CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 14 Herenweg-Banweg Bergen_Onderzoek spuitdrift gewasbeschermingsmiddelen.pdf

Algemene Raadscommissie 10 oktober 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 3: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Herenweg-Banweg Bergen13.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Werkzame stof flonicamid glyfosaat azadirachtin azoxystrobin spirotetramat

Afstand 2-3 m 7,93% 3,60% 4,01% 0,75% 3,66% 19,95%

5m 6,62% 2,66% 2,85% 0,64% 3,11% 15,88%

10 6,17% 2,33% 2,46% 0,60% 2,92% 14,48%

Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten

Zoals blijkt wordt geen AOEL overschreden op een afstand vanaf 2-3 meter uitgaande van het gebruik van individuele gewasbeschermingsmiddelen. Hierbij moet tot slot worden opgemerkt dat teelt en gewasbehandeling uit de aard der zaak nooit gelijktijdig in hetzelfde jaar plaatsvindt en derhalve in zoverre niet voor cumulatieve drifthoeveelheden kunnen zorgen, terwijl dit worst case wel de aanname is in voorgaande tabel (dus dat een bewoner de jaarvracht volledig en in één keer over zich heen zou krijgen).

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 26 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

5.

Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak over spuitzones

Op 19 oktober 202239 (Beuningen) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan waarin blootstelling aan stoffen in de context van de ruimtelijke ordening en het gebruik van het EFSA-model in het bijzonder aan de orde is gesteld. Aansluitend is deze uitspraak bevestigd in de uitspraken Lentsesteeg Rheden40 en Heilig Kempke Lith41. Op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak42 komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Beuningen tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van goede ruimtelijke ordening voor wat betreft driftblootstelling omdat sprake is van (te grote) wetenschappelijke onzekerheid over diverse toxicologische uitgangspunten: - Effecten van blootstelling aan stoffen van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid; - Cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen; - De factoren die in het EFSA-model gehanteerd worden voor bijvoorbeeld druppelverspreiding en nalevering van emissies door uitdamping; - Verspreiding van drift nabij hoogbouw; - Het driftreducerende effect van een windhaag. Op dit punt is van belang dat het EFSA-model de stand der wetenschap vertegenwoordigt, zowel als het gaat om de gehanteerde blootstellingsnormering als wanneer het gaat om driftverspreiding.

Gelet hierop kan dit model ondanks de uitspraak nog steeds worden benut om de mate van driftblootstelling te beoordelen die maximaal kan optreden. In het navolgende wordt nader ingegaan op de factoren welke genoemd zijn in de uitspraak Beuningen, met uitzondering van het aspect hoogbouw wat in de gegeven situatie geen rol speelt. 5.1. Bijzondere kwetsbaarheid Het EFSA-model beschouwt de blootstelling van kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar als bepalend voor blootstelling van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid. De reden hiervoor is meerledig: - In algemene zin zijn kinderen meer kwetsbaar dan volwassenen omdat zij in de groei zijn en hun stofwisseling hierop is ingericht; - Kinderen in deze leeftijdscategorie hebben ten opzichte van oudere kinderen en volwassenen de verhoudingsgewijs grootste blootstelling (laag lichaamsgewicht bij gelijkblijvende blootstellingshoeveelheid); - Kinderen in deze leeftijd zijn zelfstandig mobiel, waardoor sprake zal zijn van een groter blootstellingsrisico ten opzichte van kinderen jonger dan 1 jaar; - Vanwege de hogere zelfstandigheid zullen deze kinderen meer fysieke inspanningen leveren en een dito relatief hogere inhalatoire opname kennen dan kinderen jonger dan 1 jaar;

39

ECLI:NL:RVS:2022:3023 ECLI:NL:RVS:2022:3387 41 AARvS 2 augustus 2023 ECLI:NL:RVS:2023:2959 42 STAB 41286, 30 september 2021 40

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 27 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

-

Kinderen uit deze leeftijdscategorie kennen relatief veel hand-mondcontact en mondcontact. Het blootstellingsrisico is dus groot via objecten die blootgesteld kunnen zijn geweest aan gewasbeschermingsmiddelen.

