banweg in Bergen (Noord-Holland). Het betreft twee kadastrale percelen, te weten: - noordelijk perceel ten oosten van de Herenweg gelegen ter hoogte van nr. 50-52 (aan de overzijde), kadastraal bekend als gemeente Bergen Noord-Holland, sectie F, nummer 609; - zuidelijk perceel ten noorden van de Banweg gelegen tussen nr. 1 en 1Z, kadastraal bekend als gemeente Egmond-Binnen, sectie E, nummer 492. De beoogde locatie bestaat momenteel deels uit onbebouwde en onverharde gronden (noordelijk perceel) en deels uit een parkeerterrein (zuidelijk perceel). Figuur 1 toont de projectlocatie in de huidige situatie.

Figuur 1: huidige situatie projectlocatie en omgeving Herenweg-Banweg met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: KadastraleKaart.com - bewerkt)

2.2. Aangrenzende functies en omgeving Langs de westelijke zijde van het projectgebied is aangrenzend de Herenweg (N511) gelegen met aan de overzijde hiervan woningen met tuinen. Verder is hier een autobedrijf gesitueerd. Er bevinden zich eveneens woningen in de oksel van de Herenweg-Banweg. Ten noorden zijn eveneens woningen met tuin en horeca gevestigd. Binnen een straal van 50 meter bevindt zich bovendien ten westen en noorden van de projectlocatie duingebied.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 8 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Op het perceel met nummer 494 is een recreatiewoning aanwezig (Banweg 1z). Op het achterliggende perceel 493 is sprake van bos dat volgens de opdrachtgever al minstens 30 jaar hier aanwezig is. Op het perceel nummer 294 is sprake van tuin/erf en bebouwing horende bij de woning Herenweg 99 (zie ook figuur 1). Ten oosten van het projectgebied, aan de noordzijde daarvan, bevinden zich binnen een straal van 50 meter agrarische gronden. Ten zuiden van de projectlocatie, aan de overzijde van de Banweg, ligt op een afstand van minder dan 50 meter een agrarisch perceel. 2.3. Agrarisch grondgebruik Uit de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) blijkt dat in de omgeving van de projectlocatie overwegend sprake is van bloemen en bloembollenteelt en daarmee samenhangende wisselteelten. Direct nabij de planolocatie was in 2023 sprake van de teelt van tulpenbollen en lelieknollen. Verwezen wordt naar figuur 2. De overige geregistreerde gewaspercelen liggen op een afstand van meer dan 50 meter van de projectlocatie af.

Figuur 2: uitsnede Basisregistratie Gewaspercelen 2023 met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: PDOK - bewerkt).

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 9 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

2.4. Water Tussen de projectlocatie en de geregistreerde gewaspercelen zijn watergangen gelegen. Blijkens de Legger Wateren van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier betreft het hierbij de volgende voor de waterhuishouding relevante jaarrond watervoerende watergangen: − −

een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-111696 met een breedte van 1,83 meter (insteek tot insteek); een secundaire watergang (lichtblauw) bekend onder code OAF-Q-112517 met een breedte van 3,12 meter (insteek tot insteek).

Het plangebied en de omgeving daarvan zijn niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied. Verwezen wordt naar figuur 3.

OAF-Q-111696

OAF-Q-112517

Figuur 3: uitsnede Legger Wateren 2020 met projectlocatie indicatief rood omlijnd, primaire watergangen (donkerblauw) en overige watergang (lichtblauw) (bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier - bewerkt)

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 10 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

3.

Representatieve invulling maximale planologische situatie

3.1. Algemeen Zoals aangegeven dient bij de bepaling van het risico op milieuhinder te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Hiervoor is uiteraard primair het bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarisch in gebruik zijnde gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, in de gegeven omstandigheden de nieuw te realiseren woningen met tuinen / buitenruimte (waaronder eventuele balkons). Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot zijn de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb relevant. Deze gebruiksvoorschriften komen niet aan de orde in dit hoofdstuk maar in hoofdstuk 4 waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen. 3.2. Bouwplan Het is de bedoeling om binnen de projectlocatie drie vrijstaande woningen met tuinen / buitenruimte (waaronder eventuele balkons) te realiseren.

