CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 12 Herenweg-Banweg Bergen_Quickscan natuurwaardenonderzoek.pdf

Algemene Raadscommissie 10 oktober 2024, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 3: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Herenweg-Banweg Bergen9.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 24

Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

25

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

26

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

27

Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

28

29

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/

30

Bijlage 5. Ecologisch werkprotocol

Aanleiding en doel Er zijn plannen voor verwijderen van bebouwing en verwijderen van beplanting in een plangebied aan de Herenweg (ongenummerd) te Bergen (Noord-Holland). Uitvoering van de voorgenomen activiteiten kan leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, indien de werkzaamheden onzorgvuldig en in de ‘verkeerde tijd’ van het jaar uitgevoerd worden. Daarnaast kunnen beschermde dieren tijdens de bouwfase opduiken in het plangebied en er een voortplantings- of rustplaats bezetten. Risico-bepaling Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan leiden tot een negatief effect op vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Functie: • Vogels; nestplaats • Grondgebonden zoogdieren; voortplantings- en rustplaatsen • Amfibieën; rustplaatsen (mogelijk ontstaan voortplantingsplaatsen) Vogels Er is geen risico op het doden van een volwassen vogel. Wel kunnen vogels in het plangebied nestelen. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en uitvoeren van bouwwerkzaamheden tijdens het voortplantingsseizoen, kan een bezet nest verstoord, beschadigd of vernield worden. Dit kan leiden tot doden van (jonge) vogels en beschadigen/vernielen van eieren. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, wordt geadviseerd de beplanting te verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest in de periode 1 september – 1 april.

De beplanting mag vanuit de Wet natuurbescherming wel verwijderd worden tijdens de voortplantingsperiode. Indien beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden. Dichte vegetatie kan overigens niet goed onderzocht worden middels een broedvogelscan. Sommige vogelsoorten kunnen nestelen op de bouwplaats; ze kunnen nestelen in/op/tussen bouwmaterialen of benutten het gebouw in aanbouw als nestplaats. Daarbij gaat het vaak om soorten als merel, gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart en winterkoning. Om te voorkomen dat vogels gaan nestelen op de bouwplaats, wordt geadviseerd te voorkomen dat vogels een nestplaats kunnen bezetten op de bouwplaats. Dat kan door het gebouw niet toegankelijk te maken voor vogels en mogelijke nestplaatsen, zoals gaten en nissen af te dichten. Om te voorkomen dat oeverzwaluwen in het plangebied gaan nestelen, wordt voorkomen dat potentiële nestplaatsen ontstaan. Er dient voorkomen te worden dat bulten (schraal) zand met steile wanden ontstaan over langere periode (2-3 dagen). Dat kan door de bult zand af te dekken of steile kanten af te vlakken. Grondgebonden zoogdieren In Noord-Holland geldt geen vrijstelling voor het ‘opzettelijk doden’ van een beschermd grondgebonden zoogdier, als gevolg van het uitvoeren van een handeling in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.

Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden wordt het volgende voorgesteld: • natuurvrij maken van het plangebied Doel van natuurvrij maken van het plangebied, is het stimuleren dat beschermde grondgebonden zoogdieren, uit zichzelf het plangebied verlaten en een voortplantingsplaats of rustplaats gaan bezetten buiten het plangebied. Om dieren te stimuleren het plangebied te verlaten wordt geadviseerd opgaande beplanting te verwijderen en grazige vegetatie kort te maaien en vervolgens kort te houden. Ook wordt alle 31

bebouwing, afval, rommel en opgeslagen materiaal afgevoerd. Tak- en tophout wordt van het plangebied afgevoerd. De volgorde van werkzaamheden is: 1. kort maaien van de grazige vegetatie 2. verwijderen houtige beplanting, ruigte en opgaande beplanting 3. verwijderen bebouwing, rommel en opgeslagen goederen 4. uitvoeren grondverzet Om te voorkomen dat jonge, grondgebonden zoogdieren gedood worden, wordt het terrein bij voorkeur natuurvrij gemaakt buiten de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren. Bebouwing dient verwijderd te worden buiten de winterrustperiode van amfibieën (oktober-maart). • Natuurvrij houden van plangebied Grondgebonden zoogdieren bezetten niet snel een voortplantings- of rustplaats op een bouwplaats. Het uitvoeren van specifieke maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht. Amfibieën In Noord-Holland geldt geen vrijstelling voor het ‘opzettelijk doden’ van een beschermd amfibie, als gevolg van het uitvoeren van een handeling in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden wordt het volgende voorgesteld: • natuurvrij maken van het plangebied Doel van natuurvrij maken van het plangebied, is het stimuleren dat beschermde amfibieën, uit zichzelf het plangebied verlaten en een voortplantingsplaats of rustplaats gaan bezetten buiten het plangebied.

Om dieren te stimuleren het plangebied te verlaten wordt geadviseerd opgaande beplanting te verwijderen en grazige vegetatie kort te maaien en vervolgens kort te houden. Ook wordt alle bebouwing, afval, rommel en opgeslagen materiaal afgevoerd. Tak- en tophout wordt van het plangebied afgevoerd. De volgorde van werkzaamheden is: 1. kort maaien van de grazige vegetatie 2. verwijderen houtige beplanting, ruigte en opgaande beplanting (vellen) 3. verwijderen bebouwing, rommel en opgeslagen goederen 4. uitvoeren grondverzet Om te voorkomen dat amfibieën in hun rustplaats gedood worden, wordt grondverzet bij voorkeur uitgevoerd buiten de winterrustperiode. Dat geldt ook voor het verwijderen van opgeslagen spullen en rommel. Normaal gesproken wordt geen amfibie gedood als gevolg van het vellen van beplanting en verwijderen van bebouwing. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de rugstreeppad. Deze soort bezet (tijdelijke) poeltjes en plassen als voortplantingsbiotoop. Door te voorkomen dat (tijdelijke) poeltjes en plassen ontstaan, wordt voorkomen dat de rugstreeppad deze benut als voortplantingsplaats. Daartoe wordt het plangebied ‘glad’ gehouden en worden gaten, als gevolg van insporing e.d. gedicht. Zie ‘natuurkalender’ , in bijlage 1.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/5121/documents/41912