In lijn hiermee is blootstelling van deze categorie zowel representatief voor jongere kinderen omdat inhalatoire blootstelling (welke de grootste factor vormt bij kinderen jonger dan 1 jaar) verwaarloosbaar is in vergelijking met de potentiële orale en dermale blootstelling waaraan kinderen uit van 1 tot 3 jaar (modelmatig) worden blootgesteld, als representatief voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zoals zwangeren, tabaksafhankelijken en mensen met een ziekte, zowel vanwege het hogere lichaamsgewicht (waardoor blootstelling verhoudingsgewijs veel lager is) als vanwege de omstandigheid dat de factor orale blootstelling ook voor deze categorieën geen rol van betekenis speelt. 5.2. Cumulatie, aggregatie en interactie In de op basis van toxicologisch onderzoek vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten. Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant. Daarnaast spelen factoren zoals oplosbaarheid een rol bij de vraag bij welke organen e.d.

een stof na opname in het lichaam terecht kan komen. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme. Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van relevante stoffen43 ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige aanwezige personen zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 201844, 202045 en 202246 rapporten heeft gepubliceerd. Het EFSA hanteert voor blootstelling aan residuen in voedsel de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) systematiek welke mede door RIVM is ontwikkeld47. De beoordelingssystematiek op dit vlak komt erop neer dat cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hierbij werd opgemerkt dat bij de bepaling van

43

Cumulatie zal een rol spelen in relatie tot blootstelling aan tal van stoffen (verbrandingsgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, meubels en gebruiksvoorwerpen, voedingsmiddelen, genotsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen etc. 44 RIVM, 2018 Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands 45 RIVM, 2020 Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands 46 RIVM, 2022 Gelijktijdige blootstelling aan verschillende gewasbeschermingsmiddelen via voedsel 47 EFSA, Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software, 19-04-2018, EFSA Journal 2018-15(4);1375

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 28 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In onderhavige rapportage is de gewogen blootstelling aan alle stoffen bij elkaar opgeteld (zie tabel 1). Dit is een aanzienlijke overschatting ten opzichte van de MCRA systematiek aangezien hierdoor wordt uitgegaan van de aanname dat alle stoffen uitsluitend hetzelfde aangrijpingspunt hebben op het organisme, wat in de praktijk niet het geval is. In deze context is verder relevant dat niet alle middelen gelijktijdig zullen worden verspoten, waardoor veelal geen sprake zal zijn van volledig cumulatieve blootstelling: de ene stof zal al door het lichaam zijn afgescheiden of afgebroken vooraleer blootstelling aan een andere stof kan plaatsvinden door een opvolgende gewasbehandeling (Per slot van rekening worden gewasbeschermingsmiddelen met hoge persistentie of risico op bioaccumulatie niet toegelaten). Ook op dit vlak is gekozen voor een worst case benadering waarbij wel is uitgegaan van een situatie dat sprake zal zijn van gelijktijdige blootstelling aan alle onderzochte middelen. 5.3.

Opbouw EFSA-model De belangrijkste inputfactoren in het EFSA-OPEX model zijn: - De maximale blootstellingsnorm voor een stof (dus in feite de chemisch-biologische giftigheid/schadelijkheid); - De driftgevoeligheid van een stof (fysische eigenschappen, met name de vluchtigheid). Met andere woorden: de fysische eigenschappen van een stof en de blootstellingsnorm voor (schadelijkheid van) een stof vormen een gegeven voor het model. Daarnaast zijn er de absorptiefactoren en de halfwaardetijd (DT50) als inputfactoren in het EFSAmodel. De DT50 is een maat voor de tijd waarbij 50% van de initiële concentratie van de stof is vergaan. De absorptiefactoren zetten de geschatte blootstelling op de huid (dermal), in de mond (oral) en in de longen (inhalation) om naar de systemische blootstelling (i.e. de inwendige blootstelling in het lichaam). De absorptiefactoren en de DT50 worden afgeleid uit toxicologische/experimentele onderzoeken, indien deze gegevens beschikbaar zijn. Er zijn ook nog inputfactoren welke volgen uit de gebruiksvoorschriften van het Ctgb, namelijk het type middel, het minimale watervolumeschaal (in hoeveelheid water het middel wordt opgelost) en de maximale toedieningshoeveelheid van de actieve stof.