Op het perceel met nummer 492 is één woning voorzien en op perceel met nummer 609 worden twee woningen mogelijk gemaakt. 3.3. Bestemmingsregeling 3.3.1. Projectlocatie, beoogde situatie Voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie is het concept bestemmingsplan ‘Herenweg en Banweg Bergen’ (NL.IMRO.0373.BP20063-0001) opgesteld. Dit bestemmingsplan moet nog in procedure gebracht worden. Blijkens dit concept bestemmingsplan zal het projectgebied bestemd worden voor drie vrijstaande woningen met tuin. Verwezen wordt naar figuur 4.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 11 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Figuur 4: uitsnede verbeelding bij concept bestemmingsplan ’Herenweg en Banweg Bergen’ met projectlocatie bestemd als wonen (geel) en tuin (lichtgroen) (bron: NL.IMRO.0373.BP20063-0001 ontwerp d.d. 23 april 2021)

3.3.2. Directe omgeving Voor de agrarische gronden ten zuiden van de projectlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1998’ van 26 oktober 1998. Voor de relevante agrarische gronden ten (noord)oosten van de projectlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Weidegebied 1993’ van 28 juni 1994. Voor de locatie zelf en de directe omgeving geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Zuid’ van 1 oktober 2014. Dit bestemmingsplan omvat ter plaatse geen agrarische bestemmingen. Verder ten westen, aan de overzijde van de Herenweg, geldt het bestemmingsplan ‘Duingebied’ van 25 juni 2015. Dit bestemmingsplan omvat ter plaatse evenmin agrarische bestemmingen. Verder geldt het bestemmingsplan ‘Parkeren’ van 31 mei 2018 en het ‘Herstelplan 2022’ van 25 mei 2023 en een voorbereidingsbesluit ter uitsluiting van nieuwe hyperscale datacenters. Aangezien deze bestemmingsplannen cq. besluiten geen betrekking hebben op cq. geen relevantie hebben voor de gebruiksmogelijkheden van agrarisch bestemde gronden, komen deze plannen verder niet aan de orde in deze rapportage.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 12 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

De relevante planregelingen komen in het onderstaande aan de orde. Weidegebied 1993 In het bestemmingsplan ‘Weidegebied 1993’ is sprake van een agrarische bestemming (‘Agrarische doeleinden – Weidegebied en bloembollengebied (Awb)’). Hierop mag een agrarisch bedrijf worden uitgeoefend, waaronder worden verstaan veeteeltbedrijven, akker- en tuinbouwbedrijven en bloembollenteeltbedrijven. Het door diepploegen vermengen of anderszins tot een diepte van meer dan 1,5 m beter geschikt maken van deze gronden voor de bloembollenteelt is gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel. Wat als ‘akker- en tuinbouw’ kwalificeert, is niet vastgelegd in de begripsbepalingen van het plan. Uitgaande van algemeen spraakgebruik wordt op dit vlak niet uitgegaan van teelthoogten van meer dan 2 meter, die in de regel enkel noodzakelijk zijn voor houtachtige, meerjarige gewassen. Verwezen wordt naar figuur 5. Zoals te zien is, grenst het noordelijke deel van projectgebied aan de oostzijde aan agrarisch bestemde gronden. Deze gronden zijn feitelijk niet in gebruik voor agrarische doeleinden, maar hier is sprake van een recreatiewoning en van bosschages.

Agrarisch – Weidegebied en bloembollengebied

Figuur 5: uitsnede verbeelding gemeentelijk plan; bestemmingsplan artikel 10 ‘Weidegebied 1993’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

Landelijk gebied 1998 In het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1998’ is tevens sprake van een agrarische bestemming (‘Open agrarisch (Ao)’, zie figuur 6) voor de gronden ten zuiden van de Banweg. Het betreft een algemene agrarische bestemming, waarbij hout- en fruitteelt niet is toegestaan, maar sierteelt wel

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 13 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

uitdrukkelijk is toegestaan. De teelt van opgaande sierteelt is gekoppeld aan een waboaanlegvergunningenstelsel. Wat als ‘opgaande sierteelt’ kwalificeert, is niet vastgelegd in de begripsbepalingen van het plan. Uitgaande van algemeen spraakgebruik wordt op dit vlak uitgegaan van teelthoogten van meer dan 2 meter die in de regel enkel noodzakelijk zijn voor houtachtige, meerjarige gewassen. Er zijn geen vergunningaanvragen ingediend voor de realisatie van opgaande sierteelt. Ook gelet op de sinds jaar en dag aanwezige agrarische exploitatie, waarbij geen indicaties bestaan dat sprake zal zijn van een omschakeling naar opgaande teelten, kan laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie worden beschouwd.

Open agrarisch

Figuur 6: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1998’ met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl - bewerkt)

3.4. Activiteitenbesluit milieubeheer Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie en/of met zogenaamde laag risico stoffen15, alternatieve bestrijding van plagen), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat ieder gebruik van 15

Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 14 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

gewasbeschermingsmiddelen toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor zogenaamde biologische middelen of middelen op basis van laagrisicostoffen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden en hiervoor gebruiksvoorschriften worden vastgesteld. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Activiteitenbesluit bevat aanvullende regelgeving gericht op de bescherming van het waterleven. 3.4.1. Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Regeling omgevingsrecht - Rarim)16. Driftreductie kan ook worden bereikt door het toepassen van schermen (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e Barim) of door toepassing van een vanggewas (vegetatiescherm - artikel 3.80a, lid 2 onder a Barim). 3.4.2.

Teeltvrije zone Er is zoals aangegeven sprake van diverse jaarrond watervoerende watergangen langs de relevante zijden van de in onderhavige rapportage beschouwde uitleglocaties, zodat een teeltvrije zone moet worden aangehouden aan die zijden van deze projectlocaties. De afstand van de teeltvrije zone geldt vanaf de insteek van de watergangen. Deze bedraagt voor de teelt van bloembollen en -knollen en laagblijvende akkerbouwgewassen die in neerwaartse richting bespoten worden, ingevolge artikel 3.80, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, minimaal: − 150 centimeter; − 100 centimeter, indien een techniek wordt gebruikt waarmee een driftreductie wordt bereikt van ten minste 90%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek; − 50 centimeter wanneer gebruik wordt gemaakt van een handmatig aangedreven spuit. Overigens hoeft deze teeltvrije zone blijkens 3.79, lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet te worden aangehouden voor spotsgewijze behandeling (handmatige toepassing) van bijvoorbeeld onkruid met een afgeschermde dop. In principe kan handmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet worden beschouwd als een representatieve invulling.

Spotsgewijze onkruidbestrijding langs perceelranden daargelaten zal vanwege aspecten van efficiënte bedrijfsvoering, schaalvergroting, relevante teelten en driftrisico een machinale toepassing van gewasbeschermingsmiddelen als de representatieve situatie moeten worden beschouwd.

16

Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 15 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

De watergangen betreffen geen oppervlaktewaterlichaam in de zin van de bijlage bij artikel 3 Uitvoeringsbesluit meststoffenwet, zodat artikel 3.81, lid 1 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Rekening houdend met de minimale waterbreedte van het vermelde aantal meter in paragraaf 2.4, de aanwezige weg en een teeltvrije zone van minimaal 1 meter (worstcasebenadering) dan wel 1,5 meter, is sprake van een minimale afstand tussen de betrokken gewassen en de percelen van de toekomstige locatie zoals aangegeven in onderstaande figuur 7.

geen agrarisch grondgebruik op aangrenzende gronden

watergang + Banweg ca. 7,5 meter + teeltvrije zone 1 – 1,5 meter = 8,5 – 9 meter.

Figuur 7: uitsnede verbeelding bij concept bestemmingsplan ’Herenweg en Banweg Bergen’ met minimale afstand tussen de betrokken gewassen en de percelen van de projectlocatie (bron: NL.IMRO.0373.BP20063-0001 ontwerp d.d. 23 april 2021 bewerkt)

Eenjarige gewassen zoals bloembollen en -knollen kunnen los van de beschreven teeltvrije zone vrijwel tot op de perceelgrens worden geteeld. 3.4.3. Vanggewas Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt”. Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: “scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 16 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van het Rarim dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn van de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat (nog) geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas of scherm aanwezig is rondom de agrarisch bestemde gronden. 3.5. Conclusie Concluderend kan worden uitgegaan van: − percelen in gebruik voor bos, recreatie en wonen grenzend aan de oostzijde van het plangebied; − open teelten van bollenteelt (bloembollen en -knollen) en verdere laagblijvende en/of eenjarige gewassen zoals bloemisterij-, akkerbouw- en tuingewassen op de agrarisch bestemde percelen (‘Awb’) ten oosten van de projectlocatie, op een afstand van minimaal circa 24 meter uit het plangebied (zie figuur 10); − open teelten van diverse laagblijvende gewassen op de agrarisch bestemde percelen ten zuiden van de projectlocatie (‘Ao’), gescheiden door een jaarrond watervoerende watergang, bijbehorende teeltvrije zone en de Banweg, waardoor rekening kan worden gehouden met een afstand tussen projectgebied en de teelt van gewassen van minimaal 9,37 meter (zie ook figuur 10); − driftreductie van 75% bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen; Uitgaande van deze maximale representatieve situatie is