Tenslotte is er één inputfactor welke als constante waarde wordt beschouwd vanwege de afwezigheid van beschikbare gegevens van deze factor voor de verschillende middelen/actieve stoffen. Dit is het “initieel losneembaar bladresidu” (hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel op behandeld gewas waaraan mensen nog kunnen worden blootgesteld)48. Deze factor is evenwel alleen relevant bij

48

Kluxen, F.M. e.a., Compounded conservatism in European re-entry worker risk assessment of pesticides, Regulatory Toxicology and Pharmacology 121 (2021) 104864

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 29 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

betreding van het behandelde gewas (medewerkers en/of pluktuinscenario) en dus niet relevant voor situaties waarin geen betreding van gewaspercelen plaatsvindt. 5.3.1. Factor wind Belangrijk bij het berekenen van de blootstelling van stoffen als gevolg van drift zijn de windrichting en de windsnelheid. Op dit vlak kan ook worden terugverwezen naar paragraaf 4.1.2. De windrichting is bepalend voor de blootstelling, doordat dit bepaalt of er sowieso drift in de richting van de omliggende functies plaatsvindt. De windrichting wordt niet nader gespecificeerd in het EFSAmodel (of het onderliggende guidance rapport). Dit komt doordat het EFSA-model geen verspreidingsmodel is in de zin van bijvoorbeeld geurverspreidingsmodellen met geurcontouren. Er wordt in de blootstellingsberekening vanuit gegaan dat de windrichting steeds in de richting van de “ontvanger” is. De windsnelheid bepaalt, in het geval de windrichting naar de geurgevoelige functie staat, hoe snel de drift zich verplaatst. Bij hoge windsnelheden wordt de drift sneller verdreven en verdund met “schone” achtergrondlucht. De blootstellingsduur is hierbij korter en de blootstellingsconcentratie lager. Het EFSA-model houdt een windsnelheid van 2,7 m/s aan. Dit geldt in de UK Code of Practice als bovengrens voor acceptabele spuitcondities.

Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties in Nederland kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. desalniettemin uit te gaan van 100% meewind, terwijl de windrichting in de praktijk zal variëren, kan op dit punt worden uitgegaan van een veiligheidsmarge van minstens 25% (uitgaande van een scenario waarin voor een significant deel van de tijd ook rekening gehouden wordt met tegenwind). Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland, geldt dat bij de lage windsnelheden (waarbij gewasbescherming mag worden toegepast) de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos kan komen49, zelfs als rekening wordt gehouden met de gemiddelde windrichting per seizoen50. Zie hiervoor ook figuren 6 en 7. Dit betekent dat de wind geen significante invloedsfactor vormt qua positionering van een gewasperceel ten opzichte van een kwetsbare functie. Een scenario waarbij de overheersende zuidwestenwind drift altijd in een bepaalde richting zal meevoeren is niet plausibel.

49 50

Zie: https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/windrozen/windroos-de-kooy https://www.weerplaza.nl/weerinhetnieuws/klimaat/wind-in-nederland/6820/

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 30 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Figuur 8: windroos (bron: KNMI)

Figuur 9: gemiddelde windrichting per maand (bron: Weerplaza)

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 31 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Kortom is dit aspect tweemaal worst case, namelijk op het vlak van windrichting en windsnelheid. 5.3.2. Blootstellingsnorm De blootstellingsnorm(en) worden bepaald middels toxicologisch onderzoek. Dit onderzoek wordt doorgaans uitgevoerd op proefdieren en daarnaast vindt onderzoek plaats op celniveau. De extrapolatie van de toxicologische gegevens verkregen vanuit dierproeven naar de toepassing op de mens kent echter ook onzekerheden. Om rekening te houden met deze onzekerheden, wordt een tienvoudige onzekerheidsfactor toegepast51, overeenkomstig Annex VI, punt 57 van Verordening 528/2012/EU. De aangehouden blootstellingsnorm(en) kunnen dus worden beschouwd als worst-case toxicologische normen op basis van de beschikbare wetenschappelijke data. 5.3.3. Driftgevoeligheid van een stof In het EFSA-model wordt de driftgevoeligheid van de werkzame stof van een middel ingevoerd op basis van de dampdruk/dampspanning. De dampspanning is afhankelijk van de temperatuur en de vluchtigheid. Met name vluchtigheid is hierbij dus de bepalende fysische eigenschap (onder laboratoriumomstandigheden). Deze driftgevoeligheid wordt ingevoerd als stoffen met een dampdruk < 5*10-3 Pa of als stoffen met een dampdruk tussen 5*10-3 en 10-2 Pa. In eerstgenoemde categorie zit een ruime marge aan stoffen met lage dampdrukken, welke (veel) vluchtiger zijn dan stoffen aan de bovengrens van deze categorie.