enkel het aspect drift relevant. Dit omdat het verspreidingsrisico via bodem en grondwater van zwaardere grondbehandelingsmiddelen zoals metam-natrium, door het Ctgb als verwaarloosbaar wordt beoordeeld17. In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.

17 Ctgb, Nieuwsbericht herregistratie grondontsmettingsmiddel Nemasol, 24 januari 2019,

https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2019/01/24/ctgb-akkoord-met-herregistratie-grondontsmettingsmiddel-nemasol

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 17 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

4.

Spuitzones

4.1. EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. Het onderzoek van 6 december 2021 is uitgevoerd op basis van het EFSA-OPEX rekenmodel (hierna ook: het EFSA-model) van 24 april 2015. In januari 2022 is een nieuwe versie van de EFSA-OPEX calculator verschenen. In de gegeven omstandigheden heeft het geen meerwaarde de modelgegevens te actualiseren door deze in te voeren in de laatste versie van het model, aangezien slechts marginaal gewijzigde uitkomsten te verwachten zijn van het geactualiseerde EFSA-rekenmodel (de actualisatie 2022 leidt tot marginaal lagere uitkomsten qua blootstelling). (In de uitspraak Asdonckterrein Beuningen wordt overwogen dat de nieuwe versie van het EFSA-OPEX model wel cumulatieve effecten van stoffen zou kunnen berekenen. Echter dat berust op een misverstand.

De nieuwe versie biedt enkel de mogelijkheid om de driftblootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen die bestaan uit meerdere werkzame stoffen in één berekening uit te voeren.) De openbaar beschikbare calculator kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (bespuiten van gewassen). Het EFSArekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van medewerkers, omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het model is bedoeld als instrument ter uitvoering van genoemde richtlijn 528/2012/EU.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 18 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM18 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)19 in het geval van boomgaarden. Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM20 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden. EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model is een toepassingsmethode gekoppeld aan bepaalde gewassen: boomgaarden, andere opgaande gewassen of teelten met ondersteunende voorzieningen kunnen worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’ en lagere gewassen, zoals diverse akker- en tuinbouwgewassen, heesters, groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen worden gemodelleerd als ‘downward spraying’. Onkruidbestrijding vormt uit de aard der zaak altijd een vorm van ‘downward spraying’ aangezien daarbij het te telen gewas zelf niet wordt behandeld. 4.1.1. Driftreductie In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van óf 0% óf 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% waar het Activiteitenbesluit in Nederland toe verplicht, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model21. Immers gelet op de driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling.

18

Gebaseerd op meerdere studies: Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 19 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 20 Van Hemmen JJ, 2008.

Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands. 21 EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 19 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

4.1.2. Invloed van wind Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plant protection products’22 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities. Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust23. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn.

Immers bij een maximale windsnelheid van 5 m/s volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een groter oppervlak, waardoor verdunning optreedt en de belasting op een individuele locatie afneemt24. Het EFSA-model rekent daarbij standaard driftblootstelling uit vanuit een meewindsituatie. Ook op dit vlak leidt deze conservatieve aanname uit het EFSA-model qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. 4.2. Invoergegevens Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In de regel zal preventief kunnen worden gespoten tegen schimmelziekten en zal periodiek worden gespoten tegen onkruiden. Hierbij zullen voor een teeltseizoen meestal maar één of twee min of meer vaste middelen nodig zijn. Verder zal sprake zijn van een meer gerichte bestrijding van insecten. Toepassing van gewasbescherming zal hierbij meer ad hoc zijn, waarbij de keuze van het middel ook meer afhankelijk is van de soort plaag. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie. Allereerst speelt de toxiciteit van de werkzame stof een belangrijke rol. Voor toepassers, andere medewerkers, beroepsmatige omstanders, passanten maar ook de omwonenden geldt de A(O)EL 22

https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plantprotection-products.htm, paragraaf 4.7.3 23 KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologischestations/stations-maand/stations-maand_1991-2020, voor Egmond kunnen de meetdata van weerstation De Kooy worden gehanteerd en kan worden uitgegaan van gemiddelde windsnelheden tussen 5,3 en 6,7 m/s, zie https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/klimaattabellen-per-station/de-kooy/klimaattabel_dekooy_1991-2020 24 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 20 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

(Acceptable (Operator) Exposure Level), te weten de maximale hoeveelheid per kg lichaamsgewicht waaraan iemand kan worden blootgesteld zonder enig schadelijk effect op de gezondheid (opname vooral via huid en luchtwegen).25 Zodoende zijn er zodoende voornamelijk gewasbeschermingsmiddelen gekozen die een lage AOEL-waarden hebben (dus relatief hoge toxiciteit). Ook gaat er voornamelijk aandacht uit naar werkzame stoffen met een hoog gehalte (percentage van totale hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel), met een hoge halfwaardetijd (afbraak) en een lage watervolumeschaal (dosering), omdat daarmee concentraties waar omwonenden aan kunnen worden blootgesteld hoger zullen zijn (lange afbraaktijd en geringe verdunning).25 Daarnaast wordt ook de mobiliteit van de werkzame stof door de lucht (verspreiding via drift) in ogenschouw genomen. Hierbij wordt gekeken naar de fysische eigenschappen zoals de dampspanning (vluchtigheid). De inhalatieblootstelling is relevant bij een hogere dampdruk van de werkzame stof. In dit kader wordt een dampdruk van > 1x10-2 Pa (bij 20 ˚C) genoemd26, terwijl in het EFSA-model alleen gekozen kan worden tussen < 5x10-3 Pa en 5x10-3 Pa - 5x10-2 Pa. De spuitdruk waarmee de gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast maakt in deze geen onderscheid, aangezien er in het EFSA-model standaard uitgegaan wordt van DRT 50.

Om die reden vormt ook de diameter van de deeltjes van de werkzame stof geen invoerparameter in het EFSA-model, aangezien beheersing van de druppelgrootte (voorkomen van kleine druppels cq. aerosolen) ook een methode vormt om drift te reduceren. Verder is er bij de selectie van de gewasbeschermingsmiddelen een afweging gemaakt op grond van ervaring om de komen tot een realistisch teeltscenario, waarmee wordt bedoeld dat veelal gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd worden die vaak in spuitlogboeken van agrariërs als populair en/of frequent gebruikt middel genoemd worden dan wel gekozen wordt voor gewasbeschermingsmiddelen waar in het nieuws aandacht naar uit gaat vanwege het omstreden karakter. Hierbij is rekening gehouden met diversiteit (fungiciden, insecticiden en herbiciden). Ook wordt er bij de selectie een afweging gemaakt op grond van de werkzame stoffen (mits momenteel nog toegelaten voor professioneel gebruik) die in het verleden voornamelijk verantwoordelijk waren voor meer dan 90% van de emissie naar de lucht vanuit zowel open- als bedekte teelten27.

Daarnaast zijn de gewasbeschermingsmiddelen die met zeer frequent gebruik binnen de teelt van bloembollen en bolbloemen worden aangemerkt vanuit het landelijk Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) in mindere mate in overweging genomen aangezien deze middelen inmiddels niet allemaal meer toegelaten zijn voor professioneel gebruik of omdat er bijvoorbeeld sprake is van een laag gehalte werkzame stof. Er is hierbij gekozen voor een scenario waarin alle beoordeelde middelen tot aan het wettelijke maximum worden toegepast.

25

RIVM Briefrapport 200112001/2014, Bestrijdingsmiddelen: gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Ctgb, Evaluation Manual for the Authorisation of plant protection products according to Regulation (EC) No 1107/2009; Chapter 4 Human toxicology; mammalian toxicity dossier; version 2.2; March 2017; Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V., Gewasbescherming 2004 Achtergronden, beleid en indicatoren op een rij, PPO nr. 331, paragraaf 4.3.2.1. 27 RIVM rapport 716601004/2002, Emissie-evaluatie MJP-G 2000 Achtergronden en berekeningen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen, hoofdstuk 6. 26

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 21 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

In het initiële onderzoek zijn een vijftal middelen onderzocht in de context van het teeltscenario dat is bepaald aan de hand van de geldende bestemmingsregeling. Verwezen wordt naar tabel 1. Gelet op de expiratiedatum zijn deze middelen nog steeds toegelaten, zodat de rapportage uit 2021 in zoverre ook nog steeds actueel is: Naam Teppeki Roundup Neemazal Ortiva Batavia