Stoffen kunnen dus veel eerder verdampt zijn dan op basis van de EFSA-invoergegevens blijkt. Ook op dit vlak is kortom sprak van een ruime veiligheidsmarge. 5.3.4. Absorptiefactoren De absorptiefactoren moeten uit de toxicologische evaluaties/onderzoeken gehaald worden. De waarden uit deze onderzoeken, gepubliceerd door de EFSA, zijn gepubliceerd na peer review. De onzekerheid in deze waarden wordt hiermee geminimaliseerd. Het EFSA-model neemt voor orale absorptie boven de 80% automatisch een waarde van 100% aan. Waarden onder 80% welke zijn vastgesteld in onderzoek orden wel als specifieke waarden overgenomen. Daarnaast wordt voor inhalatoire absorptie ook 100% aangehouden, tenzij uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een lagere absorptie optreedt. Voor de dermale absorptie dient de hoogste waarde van het onderzoek aangehouden te worden (vaak betreft dit de onverdunde middelen ten opzichte van de te gebruiken verdunning bij toepassing).

51

National Research Council. (2004). Intentional human dosing studies for EPA regulatory purposes: scientific and ethical issues. Appendix A: Values and Limitations of Animal Toxicity Data

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 32 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Bij afwezigheid van een dermale absorptiefactor dient een “geschikte default waarde” te worden gehanteerd. Adromi hanteert bij missende absorptiefactoren standaard 100%. Dit is een worst-case benadering52. 5.3.5. Afbraak - halfwaardetijd DT50 De afbraak van de werkzame stoffen in gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de tijd wordt beoordeeld aan de hand van der halfwaardetijd (DT50). De DT50 wordt in het EFSA-model aangehouden om de accumulatie van het middel als gevolg van opeenvolgende behandelingen mee te nemen als een realistisch worst-case scenario. Dit is met name van belang voor de indirecte blootstelling in de vorm van opname in de mond via aan drift of gedeponeerde aerosolen blootgestelde objecten. De DT50 is niet altijd een eenduidige tijdseenheid. Deze varieert afhankelijk van het milieu. Met oog op drift is met name het type bodem bepalend voor de DT50. Wanneer er geen eenduidige (gemiddelde) waarde beschikbaar is, wordt door Adromi de hoogst genoemde (en redelijkerwijs realistische) waarde aangehouden, daar een hogere DT50 zal zorgen voor een langere aanwezigheid van het middel en daarmee ook voor een hoger accumulatierisico van het middel. Dit is een worstcase benadering, omdat EFSA een default waarde van 30 dagen aanhoudt53. 5.3.6.

Vaste basisfactoren EFSA hanteert in de berekening vanuit de inputfactoren naar de blootstellingswaarden eveneens vaste basisfactoren. Dit zijn factoren die niet aan te passen zijn, maar wel een belangrijk aandeel hebben in de berekening van de blootstelling. Dit betreft onder meer longinhoud, ademsnelheid, handmondbewegingen en dergelijke. Zo wordt standaard uitgegaan van een gemiddeld lichaamsgewicht van 60 kg voor een volwassene, hetgeen in Nederlandse context hoe dan ook als worst case benadering dient te worden beschouwd. Immers bij een hoger lichaamsgewicht neemt de relatieve blootstelling af. 5.3.7. Driftreducerende technieken Driftreducerende technieken zijn risicobeperkende technieken en zorgen ervoor dat er minder gewasbeschermingsmiddelen buiten de agrarische percelen terecht komen. Dit vermindert dus de hoeveelheid drift buiten de perceelsgrenzen en heeft hiermee zowel in principe bedrijfseconomische voordelen als voordelen voor het omliggende milieu, doordat er in principe minder middel toegepast hoeft te worden voor hetzelfde effect (kostenbesparend) of het effect groter is bij eenzelfde hoeveelheid middel (hogere opbrengst) en doordat de totale milieubelasting door vervuilende stoffen daalt. Driftreducerende technieken vallen hiermee onder de bronmaatregelen zoals benoemd in de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030.

52

Mercier, T., Direct dermal and inhalation exposure of bystanders and residents during vine foliar application using sprayer equipment fitted with an anti‑drift device: a comparison between measured exposure levels and existing exposure models, Journal of Consumer Protection and Food Safety https://doi.org/10.1007/s00003-02001274-1 53 European Food Safety Authority (EFSA), Charistou, A., Coja, T., Craig, P., Hamey, P., Martin, S., ... & Istace, F. (2022). Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment of plant protection products. EFSA Journal, 20(1), e07032.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 33 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Het EFSA-model hanteert voor het aspect driftreducerende technieken een driftreductie van 50%. Deze 50% is gebaseerd op experimentele data, welke driftreducties laten zien van 50 tot 90%. Ten opzichte van de Nederlandse praktijk is deze 50% reductie een worst-case scenario, daar de Nederlandse minimumstandaard 75% is (Activiteitenbesluit artikel 3.78a - dit is een doelvoorschrift, dus de bewijslast ligt bij de toepasser). In 2019 maakte circa 90% van de Nederlandse telers gebruik van 75% (circa 20% van de telers) dan wel 90% (circa 70% van de telers) driftreducerende spuitdoppen. De 10% die geen gebruik maakte van dergelijke spuitdoppen, kon echter alsnog 75% driftreductie behalen door een combinatie met andere driftreducerende maatregelen (zoals lagere spuithoogte)54. 5.3.8. Blootstelling op lange termijn Het EFSA-model berekent de blootstelling op lange termijn en dus niet de (acute) gevolgen van eenmalige (piek)blootstelling die binnen een dag kunnen optreden. Voor de blootstelling op lange termijn wordt het 75e percentiel gehanteerd. Hier wordt de blootstelling mee berekend die een bewoner herhaaldelijk, binnen het spuitseizoen, ondergaat. Dit is representatief voor mensen die op gronden rondom een teeltperceel verblijven, bijvoorbeeld in de context van woon- of werkverblijf.

Per slot van rekening zal geen sprake zijn van voortdurende aanwezigheid op plekken waar sprake kan zijn van blootstelling (aan de perceelranden etc.). De berekende blootstellingswaarden gelden hierbij voor 75% van de dag. Gedurende 25% van de dag zullen de berekende blootstellingswaarden hoger liggen. Hierbij wordt er modelmatig echter wel vanuit gegaan dat de bewoner voortdurend (24 uur per dag, 365 dagen per jaar) aanwezig is in de buitenlucht ten einde aldaar, op de relevante afstand vanaf de middeltoepassing, blootgesteld te staan aan drift van iedere bespuiting die plaatsvindt (de afstand vanaf de middeltoepassing waarop de blootstellingswaarde wordt berekend). Daar zal in de gegeven situatie geen sprake van zijn. In tegendeel zullen gebruikers zich niet altijd buiten op de percelen bevinden als gewasbehandeling plaatsvindt. Dat wordt uitgegaan van het 75e percentiel betekent dus niet dat sprake is van een onderschatting van de blootstelling. 5.3.9. Verdere context In algemene zin geldt dat een toepasser van gewasbeschermingsmiddelen de hoogste blootstelling zal ondervinden. Dit zijn in de regel telers en hun familieleden, maar ook kan worden gedacht aan medewerkers van loonbedrijven en hoveniers. In lijn daarmee ligt het voor de hand te verwachten dat eventuele nadelige effecten op de gezondheid in de allereerste plaats bij deze personen aan het licht zou moeten komen.

Op dit vlak zijn er evenwel geen statistische verbanden aangetoond, ook niet v.w.b. Parkinson55.

54

Verschoor, A., Zwartkruis, J., Hoogsteen, M., Scheepmaker, J., de Jong, F., van der Knaap, Y., ... & Tamis, W. (2019). Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst': Deelproject Milieu. RIVM Rapport 2019044. 55 EFSA brief, possible relation between the use of specific pesticides and the development of Parkinson’s disease, IC-2021-24570142

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 34 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

In Nederland wonen erg veel mensen in de nabijheid van agrarische percelen waar gewasbescherming wordt toegepast. Dit geldt voor 18% van de woningen in Nederland56. Blootstelling vindt niet alleen plaats in de thuissituatie, maar bijvoorbeeld ook (onderweg naar) school of in de vrije tijd. Van bijvoorbeeld sport- en recreatieterreinen zijn geen gegevens beschikbaar, maar het ligt voor de hand dat dergelijke terreinen ook in de nabijheid van agrarische gronden zijn gelegen, bijvoorbeeld vanwege ligging aan een dorps- of stadsrand. Bij de beslissing om het EFSA-model te gaan gebruiken voor toelatingen in Nederland, heeft het Ctgb het EFSA-model beoordeeld57. Hieruit is naar voren gekomen dat het EFSA-model worst case is nu daarmee een hogere blootstelling wordt berekend dan dat in de praktijk blijkt op te treden. In lijn hiermee heeft het Ctgb reeds toegelaten middelen aan een herbeoordeling onderworpen met dit model en is hierbij tot de conclusie gekomen dat er blijkens het EFSA-model geen risico’s zijn voor omwonenden58. De gezondheidsraad heeft zich ook positief uitgelaten over het gebruik van het EFSAmodel bij de beoordeling van gezondheidsrisico’s door omwonenden59.