Toelatingsnummer 12757 N 6483 N 12455 N 12169 N 15615 N

Expiratiedatum 31-dec-24 15-dec-24 31-mei-25 31-dec-25 30-apr-24

Tabel 1: overzicht middelen uit de rapportage 2021

4.2.1. Flonicamid (Teppeki) Teppeki (toelatingsnummer: 12757) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als insecticide gebruikt voor de bestrijding van bladluizen voor een breed scala aan gewassen, waaronder sierteelt en de akkerbouw. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 50% flonicamid (CAS-nummer 158062-67-0) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 500-1000 l/ha (bloemisterijgewassen) en 150-400 l/ha (bloembollen en knollen) - Halfwaardetijd (DT50): 2,6 dagen28 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day29 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,025 mg/kg bw/day27 - Dermale opname actieve stof: 7,46% concentraat en 13% verdunning29. - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)29. - Dampdruk: 2,55 X 10-6 Pa (25˚C)29. Voor de teelt van bloembol- knol- en bloemisterijgewassen bedraagt de maximaal toegelaten dosering 0,14 kg/ha (werkzame stof 0,07 kg/ha), 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggende interval van 21 dagen30. Voor dit middel wordt geen specifiek wettelijk gebruiksvoorschrift gegeven buiten de maximaal toelaatbare concentraties.

28 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van flonicamid, TFNA-AM. Zie volgende voetnoot voor

bronvermelding. 29 EFSA, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid, 2010 30 Ctgb, gebruiksvoorschrift Teppeki 12757 N, W.11 5 februari 2021

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 22 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

4.2.2. Glyfosaat (Roundup) Roundup (toelatingsnummer: 6483) is een met water mengbaar concentraat en veel toegepaste herbicide. Het middel wordt zowel pleksgewijs toegepast als voor het integraal doodspuiten. In onderhavige rapportage is worstcase uitgegaan van integrale behandeling voorafgaand aan het seizoen en niet van spotsgewijze toepassing. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 360 G/L ofwel 36% glyfosaat (CAS-nummer 1071-83-6) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200-400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 500 dagen31 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day31. - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute reference dose’ (ARfD): 0,5 mg/kg bw31. - Dermale opname actieve stof: 1% voor concentraat en 1% voor verdunning31. - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 20%31. - Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25°C)31. Voor de toepassing van Roundup binnen akkerbouwgewassen, fruitgewassen en sierteeltgewassen geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift32 op grond waarvan deze maximaal 8 l/ha mag worden toegepast per behandeling (worst case: integraal doodspuiten).

Bij een gehalte werkzame stof van 360 gram per liter bedraagt de maximale werkzame stof daarmee 2,88 kg/ha per toepassing. De maximaal aantal toepassingen per teeltcyclus bedraagt 1x per 12 maanden. Er geldt geen interval tussen de toepassingen. 4.2.3. Azadirachtin (NeemAzal-T/S) NeemAzal T/S (toelatingsnummer: 12455) is emulgeerbaar concentraat en een insecticide dat wordt gebruikt tegen diverse insecten. NeemAzal mag worden gebruikt op aardappelen, bloemisterijgewassen, bloembollen en -knollen (m.u.v. tulp en lelie), boomkwekerijgewassen, vaste planten en openbaar groen. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: 10 G/L ofwel 1% azadirachtin (CAS-nummer: 11141-17-6) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50

31 EFSA, EFSA (European Food Safety Authority), 2015. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment

of the active substance glyphosate. EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp. doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302 32 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Roundup, W.17 11 november 2016

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 23 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

-

Bladsituatie: volblad situatie Waterschaalvolume: 600-1000 l/ha (bloemisterijgewassen) en 150-400 L/ha bloembollen en knollen (m.u.v. tulp en lelie) Afbraaktermijn ofwel halfwaardetijd (DT50): 84,4 dagen33 ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day33 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,75 mg/kg bw/day33 Dermale opname actieve stof: 100%33 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst - default value)33 Dampdruk: 1,9 x 10-20 Pa (25 °C)33