In lijn met conclusies uit het EFSA-model, blijkt uit onderzoek van RIVM dat mensen in de nabijheid van agrarische gronden blootgesteld staan aan kleine hoeveelheden stoffen afkomstig uit gewasbeschermingsmiddelen die niet alleen uit voedsel afkomstig zijn60. Uit dit onderzoek van RIVM blijkt eveneens, dat mensen die dichtbij landbouwpercelen wonen, gemiddeld iets gezonder lijken te zijn dan personen die daar verder vandaan wonen. De Gezondheidsraad komt tot dezelfde conclusies61. Wel is er een associatie gevonden qua luchtwegaandoeningen nabij maisteelt62. Het is onbekend of het gebruik van bestrijdingsmiddelen hiervan de oorzaak is. In algemene zin vindt maisteelt plaats bij veehouderijen t.b.v. kuilvoerproductie. Van veehouderijen zijn de nodige fijnstofemissies te verwachten welke ook een effect op de luchtwegen kunnen hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld verder worden gedacht aan emissies van enzymen uit veevoer (sensibiliserend), een blootstellingscategorie waar nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Alhoewel het RIVM aanvullend onderzoek aanbeveelt, blijkt op basis van voorhanden onderzoeksgegevens niet van een algemeen en direct gezondheidseffect door het wonen nabij gewaspercelen.

56

C.H.Vermeulen e.a. Research on exposure of residents to pesticides in the Netherlands, Bilthoven: RIVM 2019, p. 233. 57 Ctgb, Gebruik gewasbeschermingsmiddelen leidt niet tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden, www.ctgb.nl 58 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49 59 Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, 2010/10, p. 25 60 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 61 Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, 2010/10, Den Haag 2020, p. 36 62 RIVM 2018-0068, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots, en: RIVM 2020-0056 Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 35 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

5.3.10. Hoogbouw Onderhavig bouwplan omvat geen appartementengebouw. Echter in algemene zin geldt dat hoogbouw leidt tot meer turbulentie, zodat dit bijdraagt aan een betere vermenging van stoffen welke zich als dampen en aerosolen in de lucht bevinden. 5.3.11. Conclusie EFSA Het EFSA-model is in lijn met de verordening 528/2012/EU ontworpen om gezondheidsrisico’s van omwonenden te beoordelen. Het model wordt in de gehele EU gehanteerd alsook daarbuiten. Ook wetenschappelijke instanties in Nederland zoals RIVM en de Gezondheidsraad hebben het gebruik van het model als instrument voor de beoordeling van gezondheidsrisico’s van omwonenden onderschreven. Zodra een middel is goedgekeurd door de Ctgb, staat hiermee in principe al vast dat dit middel op zichzelf of in combinatie met andere gewasbeschermingsmiddelen geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid mag hebben, ook niet voor omwonenden van gewaspercelen. Dat dit in de praktijk ook zo is, wordt ondersteund door onderzoek van RIVM waaruit blijkt dat het wonen nabij percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast niet leidt tot gezondheidsrisico’s, in tegendeel. 5.4. Voorzorg Hiervoor is aan de orde gekomen dat gezondheidseffecten weliswaar niet zijn aangetoond, maar desalniettemin kunnen gewasbeschermingsmiddelen in algemene zin worden beschouwd als gevaarlijke stoffen.

Het is mogelijk dat niet alle effecten van stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en andere stoffen en stofcombinaties in alle omstandigheden bekend zijn. Dat niet alle mogelijke effecten bekend zijn, geldt eveneens voor personen die mogelijk een bijzondere kwetsbaarheid hebben. Er kan verder sprake zijn van bijvoorbeeld vergissingen bij het aanlengen van een middel of bij de configuratie van de apparatuur of van een stuurfout, al dan niet door onregelmatigheden in het terrein. In een situatie waarin sprake is van een dergelijke restonzekerheid, schrijft het voorzorgbeginsel voor dat men zich ervoor moet inspannen om de blootstelling zo klein mogelijk te maken, ook al is er volgens beschikbare inzichten geen sprake van een te hoge blootstelling en/of aantoonbare gezondheidseffecten63. Deze minimalisatie van de driftblootstelling kan worden bereikt door bijvoorbeeld: Enkel gebruiken van laagrisico stoffen voor gewasbescherming; Het toepassen van aanvullende driftreducerende maatregelen (d.w.z. meer dan het wettelijke minimum van 75%); Het maken van extra afscherming; Het aanhouden van extra afstand. In de context van onderhavige rapportage is geen rekening gehouden met maatregelen op de betrokken agrarische gronden.

63

o.m. Rechtbank Oost Brabant 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6305

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 36 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

In de gegeven omstandigheden kan als volgt invulling worden gegeven aan het voorzorgbeginsel. 5.4.1. Afscherming In het EFSA-model is het niet mogelijk om een afscherming in de vorm van een (wind)haag of een scherm te modelleren. Immers het EFSA-model is ervoor bedoeld om gewasbeschermingsmiddelen in alle teeltomstandigheden welke zich in Europa voordoen te beoordelen. Het toelaten van een middel dat afscherming nodig heeft, zou in strijd zijn met de verordening 528/2012/EU. In de context van onderhavige rapportage wordt ook enkel afscherming geadviseerd vanuit het voorzorgbeginsel, niet om het risico op blootstelling tot een aanvaardbaar niveau te reduceren. Zo is van belang dat een windhaag erkend is als 75% driftreducerende techniek; een windhaag staat als zodanig op de ‘lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRTlijst) van de Technische Commissie Techniekbeoordeling (TCT) van 6 december 2021. Dit geldt voor een windhaag voor de periode vanaf 1 mei tot 50% bladval van de windhaag. In principe zal een winterharde i.e. groenblijvende haag daarmee een hoger driftreducerend effect bewerkstelligen aangezien groenblijvende soorten slechts zeer beperkt bladval kennen in de winter.

Los van de erkenning als driftreducerende techniek kan uit andere wetenschappelijke studies kan een hoger driftreducerend effect van een windhaag worden afgeleid64 en hier wordt in het PRI 201565 ook naar verwezen. Op basis hiervan kan rekening worden gehouden met een driftreductie door toepassing van een windhaag, welk effect kan worden vergroot door toepassing van een dubbele windhaag. Op basis van middeling van onderzoeken houdt PRI 2015 bij toepassing een enkele windhaag rekening met een gemiddelde driftreductie van 83 procent bij kale bomen en 97 procent in de situatie dat de bomen bladeren hebben. Bedoelde onderzoeken hebben betrekking op boomgaarden, welke werden afgeschermd met een elzenhaag met een hoogte van 4 meter (1 meter hoger dan het gewas), maar zijn in principe ook relevant voor andere teelten, te meer nu bijvoorbeeld in lagere teelten niet zijwaarts of opwaarts wordt gespoten en evenmin sprake zal zijn van relevante gewasbehandelingen buiten de volbladperiode. Ook een andere vorm van afscherming, namelijk de toepassing van Suzuki-fruitvlieggaas (in eerste instantie bedoeld om deze fruitvlieg te weren) met gesloten regenkappen, wordt erkend als 75% driftreducerende techniek op deze DRT-lijst.

Het effect van dergelijke windhagen wordt in de bedoelde onderzoeken beschouwd wanneer deze direct naast de perceelgrens dan wel (enkele meters) uit het gewas(perceel) zijn geplaatst. In principe is hierbij van belang te kiezen voor een gewas dat een egale dichtheid biedt, waarbij sprake is van een zodanige dichtheid dat objecten aan de andere zijde van de haag kunnen worden waargenomen, maar niet kunnen worden herkend. Bij een dergelijke bladerdichtheid zal een luchtstroom maximaal worden 64

Porskamp H.A.J., Michielsen, J.M.G.P., Huismans, J.F.M., De invloed van een windhaag op emissies bij fruitteeltspuiten, 1999, IMAG-DLO Rapport 94-29, pag. 29 en Wenneker, M., Heijne, B., Van de Zande, J.C., Effect of natural windbreaks on drift reduction in orchard spraying, Communications of Applied Biology Science, Universiteit Gent, 70(2005)4 pag. 961. 65 Plant Research International, Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen, maart 2015

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 37 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

afgeremd waarbij eventueel aanwezige drift in druppelvorm zo veel mogelijk in de haag zelf zal achterblijven. In onderhavige locatiespecifieke situatie kan door toepassing van hagen de driftblootstelling verder worden gereduceerd. Er kan van worden uitgegaan dat druppeldrift tot 75% kan worden gereduceerd. Drift in de vorm van dampen en aerosolen zal niet worden gereduceerd door een haag. Het aansluitend effect van uitdamping uit de haag en aansluitende respiratoire blootstelling wordt verwaarloosbaar geacht, gelet op de omstandigheid dat dit aspect ook is beschouwd in het EFSAmodel aan de hand van de dampdruk voor gewasbeschermingsmiddel dat op het behandelde gewas terecht komt. Daarnaast is relevant dat uitdamping voornamelijk kan plaatsvinden op droge zonnige dag, dus op het moment dat afbraak van de betrokken stoffen onder invloed van de zon ook maximaal is. Voor de Nederlandse situatie is relevant dat toegelaten middelen elders in Europa ook zonder gevaar voor de volksgezondheid moeten kunnen worden toegepast, dus ook in landen waar de factor uitdamping structureel hoger zal zijn vanwege een lage luchtvochtigheid in combinatie met warmer weer (dan in Nederland). Uiteraard dient onderhoud plaats te vinden zodat bedoelde hagen de gewenste configuratie behouden.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 38 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

6.