De maximale dosis per toepassing bij bloemisterijgewassen dan wel bloembollen en -knollen (m.u.v. tulp en lelie) bedraagt 2,5 l/ha en de maximale dosis per jaar 10 l/ha in 4 behandelingen met een tussenperiode van 7 dagen binnen een blok en tussen blokken minimaal 2,5 maand34. Bij een gehalte werkzame stof van 10 gram per liter bedraagt de werkzame stof daarmee 0,025 l/ha. Het jaarlijkse verbruik werkzame stof maximaal 0,1 l/ha. 4.2.4. Azoxystrobin (Ortiva) Ortiva (toelatingsnummer: 12169) is een suspensie concentraat en wordt gebruikt als fungicide in diverse gewassen. Het schimmelbestrijdingsmiddel is geklasseerd als toxisch bij inademing en om die reden specifiek relevant in de context van onderzoek naar blootstelling aan drift.

Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens voor onbedekte teelt van bloemisterijgewassen: - Werkzame stof: 250 g/l ofwel 25% azoxystrobin (CAS-nummer: 131860-33-8) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200-1200 l/ha36 - Halfwaardetijd (DT50): 360 dagen35 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,2 mg/kg bw/day35 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): niet noodzakelijk35 - Dermale opname actieve stof: 0,3% voor concentraat en 0,5% voor verdunning35 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)35 - Dampdruk: 1,1 x 10-10 Pa (20 °C)35

33 European Food Safety Authority; Peer review of the pesticide risk assessment of the

active substance azadirachtin (Margosa extract). EFSA Journal 2018;16(9):5234. doi: 10.2903/j.efsa.2018.5234 34 Ctgb, gebruiksvoorschrift Neemazal T, 4 september 2020 35 European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance azoxystrobin. EFSA Journal 2010; 8(4):15421542. [110 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1542

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 24 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Ortiva mag voor bloemisterijgewassen worden gebruikt in een maximum middeldosis van 0,96 l/ha in maximaal 3 toepassingen per jaar met een interval van 7 dagen en voor een tuinbouwgewas als wortelen of uien en de teelt van vaste planten tot een middeldosis van 1 l/ha36.Bij een gehalte werkzame stof van 250 g/L wordt er per toepassing 0,25 kg/ha werkzame stof toegepast. 4.2.5. Spirotetramat (Batavia) Batavia (toelatingsnummer: 15615) is een suspensie concentraat en wordt gebruikt als insecticide voor een groot scala aan gewassen waaronder bloembol- en bloemknolgewassen. Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens voor onbedekte teelt van bloembol- en knolgewassen (en uien): - Werkzame stof: 100 G/L ofwel 10% spirotetramat (CAS-nummer: 203313-25-1) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: volblad (gewasbehandeling na de bloei) - Watervolumeschaal: 150-400 L/ha38 - Halfwaardetijd (DT50): 1 dag37 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,05 mg/kg bw/dag37 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 1 mg/kg bw37 - Dermale opname actieve stof: 0,5% concentraat en 3-10% verdunning37 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst-case scenario)37 - Dampdruk: 5,6 x 10-9 Pa (bij 20 °C) en 1,5 x 10-8 Pa

(bij 25 °C)37 Wat betreft de dosering van Batavia geldt voor bloembol- en knolgewassen en voor uien (onbedekte teelt) conform gebruiksvoorschrift38 maximaal 0,75 L/ha per toepassing, wat neerkomt op 0,075 L/ha werkzame stof per toepassing. Er mogen maximaal 4 toepassingen per teeltcyclus met een minimum interval van 14 dagen plaatsvinden. 4.3. Resultaten EFSA De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. Tabel 1 toont de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2. In de tabel wordt het percentage weergegeven van de AOEL die ontstaat bij blootstelling aan drift. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL), in het EFSA-model gedefinieerd als ‘Reference value non acutely toxic active substances’ (RVNAS), is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar is ook gangbaar voor omwonenden, wat in het kader van dit 36 Ctgb, gebruiksvoorschrift Ortiva, W.6 31 januari 2020

37

European Food Safety Authority, 2013. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance spirotetramat. EFSA Journal 2013;11(6):3243, 90 pp. doi:10.2903/j.efsa.2013.3243 38

Ctgb, gebruiksvoorschrift Batavia, W.6 3 juli 2020

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 25 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

onderzoek wordt gebruikt. Bij percentages onder de 100% wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht voor een woonsituatie. Gewasbeschermingsmiddel Teppeki Roundup NeemAzal Ortiva Batavia Gesommeerd:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5111/documents/41963