Conclusie en aanbevelingen

In verband met het woningbouwplan van een drietal vrijstaande woningen binnen de gemeente Bergen heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarische gronden gelegen rondom de beoogde locatie van de nieuwe woningen. Op de betrokken agrarische percelen die als relevant zijn beschouwd in onderhavig onderzoek wordt laagblijvende sierteelt en bollenteelt (bloembollen en -knollen) en verdere laagblijvende eenjarige gewassen (akkerbouw en tuinbouw) als representatieve invulling van de maximale planologische situatie beschouwd. Gelet op de beoordeling die voor individuele representatieve middelen heeft plaatsgevonden op basis van het EFSA-model, behoeft op een afstand van 2-3 meter uit de gewaspercelen al geen rekening meer te worden gehouden met een te hoog risico op blootstelling aan drift. Door de Omgevingsdienst Noord Holland Noord is op 11 november 2021 (OD.355672) geadviseerd over het aspect driftblootstelling aan de hand van een conceptversie van onderhavige rapportage. De Omgevingsdienst geeft aan dat ondanks de relatief grote onderlinge afstand blootstelling plaats kan vinden aan gewasbeschermingsmiddelen, waarbij de effecten onduidelijk zijn ook al wordt voldaan aan de blootstellingsnormen.

In lijn daarmee verzoekt de Omgevingsdienst om in overeenstemming met het voorzorgbeginsel driftreducerende maatregelen aan te geven welke nodig zijn om drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in het plangebied zoveel als mogelijk uit te sluiten. Noordoostzijde In lijn met dit advies wordt gekozen voor afscherming aan de noordoostzijde van het plangebied. Feitelijk is sprake van een afstand van 24 meter tot aan het gewasperceel ten oosten, maar gelet op de geldende bestemming kan hier tot op de perceelgrens worden geteeld. Verwezen wordt naar figuur 10. Zuidzijde Aan de zuidzijde, voor het perceel aan de overzijde van de Banweg, is afscherming niet effectief. Als rekening wordt gehouden met de breedte van aanwezige watergang, bijbehorende teeltvrije zone en de breedte van de Banweg, dan zal aan de zuidzijde sprake zijn van een onderlinge afstand van 8,5 tot 9 meter (zie figuur 10). Vanaf een afstand van 6 meter kan ervan worden uitgegaan dat bij neerwaarts spuiten al alle relevante drift in de vorm van druppels is neergevallen onder invloed van de zwaartekracht. De nog in de lucht aanwezige drift in de vorm van dampen en aerosolen kan niet worden afgeschermd, maar aangezien dampen en aerosolen leiden tot een verhoudingsgewijs zeer geringe blootstelling, kan dit als acceptabel worden beschouwd.

Dit mede nu uit eerdergenoemd onderzoek van RIVM66 blijkt dat van dergelijke blootstellingen geen gezondheidseffecten zijn geconstateerd.

66

RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 39 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

In lijn met het voorgaande wordt op eigen terrein uitgegaan van een zone van minimaal 3,5 tot 4 meter breedte langs de zuidgrens alwaar gekozen wordt voor een tuinbestemming welke uitsluitend mag worden gebruikt voor onderhoud en instandhouding van een siertuin en voor ontsluiting. Op deze wijze wordt extra veiligheidsafstand ingebouwd en kan regulier menselijk verblijf op minder dan 12,5 meter tot het gewasperceel ten zuiden van het plangebied worden uitgesloten.

Figuur 10: uitsnede Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) met projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: PDOK - bewerkt).

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 40 van 41

Spuitzone onderzoek Herenweg en Banweg

Bijlagen 1) Berekening op basis van het EFSA-model voor Flonicamid 2) Berekening op basis van het EFSA-model voor Glyfosaat 3) Berekening op basis van het EFSA-model voor Azachdirachtin 4) Berekening op basis van het EFSA-model voor Spirotetramat 5) Berekening op basis van het EFSA-model voor Azoxystrobin De tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Excel-bestand.

Adromi B.V.

wil/R202167/2301

Pagina 41 van 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5121/documents/41914